Voorstel Herhaalde vaststelling 'Bestemmingsplan, nabij Oosteind 130' - Voorstel.pdf
Tekst van het document
Afbeelding 7: Bestaande situatie verharding
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen
31/225
27
per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woning wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Papendrecht. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zijn zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijke materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen.
Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Ter bescherming van de waterkering wordt op basis van de Barro (2012) voor de buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 2’ opgenomen.
Afbeelding 8: Legger waterkeringen
32/225
28
Wegbeheer In de huidige situatie kan het plangebied worden bereikt vanaf de Tiendweg-Oost (zie paragraaf 2.2.2). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse. Voor het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
33/225
29
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van een kleinschalige schuurwoning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van een geluidgevoelig object. Het plangebied is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Ketelweg en de Burgemeester Keijzerweg. Tevens zijn de woningen gesitueerd in de nabijheid van de gezoneerde industrieterreinen Oosteind en De Staart. Door Voortman Ingenieurs is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: ‘wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Ketelweg en Burgemeester Keijzerweg ten hoogste respectievelijk 41 en 42 dB dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer;
34/225
30
•
De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (inclusief 30 km/h wegen) ten hoogste 44 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt.
Industrielawaai • De etmaalwaarde van de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde industrieterrein “Oosteind” en “De Staart” ten hoogste respectievelijk 54 en 54 dB(A) bedraagt en hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) maar niet hoger is dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) voor industrielawaai; • De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van beide industrieterreinen bedraagt ten hoogste 57 dB(A). Algemeen • Omdat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan cumulatie met industrielawaai achterwege blijven; • De woning beschikt over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Aan te vragen hogere grenswaarden industrielawaai Een verzoek tot vaststelling voor de in tabel 4.1 en 4.2 weergegeven hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Papendrecht. Geluidwering van de gevel Conform het Bouwbesluit 2012 is een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel noodzakelijk omdat -uitgaand van een gecumuleerde geluidbelasting van 57 dB(A) en een toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) ten gevolge van industrielawaai - een geluidwering is vereist van 22 dB(A).’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
Ten gevolge van industrielawaai dient wel een hogere waarden te worden aangevraagd en een onderzoek geluidwering naar de gevel te worden uitgevoerd.
35/225
31
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 23,41 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 21,36 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 13,11 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
36/225
32
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
37/225
33
5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een historisch dijklint in de nabijheid van bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd.
De richtafstanden voor gemengd gebied mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Aan de noord-, oost- en westzijde van het plangebied bevinden zich geen bedrijven of andere milieubelastende functies. Ten zuiden van het plangebied zijn bedrijventerrein ‘Oosteind’ en bedrijventerrein ‘De Staart’ gelegen. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone m.b.t. industrielawaai van deze bedrijventerreinen. Om aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning en dat er geen sprake is van beperkingen voor de aanwezige bedrijven is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Met dit onderzoek (paragraaf 5.3) is aangetoond dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat het plan niet voor beperkingen zorgt voor de bedrijven. Bijkomend werken de bestaande woningen aan de dijk theoretisch gezien reeds beperkender dan de nieuwe woning welke middels het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen
38/225
34
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire bronnen/risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied een locatie waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op 140 meter bevindt zich een ammoniakopslaglocatie. Dit is een risicovolle inrichting op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel e van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Deze opslag heeft geen plaatsgebonden risico. Verder is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van Du Pont de Chemours BV. Het plangebied is gelegen buiten de PR10-6 contour van de Beviinrichtingen. Derhalve kan gesteld worden dat het plan niet significant zal bijdragen aan het groepsrisico. Het uitvoeren van een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Wel dient er een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant transport van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, er bevinden zich geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen en geen spoorwegen.
De A15 (820 meter), de Beneden-Merwede (750 meter) en de Betuwelijn (870 meter) zijn op ruim voldoende afstand gelegen. Het plangebied is wel gelegen in het invloedsgebied van de vaarweg en spoorweg. Er dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig.
