CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verslag Beeldvorming 8.1.2026 CONCEPT.pdf

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 26 februari 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen verslag beeldvorming 8 januari 20266.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

15 alinea's met “beeldvorming”: 1 8 16 20 24 28 32 36 40 44 48 52 56 60 64

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE BEELDVORMENDE VERGADERING d.d. 8 januari 2026. Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op www. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw H.M. van Wijngaarden, voorzitter; De heer A. Tieleman (PAB), de heer K. Spitsbaard (OP), mevrouw A. Haj Hussein (OP), de heer I. Brands (OP), de heer P.J. van der Giessen (VVD), mevrouw S.J.A. Verdoorn-de Lang (VVD), de heer L.T. van den Dool (CDA), mevrouw A. Verschoor - de Winter (CDA), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer A. Rietveld (CU), de heer Y. Hardenbol-Kroek (D66), de heer A.J. Boersma (SGP), de heer W. Goudriaan (SGP), de heer Th. Wolters (PvdA) en de heer B.H. Grimmius (GL). De heer B. van de Belt, wethouder gemeente Kampen, inzake agendapunt 05; Mevrouw S. de Ruiter bestuursadviseur en strategisch adviseur gemeente Kampen, inzake agendapunt 05; Mevrouw N. Kramer, programmamanager Sociale Basis en Jeugd gemeente Kampen, inzake agendapunt 05; Mevrouw I. Hulswit programmamanager Beschermd Wonen en Opvang gemeente Dordrecht, inzake agendapunt 06; Mevrouw L. Jochems, beleidsadviseur Beschermd Wonen en Opvang gemeente Papendrecht, inzake agendapunt 06; De heer J. Westerbeke, beleidsregisseur Maatschappelijke Ontwikkeling gemeente Papendrecht, inzake agendapunt 06; De heer W. Millenaar, financieel adviseur gemeente Papenrecht, inzake agendapunt 06; M.

Penders, teamleider Financiën gemeente Papendrecht, inzake agendapunt 06. Mevrouw M.J.M. van Driel, burgemeester; Mevrouw W. Renzen - Van Leeuwen, portefeuillehouder; De heer J.D. van der Borg, portefeuillehouder; De heer J.L. van Erk, portefeuillehouder; De heer A.J. Kosten, portefeuillehouder; De heer A.M.J.M. Janssen, portefeuillehouder. De heer A. Mullenders, plv. griffier/raadsadviseur. 01.

Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom.

02.

Vaststellen agenda.

1

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

Er wordt i.v.m. de insprekers uit Kampen bij agendapunt 6 besloten de agendapunten 5 en 6 om te draaien. De agenda wordt aldus aangepast en vastgesteld. 03.

Vaststellen verslag 13 november 2025. Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.

04.

Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers.

05.

Jeugdhulp. De heer VAN DE BELT en de dames DE RUITER en KRAMER verzorgen een presentatie inzake jeugdhulp in de gemeente Kampen. Aansluitend worden de volgende vragen en antwoorden uitgewisseld: De VOORZITTER geeft aan dat de raad de presentatie en de genoemde rapportage graag ontvangt. Mevrouw VERDOORN merkt op dat de jeugdarts meer ingezet moet worden om problemen op langere termijn te gaan voorkomen en informeert naar de aanpak hiervan in de gemeente Kampen, waarop mevrouw KRAMER aangeeft dat het schoolmaatschappelijk werk per school een eigen manier van werken ontwikkelt, passend bij de specifieke behoeften van de school en de omgeving. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de jeugd- en gezondheidszorg, waarbij de GGD een belangrijke rol vervult. De GGD is structureel onderdeel van de jeugd- en gezondheidszorg en is ook binnen scholen actief. Naast leerkrachten zijn diverse ondersteuningsprofessionals aanwezig, zoals schoolmaatschappelijk werkers en andere ondersteunende medewerkers. Kenmerkend voor deze aanpak is de lage drempel en snelle inzet van ondersteuning. Het schoolmaatschappelijk werk speelt hierin een vrije en toegankelijke rol. Deze werkwijze is onder meer verder ontwikkeld binnen de NPO-projecten (Nationaal Programma Onderwijs).

In dat kader is samengewerkt met Hogeschool Windesheim in Zwolle, die onderzoek en experimenten heeft ondersteund om te bepalen welke vormen van ondersteuning het meest passend zijn per school. Daarnaast is op sommige scholen voor (speciaal) onderwijs gekozen voor gerichte inzet van lichte opvoedondersteuning, waarbij een medewerker actief contact legt met gezinnen thuis. Daarbij is steeds gekeken naar wat een specifieke school nodig heeft en welke ondersteuning het meest effectief is voor de leerlingen en hun gezinssituatie. De nadruk ligt op tijdig signaleren, laagdrempelige ondersteuning en normaliseren, waarbij zware of geïndiceerde jeugdhulp zo veel mogelijk wordt voorkomen. De intentie is nadrukkelijk niet om iedere hulpvraag direct als 2

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

jeugdhulp te bestempelen, maar om met de juiste bril naar de vraagstukken te kijken. Op de vraag van mevrouw VERDOORN hoe de drempel wordt verlaagd antwoordt de heer VAN DE BELT dat hierbij de aanwezigheid van de schoolmaatschappelijk werker als vast en vertrouwd gezicht binnen de school belangrijk is. Deze medewerker is in dienst van de gemeente, maar werkt structureel 2 dagen per week in de school en functioneert daardoor als een verlengstuk van het schoolteam. Dit blijkt uit een aantal praktijkvoorbeelden. Zo kon een vader, die onzeker was over het gedrag van zijn kind in relatie tot rouwverwerking na het overlijden van de moeder, snel terecht bij de schoolmaatschappelijk werker. Na enkele gesprekken bleek sprake van normaal gedrag binnen de ontwikkeling van het kind, waardoor zwaardere hulpverlening niet nodig was. In een ander geval, waarin een uithuisplaatsing dreigde, kon de schoolmaatschappelijk werker snel in het gezin meekijken. Daarbij bleek dat schuldenproblematiek de onderliggende oorzaak was, waarna gericht ondersteuning d.m.v. lichte hulp aan de voorkant kon worden ingezet.

