CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting participatie- en inspraak verordening gemeente Papendrecht.pdf

Raadsvergadering Papendrecht 3 juli 2025, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 11: Participatieverordening gemeente Papendrecht - Voorstel5.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TOELICHTING PARTICIPATIE- EN INSPRAAKVERORDENING GEMEENTE PAPENDRECHT Algemeen deel We geloven in Papendrecht in de kracht van samenwerken. Een samenwerking waarbij inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties actief meedenken en meedoen aan de ontwikkeling van de gemeente, de gemeenschap en de leefomgeving. Hierbij is participatie geen doel op zich, maar een middel om met elkaar te werken aan betere initiatieven en zorgvuldige beleidsontwikkeling of vergunningverlening. Aanleiding verordening: Wet versterking participatie op decentraal niveau Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken. Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet).

In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn. Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.

Invulling participatieverordening In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van

de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook overheidsparticipatie, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van die overheidsparticipatie is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder overheidsparticipatie plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 2. Definities Participatie Omdat insteek van de verordening is zowel inwonersparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt. De samenwerking staat voorop. Inwonersparticipatie In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en ondernemers bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Overheidsparticipatie Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie en omvat alle vormen van participatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen het initiatiefnemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht. Burgerinitiatief Een burgerinitiatief is een idee of voorstel van inwoners, bedrijven of organisaties. Zij kunnen iets willen veranderen of verbeteren in de gemeente. Als het idee aan bepaalde regels voldoet, kan het via het college naar de gemeenteraad gaan.

Die bespreekt het dan officieel. Zo krijgen inwoners een actieve rol in het beleid van de gemeente. Uitdaagrecht Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen. Inspraak Inspraak is een vorm van inwonerparticipatie die gaat over al duidelijke beleidsvoornemens. Het gaat om officiële inspraak. Inspraak gebeurt in de laatste fase van de voorbereiding van een besluit. Daardoor is er niet zoveel ruimte meer om gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen aan te passen. Bestuursorgaan De gemeenteraad, het college of de burgemeester. Voorheen werd het college aangeduid als het college van burgemeesters en wethouders (college van B&W). Echter spreekt de wet niet meer van college van B&W. Om die reden wordt in deze verordening college gebruikt. Beleidsvoornemen Een beleidsvoornemen is een plan of idee van de gemeente om iets te veranderen of nieuw beleid te maken. Het gaat om het moment waarop het plan nog niet helemaal vaststaat. In deze fase kan participatie belangrijk zijn, zodat inwoners of organisaties kunnen meedenken of meepraten. Participatiebeleid Het participatiebeleid is een plan van het college. In dit plan staat hoe de gemeente omgaat met participatie.

Bijvoorbeeld hoe inwoners, ondernemers en andere betrokkenen kunnen meedenken over plannen. Het beleid helpt ervoor te zorgen dat participatie eerlijk en duidelijk gebeurt. Inwoners Met ‘inwoners’ bedoelen we in deze verordening niet alleen mensen die in Papendrecht wonen. Ook bedrijven, maatschappelijke organisaties, samenwerkingspartners en andere betrokkenen vallen

hieronder. Het woord 'inwoners' is dus een verzamelnaam voor iedereen die mee kan doen aan participatie, tenzij een kleinere groep specifiek wordt genoemd. Artikel 3. Doelstelling en reikwijdte Lid 1 – Doel van de verordening Deze verordening legt uit hoe participatie in Papendrecht wordt georganiseerd. Het gaat over: 

De manier waarop inwoners, organisaties en de gemeente samenwerken.

Wie wat doet in het proces.

In welke gevallen inwoners het uitdaagrecht kunnen gebruiken.

Het doel is om duidelijkheid te geven. Zo weet iedereen waar hij of zij aan toe is. Lid 2 – Besluit per bestuursorgaan Elk bestuursorgaan (de gemeenteraad, het college of de burgemeester) beslist zelf of participatie nodig is voor hun eigen beleid of taken. Dit betekent dat niet één vast besluit geldt voor de hele gemeente, maar dat het per onderwerp kan verschillen. Lid 3 – Uitzonderingen op participatie In sommige situaties kiest de gemeente ervoor om geen participatie toe te passen. Hieronder staat wanneer dat zo is: a. Als het om een lopend traject gaat, of alleen kleine aanpassingen (dus geen nieuw beleid). b. Als een wet zegt dat participatie niet mag of niet nodig is. c. Als er snel een besluit nodig is, en er geen tijd is om mensen te betrekken. d. Als het gaat om de bescherming van kwetsbare groepen. Dan kan het zijn dat het belang van die groep zwaarder telt dan participatie. e. Als de gemeente iets moet uitvoeren van een andere overheid (zoals het Rijk of de provincie) en daarbij weinig eigen keuze heeft. f. Als het gaat om de manier waarop de gemeente intern werkt (zoals computersystemen of personeel). g. Als het gaat over de begroting of gemeentelijke belastingen, behalve als het om een burgerbegroting gaat. Dan kunnen inwoners wel meedoen. h. Als het alleen over interne of organisatorische onderwerpen gaat, waarbij inwoners geen directe rol hebben.

