Verslag Oordeelsvorming 26.2.2026.pdf
Tekst van het document
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE OORDEELSVORMENDE VERGADERING d.d. 26 februari (aanvang 21.00 uur) Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op www. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw T.C. van Es, voorzitter; De heer M.H.A. Verweij (PAB), de heer A. Tieleman (PAB), de heer K. Spitsbaard (OP), mevrouw A. Bokma (VVD), de heer L.T. van den Dool (CDA), mevrouw S.J.A. Verdoorn-de Lang (VVD), de heer R. Schuil (CDA), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer A. Rietveld (CU), de heer W. Goudriaan (SGP), mevrouw D. Yildiz-Karso (PvdA), de heer Th. Wolters (PvdA) en de heer P.C. Grimmius (GL). Mevrouw W. Renzen - Van Leeuwen, portefeuillehouder; De heer A.J. Kosten, portefeuillehouder; De heer A.C.N. Mullenders, plv. griffier/raadsadviseur. 01.
Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom.
02.
Vaststellen agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.
03.
Mededelingen. Er zijn geen mededelingen.
04.
Vragenkwartier. Er zijn geen vragen.
05.
Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers.
06.
Rekenkamerrapport “De effectiviteit van preventief Jeugdbeleid.” De heer VAN DEN DOOL zegt dat er veel verschillende interventies zijn en dat het daarom belangrijk is om als raad een goed gesprek te voeren over de vervolgkeuzes. Omdat dit met 23 raadsleden complex kan zijn, stelt hij voor om vooraf verschillende scenario’s of mogelijkheden te laten uitwerken. Dit zou de raad helpen om het gesprek gestructureerd te voeren en duidelijke handvatten te hebben bij het maken van keuzes. Hij vraagt de andere fracties hoe zij tegenover deze werkwijze staan. Indien de raad vindt dat dit een geschikte methode is, kan het (nieuwe) college deze keuze gebruiken als richting voor de verdere voorbereiding. 1
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
Mevrouw BOKMA geeft aan dat de VVD-fractie kan instemmen met de gevraagde beslispunten, maar wel enkele kanttekeningen plaatst. In het raadsvoorstel wordt gesproken over mogelijke financiële consequenties. Zij benadrukt dat eerst bezuinigd moet worden op ineffectieve en gestapelde preventieprogramma’s. Alleen wanneer dat onvoldoende begrotingsruimte oplevert, kan worden gekeken naar aanvullende middelen. Zij geeft daarbij aan op voorhand niet akkoord te gaan met extra budget. T.a.v. de informatievoorziening merkt zij op dat de raad herhaaldelijk om verdiepende gegevens van Sterk Papendrecht en de samenwerkende partners heeft gevraagd, maar dat cijfers over de effectiviteit van interventies nog steeds ontbreken. Men zal aanvullende vragen over de organisatiestructuur van Sterk Papendrecht en de betrokken partners schriftelijk indienen. Over het voorstel van de CDA-fractie geeft zij aan hiermee in te kunnen stemmen, met de aanvulling dat als basis het recent vastgestelde beleid moet worden gebruikt. Vanuit dat kader kan worden bepaald welke onderwerpen prioriteit hebben voor verdere verdieping. Mevrouw STIGTER verwijst naar zowel de recente beeldvormende sessie als de sessie van september, waarin meer verdieping werd geboden en handvatten werden gegeven voor het beter opstellen van beleidsnotities.
In het huidige besluit mist de fractie deze lijn en de concrete vertaling van die aanbevelingen. Zij ondersteunt de opmerking dat de nieuwe raad zou moeten bespreken welke prioriteiten zij stelt, maar ook hoe beleidsstukken voortaan opgesteld dienen te worden. Zij geeft aan dat de 10 aanbevelingen uit het rekenkamerrapport zichtbaar moeten terugkomen in de besluitvorming, zodat duidelijk is hoe effecten, doelen en besluitpunten benoemd en uitgewerkt moeten worden. De CU-fractie vraagt deze elementen expliciet mee te nemen in de verdere besluitvorming. De VOORZITTER neemt aan dat haar fractie dan een amendement zal indienen, hetgeen mevrouw STIGTER inderdaad overweegt. De heer GOUDRIAAN bedankt de Rekenkamercommissie voor het rapport en geeft aan de conclusies en aanbevelingen in algemene zin te kunnen onderschrijven. Ook merkt hij op dat het college de aanbevelingen volgens de begeleidende brief heeft overgenomen. Hij benadrukt dat de aanbevelingen vooral oproepen tot meer afbakening en inkadering. Tegelijkertijd verwijst hij naar een recente beeldvormende sessie waarin de gemeente Kampen toelichtte hoe daar met jeugdbeleid wordt geëxperimenteerd: nieuwe interventies mogen worden uitgeprobeerd, waarna na een jaar wordt beoordeeld of deze effectief zijn; zo niet, dan wordt ermee gestopt. De heer GOUDRIAAN vraagt het college hoe zij deze ruimte om te experimenteren ziet.