Deze voorbeelden laten zien dat de inzet van schoolmaatschappelijk werk en lichte ondersteuning aan de voorkant zorgt voor snelle, passende hulp en onnodige doorverwijzing naar gespecialiseerde jeugdhulp voorkomt en bijdraagt aan een integrale benadering van problematiek rondom kinderen en gezinnen. In antwoord op haar vraag naar de inzet van het nieuwe aanbod geeft mevrouw KRAMER aan dat dit wordt ontwikkeld via experimenten waarvoor vooraf wordt geïnvesteerd. Hiervoor is startbudget nodig, zodat nieuwe werkwijzen kunnen worden uitgeprobeerd. I.s.m. met betrokken partners is gekeken welke veelvoorkomende hulpvragen binnen de jeugdhulp op een andere, meer normaliserende manier kunnen worden opgepakt. De experimenten zijn projectmatig en lerend ingericht, met een vaste structuur en leercyclus. In sommige gevallen gaat het om bestaand aanbod dat opnieuw wordt georganiseerd of toegankelijker wordt gemaakt, met als doel dat ouders en kinderen ondersteuning krijgen zonder instroom in de formele jeugdhulp. Voorbeelden zijn oudergerichte trajecten zoals Verbindend Gezag en groepsaanbod voor kinderen met autisme en hun ouders. De experimenten worden actief gevolgd. Bij een positief resultaat wordt gekeken of het aanbod structureel kan worden ingebed in het reguliere ondersteuningsaanbod.

Mevrouw VERDOORN vraagt vervolgens naar het monitoren en de voortgangsrapportages, waarop de heer VAN DE BELT aangeeft dat de gemeenteraad 2 keer per jaar via een uitgebreide voortgangsrapportage over het gehele sociaal domein wordt geïnformeerd. Voorheen gebeurde dit 4 keer per jaar, maar op verzoek van de raad is de frequentie verlaagd om de administratieve lasten te beperken en vanwege het uitgesproken vertrouwen in het proces. Het college ontvangt maandelijks informatie op bestuurlijk niveau, terwijl binnen de organisatie dagelijks wordt gemonitord op cijfers en 3

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

ontwikkelingen. Deze continue monitoring maakt het mogelijk om snel bij te sturen waar nodig. Op bestuurlijk niveau wordt daarbij gekeken op interventieniveau: wat werkt, wat zijn de effecten en is voortzetting of bijstelling nodig. Gedurende het jaar is er ruimte om aanbod te ontwikkelen, bij te stellen of te beëindigen. Als voorbeeld noemt de heer VAN DE BELT de inzet van verschillende functies binnen scholen. Aanvankelijk is men gestart met 6 verschillende medewerkers (zoals schoolmaatschappelijk werk, jongerenwerk en pedagogische ondersteuning), waarna is geëvalueerd welke vorm het meest effectief was. Schoolmaatschappelijk werk bleek daarbij de grootste meerwaarde te hebben en wordt nu verder uitgebouwd. Ook binnen de experimenteerruimte ,waarvoor de raad vorig jaar 1 miljoen beschikbaar heeft gesteld, wordt deze werkwijze toegepast. Zo zijn er groepen gestart voor o.a. hoogbegaafdheid en autisme. Op basis van de resultaten wordt bepaald welke groepen worden voortgezet of uitgebreid en welke eventueel worden beëindigd. Op de vraag van mevrouw VERDOORN hoe de gemeente Kampen de inkoop en samenwerking met aanbieders heeft ingericht en of er wordt gewerkt met een vast team en vaste aanbieders antwoordt mevrouw KUIPER dat de gemeente werkt binnen een regionale inkoopstructuur, waarbij gebruik wordt gemaakt van een open-housemodel. Inmiddels zijn er ca.

165 gecontracteerde aanbieders. Dit grote aantal vormt volgens haar geen belemmering, omdat in de praktijk vooral wordt samengewerkt met een vaste kern van (veelal lokale) aanbieders. Binnen het open-housemodel is het goed mogelijk om duurzame samenwerkingen op te bouwen met aanbieders die vaak worden ingezet in de jeugdhulp. De eerdergenoemde poortwachter speelt hierbij een belangrijke rol, m.n. op operationeel en tactisch niveau bij de afstemming van casuïstiek. Op strategisch niveau vindt overleg plaats wanneer nieuwe routes of werkwijzen worden ontwikkeld. Bij experimenten en nieuwe initiatieven worden aanbieders actief betrokken. Daarbij wordt geprobeerd het aanbod zo open mogelijk te organiseren, zodat meerdere partijen kunnen deelnemen en kan worden beoordeeld welke aanpak het meest effectief is. Hoewel het formeel een open systeem betreft, leidt de gekozen werkwijze in de praktijk tot een relatief stabiele groep samenwerkingspartners, binnen een breder open-housecontract. De heer GRIMMIUS vraagt of er al dan niet sprake is van regionale samenwerking, waarop de heer VAN DE BELT aangeeft dat de gemeente hier bewust een duidelijke scheiding in heeft aangebracht. Alles wat te maken heeft met versterken en voorkomen, zoals de eerder beschreven lokale interventies en experimenten, valt volledig onder de eigen regie van de gemeente.