Lid 4 – Voor wie geldt participatie? Participatie, inspraak, het burgerinitiatief en het uitdaagrecht zijn bedoeld voor de inwoners van Papendrecht. Ook andere belanghebbenden, zoals organisaties of ondernemers, kunnen meedoen als dat passend is. Lid 5 – Samenloop met andere regelingen Soms is participatie al geregeld in andere wetten of regels. Deze verordening geldt dan niet opnieuw voor die onderwerpen. Een uitzondering is de Omgevingswet. In hoofdstuk 7 van deze verordening staat hoe de gemeente met participatie omgaat bij plannen waarvoor de Omgevingswet geldt. Artikel 4. Zorgplicht Bestuursorgaan In dit artikel staat wat het bestuursorgaan moet doen om een goed participatieproces te garanderen. Het gaat om duidelijke communicatie, openheid en zorgvuldigheid tijdens het hele proces. Lid 1a – Tijdige betrokkenheid van inwoners en maatschappelijke partijen Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat inwoners en maatschappelijke organisaties op tijd worden

betrokken bij plannen en besluiten. Dit betekent dat zij vanaf het begin kunnen meedenken en hun mening kunnen geven. Lid 1b – Inzicht in het participatieproces Het moet duidelijk zijn hoe het participatieproces verloopt en welke vormen van participatie mogelijk zijn. Inwoners moeten weten wat er van hen wordt verwacht en hoe zij kunnen bijdragen. Lid 1c – Openbaarheid van benodigde stukken De documenten die nodig zijn om goed mee te kunnen doen aan het participatieproces moeten openbaar zijn. Uitzondering hierop zijn documenten die niet openbaar mogen worden gemaakt volgens de Wet Open Overheid. Lid 1d – Inzicht in de stand van zaken tijdens het proces Tijdens het participatieproces moet het duidelijk zijn wat de huidige stand van zaken is. Inwoners moeten kunnen volgen hoe het proces verloopt en wat er al is besloten. Lid 1e – Zorgvuldig verloop van het proces Het bestuursorgaan is verantwoordelijk voor een zorgvuldig participatieproces. Dit betekent dat het proces eerlijk, transparant en respectvol verloopt. Lid 1f – Duidelijkheid over contactpunten voor vragen of klachten Inwoners moeten weten waar ze terecht kunnen met vragen of klachten over het participatieproces. Het bestuursorgaan zorgt voor duidelijke contactinformatie.

Lid 1g – Terugkoppeling na afloop van het proces Na afloop van het participatieproces moet duidelijk zijn hoe het proces is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze zijn meegenomen in de besluitvorming. Het bestuursorgaan geeft hierover een terugkoppeling aan de deelnemers. Hoofdstuk 2. Inwonersparticipatie Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van inwonersparticipatie. Artikel 5. Participatieproces Lid 1 – Wanneer wordt participatie toegepast? Inwoners kunnen meedoen bij het maken, uitvoeren en beoordelen van gemeentelijk beleid. Participatie wordt ingezet als: a. Het bestuursorgaan verwacht dat mensen worden geraakt door het beleid en er ruimte is voor invloed. b. De wet voorschrijft dat participatie moet plaatsvinden. c. Inwoners of experts waardevolle kennis hebben die helpt bij het beleid. d. Als er geen ruimte is voor invloed, worden belanghebbenden wel vroegtijdig geïnformeerd. Lid 2 – Wat staat er in een participatieplan? Bij de start van nieuw beleid wordt gekeken of participatie nodig is. Als dat zo is, wordt een plan gemaakt met daarin: a. b. c. d.