39/225
35
Groepsrisico Bevi-inrichtingen, vaarweg & spoorweg Geen van de PR 10-6 contouren reikt tot het plangebied, waardoor er geen wettelijke belemmeringen gelden voor het plan. Voor de bovengenoemde Bevi-inrichtingen, vaarweg en spoorweg dient wel voor het groepsrisico een verantwoording en van beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. Voor het nabijgelegen bestemmingsplan ‘Zeven bouwkavels Tiendzone’ (d.d. 15 juni 2017) is reeds onderzoek uitgevoerd naar de risicobronnen van de autoweg, vaarweg en Chemours. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in het kader van dat bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen kan leiden tot een zeer minimale toename van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar bijlage 'Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht, notitie AGEL Adviseurs d.d. 21 juli 2015’. In het rapport waarnaar verwezen wordt is de spoorweg niet meegenomen, daarom wordt hiervoor onderstaand apart aandacht besteed aan het groepsrisico. Toxisch scenario, bestrijdbaarheid & zelfredzaamheid spoorweg Door een incident op de Betuwelijn met een tank met toxische vloeistof kan de tankwand scheuren. Een groot deel van de toxische vloeistof kan in korte tijd uitstromen.
De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp kan worden meegevoerd door de wind. Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. De brandweer kan zich ook richten op het verdunnen van toxische dampen. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de weersomstandigheden en de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een toxisch incident is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-havenprincipe). Indien geen safe-haven realiseerbaar is, dient bij een toxische wolk gevlucht te worden haaks op de wolk. Er zijn voldoende mogelijkheden om via omliggende wegen het gebied te verlaten. Een maatregel die de zelfredzaamheid verder vergroot, betreft risicocommunicatie om het risicobewustzijn te vergroten.
40/225
36
Brandweer Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De afstand van een opstelplaats van een tankautospuit en de toegang van een woning mag maximaal 40 meter zijn. Binnen 30 meter van de bestaande schuur is een opstelplaats voor een tankautospuit aanwezig, zie onderstaande afbeeldingen. Tevens is er op 37 meter meer dan voldoende manoeuvreerruimte voor de brandweer. Bijkomend komt de woning dichter richting de Tiendweg-Oost t.o.v. de huidige schuur, waarmee deze afstand nog kleiner wordt. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde handreiking omtrent een opstelplaats voor de brandweer.
Afbeelding 9: Impressie opstelplaats brandweer (afmetingen indicatief)
41/225
37
Voldoende ruimte voor opstelplaats brandweer
37 m 30 m
Beoogde woning Afbeelding 10: Impressie opstelplaats brandweer (2)
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42/225
38
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Op 185 meter ten westen van het plangebied is enkel de hoogspanningslijn Dordrecht Merwedehaven – Alblasserdam (150 kV) gelegen. Deze hoogspanningslijn heeft een indicatieve zone van 90 meter aan weerszijde van de lijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Hiermee kan worden gesteld dat het plangebied ruim buiten deze indicatieve zone is gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
43/225
39
5.8 Natuur Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage voor deze quickscan). De resultaten uit de quickscan luiden als volgt: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sloop van de schuur en de steiger en de realisatie van de schuurwoning met steiger nabij Oosteind 130 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
44/225
40
•
•
•
•
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’
Stikstof ‘De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een schuurwoning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Sedert 27 januari 2021 is een stroomschema vanuit OZHZ beschikbaar waarmee aangetoond kan worden of een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar (…). De afstand tussen de planlocatie en het Natura-2000 gebied ‘Biesbosch’ bedraagt circa 2,5 km (…). Gezien de planlocatie in stedelijk gebied verkeerd, en de afstand tussen planlocatie en het Natura-2000 gebied meer dan 2,1 km bedraagt, kan op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.’ Het beoordelingskader / stroomschema is in het onderzoeksrapport in figuur 8 opgenomen. Voor de volledigheid is het kader tevens in onderstaande afbeelding weergegeven.
45/225
41
Afbeelding 11: Stroomschema stikstofdepositie OZHZ
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie.