Dit betreft het lokale beleid en de uitvoering daarvan. Voor het onderdeel verhelpen, oftewel de professionele jeugdhulp, is sprake van regionale samenwerking. Deze regionale inkoop is een wettelijke verplichting en verklaart mede het grote aantal gecontracteerde aanbieders. Binnen deze afspraken is vastgelegd dat gemeenten 4

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

lokaal kunnen blijven werken met hun vertrouwde, vaak lokale, aanbieders, mits deze regionaal zijn gecontracteerd. De regionale samenwerking is hiermee bewust beperkt tot de aanbesteding en inkoop van professionele hulp. De inhoudelijke beleidskeuzes en de uitvoering daarvan vinden lokaal plaats. De heer GRIMMIUS vraagt hoe de eerdergenoemde strakke afspraken met gecertificeerde instellingen (GI’s) zich verhouden tot de succesfactoren en de toenemende complexe casuïstiek, aangezien juist deze casuïstiek volgens de stukken verantwoordelijk is voor ca. 95% van de overschrijding van het budget. Mevrouw KRAMER zegt dat complexe casuïstiek veelal voorkomt binnen trajecten van gecertificeerde instellingen, maar ook binnen het vrijwillig kader. De gemeente monitort dit structureel en ziet al jarenlang een relatief stabiele groep van ca. 30 kinderen die structureel hoge kosten met zich meebrengt, met een drempelbedrag van ongeveer € 100.000, - per traject. Deze groep blijft qua omvang grotendeels constant. Dit wordt in de begroting meegenomen als een vast gegeven. Naast het financiële aspect benadrukt zij dat deze kinderen daadwerkelijk gespecialiseerde hulp nodig hebben. Belangrijk hierbij is een goede samenwerking met de GI’s. Jeugdbeschermers hebben de bevoegdheid om jeugdhulp te indiceren, waarop de gemeente moet acteren.

Omdat dit in de praktijk vaak als lastig wordt ervaren is ingezet op intensievere samenwerking, zodat niet alleen een beschikbare plek wordt gezocht, maar een plek die inhoudelijk passend is. Desondanks lukt het niet altijd om passende zorg te vinden en blijft maatwerk noodzakelijk. Dit kan leiden tot kostbare, maar soms onvermijdelijke oplossingen, zoals tijdelijke verblijfsvormen met begeleiding. De heer GRIMMIUS geeft aan dat de instroom aan de voorkant redelijk georganiseerd lijkt, maar dat hij ook graag resultaten zien en zicht wil houden op de uitstroom. Tegelijkertijd wil hij vermijden op de stoel van de deskundige te gaan zitten door bij GI’s inhoudelijk te sturen op de noodzaak van hulp. Verder vraagt hij of het kopt dat er afspraken zijn gemaakt met de rechtbank waarbij verzoeken voortaan bij de gemeente worden ingediend en niet meer rechtstreeks bij zorgaanbieders. Mevrouw KRAMER bevestigt dit en merkt op dat deze afspraken regionaal tot stand zijn gekomen en inmiddels door meerdere gemeenten worden toegepast. De aanleiding hiervoor was dat ook de rechtbank hier last van had, o.a. doordat soms werd verwezen naar niet-gecontracteerde aanbieders, wat leidde tot vertraging en onduidelijkheid. De heer GRIMMIUS geeft aan dat hij uit het verhaal opmaakt dat deze werkwijze vrijwel direct kostenbesparend werkt.

Vanuit zijn rol als raadslid benadrukt hij dit financiële voordeel als een belangrijke meerwaarde van de gemaakte afspraken. De heer SPITSBAARD vraagt of de regionale samenwerking plaatsvindt via een gemeenschappelijke regeling. De heer VAN DE BELT zegt dat de gemeente Kampen deelneemt aan het Regionaal Service Team Jeugd (RSJ), die zich uitsluitend richt op de regionale inkoop van jeugdhulp. Deze regionale inkoop is 5

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

wettelijk verplicht en bestaat inmiddels al ca. 10 jaar. Het RSJ vervult enkel taken op het gebied van aanbestedingsexpertise en contractmanagement en functioneert naar tevredenheid. Op de vraag of het schoolmaatschappelijk werk werd gefinancierd vanuit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) antwoordt de heer VAN DE BELT bevestigend. Met de NPO-middelen is onderzocht hoe incidentele gelden een structureel effect konden krijgen. Daarbij zijn meerdere functies ontwikkeld om de samenwerking tussen school en gemeente te versterken. Schoolmaatschappelijk werk bleek het meest succesvol en is inmiddels structureel ondergebracht in de gemeentebegroting, gefinancierd via een taakstelling van ca. 2 à 3 miljoen euro op het jeugdbudget, goed voor ongeveer 14 fte. Hij geeft aan overtuigd te zijn van het effect van deze maatregel. In antwoord op de vraag van de heer SPITSBAARD naar andere preventieve maatregelen met snel zichtbaar effect, noemt de heer VAN DE BELT naast het schoolmaatschappelijk werk ook de gezinswerker. Beide interventies laten binnen een jaar zien dat minder jongeren instromen in de jeugdzorg, wat zowel inhoudelijk als financieel winst oplevert. Daarnaast wordt ingezet op collectivisering: het organiseren van groepsaanbod, o.a. voor ouders van kinderen met hoogbegaafdheid of autisme.