Beschrijving van het beleid; Beschrijving van de rollen, taakverdeling en verantwoordelijkheden; Het doel van participatie; Hoeveel invloed inwoners hebben. Hierbij wordt een keuze gemaakt uit: i. Informeren: alleen informatie geven; ii. Raadplegen: ideeën, wensen, meningen, ervaringen of voorkeuren verzamelen; iii. Adviseren: inwoners geven advies; iv. Coproduceren: samen werken aan beleid;

v. Meebepalen: inwoners beslissen mee; vi. Een combinatie van bovenstaande; e. Het onderwerp van participatie; f. Een analyse van doelgroepen/belanghebbenden in relatie tot het doel van het beleid of initiatief; g. Hoe informatie wordt gedeeld, bijvoorbeeld via welk medium; h. De manier waarop de participatie gaat plaatsvinden; i. Tijd en budget voor participatie. Lid 3 – Bekendmaking van de aanpak Voor de start van participatie maakt het bestuursorgaan bekend hoe het proces verloopt. Dit gebeurt op een passende manier. Lid 4 – Informatie aan de gemeenteraad Als participatie plaatsvindt bij het voorbereiden van een voorstel voor de gemeenteraad, informeert het college de raad zo snel mogelijk over het proces. Lid 5 – Aanvullende regels Het bestuursorgaan kan extra regels maken voor specifieke onderwerpen. Dit betreffen beleids- en uitvoeringsregels. Artikel 6. Besluitvorming Lid 1 – Hoe gaat de gemeente om met de uitkomsten van participatie? Voordat participatie start, geeft het bestuursorgaan aan hoe de resultaten van het participatietraject zullen worden gebruikt. Inwoners weten dan van tevoren wat hun invloed is. Dat voorkomt verwarring of teleurstelling achteraf. De gemeente kan kiezen uit drie manieren waarop zij de uitkomsten meeneemt in het besluit: a. Kennisnemen: Het bestuursorgaan bekijkt de inbreng van inwoners en weegt af of en in hoeverre deze wordt meegenomen.

Dit gebeurt bijvoorbeeld als er veel verschillende meningen zijn of als belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden. b. Uitgangspunt: Het participatieproces levert belangrijke informatie op. Die informatie wordt als een belangrijk vertrekpunt gebruikt bij de besluitvorming. De gemeente wijkt daar alleen vanaf met een goede reden. c.

Verbinden aan: De gemeente neemt de uitkomsten over in het uiteindelijke voorstel of besluit, binnen de afgesproken kaders (zoals het beschikbare geld of wet- en regelgeving). Dit geeft inwoners de meeste invloed. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een burgerbegroting of een wijkinitiatief dat volledig wordt uitgevoerd zoals voorgesteld.

Deze keuzes geven duidelijkheid: wat kunnen inwoners verwachten dat er gebeurt met hun inbreng? Lid 2 – Afwijken van de gekozen aanpak Soms verandert de situatie of komt er nieuwe informatie. Dan kan het bestuursorgaan besluiten om toch iets anders te doen dan eerst gezegd is. Dit mag alleen als daarvoor een duidelijke reden is. Die reden moet goed worden uitgelegd aan iedereen die heeft meegedaan aan het participatieproces. Artikel 7. Eindverslag participatie

Lid 1 – Wat staat er in het eindverslag? Na afloop van het participatieproces maakt het bestuursorgaan een eindverslag. Dit verslag is belangrijk omdat het alles samenvat wat er tijdens het proces is gebeurd en wat de uitkomsten waren. Het eindverslag moet in ieder geval de volgende onderdelen bevatten: a. Overzicht van het proces: Het verslag beschrijft kort hoe het participatieproces is verlopen. Dit is belangrijk zodat inwoners en andere betrokkenen kunnen zien welke stappen er zijn gezet en hoe de gemeente met hun inbreng om is gegaan. b. Belangrijkste uitkomsten: Het verslag moet duidelijk weergeven wat de belangrijkste bevindingen van het proces zijn. Dit gaat over de meningen, wensen, en ideeën van de deelnemers. c.

Reactie van de gemeente: De gemeente legt uit hoe zij omgaat met de uitkomsten van het participatietraject. Dit omvat de keuzes die zijn gemaakt in het beleidsvoorstel of uitvoeringsplan en hoe de inbreng van inwoners hierin is verwerkt.