46/225
42
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Bodemopbouw en veldwaarnemingen • Ter plaatse van de bestaande bebouwing is het terrein verhard met klinkers gelegen op een straatlaag van zand op een ondergrond van klei met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind. In verband met de bijmenging is aanvullend een asbest bodemonderzoek uitgevoerd. • Ter plaatse van het noordelijke terreindeel zijn zowel in de boven- als ondergrond geen waarneming gedaan aan de uitkomende grond die een aanleiding geeft voor een mogelijke bodemverontreiniging.
• De algehele bodemopbouw bestaat uit (geroerde) klei op een veenlaag op een diepte vanaf circa 1,50 á 1,80m-mv. • Op het zuidelijke terreindeel is een houten schuur aanwezig met aan de westzijde een houten vlonder. Aan de andere zijde van de schuur is bestrating aanwezig. • Het noordelijke terreindeel bestaat uit gras met bomen en lage borders met beplanting. • Bij het uitvoeren van de terrein inspectie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. • De huidige eigenaar geeft aan dat bij baggerwerkzaamheden van de naastliggende sloot en wiel de bagger verspreid is over het noordelijk terrein deel. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek • De bovengrond met een zwakke puin bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse industrie. • De bovengrond zonder bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse wonen. • De ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan klasse altijd toepasbaar. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium. • In de grond met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd, waarbij één stukje asbesthoudend 47/225
43
plaatmateriaal. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de grond niet verontreinigd is met asbest boven de tussenwaarde (50 mg/kg ds) en interventiewaarde (100 mg/kg ds). Hypothese De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen ontwikkeling, vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.
48/225
44
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelhoge archeologische verwachting. Bij bodem verstorende ingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderhavige nieuwbouw van de woning betreft max. 80 m2 op grond waar de bodem reeds is geroerd (te saneren schuur). Hierdoor is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
49/225
45
Plangebied
Afbeelding 12: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
50/225
46
5.11 Duurzaamheid De gemeente Papendrecht heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door de bestaande bebouwde ruimte (schuur) te gebruiken om te voorzien in een concrete woningbehoefte (schuurwoning), hiermee wordt op een duurzame wijze omgegaan met de ruimte. Tevens wordt de woning geïsoleerd conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang is met een groene inrichting sprake van een betere situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het plangebied wordt groen ingericht.
51/225
47
6.
Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ bestaat uit drie delen: de toelichting, regels en verbeelding. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ is aansluiting gezocht bij de beheersverordening ‘Papendrecht’ van de gemeente Papendrecht. Hier is voor gekozen omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit plan. De regels van het bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Wonen Ten behoeve van de schuurwoning wordt de bestemming ‘Tuin’ gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Ter plaatse wordt een bouwvlak opgenomen. Water Ter plaatse van de watergang aan het wiel wordt de bestemming ‘Water’ opgenomen. Waarde – Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Deze regels die binnen deze bestemming gelden, hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.
52/225
48
6.4 Aanduidingen • • • • • • •
Bouwaanduiding: ‘bouwvlak’; Bouwaanduiding: ‘bijgebouwen’; Gebiedsaanduiding: ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Gebiedsaanduiding: ‘geluidszone – industrie (industrieterreinen ‘De Staart’ & ‘Oosteind’’; Maatvoering: maximum aantal woonheden 1; Maatvoering: maximum bouwhoogte 6,0m; Maatvoering: maximum goothoogte 3,0m.
53/225
49
7. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen nieuwbouw, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke hierbij aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Er is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt en wat de plankosten zijn. Er wordt dan ook geen exploitatieplan vastgesteld met het bestemmingsplan, omdat het verhaal van kosten anderszins is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
7.2 Maatschappelijk draagvlak In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de directe buren reeds persoonlijk geïnformeerd in een vroeg stadium, de principeverzoekfase. Naast de directe buren is ook de Stichting Dorpsbehoud Papendrecht geïnformeerd. Zowel de directe buren als de stichting hebben het onderhavige plan positief ontvangen.