Deze aanpak blijkt effectiever dan individuele trajecten en biedt tevens ruimte voor lotgenotencontact. Met deze werkwijze wordt inmiddels geëxperimenteerd en deze wordt verder uitgebouwd. Verder vraagt de heer SPITSBAARD naar de rol van de consulent met een sleutelpositie aan de voorkant, waarop de heer VAN DE BELT aangeeft dat deze medewerker de taak heeft om indicaties kritisch te beoordelen en alternatieven te onderzoeken, bv. binnen de Wmo of de Wlz, voordat jeugdhulp wordt ingezet. Hoewel deze werkwijze door de GI’s in eerste instantie als heel lastig werd ervaren, heeft deze zeer kritische houding volgens de heer VAN DE BELT aanzienlijke financiële besparingen én inhoudelijke verbeteringen opgeleverd. De focus ligt daarbij op de vraag of lichtere ondersteuning als eerste kan worden ingezet. Tot slot vraagt de heer SPITSBAARD naar het positieve begrotingsresultaat, mede doordat de rijksmiddelen hoger uitvielen dan begroot. De heer VAN DE BELT geeft aan dat dit geld deels wordt ingezet voor experimenteerruimte -ca. 1,2 miljoen euro in de huidige begroting- en dat het restant wordt toegevoegd aan de algemene middelen. De heer GOUDRIAAN vraagt naar de rol van gezinswerkers (in de complexe casuïstiek) waarop mevrouw KRAMER aangeeft dat deze medewerkers bewust vanuit een andere benadering werken dan de klassieke jeugdhulpverlening.

Hoewel zij formeel zijn aangesteld als jeugdhulpverleners betreft het ervaren professionals die kritisch reflecteren op hun eigen handelen en het effect daarvan. Hun werkwijze is gebaseerd op normaliseren van het gewone leven 6

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

versterken en aansluiten bij de leefwereld van gezinnen. Gezinswerkers werken laagdrempelig en praktisch. In plaats van langdurige aanmeldprocedures, intakegesprekken en wachttijden, kunnen zij snel en direct starten, onder meer door gesprekken in de thuissituatie te voeren. Hierdoor kan ondersteuning eerder en breder worden ingezet dan in traditionele trajecten. Dit levert zowel tijdwinst als effectiviteit op. Bij de start hebben gezinswerkers bewust eerst geen caseload opgebouwd. In plaats daarvan hebben zij kennisgemaakt met de sociale basis in de wijk, zoals sportverenigingen en culturele instellingen. Vanuit de achterliggende visie wordt bij individuele vragen nadrukkelijk gekeken of kinderen lid zijn van een sport -of culturele instelling, omdat dit bijdraagt aan het normaal opgroeien van kinderen. Deze inzet van gezinswerkers vraagt om een cultuur- en systeemverandering binnen het sociaal domein. Daarnaast geeft zij aan dat gezinswerkers ook een rol kunnen spelen in complexe situaties, waarbij steeds duidelijk wordt gekeken naar rolverdeling en verantwoordelijkheden. In complexe casuïstiek kan bijvoorbeeld de regie op veiligheid bij een andere functionaris worden belegd, terwijl de gezinswerker ondersteunend betrokken blijft. Ook bij betrokkenheid van gecertificeerde instellingen kunnen gezinswerkers naast wettelijke maatregelen aanvullende ondersteuning bieden.

In antwoord op de vraag van de heer GOUDRIAAN of de benadering en de financiële situatie van de gemeente Kampen afwijkt van omliggende gemeenten geeft de heer VAN DE BELT aan dat steeds meer omliggende gemeenten momenteel in een financieel lastige situatie terechtkomen. Hij merkt daarbij op dat Kampen deze fase al in 2020 heeft doorgemaakt. De uitdagingen waar andere gemeenten nu tegenaan lopen, komen overeen met de effecten die Kampen 5 jaar geleden heeft ervaren en waarop destijds tijdig is ingegrepen. De heer TIELEMAN vraagt of er vanaf 2020 is gekeken naar fraude in de zorg en wat hiervan het resultaat is geweest, waarop de heer VAN DE BELT aangeeft dat dit het geval is. Zo wordt bij elke nieuwe aanbesteding standaard een Bibob-toets uitgevoerd, die inzicht geeft in de financiële achtergrond van aanbieders. Daarnaast wordt strak gestuurd op de budgetten en houden de regionale contractmanagers intensief toezicht op de financiën van de organisatie. Volgens hem is het systeem zodanig ingericht dat er bijna geen mogelijkheid is voor fraude. Daarnaast beschikt de gemeente Kampen, naast de regionale toezichtstructuur, ook over een eigen, fulltime toezichthouder jeugd, die aanvullend toezicht houdt op dit onderwerp.

In antwoord op de vraag van de heer TIELEMAN naar betrokkenheid van de gemeente bij de aanbesteding en selectie van de GI’s geeft de heer VAN DE BELT aan dat de regionale organisatie verantwoordelijk is voor de aanbestedingen en een groot deel van het contractmanagement. Omdat men werkt met een open-housemodel kan een brede groep aanbieders gecontracteerd worden. Voor gecertificeerde instellingen geldt dat deze deels bestaan uit vaste 7

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

subsidiepartners die al gecertificeerd zijn. Hoewel de selectie formeel regionaal plaatsvindt, is er wel aandacht voor de lokale relatie. In het kader van het open-housemodel spelen aanbevelingen vanuit de gemeente een rol, zodat er wordt samengewerkt met partijen waarmee een goede relatie bestaat. De heer TIELEMAN merkt op dat er in de Drechtsteden ca. 400 gecertificeerde instellingen beschikbaar zijn. Hij constateert dat de aanpak in Kampen aansluit bij adviezen om te stoppen met programma’s die onvoldoende effect hebben. Tenslotte vraagt hij hoe nieuwe programma’s tot stand komen, waarop de heer VAN DE BELT aangeeft dat deze door de gemeente zelf worden ontwikkeld. De nieuwe programma’s worden bedacht en uitgewerkt door een intern team, waaronder een programmamanager en een beleidsondersteuner, met monitoring door een businesscontroller. Mevrouw STIGTER vraagt hoe de landelijke kritiek op de jeugdzorg zich verhoudt tot de situatie in Kampen. De heer VAN DE BELT geeft aan dat men in Kampen weinig kritiek ervaart, zowel binnen de gemeenteraad als in de samenleving. Sinds de decentralisatie beschikt de gemeente over een onafhankelijke ombudsfunctie voor het sociaal domein, die bewust zichtbaar en laagdrempelig is ingericht. Deze functionaris ontvangt ca. 15 meldingen per half jaar m.b.t. jeugdzorg, vnl. van verhelderende aard.

