RIB beantwoording technische vragen D66 - Concernrapportage 2024.pdf
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad Datum Behandeld door
15-11-2024 B.L. Liang / M. Penders
Ons kenmerk Doorkiesnummer Onderwerp
Beantwoording technische vragen Concernrapportage 2024
Geachte mevrouw, heer, Hieronder treft u de beantwoording van nagekomen schriftelijke gestelde technisch vragen van de fractie D66 aan. Deze brief volstaan we met een korte, technische beantwoording. I. Door de fractie van D66 zijn onderstaande schriftelijke technische vragen gesteld over de Concernrapportage 2024. Deze beantwoording betreft alleen technische vragen. Inleiding Recreatie & Cultuur Holding Pag. 6 Vraag 1 De stijgende energie- en onderhoudskosten worden als risicofactor genoemd voor de exploitatie van het sportcentrum. Zijn er plannen om dit op te vangen, bijvoorbeeld door verduurzaming van de locatie? Antwoord vraag 1: Er is voor het Sportcentrum een verduurzamingsplan opgesteld. In dit plan zijn de verduurzamingsmogelijkheden verkend, zijn relevante besparingsopties benoemd en is indicatief een terugverdientijd bepaald. Een vervolgopdracht is verstrekt om de aanbevelingen uit te werken in een concreet plan van aanpak. Deze wordt in Q2-2025 verwacht.
2. Financiële tussenstand Stelposten Pag. 8 En 3. Bijstelling begroting 2024 0. Bestuur en Ondersteuning Stelposten Pag. 10 Vraag 2 De vrijgevallen stelposten hebben een positief effect van €1,0 miljoen. Wordt hier rekening gehouden met mogelijke toekomstige tekorten en hoe worden deze stelposten strategisch ingezet binnen de begrotingsplanning? Antwoord vraag 2: Aangezien hier sprake is van een incidentele vrijval van stelposten heeft dit geen betrekking op strategische inzet van de begrotingsplanning.
1
3. Bijstelling begroting 2024 6. Sociaal Domein Inspectie kinderopvang Pag. 16 Vraag 3 Zowel de directeur persoonlijk als de B.V. waarin de kinderopvang werd geëxploiteerd zijn failliet verklaard (resp. op 13 augustus 2024 en 5 november 2024). In hoeverre is het dan realistisch te verwachten dat deze dwangsom succesvol ingevorderd kan gaan worden en moet deze dus als bate worden ingeboekt? Antwoord vraag 3: Ten tijde van het opstellen van de concernrapportage was er nog onduidelijkheid rondom het faillissement van Fit-Kidz. Fit-Kidz B.V. is uiteindelijk in november failliet verklaard en is als zodanig nog hierin niet meegenomen. Na overleg met de curator kunnen we de conclusie trekken dat het niet realistisch is dat de dwangsom succesvol ingevorderd zal worden. Bij het opstellen van de jaarrekening 2024 zullen wij hiermee rekening houden.
3. Bijstelling begroting 2024 7. Volksgezondheid en Milieu Afval Pag. 17 Vraag 4 Uit de alinea’s over gewijzigde hoeveelheid restafval komt naar voren dat de inwoners veel minder restafval hebben aangeboden dan was voorzien. Dit leidt tot een voordeel (minder afval verbranden) en een nadeel (minder inkomsten klepopeningen). Als we het financiële voordeel én nadeel bij minder restafval bij elkaar bezien, leidt minder afval per saldo altijd tot een financieel nadeel. Klopt dat en is dat lineair? Antwoord vraag 4: Nee, het verband tussen de baten en lasten is niet lineair te vergelijken. Voor 2024 zijn de opbrengsten kleptarief restafval gebaseerd op een raming van 125 kg per inwoner. Het kleptarief is gebaseerd over de som van de variabele kosten als verwerkingskosten en om vaste kosten zoals financieringskosten, inzamelkosten en uren coaches en toezicht. Nu minder restafval (klepopeningen) wordt aangeboden dan geraamd ontstaat een nadeel omdat deze vaste kosten wel gemaakt worden. Indien het uitgangspunt (bijv. 50 kilo restafval) lager was dan de huidige realisatie (75 kilo restafval) gebeurt het omgekeerde, een overschot (meer baten en minder variabel kosten) en wordt de bewoner in deze situatie meer in rekening gebracht. In principe leidt minder dan geraamde restafval binnen een jaarschijf bij gelijke uitgangspunten tot een financieel nadeel.
Dit wordt binnen de afvalwereld ook wel de Diftar- paradox genoemd. Bij minder of juist meer aanbod wordt waar mogelijk ingespeeld op de nieuwe tijdelijke (seizoen effecten) of structurele omstandigheden. Dit inspelen op de omstandigheden (binnen marges) heeft ook financieel effect omdat op werkelijke kosten met HVC wordt afgerekend. Door de verschillende soorten kostendragers en vaste lasten zijn bij afwijkingen van de geraamde uitgangspunten de effecten niet lineair. Voorbeeld geen nulpunt in kosten bij nul aanbiedingen. Daarnaast kan het gewenst zijn een bepaalde service te handhaven.
2
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend,
J.M. Ansems Algemeen directeur
3