7.3 Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 24 maart 2021 is via het 'E-formulier aanbieden ruimtelijke plannen' de uitkomst verkregen dat het voorontwerpplan niet aan de Provincie Zuid-Holland hoeft te worden toegezonden. Het voorontwerpplan is op 24 maart 2021 toegezonden aan de volgende instanties, met het verzoek om uiterlijk 21 april 2021 te reageren: • Waterschap Rivierenland; • Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid; • Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; • Gasunie; • Oasen; • Stedin; • Tennet. Het Waterschap Rivierenland geeft in de reactie 14 april 2021 aan geen opmerkingen op het plan te hebben. Voor de uitvoering van de plannen kunnen de initiatiefnemers contact zoeken met de afdeling vergunningen (om gebruik te kunnen maken van de eenmalige vrijstelling & het plaatsen van een steiger en/of beschoeiing).
54/225
50
Van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid is geen reactie ontvangen. De Veiligheidsregio ZHZ kan zich in de reactie van 31 maart 2021 vinden in paragraaf 5.6 Externe veiligheid van de toelichting en de Memo Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht (AGEL adviseurs, 21-07-2015). De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Gasunie heeft blijkens de reactie van 24 maart 2021 vastgesteld dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding van de Gasunie valt en dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Stedin gaat er in de reactie van 24 maart 2021 van uit dat met de realisatie van de woning rekening wordt gehouden met de ligging van eventuele aanwezige kabels en leidingen in het plangebied.
Tennet geeft in de reactie van 29 maart 2021 aan dat Tennet binnen de grenzen van het plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Oasen heeft in de reactie van 15 april 2021 laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot opmerkingen. Het voorontwerp bestemmingsplan is ook toegezonden aan de Natuur- en Vogelwacht "De Alblasserwaard". De NVWA geeft in haar reactie d.d. 25 maart 2021 aan dat het plangebied deel uitmaakt van een Groene Long in Papendrecht. Die Groene Long moet zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. De adviseur natuurtuinen biedt aan te adviseren over het groen inrichten van de tuin. Bij voorkeur dient de oppervlakte buiten de bebouwing doorlaatbaar te blijven; dit houdt ook in dat de parkeerplaats voor auto’s gemaakt wordt met doorlaatbare stenen.
7.4 Zienswijze ontwerpbestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben van 8 april tot en met 19 mei 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De terinzagelegging is bekend gemaakt in de Staatscourant, de Klaroen en op de gemeentelijke website www.papendrecht.nl. Het ontwerpbestemmingsplan kon worden ingezien in het gemeentehuis van Papendrecht, op de gemeentelijke site en de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Er zijn geen zienswijze(n) ingediend.
55/225
51
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan “Papendrecht, nabij Oosteind 130” Planstatus: vastgesteld Datum: 2021-09-30 Plan identificatie: NL.IMRO.0590.BPhOosteind130-3001
56/225
Inhoud 1. Bijlage 1 Watertoets 2. Bijlage 2 Akoestisch onderzoek 3. Bijlage 3 Verantwoording groepsrisico Tiendzone 4. Bijlage 4 Ecologische quickscan 5. Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek
2 57/225
datum 17-11-2020 dossiercode 20201117-9-24784
Projectomschrijving Nabij Oosteind 130 Papendrecht. Sanering schuur, realisatie één schuurwoning.
Algemene projectgegevens Plannaam: Nabij Oosteind 130 Papendrecht Adres: Oosteind Ongenummerd, Papendrecht Gemeente: Papendrecht Het plan is ingediend door: Gerben Kooijman Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer b.v. Oppervlakte plangebied: 422 Geachte lezer, U heeft het waterschap geïnformeerd over het plan Nabij Oosteind 130 Papendrechtaan de Oosteind Ongenummerd in Papendrecht via de website www.dewatertoets.nl. Uit de toets blijkt dat u de gangbare watertoetsprocedure moet volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig met u meedenken, u informeren en u adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van uw plan [Nabij Oosteind 130 Papendrecht. Sanering schuur, realisatie één schuurwoning.]. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Deze uitgangspuntennotitie is onderdeel van de watertoetsprocedure. Deze uitgangspuntennotitie vormt de start voor uw overleg met het waterschap. De notitie is automatisch opgesteld op basis van uw antwoorden en uw ingetekende plangebied. Waterschap Rivierenland geeft in deze uitgangspuntennotitie aan welke wateraspecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De gemeente draagt ook zorg voor aspecten van de waterhuishouding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te stemmen.