De signalen worden geanonimiseerd en gerapporteerd aan de gemeenteraad. Het aantal formele klachten is ook heel beperkt. Op de vraag van mevrouw STIGER of Kampen ook percentueel een lagere instroom in de jeugdzorg kent dan vergelijkbare gemeenten, geeft mevrouw KRAMER aan dat de gemeente vooral zichzelf door de jaren heen vergelijkt. Over de langere termijn is, met incidentele schommelingen, sprake van een daling. Zo was er 2 jaar geleden een tijdelijke stijging, die te maken had met lichte jeugdhulp/gezondheidsvragen voor de GGZ en een vacature voor POH-GGZ bij de huisarts. Het is vooral belangrijk om te analyseren waar veranderingen ontstaan en waardoor deze worden veroorzaakt. Met de inzet van gezinswerkers ziet men momenteel een duidelijke afname, waarbij men analyseert welke aanbieders en vraagstukken de afname betreft. De gemeente gebruikt hiervoor zowel eigen gegevens als CBS-cijfers, waarbij de cijfers naast elkaar worden gelegd. Zij merkt op dat er een lichte daling zichtbaar is, maar benadrukt dat dit om meerjarige monitoring vraagt. De ambitie is om beter zicht te krijgen op waar de kinderen zijn en of zij meer gebruik maken van de voorkant, met name in de sociale basis. Dit is echter niet heel erg makkelijk.

Tot slot vraagt mevrouw STIGTER naar het collectieve aanbod dat is ontwikkeld om de basis te versterken, waarop mevrouw KRAMER aangeeft dat dit zich op verschillende niveaus bevindt. Een deel van het aanbod zit op de scheidslijn tussen jeugdhulp en geïndiceerde preventie. Als voorbeeld noemt zij de methodiek Verbindend Gezag, gericht op ouders van m.n. pubers met ernstige 8

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

autoriteitsproblemen. Deze methodiek blijkt effectief in situaties waarin anders vaak individuele gezinsbegeleiding wordt ingezet, bv. bij schoolverzuim. De focus ligt hierbij op het versterken van ouders, zodat zij beter met het gedrag van hun kinderen kunnen omgaan. Daarnaast is er collectief aanbod binnen de brede sociale basis, gericht op algemene opvoedvragen. Hierbij wordt onder meer ingezet op Kansrijke Start en community building, waarbij ouders met elkaar worden verbonden. Dit gebeurt o.a. in groepsverband samen met verpleegkundigen en in samenwerking met partners zoals verloskundige praktijken, bibliotheek en andere lokale voorzieningen. Deze groepsgerichte aanpak is bedoeld om ouders elkaar te laten ondersteunen, zodat ondersteuningsvragen minder snel bij professionals terechtkomen. Hierbij merkt zij op dat de effecten van dit bredere collectieve aanbod minder direct meetbaar zijn, maar dat op project- en interventieniveau wel inzicht bestaat in deelname en de gevoerde gesprekken. Het collectieve aanbod bestrijkt daarmee meerdere interventies en problematieken, variërend van preventief tot dichter tegen de jeugdhulp aan. De heer VAN DE BELT vult aan dat het aangekondigde onderzoek nog wordt toegezonden en dat hiervoor bewust het Verwey-Jonker Instituut is gevraagd.

De reden hiervoor is de behoefte aan wetenschappelijke onderbouwing van de effecten van de sociale basis. Het instituut heeft vanuit een wetenschappelijke benadering gekeken naar het geheel aan maatregelen binnen de sociale basis en heeft daarbij aangegeven dat veel effecten niet afzonderlijk te kwantificeren zijn, maar voortkomen uit het samenspel van interventies. Het onderzoek bevestigt dat de gemeente op de goede weg is. Mevrouw STIGTER vraagt vervolgens of er binnen de aanpak ook ruimte is voor out-of-the-box oplossingen, waarop mevrouw KRAMER aangeeft dat men hoopt dat de gezinswerkers dit doen. Daarbij wordt maatwerk mogelijk gemaakt, onder meer door aandacht voor bestaanszekerheid als belangrijk thema binnen het sociaal domein. Vanuit een meerjarige strategie is hierop ingezet, met als doel stress in gezinnen weg te nemen. In dit kader noemt de heer VAN DE BELT 2 voorbeelden. In het eerste geval is bij iemand met hersenletsel, die anders in beschermd wonen terecht zou komen, gekozen voor een onconventionele oplossing door het plaatsen van een woonunit, zodat mantelzorg mogelijk bleef. Deze oplossing paste niet binnen bestaande regels, maar werd gerealiseerd tegen beperkte kosten.

In een tweede voorbeeld rondom een jeugdige uit een AZC, waarvoor geen instelling plek bood vanwege complex gedrag, is buiten de gebruikelijke kaders een intensieve begeleidingsconstructie opgezet met 3 begeleiders. Deze aanpak is tot stand gekomen in overleg met betrokken bestuurders. Afsluitend merkt de heer VAN DE BELT op dat hij het vanuit zijn rol als wethouder belangrijk vindt om ruimte te bieden aan dergelijke oplossingen, ook wanneer deze niet binnen bestaande kaders passen. Hij geeft aan dat 9

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

hiervoor draagvlak bestaat bij de gemeenteraad, ook wanneer hiervoor incidenteel middelen worden gevraagd. Niets meer aan de orde zijnde dankt de VOORZITTER allen hartelijk voor hun inbreng en sluit dit agendapunt af. 06.