d. Evaluatie van het proces: Het eindverslag bevat ook een evaluatie van hoe het proces is verlopen. Dit helpt de gemeente om te leren van elk participatietraject en het proces in de toekomst te verbeteren. Lid 2 – Openbaar maken van het eindverslag Het eindverslag moet op een manier openbaar worden gemaakt die past bij het proces. Dit betekent dat het verslag toegankelijk moet zijn voor iedereen die geïnteresseerd is. Lid 3 – Informatie voor de gemeenteraad Als de participatie heeft plaatsgevonden bij een raadsvoorstel, moet het college het eindverslag ter informatie aan de gemeenteraad geven. Dit zorgt ervoor dat de raad op de hoogte is van het proces en de reacties van inwoners, zodat zij deze kunnen meenemen bij hun besluitvorming. Hoofdstuk 3. Inspraak Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van inspraak. Artikel 8. Inspraakprocedure Lid 1 – Wanneer wordt inspraak verleend? Het bestuursorgaan (de gemeente) beslist of er inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Dit betekent dat de gemeente beoordeelt of er genoeg ruimte is voor inwoners om hun mening te geven over bepaalde plannen of beleidsvoornemens. Inspraak wordt verleend als de wet dit voorschrijft of als de gemeente besluit dat het nodig is.

Lid 2 – Verplichte inspraak Soms schrijft de wet voor dat er inspraak moet zijn, bijvoorbeeld als een bepaald beleid of plan grote gevolgen heeft voor de inwoners. In dat geval wordt inspraak altijd verleend. Lid 3 – Wanneer geen inspraak? Er zijn situaties waarin de gemeente beslist dat inspraak niet nodig is. Dit is het geval wanneer: a. Onder de wijzigingen vallen: Als er kleine wijzigingen zijn in een eerder vastgesteld beleid, is inspraak niet nodig. b. De wet het uitsluit: Soms schrijft de wet voor dat inspraak niet mogelijk is.

c.

Beperkte beleidsvrijheid: Als de gemeente weinig ruimte heeft om keuzes te maken door hogere regelgeving is inspraak niet mogelijk. d. Begroting en belastingen: Bij de vaststelling van de begroting of belastingen wordt geen inspraak verleend, tenzij het gaat om de burgerbegroting. e. Spoedeisende besluiten: Als er weinig tijd is om inspraak af te wachten, wordt inspraak niet verleend. f. Bescherming kwetsbare groepen: Als het belang van inspraak niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen kan inspraak worden uitgesloten. Lid 4 – Wie kan inspraak hebben? Inspraak wordt verleend aan zowel inwoners als andere belanghebbenden, zoals ondernemers en maatschappelijke organisaties. Lid 5 – De procedure voor inspraak De gemeente volgt de procedure die is beschreven in de Algemene wet bestuursrecht (de wet die regels geeft over hoe de overheid met besluiten omgaat). Deze procedure bevat onder andere: a. Termijn van 4 weken: Inwoners hebben 4 weken de tijd om hun mening (zienswijze) naar voren te brengen. b. Schriftelijk indienen: Zienswijzen moeten schriftelijk worden ingediend, bijvoorbeeld per e-mail of brief. Lid 6 – Afwijking van de procedure De gemeente kan voor elk beleidsvoornemen bepalen dat er een andere inspraakprocedure geldt. Dit wordt altijd van tevoren duidelijk gemaakt, zodat iedereen weet wat de regels zijn.

Lid 7 – Eindverslag van de inspraak Na afloop van de inspraak maakt de gemeente een verslag. Dit verslag bevat de volgende onderdelen: a. Overzicht van de inspraakprocedure: Het verslag beschrijft hoe de inspraak is verlopen. b. Zienswijzen: Alle zienswijzen (meningen en opmerkingen van inwoners) die zijn ingediend, worden samengevat. c. Reactie op de zienswijzen: De gemeente geeft een reactie op de ontvangen zienswijzen. Ze legt uit waarom bepaalde punten wel of niet in het beleid worden verwerkt. Lid 8 – Openbaar maken van het verslag Het eindverslag wordt op een passende manier openbaar gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld via de gemeentelijke website, in een lokale krant, of tijdens een openbare vergadering. Het is belangrijk dat inwoners kunnen zien wat er met hun inbreng is gedaan. Hoofdstuk 4. Het burgerinitiatief Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van het burgerinitiatief. Artikel 9. Wie mag een burgerinitiatief indienen? Lid 1 – Wie kunnen een burgerinitiatief indienen? Inwoners van Papendrecht die 18 jaar of ouder zijn, kunnen een burgerinitiatief indienen. Ook bedrijven of maatschappelijke organisaties die actief zijn in Papendrecht, kunnen een burgerinitiatief indienen. Dit betekent dat niet alleen burgers, maar ook organisaties invloed kunnen uitoefenen op gemeentelijke besluitvorming.