U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waterschap Rivierenland voor overleg. De contactinformatie vindt u aan het einde van deze uitgangspuntennotitie. Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waterschap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualiseerd. Het plan omvat alle watertaken van het waterschap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, schoon en voldoende water. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In de Keur staan regels voor de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kunstwerken. In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waterschap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks- of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepassing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waterschap worden getoetst aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. We blijven ernaar streven om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben.
Het waterschap heeft samen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbestendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. Op de website ( https://nl.urbangreenbluegrids.com/bouwadaptief/) kunt u zich laten inspireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen. Waterveiligheid Om ons te beschermen tegen hoogwater beheert en onderhoudt het waterschap de waterkeringen (zoals bijvoorbeeld dijken) in ons rivierengebied. Nieuwe plannen mogen onze waterveiligheid niet in gevaar brengen. Daarom staan in de Keur beperkingen voor bouwen en andere activiteiten op en langs waterkeringen. Er ligt geen waterstaatswerk of beschermingszone in uw plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn voor u niet van toepassing. 58/225 We vragen u de buitenbeschermingszoneaan te duiden met een algemene aanduidingsregel: Ter plaatse van de gebiedsaanduiding
'vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. In buitenbeschermingszones zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder watervergunning; afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar, aanleggen van bodemenergiesystemen en werken met explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Grondwater (algemeen) Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in sloten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlast door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel. Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We adviseren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo voorkomt u overlast door grondwater. We adviseren om onderzoek te doen in gebieden waar overlast door grondwater bekend is of waar hoge grondwaterstanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlast te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.
Infiltreren Het is wenselijk dat uw plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vast voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Kansrijke gebieden voor infiltratie zijn weergegeven op de attentiekaart infiltratiegebieden. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. De kaart kunt u opvragen bij onze accountmanager. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaatsvinden. Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Binnen uw plan neemt de verharding af of blijft gelijk. U hoeft geen watercompensatie te realiseren. Watergangen Werkzaamheden in de watergang hebben invloed op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Voor deze werkzaamheden geldt een vergunning- of meldplicht. A- en B-watergangen hebben een beschermingszone. De beschermingszone is in de legger opgenomen. De beschermingszone van een watergang is een obstakelvrije strook. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt en wordt het talud beschermd.
Bij A-watergangen is de beschermingszone minimaal 4 meter breed, gemeten uit de insteek. In de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena is de beschermingszone minimaal 5 meter breed, gemeten uit de insteek. Bij B-watergangen is de beschermingszone minimaal 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Binnen het plangebied ligt een C-watergang. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij een C-watergang kunnen aanleiding zijn voor een statuswijziging. Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang.
Verbeelding We vragen u A-watergangen te bestemmen als Water. De beschermingszone van de watergangen hoeft niet te worden bestemd. Voor de boezemgebieden of het winterbed verzoeken we de dubbelbestemming Waterstaat Waterberging op te nemen. Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgt een aantal algemene aandachtspunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: ● Gebruik geen uitlogende materialen zoals zink of koper. Zo komen deze materialen niet in de sloot terecht. Gebruikt u wel uitlogende
materialen, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd. ● Bladeren van bladverliezende bomen langs het water komen vaak in het water terecht. Dit kan de waterkwaliteit negatief beïnvloeden.
U kunt de hoeveelheid bladafval in de watergang beperken door rekening te houden met de plaatsing van bomen. ● Neem de ecologische waarde mee in het ontwerp van een watergang, wadi, etc. Door aandacht te hebben voor de ecologische waarde,
vergroot u deze zonder al te veel moeite. Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de mogelijkheid om het 59/225 rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat hemelwater gescheiden wordt afgevoerd. Het
waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater. Het stroomt eerst door een berm, wadi of bodempassage om het water te filteren. Bij bedrijventerreinen wordt ernaar gestreefd om het hemelwater gescheiden van vuil water af te voeren. In het algemeen wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel.