Tot slot geeft hij aan dat zijn fractie zich kan vinden in het voorliggende voorstel en in de punten die eerder door de heer Van den Dool zijn ingebracht. 2
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
De heer VERWEIJ benadrukt dat de raad al sinds 2015 vraagt om duidelijke en bruikbare informatie over het jeugdbeleid. Het gaat daarbij niet alleen om cijfers over activiteiten en aantallen, maar vooral om informatie die inzicht geeft in de werking en effecten van het beleid. Zijn fractie mist antwoord op kernvragen zoals: wat werkt, voor wie werkt het, wat levert het op, wat kost het, en moet worden doorgegaan, bijgestuurd of gestopt? Met name zicht op het beëindigen van ineffectieve interventies ontbreekt. Volgens de PAB-fractie is dit gebrek aan outcome-informatie een structureel probleem, zeker gezien de maatschappelijke impact en de financiële druk binnen de jeugdzorg. Daarom ziet men veel waarde in het rekenkamerrapport: het maakt duidelijk waarom de raad onvoldoende grip ervaart en welke verbeteringen nodig zijn. Belangrijke punten hierin zijn: een heldere afbakening van preventief jeugdbeleid, betere keuzeprocessen rondom doelen en doelgroepen, systematische toetsing van voorstellen en het structureel opnemen van informatie over resultaten en effecten. De PAB-fractie ondersteunt de conclusies en aanbevelingen uit het rapport, omdat deze volgens hen concrete aangrijpingspunten bieden voor betere kaderstelling en controle.
De heer VERWEIJ spreekt de verwachting uit dat toekomstige raadsvoorstellen op het gebied van jeugdbeleid aantoonbaar aansluiten bij de werkwijze zoals het rapport die beschrijft. Dit houdt onder andere in: duidelijke doelen en doelgroepen, een afgebakende beschrijving van preventie, inzet van bewezen interventies, meetbare indicatoren en een onderbouwing die besluitvorming en bijsturing mogelijk maakt. Hij vraagt daarnaast of het college in de begroting een structurele post voor preventie kan opnemen. Tot slot sluit de heer VERWEIJ zich aan bij eerdere sprekers die aangaven dat ook de nieuwe raad kennis moet nemen van de voorafgaande sessies, zodat zij goed kunnen ingaan op de vragen en keuzes die in het debat naar voren zijn gebracht. De heer GRIMMIUS zegt dat de GL-PvdA fractie de conclusies en aanbevelingen uit het rekenkamerrapport onderschrijft. Daarbij merkt hij op dat het vooral de raad zelf is die met deze aanbevelingen aan de slag moet. Omdat de huidige raad dit niet meer zal oppakken, ziet zijn fractie deze taak vooral voor de nieuwe raad. M.b.t. het voorstel om het college te verzoeken vóór het zomerreces 2026 met een plan van aanpak te komen, plaatst zijn fractie vraagtekens. Gezien de beperkte tijd, de complexiteit van de aanbevelingen, de aanstaande collegevorming en de hectische beginperiode voor een nieuwe raad, acht hij het verstandiger meer tijd te nemen.
Zijn fractie pleit ervoor het plan in het najaar (Q3 of eventueel begin Q4) te ontvangen. Dit biedt volgens hen ruimte om het plan zorgvuldig voor te bereiden en in goede samenspraak met de nieuwe raad te ontwikkelen. Men is benieuwd hoe andere fracties en het college hierover denken en benadrukt dat het onderwerp zorgvuldigheid verdient boven snelheid. Men zal, eventueel gezamenlijke met de CDA-fractie- een amendement m.b.t. beslispunt 2 indienen. 3
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
De heer SPITSBAARD spreekt zijn waardering uit voor de presentatie, het onderzoeksrapport en de Rekenkamercommissie. Zijn fractie is positief over de conclusies en aanbevelingen en vindt het goed te lezen dat het college de bevindingen uit het rapport herkent. Men erkent dat verdere doorontwikkeling van het preventief jeugdbeleid nodig is en dat met de Routekaart Jeugd stappen worden gezet om het preventieve jeugdbeleid in samenwerking met de raad te verbeteren. Hij wijst op de aanbevelingen uit het rapport, waaronder het belang van het stellen van duidelijke kaders door de raad, zoals minimale eisen waaraan voorstellen moeten voldoen en het specifiek benoemen van interventies en doelgroepen. Daarnaast is men van mening dat beleidsstukken soms te omvangrijk zijn, waardoor de hoeveelheid informatie voor de raad moeilijk te verwerken is. Verder benadrukt hij het belang van monitoring van uitkomsten en tussentijdse bijsturing, punten waar volgens hem al vaker om is gevraagd. De OPfractie onderkent de toenemende problematiek en kosten binnen de jeugdzorg, en hoopt dat het college, met oog voor kosteneffectiviteit, samen met de raad initiatieven ontplooit om in de toekomst meer passende, kwalitatief goede en vooral preventieve zorg te realiseren.