Artikel 10. Jongereninitiatief Lid 1 – Wie mag een jongereninitiatief indienen? Jongeren van Papendrecht in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar, kunnen een jongereninitiatief indienen. Lid 2 – Hoeveel ondersteuning is nodig voor een jongereninitiatief? Het burgerinitiatief moet ondersteund worden door minimaal 25 initiatiefgerechtigden (jongeren die het initiatief steunen). Als dit niet het geval is, wordt het verzoek niet in behandeling genomen. Lid 3 – Waar gaat een jongereninitiatief over? Een jongereninitiatief kan alleen over onderwerpen gaan waarvoor de gemeenteraad bevoegd is. Dit houdt in dat een jongereninitiatief alleen kan gaan over zaken waar de gemeenteraad invloed op heeft en besluiten over kan nemen. Ook moet het jongereninitiatief betrekking hebben op jongeren. Lid 4 – Andere regels dan burgerinitiatief De leeftijd en de minimale ondersteuning zoals geregeld in artikel 9 en artikel 12 lid 2a zijn niet van toepassing op jongereninitiatief. Hiervoor zijn andere regels bepaald, zoals hierboven. Artikel 11. Onderwerpen van het burgerinitiatief Lid 1 – Waar gaat een burgerinitiatief over? Een burgerinitiatief kan alleen over onderwerpen gaan waarvoor de gemeenteraad bevoegd is. Dit houdt in dat een burgerinitiatief alleen kan gaan over zaken waar de gemeenteraad invloed op heeft en besluiten over kan nemen.

Lid 2 – Wat kan geen burgerinitiatief zijn? Er zijn verschillende onderwerpen die niet als burgerinitiatief ingediend kunnen worden. Dit zijn onder andere: a. Bevoegdheidsgrenzen: Als het onderwerp niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad valt, kan het geen burgerinitiatief zijn. b. Beleidsvragen: Vragen over bestaand gemeentelijk beleid kunnen niet als burgerinitiatief worden ingediend. c. Klachten en bezwaren: Als het gaat om een klacht over gemeentelijk handelen of bezwaar tegen een besluit van de gemeente, valt dit niet onder een burgerinitiatief. d. Recent besloten onderwerpen: Als de gemeenteraad al korter dan 6 maanden geleden een besluit heeft genomen over een onderwerp, kan daar geen burgerinitiatief meer over worden ingediend. e. Specifieke financiële zaken: Onderwerpen zoals de gemeentelijke begroting, belastingen, of salarissen van gemeentepersoneel kunnen geen burgerinitiatief zijn. f. Individuele belangen: Het gaat niet om individuele belangen, maar om onderwerpen die breder relevant zijn voor de gemeenschap. Artikel 12. Voorwaarden voor een geldig burgerinitiatief Lid 1 – Hoe moet het burgerinitiatief worden ingediend? Een burgerinitiatief moet schriftelijk worden ingediend bij de burgemeester om op de agenda van de gemeenteraad te komen. Het verzoek moet voldoen aan bepaalde voorwaarden om geldig te zijn.

Lid 2 – Wat maakt een verzoek ongeldig? Een verzoek wordt niet in behandeling genomen als:

a. Te weinig steun: Het burgerinitiatief moet ondersteund worden door minimaal 35 initiatiefgerechtigden (mensen die het initiatief steunen). Als dit niet het geval is, wordt het verzoek niet in behandeling genomen. b. Onterecht onderwerp: Het burgerinitiatief bevat een onderwerp dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 11 (bijvoorbeeld een financieel onderwerp of een klacht). c. Niet voldoen aan eisen: Het verzoek voldoet niet aan de eisen zoals beschreven in artikel 13. Artikel 13. Eisen voor een burgerinitiatief Lid 1 – Wat moet het verzoek bevatten? Het verzoek voor een burgerinitiatief moet minimaal de volgende informatie bevatten: a. Omschrijving: Een duidelijke beschrijving van het burgerinitiatief. b. Toelichting: Een toelichting waarin wordt uitgelegd waarom dit burgerinitiatief wordt voorgesteld en waarom het belangrijk is. c. Gegevens indiener: De naam, geboortedatum, adres en handtekening van de indiener en diens plaatsvervanger. d. Steun van anderen: Een lijst met de gegevens van de initiatiefgerechtigden (minimaal 35 mensen) die het verzoek ondersteunen. e. Begroting: Als er kosten verbonden zijn aan het burgerinitiatief, moet een globale begroting worden meegestuurd. Artikel 14.