In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.
Vervolgtraject Het is van belang om de accountmanager van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager Papendrecht Elisabeth de Nooijer telefoon: 06-20132812 e-mailadres: E.de.Nooijer@wsrl.nl © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar.
www.dewatertoets.nl
60/225
datum 17-11-2020 dossiercode 20201117-9-24784 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? Papendrecht Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? nee Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? nee Afbeeldingen geraakte toetslagen
Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten
61/225
62/225
www.dewatertoets.nl
63/225
Blinde Banisweg 15, 7462 VH, Rijssen E info@voortmaningenieurs.nl I www.voortmaningenieurs.nl
T (0548) 51 22 88 NL34 RABO 0113973667 BTW-id NL001579217B45
Rapport Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai woning nabij Oosteind 130 te Papendrecht
projectnummer
20.1489
kenmerk
R-JVO/1631
opdrachtgever
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer bv
postadres
Lekdijk 44 2967 GB LANGERAK
contactpersoon
dhr. G. Kooijman
telefoon
(0184) 600 240
gerben@vandenheuvelbv.eu
status
Definitief
versie
3
aantal pagina’s
16
datum
4 maart 2021
auteur
Ing. J. Voortman
paraaf
© Voortman Ingenieurs Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Voortman Ingenieurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is64/225 vervaardigd.
16
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING
2
2
WETTELIJK KADER
3
2.1
Algemeen
3
2.2
Zones langs wegen
3
2.3
Grenswaarden wegverkeerslawaai
4
2.4
30 km/h zone
5
2.5
Aftrek artikel 110g Wet geluidhinder
5
2.6
Grenswaarden industrielawaai
5
2.7
Cumulatie
6
2.8
Plangebied
6
2.9
Gemeentelijk geluidbeleid
7
3
ONDERZOEKSGEGEVENS
8
3.1
Onderzoeksgebied
8
3.2
Rekenmethode wegverkeerslawaai
8
3.3
Verkeersgegevens wegverkeer
9
4
ONDERZOEKSRESULTATEN
10
4.1
Rekenresultaten en toetsing wegverkeerslawaai
10
4.2
Rekenresultaten en toetsing industrielawaai
12
4.3
Gecumuleerde geluidbelasting
14
5
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
15
5.1
Aan te vragen hogere grenswaarden industrielawaai
16
5.2
Geluidwering van de gevel
16
Bijlagen Bijlage 1: Figuren akoestisch model, situatie en schetsontwerp woning Bijlage 2: Invoergegevens akoestisch model Bijlage 3: Rekenresultaten wegverkeerslawaai Bijlage 4: Rekenresultaten industrielawaai industrieterrein “Oosteind” Bijlage 5: Rekenresultaten industrielawaai industrieterrein “De Staart”
datum
4 maart 2021
kenmerk
R-JVO/1631 20.1489
65/225
pagina 1 van 16
16
1
INLEIDING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer bv is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van een woning nabij Oosteind 130 te Papendrecht. In afbeelding I is de situering en in bijlage 1 het schetsontwerp van de woning weergegeven. Afbeelding I: situering woning nabij Oosteind 130 te Papendrecht (bron: kadastralekaart.com)
De woning is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Ketelweg, de Burgemeester Keijzerweg en de invloedssfeer van diverse 30 km/h wegen. Tevens is de woning gesitueerd binnen de geluidzone van de gezoneerde industrieterreinen “Oosteind” en “De Staart”. Doel van het onderzoek is om in het kader van de ruimtelijke onderbouwing de geluidbelasting op de woning ten gevolge van wegverkeerslawaai en industrielawaai te bepalen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid.