Tot slot geeft de heer SPITSBAARD aan dat ook zijn fractie graag een bijeenkomst zou willen om kaders te stellen en hierover het gesprek te voeren, zoals eerder door de CDA-fractie is voorgesteld. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder KOSTEN benadrukt dat het rekenkamerrapport een rapport van de raad is en dat het college daarbij een bescheiden rol past. Het college herkent echter diverse punten uit het rapport en ziet het als een waardevolle basis om van te leren, het rapport is een goed vertrekpunt. Het college onderschrijft de conclusies en aanbevelingen, met enkele kanttekeningen zoals eerder schriftelijk toegelicht. Wethouder KOSTEN merkt op dat er de afgelopen jaren al veel is gebeurd, maar dat diverse ontwikkelingen nog niet volledig zijn afgerond. De reactie van de onderzoekers levert volgens hem geen nieuwe punten op. T.a.v. de informatievoorziening aan de raad geeft hij aan dat hierover het gesprek nodig is: niet zozeer over de hoeveelheid informatie, maar vooral over de manier waarop deze wordt aangeboden en hoe het best kan worden aangesloten op de behoefte van de raad. Het college wil de aanbevelingen voortvarend oppakken en al bij de komende begrotingsvoorbereiding toewerken naar meer structurele keuzes binnen het jeugdbeleid.
Over beslispunt 2 geeft hij aan zich goed te kunnen vinden in het voorstel van de heren Grimmius en Van den Dool, om het plan van aanpak pas na de zomer op te leveren. Dit geeft het college de tijd om een zorgvuldig proces te doorlopen en de aanbevelingen goed uit te werken. In reactie op de vraag van de SGP-fractie over experimenteerruimte naar aanleiding van de presentatie van de gemeente Kampen, bevestigt de wethouder dat er ruimte blijft om te experimenteren, mits dit binnen de door de raad gestelde 4
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
kaders gebeurt. Hoe duidelijker die kaders, hoe beter interventies volgens hem ook geëvalueerd kunnen worden. Tot slot reageert de wethouder op vragen van de PAB: het college zal deze oppakken, maar geeft aan ruimte nodig te hebben om de aanbevelingen verder uit te werken. De heer VERWEIJ vraagt de wethouder per interruptie om verduidelijking over zijn eerdere vraag of er in toekomstige begrotingen een structurele post preventie wordt opgenomen. Hij verwijst daarbij naar de constatering in het rekenkamerrapport dat de financiering van preventieve trajecten versnipperd is en vaak afhankelijk van incidentele middelen. Hij vraagt of het college bereid is dit te bundelen in een herkenbare, structurele begrotingspost. Wethouder KOSTEN herkent het beeld van versnippering en verwijst daarbij onder meer naar de brede SPUK-regeling uit 2023, waarbij het Rijk diverse subsidieregelingen opende, waarop het college kon intekenen. Dat heeft volgens hem mede geleid tot de huidige versnippering in de financiering van preventieve activiteiten. Hij bevestigt dat het college de vraag en de onderliggende boodschap van de PAB heeft gehoord. Men is bereid om de conclusies en aanbevelingen uit het rekenkamerrapport te vertalen naar de praktijk.
Of dit concreet moet leiden tot het opnemen van een structurele begrotingspost voor preventie, is volgens de wethouder een afweging die de raad zelf ook zal moeten maken. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De heer GRIMMIUS is tevreden met de reactie van de wethouder dat het college eveneens voorstander is van meer tijd om het plan van aanpak zorgvuldig voor te bereiden. Hij vraagt de overige fracties om hierop te reageren en merkt op dat hierover vooral onderling verdere afstemming nodig is. Daarbij geeft hij aan dat het door mevrouw Stigter aangekondigde amendement mogelijk op dit moment niet meer nodig is, gezien de gedeelde voorkeur om het traject pas na de zomer op te pakken. Hij stelt voor dit buiten de vergadering verder te bespreken. De heer VAN DEN DOOL merkt per interruptie op dat het mogelijk zou zijn om het college te vragen in het oorspronkelijke voorstel voor het zomerreces op te nemen dat er ná de zomer een bijeenkomst wordt georganiseerd. N.a.v. de reactie van de wethouder en de brede voorkeur binnen de raad om het traject na de zomer op te pakken, vraagt hij aan de heer Grimmius of hij bedoelt dat er dan alsnog een amendement moet worden opgesteld.