Het in behandeling nemen van het burgerinitiatief Lid 1 – Wat gebeurt er na de indiening? De burgemeester beoordeelt het ingediende burgerinitiatief uiterlijk 10 werkdagen voor de volgende raadsvergadering. Lid 2 – Indeling van de initiatieven De burgemeester maakt een lijst van alle ontvangen burgerinitiatieven en deelt deze in op basis van de volgende categorieën: a. Onterecht of niet geldig: Als het initiatief niet voldoet aan de voorwaarden van de verordening als omschreven in artikelen 9, 10, 11, 12 en/of 13. b. Ambtelijke afhandeling: Initiatieven die door het gemeentelijk ambtelijk apparaat kunnen worden behandeld, zonder raadsbesluit. c. Voorleggen aan de raad: Initiatieven die geschikt zijn om door de gemeenteraad te worden behandeld. d. Verduidelijking nodig: Als er onduidelijkheden zijn over het initiatief en de indiener om verduidelijking wordt gevraagd. De indiener wordt schriftelijk geïnformeerd over de beoordeling en indeling van het initiatief. Lid 3 – Informatieplicht naar de raad De burgemeester informeert de gemeenteraad over de indeling van het burgerinitiatief. Lid 4 – Wijziging door de gemeenteraad De gemeenteraad kan besluiten om de indeling van de burgemeester aan te passen. Dit betekent dat de raad kan bepalen of het initiatief wel of niet op de agenda komt.

Lid 5 – Plaatsing op de agenda Na goedkeuring door de raad wordt het burgerinitiatief zo snel mogelijk op de raadsagenda geplaatst. Lid 6 – Uitnodiging voor de raadsvergadering

De burgemeester nodigt de indiener of diens plaatsvervanger uit om het burgerinitiatief in de raadsvergadering toe te lichten. Dit gebeurt op een zakelijke en bondige manier. Lid 7 – Besluitvorming door de gemeenteraad De gemeenteraad neemt een besluit over het burgerinitiatief. De raad kan besluiten om het initiatief goed te keuren, af te wijzen, uit te stellen, of het door te verwijzen naar een commissie voor verder onderzoek. Lid 8 – Bekendmaking van het besluit Alle besluiten over burgerinitiatieven worden zo snel mogelijk bekendgemaakt, en de indiener wordt persoonlijk geïnformeerd. Indien een burgerinitiatief is afgewezen, is sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep open staat. Hoofdstuk 5. Overheidsparticipatie Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van overheidsparticipatie. Artikel 15. Onderwerp overheidsparticipatie Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om een maatschappelijk initiatief van inwoners of belanghebbenden te ondersteunen. Dit gebeurt wanneer het initiatief volgens hen bijdraagt aan de doelen van het gemeentelijk beleid of op een andere manier een positieve bijdrage levert aan de lokale gemeenschap. Inwoners kunnen dus hun ideeën aandragen en de gemeente kan kiezen om hierbij te helpen als het idee goed is voor de gemeenschap. Artikel 16.

Budget De gemeenteraad kan elk jaar een budget beschikbaar stellen voor ideeën en initiatieven die vanuit de samenleving komen. Dit budget is bedoeld om de ideeën van inwoners en maatschappelijke organisaties te ondersteunen, bijvoorbeeld met financiële middelen of andere vormen van hulp. Artikel 17. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie Lid 1 – Wanneer wordt overheidsparticipatie geweigerd? Burgemeester en wethouders kunnen besluiten geen steun te geven aan een initiatief. Dit kan het geval zijn als: a. Onvoldoende draagvlak: Het initiatief heeft niet genoeg steun bij omwonenden, belanghebbenden of de betrokken inwoners. b. Onhaalbaarheid: Het initiatief is niet haalbaar vanwege financiële, juridische of praktische redenen. c. Juridische belemmeringen: Er is een bezwaar- of beroepsprocedure aan de gang of juridische belemmeringen die het initiatief tegenhouden. d. Privébelang: Het initiatief dient voornamelijk het privébelang van de indiener en niet het algemeen belang. Lid 2 – Informatie over het besluit Als burgemeester en wethouders besluiten geen ondersteuning te geven, moeten ze dit goed uitleggen aan de initiatiefnemer(s). Ze moeten duidelijk aangeven waarom het initiatief niet ondersteund wordt.