Ontwikkelingen en samenwerkingsovereenkomst Beschermd Wonen & Opvang. Na een korte introductie door de heer WESTERBEKE verzorgen mevrouw I. HULSWIT en de heer PENDERS een presentatie. Aansluitend worden de volgende vragen en antwoorden uitgewisseld: De heer HARDENBOL vindt het m.b.t. het budgettaire kader moeilijk dat de instemming van de raad wordt gevraagd, terwijl het gaat om inkomsten vanuit het Rijk die niet langer worden uitgekeerd aan de gemeente. Daarbij merkt hij op dat dergelijke inkomsten buiten de directe invloed van de raad liggen en vraagt waarom dit toch onder het budgetrecht van de raad valt. De heer PENDERS zegt dat in de gemeentelijke begroting sinds 2016 structureel rekening is gehouden met terug te ontvangen rijksmiddelen via de regio, verdeeld op basis van een afgesproken verdeelsleutel. De regio heeft echter besloten deze middelen niet langer uit te keren aan individuele gemeenten, omdat zij deze wil gebruiken voor regionale, inhoudelijke opgaven en toekomstige projecten (o.a. gericht op het aanpakken van wachtlijsten en duurzame oplossingen). Dit betekent dat de gemeente deze verwachte inkomstenpost niet meer ontvangt, waardoor de inkomsten in de begroting moeten worden aangepast. Deze aanpassing heeft gevolgen voor het begrotingssaldo en raakt daarmee direct het budgetrecht van de raad.

Daarom is het noodzakelijk dat de raad hierover een besluit neemt en instemt met de voorgestelde correctie van de begroting, zoals door het college wordt voorgesteld. De heer HARDENBOL zegt de beantwoording grotendeels te begrijpen, maar blijft twijfelen of het hier daadwerkelijk het budgetrecht van de raad van de raad betreft. Hij wijst erop dat binnen concernrapportages vaker mutaties in inkomsten en uitgaven voorkomen die niet altijd afzonderlijk aan de raad worden voorgelegd. Volgens hem gaat het hier om middelen van de regio, waarop de gemeente juridisch gezien geen recht heeft. Daarom vraagt hij zich af of, mede gelet op de Gemeentewet, dit onderwerp wel onder het budgetrecht van de raad valt. Mevrouw HULSWIT zegt dat de regio rijksmiddelen voor beschermd wonen ontvangt met het doel deze in te zetten voor de opgave. In de praktijk blijkt dat deze middelen niet volledig binnen 1 jaar kunnen worden besteed. Daarnaast ontvangt de regio op dit moment meer middelen dan nodig voor het actuele gebruik. De overgebleven middelen zijn jarenlang via afspraak teruggestort aan de gemeenten, waardoor deze bedragen structureel als inkomsten in 10

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

gemeentelijke begrotingen zijn opgenomen. Daarbij is steeds wel aangegeven dat dit geen gegarandeerde inkomsten waren. De regio wil nu de mogelijkheid creëren om deze middelen meerjarig vast te houden en gericht te investeren in toekomstige opgaven. Daarom is aan Dordrecht voorgesteld de afspraak over het terugstorten van overschotten aan te passen en het budget voor beschermd wonen vast te zetten. Dit voorstel is verankerd in de SOK. Volgens mevrouw HULSWIT raakt het budgetrecht van de raad het begrotingstekort dat ontstaat doordat de verwachte inkomsten wegvallen en moet de raad hierover een besluit nemen omdat dit gevolgen heeft voor het gemeentelijke begrotingssaldo. De heer HARDENBOL vat samen dat hij begrijpt dat de Dordtse raad over beschermd wonen gaat en dat dit besluit tot gevolg heeft dat Papendrecht minder inkomsten ontvangt. Hij stelt dat de SOK een collegebevoegdheid is en dat Papendrecht wordt geconfronteerd met minder inkomsten als gevolg van een besluit van de gemeente Dordrecht. Hij geeft aan dat hiermee zijn punt blijft staan dat de raad hier inhoudelijk weinig over te zeggen heeft en dat er weinig is om mee in te stemmen, anders dan het accepteren van de gevolgen. Hij vraagt om een nadere technische toelichting indien dit anders ligt. Mevrouw HULSWIT zegt dat niet alleen het Dordtse college bevoegd is.

Alle colleges van de deelnemende gemeenten zijn bevoegd voor de afspraken die worden gemaakt. De Dordtse gemeenteraad gaat specifiek over de begroting, terwijl de gemaakte afspraken onder de collegebevoegdheid van alle afzonderlijke gemeenten vallen. Mevrouw STIGTER vraagt of het geld dat Dordrecht mag houden wordt gebruikt voor de investeringen van de gemeente Papendrecht, waarop de heer PENDERS aangeeft dat het geen geld van Dordrecht is, maar regionaal geld dat wordt ontvangen door Dordrecht. Het aandeel van Papendrecht is ook het aandeel in het bedrag van Dordrecht en er zullen geen extra gelden of middelen worden gevraagd. De heer TIELEMAN vraagt of het ook mogelijk is dat de middelen eerst worden teruggestort en dat, wanneer het geld nodig is voor concrete plannen, dit opnieuw aan de raad of het college wordt voorgelegd. Hij geeft aan dat de raad momenteel niet op de hoogte is van de plannen die ten grondslag liggen aan het duurzaam besteden van deze middelen. De heer PENDERS antwoordt dat de middelen namens de regio bij de gemeente Dordrecht worden geparkeerd en dat dit niet betekent dat er geen toezicht is op de besteding ervan. Vanuit Papendrecht zal worden gevolgd wat er met de middelen gebeurt en wordt er inhoudelijk gestuurd op een juiste besteding.