In dat amendement zou dan worden vastgelegd dat het plan van aanpak na de zomer wordt opgeleverd, inclusief een bijeenkomst waarin onderwerpen zoals normering, keuzes en doelgroep bepaling - zoals in het rekenkamerrapport benoemd- worden meegenomen.
5
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
De heer GRIMMIUS bedoelt te zeggen dat het wenselijk is om het plan van aanpak pas na het zomerreces te ontvangen, zodat er meer tijd is voor het opstellen ervan, eventueel door het nieuwe college. Vervolgens kan de nieuwe gemeenteraad goed betrokken worden bij de verdere bespreking. Daarnaast geeft hij aan dat de betrokken partijen samen een amendement zullen opstellen om dit te regelen. De heer VERWEIJ onderschrijft dit voorstel. Mevrouw VERDOORN merkt m.b.t. de discussie over de aanpak in Kampen op dat het out-of-the-box denken daar juist werkte omdat het niet strikt binnen de voorgeschreven kaders bleef. Het antwoord van de portefeuillehouder -dat initiatieven wél binnen het kader moeten vallen- sluit volgens haar niet aan bij vernieuwend denken. Ze waarschuwt dat te strikte kaders innovatie bemoeilijken. Verder sluit zij zich aan bij de heren Grimmius en Van den Dool. TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder KOSTEN geeft aan dat kaders en out-of-the-box denken elkaar niet hoeven uit te sluiten. Volgens hem kan het college goed werken met duidelijke kaders, bv. op het gebied van tijd of doelgroepen. Hij verwijst naar het eerder geëvalueerde Kompas Sociaal Domein, waar het misging omdat de kaders onvoldoende scherp waren. Hij zegt dat duidelijke kaders de regel zijn, maar dat er altijd ruimte kan zijn voor uitzonderingen. Een en ander moet echter wel goed uitgelegd worden.
Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als bespreekstuk doorgeleid naar de gemeenteraad en er een amendement wordt voorbereid door 07.
Zienswijze begrotingswijziging wijziging Rijksvaccinatieprogramma Jeugdgezondheidszorg. De commissie adviseert de onderhavige stukken als hamerstuk door te leiden naar de gemeenteraad.
08.
Voorstel zienswijze wijziging financiële verordening GR Sociaal. De heer RIETVELD zegt dat zijn fractie kan instemmen met de voorgestelde zienswijze, vooral m.b.t. de definitie van onvoorzienbare verplichte uitgaven. Net als de CU-fractie vindt hij dit een rekbaar begrip, de manier waarop het nu als acceptabele afwijking wordt geïnterpreteerd laat volgens hem te veel ruimte voor verschillende interpretaties. Hij vraagt de wethouder hoe andere gemeenten verwachten hiermee om te gaan, en wat de gevolgen zijn als de zienswijze van de gemeente Papendrecht niet wordt overgenomen. 6
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 26 februari 2026
Mevrouw BOKMA geeft aan dat haar fractie kan instemmen met de voorgestelde zienswijze. M.b.t. de toevoeging van een extra categorie die niet tot onrechtmatige bestedingen mag leiden vindt zij het onduidelijk wat precies onder deze categorie valt. Zij vraagt de wethouder naar de consequenties wanneer de gemeente Papendrecht niet akkoord gaat met beslispunt 4. De heer SPITSBAARD geeft aan dat zijn fractie kan instemmen met de voorgestelde zienswijze. Bij wijziging 1 ziet men geen aanleiding om een eigen zienswijze in te dienen. M.b.t. punt 2 sluit hij zich aan bij het standpunt van de wethouder: er moet geen vierde uitzondering worden toegevoegd aan de bestaande drie categorieën, zoals ook in de tekst staat vermeld. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder KOSTEN merkt richting de heer Rietveld op dat het college geen duidelijk beeld heeft van hoe andere gemeenten hierin staan. Verder zegt hij dat, aangezien de raad deze zienswijze lijkt te ondersteunen, deze wordt ingediend bij de Gemeenschappelijke Regeling. De GR zal daarop reageren en besluiten of zij dit overneemt of niet. Hij benadrukt dat de gemeente Papendrecht slechts 1 van de deelnemende gemeenten is, en dat uiteindelijk de meerderheid van stemmen binnen de GR bepaalt welke richting wordt gekozen.
Het college vindt het vooral belangrijk dat de regeling geen vrijbrief wordt, maar dat er voldoende grip en helderheid blijft, iets waarvan hij inschat dat de raad dat eveneens wenst. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 09.
Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de laatste vergadering van deze raadsperiode om 21.38 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De heer A.C.N. Mullenders (plv. griffier)
2026.
Mevrouw T.C. van Es (voorzitter)
7