Lid 3 – Wat staat er in het besluit als overheidsparticipatie wel wordt toegepast? Als het besluit positief is en de gemeente besluit om deel te nemen aan het initiatief, dan moet het besluit de volgende informatie bevatten:

a. Omschrijving van het initiatief: Wat is het initiatief, hoe wordt het uitgevoerd, wat is de doorlooptijd en wat zijn de kosten? b. Gemeentelijke steun: Welke hulp biedt de gemeente? Dit kan zijn: administratieve ondersteuning, subsidies, financiële middelen, ruimte, materiaal, vergunningen, enzovoort. c. Contactpersoon: De naam van de gemeentelijke contactpersoon die het initiatief zal begeleiden. Lid 4 – Openbaar maken van het besluit Het besluit van de gemeente om een maatschappelijk initiatief te ondersteunen, wordt openbaar gemaakt. Dit gebeurt op een geschikte manier, zodat iedereen weet welke initiatieven de gemeente ondersteunt. Artikel 18. Uitvoering overheidsparticipatie Lid 1 – Hoe wordt een initiatief ondersteund? Als de gemeente besluit om een initiatief te ondersteunen, kan dat op verschillende manieren, bijvoorbeeld: a. Ruimtes of huisvesting: De gemeente kan een ruimte ter beschikking stellen, tijdelijk of permanent. b. Financiële middelen: De gemeente kan een budget of subsidie geven om het initiatief te ondersteunen. c. Ambtelijke expertise: De gemeente kan ambtenaren of andere deskundigen inzetten om het initiatief te helpen. d. Andere vormen van steun: Er kunnen andere vormen van ondersteuning zijn, afhankelijk van de behoefte van het initiatief. Lid 2 – Informatie aan de indieners De gemeente informeert de indieners van het initiatief over het besluit.

Dit zorgt ervoor dat ze weten op welke manier en in welke mate ze steun kunnen verwachten. Hoofdstuk 6. Uitdaagrecht Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van uitdaagrecht. Artikel 19. Onderwerp Uitdaagrecht De gemeente biedt inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, (keten)partners en andere betrokkenen de kans om een voorstel in te dienen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen. Dit is het zogenaamde uitdaagrecht, waarbij inwoners of organisaties de gemeente uitdagen om bepaalde taken anders uit te voeren of door hen te laten uitvoeren. Artikel 20. Verzoek tot Uitdaagrecht Lid 1 – Wat moet een voorstel voor het uitdaagrecht bevatten? Wanneer iemand een voorstel indient om een taak over te nemen via het uitdaagrecht, moet het verzoek aan het college de volgende informatie bevatten: a. Omschrijving van de taak: Wat is de taak die de indiener wil overnemen? b. Uitleg waarom de indiener het beter of goedkoper kan uitvoeren: Waarom denkt de indiener dat hij of zij de taak beter kan uitvoeren dan de gemeente? c. Betrokkenheid, kennis of ervaring van de indiener: Welke ervaring heeft de indiener en wat is zijn of haar betrokkenheid bij de taak? d. Draagvlak onder belanghebbenden: Is er steun van andere betrokkenen of inwoners voor het voorstel?

e. Kostenraming: Wat zijn de verwachte kosten van de uitvoering van de taak? f. Samenwerking met de gemeente: Hoe wil de indiener samenwerken met de gemeente en welke ondersteuning heeft hij of zij nodig? g. Garantie voor kwaliteit en uitvoering op lange termijn: Hoe waarborgt de indiener de kwaliteit van de uitvoering en de continuïteit op langere termijn? Lid 2 – Aanvullende informatie Het college kan aanvullende informatie opvragen als het voorstel niet volledig is of als er meer verduidelijking nodig is. Artikel 21. Beoordeling verzoek Uitdaagrecht Lid 1 – Wanneer wordt een verzoek afgewezen? Het bestuursorgaan kan het verzoek om het uitdaagrecht afwijzen in de volgende gevallen: a. Aard van de taak: De taak is van zo'n aard dat het niet geschikt is voor het uitdaagrecht. b. In strijd met gemeentelijk beleid: Het voorstel komt in conflict met het beleid dat de gemeente al heeft vastgesteld. c. Onvoldoende verbetering: Het voorstel zorgt niet voor een betere uitvoering of de kosten zijn hoger dan wanneer de gemeente de taak zelf uitvoert. d. Europese aanbestedingsdrempel: Het voorstel heeft een waarde die boven de Europese drempelwaarde uitkomt, waardoor het een aanbestedingsprocedure vereist. e. Niet voldoen aan de eisen: Het voorstel voldoet niet aan de eisen die zijn genoemd in artikel 20, bijvoorbeeld als het niet goed is onderbouwd of onvolledig is.