Indien de middelen niet worden ingezet zoals bedoeld, ontstaat er volgens hem een inhoudelijke discussie en geen financiële. De heer TIELEMAN verduidelijkt dat hij bedoelt dat de middelen eerst teruggestort worden en dat pas bij concrete behoefte opnieuw een beroep wordt gedaan op de raad. De heer PENDERS geeft aan dat dit zou betekenen dat de raad 11

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

telkens opnieuw moet worden benaderd, wat volgens hem een traag proces oplevert. Daarom wordt gekozen voor deze constructie, die volgens hem nodig is om snel en inhoudelijk goed te kunnen handelen. De heer BOERSMA zegt dat hij begrijpt dat wordt uitgelegd waarom het voorstel als een goede oplossing wordt gezien. Hij vraagt of Papendrecht bezwaar heeft gemaakt tegen deze constructie en merkt op dat de vragen van de heer Tieleman begrijpelijk zijn, omdat het vraagstuk ook op een andere manier had kunnen worden opgelost. Hij vraagt of die interpretatie correct is. De heer PENDERS bevestigt dit en zegt dat dit ook zo in het voorstel is opgenomen. Hij geeft aan dat aanvankelijk de gedachte was om geen middelen elders te parkeren. Het vraagstuk moet echter regionaal worden opgepakt, wat heeft geleid tot deze overweging en uiteindelijk tot deze keuze De heer SPITSBAARD vraagt of het klopt dat binnen de SOK voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang (BWO) een bod is gedaan met 3 plannen, waarvan er 2 zijn gerealiseerd, waardoor er geld overblijft. Hij vindt het vreemd dat dit geld niet als geoormerkt wordt gezien en vraagt of het klopt dat het resterende bedrag naar de algemene middelen gaat.

Mevrouw HULSWIT zegt dat de centrumgemeenten namens de regio middelen vanuit het Rijk ontvangen met de bedoeling deze volledig te besteden aan vraagstukken rondom beschermd wonen en maatschappelijke opvang voor de gehele regio. Indien er sprake is van resterende middelen terwijl er nog een wachtlijst bestaat, worden deze middelen niet langer teruggestort naar individuele gemeenten, maar bij elkaar gehouden om deze op een later moment in te zetten voor investeringen die nodig zijn om de wachtlijsten aan te pakken. De heer SPITSBAARD zegt dat in de stukken staat dat 2 voorzieningen zijn gerealiseerd en dat het derde plan, het realiseren van een kleinschalige beschermd wonen locatie van Huizen van Hoop, nog niet is gerealiseerd, terwijl hier wel extra middelen voor beschikbaar zouden zijn geweest. Volgens hem ligt er daarmee geld op de plank dat naar de algemene middelen is gegaan, terwijl een onderdeel van het bod nog niet is uitgevoerd. Hij vraagt om een toelichting. De heer WESTERBEKE zegt dat het bod van Papendrecht onderdeel is van een breder regionaal bod. De middelen waarover wordt gesproken betreffen de regionale middelen, waaruit verschillende voorzieningen worden betaald, waarvan het grootste deel in Dordrecht ligt. Papendrecht heeft lokaal enkele relatief kleinschalige voorzieningen, waarvan een deel reeds is gerealiseerd uit regionale middelen en een deel nog niet.

De heer SPITSBAARD vraagt naar het regionale bod dat is gedaan voor opvang en vraagt of dit bod betrekking heeft op Papendrechtse inwoners of op locaties in andere gemeenten. Hij is verward over het woonplaatsbeginsel en de situatie waarin Papendrechtse inwoners gebruikmaken van locaties in Dordrecht. Mevrouw HULSWIT legt uit dat er sprake is van een regionale opgave, waarbij alle 12

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

gemeenten wordt gevraagd te kijken welk onderdeel van de opgavenlijst binnen de eigen gemeente kan worden opgelost. Op basis daarvan doen gemeenten een bod om bij te dragen aan de regionale opgave. Papendrecht heeft gekeken naar vastgoedontwikkelingen en andere mogelijkheden en op basis daarvan een bod gedaan. De bijbehorende voorzieningen worden gefinancierd uit regionale middelen en zijn toegankelijk voor alle inwoners van de regio. Ook andere gemeenten realiseren voorzieningen die toegankelijk zijn voor Papendrechters. De heer SPITSBAARD vraagt vervolgens of de herstelwoningen bedoeld zijn voor Papendrechtse inwoners of regionaal. De heer WESTERBEKE zegt dat een herstelwoning bedoeld is als tijdelijk onderdak voor mensen die niet in de thuissituatie kunnen blijven, bijvoorbeeld vanwege huiselijk geweld of overlast. Het verblijf is tijdelijk, met een maximale duur van 6 maanden. Tijdens het verblijf wordt via Sterk Papendrecht met een maatschappelijk werker gewerkt aan een plan voor uitstroom. Op dit moment is er 1 herstelwoning en het bod bevat de wens om dit aantal uit te breiden. Voor zover bekend is de herstelwoning de afgelopen jaren uitsluitend gebruikt door inwoners van Papendrecht. Ook de heer WOLTERS stelt een vraag over het woonplaatsbeginsel.