datum
4 maart 2021
kenmerk
R-JVO/1631 20.1489
66/225
pagina 2 van 16
16
2
WETTELIJK KADER
2.1
Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het wettelijke kader voor de toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg of spoorlijn op geluidgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, onderwijsgebouwen en zorginstellingen. Het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 stelt regels aan het bepalen van de geluidbelasting. Binnen de geluidzone van een weg of spoorlijn dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Uitgangspunt voor het bepalen van de toekomstige geluidbelasting is het zogenaamde maatgevende jaar. In beginsel is dat minimaal 10 jaar na realisatie van de bouwplannen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Europese dosismaat L den (day-evening-night) in dB rekenkundig als volgt bepaald: ▪
Lden = 10log 1/24 (12 x 10^(Lday/10) + 4 x 10^(Levening/10) + 8 x 10^(Lnight/10))
De geluidbelasting Lden-waarde is het energetisch en naar de tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende drie waarden:
2.2
▪
het geluidniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur);
▪
het geluidniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB;
▪
het geluidniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) + 10 dB.
Zones langs wegen De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde geluidzone van een weg. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt beschreven dat alle wegen een zone hebben, uitgezonderd wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt en wegen gelegen binnen als een woonerf aangeduid gebied. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard (stedelijk of buitenstedelijk) van de omgeving. De afstanden worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. In tabel 2.1 zijn de zonebreedten weergegeven. Tabel 2.1: zonebreedten aantal rijstroken
datum
breedte van de geluidzone [m] stedelijk gebied
buitenstedelijk gebied
1 of 2
200
250
3 of 4
350
400
5 of meer
350
600
4 maart 2021
kenmerk
R-JVO/1631 20.1489
67/225
pagina 3 van 16
16
In artikel 1 van de Wet geluidhinder is het stedelijk en buitenstedelijk gebied als volgt gedefinieerd: ▪
stedelijk: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg;
▪
buitenstedelijk: het gebied buiten de bebouwde kom (begrensd door de borden van de komgrens) en het gebied (binnen en buiten de bebouwde kom) binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
In artikel 75 van de Wet geluidhinder is geregeld dat het breedste zonedeel van een weg, bij een overgang tussen weggedeelten met verschillende zonebreedte, over een afstand van een derde van de breedte nog langs de wegas doorloopt. Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg.
2.3
Grenswaarden wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van nieuwe en bestaande woningen langs nieuwe en bestaande wegen binnen en buiten de bebouwde kom. In tabel 2.2 zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden weergegeven waarin in verschillende situaties moet worden voldaan. Tabel 2.2: overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden wegverkeerslawaai stedelijk gebied
buitenstedelijk gebied
woning
weg
voorkeursgrenswaarde
maximale ontheffing
voorkeursgrenswaarde
maximale ontheffing
nieuw
nieuw
48 dB
58 dB
48 dB
53 dB
bestaand
nieuw
48 dB
63 dB
48 dB
58 dB
bestaand
in reconstructie
48 dB
68 dB
48 dB
68 dB
nieuw
bestaand
48 dB
63 dB
48 dB
53 dB
In situaties met nieuwe woningen en/of nieuwe wegen moet in beginsel voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op een geluidgevoelige bestemming hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dient de toepassing van geluidreducerende maatregelen te worden onderzocht. In artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder is vermeld dat hogere grenswaarden pas kunnen worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugdringen van de geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedebouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
datum
4 maart 2021
kenmerk
R-JVO/1631 20.1489
68/225
pagina 4 van 16
16
2.4
30 km/h zone Wegen waar een maximum rijsnelheid van 30 km/h geldt, zijn in de zin van de Wet geluidhinder niet zoneplichtig. Een akoestisch onderzoek is voor dergelijke wegen derhalve niet noodzakelijk. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (nr. 200203751/1: Abcoude) uitgesproken dat in een dergelijk geval nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke onderbouwing. Uit jurisprudentie blijkt dat ook bij 30 km/h zones de geluidbelasting onderzocht dient te worden. Deze wegen worden niet getoetst aan de Wet geluidhinder maar de geluidbelasting wordt inzichtelijk gemaakt om de noodzaak van eventuele gevelmaatregelen te kunnen bepalen.