Lid 2 – Ondersteuning bij overname van de taak Als het voorstel wordt goedgekeurd en de gemeente de taak daadwerkelijk aan de indiener overlaat, zorgt de gemeente voor passende ondersteuning. Er wordt een overeenkomst opgesteld waarin afspraken worden vastgelegd over onder andere: 

De taken die de indiener uitvoert.

Het resultaat dat behaald moet worden.

Het budget en de financieringsvorm.

De looptijd van de taak.

Evaluaties van de voortgang.

Wat er gebeurt als de afspraken niet nagekomen worden of als de taak tussentijds beëindigd moet worden.

Lid 3 – Manieren van gemeentelijke ondersteuning De gemeente kan op verschillende manieren ondersteuning bieden aan de initiatiefnemer: a. Materieel: Dit kan zijn: menskracht, locaties, geld, of praktische ondersteuning. b. Formeel: Regels, vergunningen, richtlijnen of het monitoren van de uitvoering. c.

Informeel: Het verbinden van mensen, inspiratie bieden, aandacht geven en communiceren.

d. Of een combinatie van bovenstaande vormen van ondersteuning. Lid 4 – Reactie en besluit

Het college moet binnen acht weken reageren op het voorstel. Het besluit wordt gemotiveerd aan de indiener gestuurd, zodat duidelijk is waarom de gemeente wel of niet akkoord gaat met het voorstel. Als een verzoek tot uitdaagrecht is afgewezen, is sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep open staat. Hoofdstuk 7. Omgevingswet Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van participatie onder de Omgevingswet. Artikel 22. Omgevingsplan en omgevingsvergunning Lid 1 – Participatie volgens de Omgevingswet en Beleidskader Participatie bij omgevingsplannen en omgevingsvergunningen wordt uitgevoerd volgens de regels die zijn vastgesteld in de Omgevingswet en het Beleidskader participatie in de Omgevingswet Papendrecht. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling van het omgevingsplan en het aanvragen van omgevingsvergunningen een proces van participatie (betrokkenheid van de inwoners) wordt gevolgd, zoals omschreven in deze wet en het beleidskader. De Omgevingswet stelt regels voor hoe de overheid om moet gaan met de fysieke leefomgeving, en hoe inwoners en andere belanghebbenden betrokken worden bij beleidsprocessen die hen direct raken, zoals plannen voor de ruimtelijke inrichting en de toekenning van vergunningen.

Het Beleidskader participatie in de Omgevingswet Papendrecht beschrijft hoe de gemeente Papendrecht deze participatie concreet vormgeeft in het kader van de wet. Lid 2 – Instrumenten waarvoor het beleidskader geldt Het beleidskader wordt toegepast op de volgende instrumenten uit de Omgevingswet: a. De omgevingsvisie: Dit is een strategisch document waarin de langetermijnvisie van de gemeente over de fysieke leefomgeving wordt vastgelegd. b. Het programma: Dit is een plan dat de doelen en te nemen maatregelen voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving beschrijft. c. Het omgevingsplan en wijzigingen daarvan: Het omgevingsplan stelt regels op voor de inrichting van de fysieke ruimte en de activiteiten die daarin mogen plaatsvinden. Wijzigingen aan dit plan kunnen nodig zijn voor door de gemeente geïnitieerde ontwikkelingen, zoals nieuwe woningbouw of andere grote projecten. d. De omgevingsvergunning: Dit is de vergunning die vereist is voor bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouwen of het wijzigen van een bestaand gebouw. Wanneer deze vergunning nodig is voor een door de gemeente geïnitieerde ontwikkeling, wordt het participatieproces gevolgd. Hoofdstuk 8. Evaluatie en monitoring Artikel 23. Evaluatie en monitoring De uitvoering van de Participatieverordening wordt één keer per raadsperiode geëvalueerd.

Dit betekent dat de gemeente kijkt of de verordening goed wordt toegepast en of deze voldoet aan de doelstellingen. Het college stelt een evaluatieverslag op en stuurt dit naar de gemeenteraad ter bespreking. Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 24. Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking ervan. Dit betekent dat de nieuwe regels meteen van kracht zijn zodra ze officieel bekend worden gemaakt.

Tegelijkertijd worden de oude verordeningen ingetrokken, namelijk: 

Inspraakverordening gemeente Papendrecht 2016, vastgesteld 7 juli 2016;

De verordening burgerinitiatief gemeente Papendrecht 2016, vastgesteld 7 juli 2016.

Artikel 25. Citeertitel De officiële naam van de verordening is: " Participatie- en inspraakverordening Papendrecht ". Deze naam wordt gebruikt wanneer naar de verordening wordt verwezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1076/documents/15628