Hij merkt op dat wanneer een Papendrechtse inwoner in Dordrecht wordt geplaatst, Papendrecht financieel verantwoordelijk blijft, en dat dit nog goed controleerbaar lijkt. Hij vraagt zich af hoe dit financieel controleerbaar blijft wanneer iemand uit een andere gemeente, bv. Dokkum, in Papendrecht wordt geplaatst en die andere gemeente verantwoordelijk blijft. Hij wijst op de mogelijke financiële rompslomp die dit met zich meebrengt. Mevrouw HULSWIT is het hiermee eens. Zij geeft aan dat dit onderwerp in de Tweede Kamer uitgebreid is besproken en dat hierover nog geen duidelijke antwoorden zijn. Het is nog niet uitgewerkt hoe de financiële afhandeling precies zal plaatsvinden. Zij verwacht dat dit ingewikkeld zal worden. Binnen de regio zijn hierover afspraken te maken en kan registratie plaatsvinden van de herkomst van cliënten. Hiervoor zijn spelregels opgesteld door de VNG, maar hoe de uitvoering er exact uit gaat zien, is nog niet duidelijk Mevrouw VERDOORN merkt m.b.t. paragraaf 3.1 op dat er overschotten zijn ontstaan doordat middelen niet zijn besteed vanwege een tekort aan locaties en personeel. Zij begrijpt dat deze overschotten teruggaan naar Dordrecht, waar sterker gestuurd zal worden op realisatie, maar vraagt zich af waar het benodigde personeel vandaan moet komen. Zij geeft aan het voordeel van de gekozen werkwijze niet duidelijk te vinden.

Mevrouw HULSWIT zegt dat het geld niet alle problemen oplost, maar wel zorgt voor meer slagkracht richting zorgaanbieders. Door meer financiële zekerheid kan de regio betere afspraken maken. Daarnaast wordt gewerkt aan andere initiatieven, zoals het versoepelen van eisen, jobcarving (opsplitsen van bestaande functies), omscholing en het inzetten van lager opgeleid personeel. Deze initiatieven bevinden zich nog in een beginfase. De 13

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

heer WESTERBEKE merkt op dat de regio momenteel een voordeelregio is en het moment waarop dit verandert (vanaf 2028) nog niet geheel duidelijk is. De huidige overschotten bieden de mogelijkheid vooruit te kijken en een flexibel budget op te bouwen voor de toekomst. Mevrouw VERDOORN zegt dat de toelichting nog onvoldoende duidelijk is. Zij zegt dat zolang er geen plekken zijn, extra middelen het probleem niet oplossen. Zij geeft aan het een ingewikkeld vraagstuk te vinden en de reden achter de gekozen stappen niet volledig te begrijpen. Mevrouw HULSWIT zegt dat het inderdaad een ingewikkelde opgave is, mede door het tekort aan plekken. Tegelijk is er het vertrouwen dat met de investeringsagenda en de biedingen van Papendrecht en andere gemeenten nieuwe plekken kunnen worden gerealiseerd, ook al lukt dit mogelijk niet volledig binnen 2 jaar. Zij zegt dat de regio voor de komende jaren nog over voldoende middelen beschikt en dat deze nu ingezet kunnen worden om nieuwe voorzieningen te creëren. Wanneer de regio, met het oog op de situatie na 2028, mogelijk geen voordeelgemeente meer is, krijgt men een bedrag waarmee de huidige gebruikers gefinancierd kunnen worden. Mevrouw VERDOORN vraagt of het doel is om nu op te schalen zodat de regio in 2028 op een zo hoog mogelijk niveau zit.

Mevrouw HULSWIT bevestigt dat de huidige overschotten worden ingezet om bestaande en toekomstige problemen zoveel mogelijk op te vangen. De heer VAN DEN DOOL stelt dat vanaf 2028 mogelijk een nieuw verdeelmodel en het woonplaatsbeginsel ingaan. Hij begrijpt dat gemeenten dan zelf middelen ontvangen voor nieuwe cliënten en daardoor ook zelf moeten sturen op beschermd wonen en opvang, wat tot nu toe regionaal werd geregeld. Hij benadrukt het belang dat Papendrecht tegen die tijd voldoende voorzieningen heeft om de verwachte vraag aan te kunnen. Hij vraagt of het college inzicht heeft in de toekomstige behoefte in Papendrecht en of het huidige bod voldoende is om deze taak uit te voeren, of dat er sterker gestuurd moet worden op het benutten van de beschikbare middelen. Daarnaast vraagt hij of is nagedacht over communicatie richting inwoners, aangezien opvang van eigen inwoners lokaal zichtbaarder kan worden en dit mogelijk weerstand oproept. Hij geeft aan zich hierover zorgen te maken. De VOORZITTER merkt op dat de vragen voornamelijk oordeelsvormend zijn en gericht aan de wethouder, maar geeft alsnog ruimte voor beantwoording. Mevrouw HULSWIT corrigeert een deel van de genoemde veronderstellingen. Zij geeft aan dat gemeenten nu al verantwoordelijk zijn voor het bieden van passende ondersteuning aan hun eigen inwoners.

Wat verandert, is dat bij invoering van het nieuwe systeem ook de financiële middelen geleidelijk naar de gemeenten overgaan via een opbouw- en afbouwmodel. De zorg en ondersteuning blijven echter regionaal georganiseerd, conform afspraken en 14

Besluitenlijst Beeldvorming van 8 januari 2026

normen vastgesteld door de VNG. Gemeenten hoeven daardoor geen afzonderlijke voorzieningen zoals een eigen daklozen- of vrouwenopvang te realiseren. Wel zullen er nieuwe afspraken nodig zijn over de financiële afhandeling. De heer VAN DEN DOOL zegt dat hij het belangrijk vindt dat gemeenten ook zelf zaken op orde krijgen om te kunnen sturen en merkt op dat zijn opmerkingen deels oordeelsvormend zijn. Hij stelt voor dit onderwerp op een later moment verder te bespreken. Niets meer aan de orde zijnde dankt de VOORZITTER eenieder voor hun inbreng en sluit dit agendapunt. 07.

Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 22.23 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 februari 2026.

De heer A. Mullenders (plv. griffier)

mevrouw H.M. van Wijngaarden (voorzitter)

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1221/documents/17148