RB Transitievisie Warmte 2021.pdf
Tekst van het document
Tempo
Deze wijken stappen gestaag over op hybride, in het tempo van gebouweigenaren. Doordat dit oude gebouwen zijn hebben zij waarschijnlijk alle tijd tussen nu en 2050 nodig om het basisniveau te bereiken en de overstap te maken naar hybride.
Gasbesparing
Doordat deze wijken op termijn aanspraak zullen maken op schaars duurzaam gas is het van belang zoveel mogelijk gas te besparen. Dat doen we op drie manieren:
Isoleren en kierdichten: het verlagen van de warmtevraag van het gebouw.
Hybride: het beperken van de gasvraag door de warmtevraag deels in te vullen met warmtepompen.
Opt-out: naoorlogse gebouwen in deze wijken moeten in principe wel zoveel mogelijk gasvrij worden.
Opt-out
Binnen deze wijken zullen individueel all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Om zoveel mogelijk gas te besparen is opt-out in deze wijken juist wenselijk.
29/82
28
4.4.4. Besparingswijk met aandacht voor herijking Transitiepad
Besparen met aandacht voor herijking (Molenvliet, Wilgendonk & Oosteind en de Kooy A)
Gebouwen
Alle gebouwen gaan op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken.
Warmteoptie en
Voor deze wijken is het nog onduidelijk welke warmteoptie zij krijgen, bijvoorbeeld omdat
herijking
de kosten van de verschillende warmteopties erg dicht bij elkaar liggen. Zij zijn echter niet zo oud dat zij aanspraak kunnen maken op duurzaam gas. Daarom volgen deze wijken een no-regrettransitiepad gericht op gasbesparing en krijgen zij extra aandacht bij de vijfjaarlijkse herijking van de Transitievisie Warmte, waarbij de warmteoptie van deze wijken opnieuw wordt beoordeeld op basis van voortschrijdend inzicht. Een hybride warmtepomp is in deze wijken in principe no-regret. Als de wijk uiteindelijk toch gasvrij wordt geldt dit als tussenoplossing: de hybride warmtepomp maakt dan op termijn plaats voor een volledige warmtepomp of een afleverset.
Tempo
Deze wijken stappen in het tempo van gebouweigenaren naar het basisniveau en eventueel hybride warmtepompen.
Opt-out
Binnen deze wijken zullen individueel all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen.
4.4.5. Bedrijventerreinen Transitiepad
Bedrijventerrein (Westpolder A & Oosteind en de Kooy B)
Gebouwen
Voor bedrijfsbebouwing geldt dat inregeling van de binneninstallatie vaak belangrijker is dan het maken van bouwkundige aanpassingen. Dit is echter ook sterk afhankelijk van de gebruiksfunctie van het bedrijfspand.
Warmteoptie
Op bedrijventerreinen zullen individuele en kleinschalig collectieve warmteopties voorkomen. Het gaat daarbij om all-electric maar ook om WKO-netten die naast warmte ook koude kunnen leveren. De energie-infrastructuur op een bedrijventerrein is echter in hoge mate maatwerk, zeker als er procesindustrie op het terrein aanwezig is.
Tempo
Deze wijken volgen voorlopig het tempo van de gebouweigenaren. Het tempo zal mede bepaald worden door de verplichtingen die bedrijven hebben onder de Wet milieubeheer om energie te besparen, en de handhaving van de Omgevingsdienst hierop.
30/82
29
5. Uitvoeringsstrategie De perspectiefkaart en de transitiepaden in het vorige hoofdstuk geven per buurt inzicht in de route die wordt doorlopen naar aardgasvrij. In dit hoofdstuk maken we een doorkijk richting uitvoering: Hoe worden die routes de komende jaren ingezet, welke instrumenten zetten we als gemeente in, en hoe kunnen gebouweigenaren, inwoners en andere partijen hierbinnen initiatiefnemen?
5.1.
De transitiepaden omzetten naar praktijk
Verschillende transitiepaden vragen om verschillende type aanpakken. In deze paragraaf beschrijven we welke aanpakken kunnen worden toegepast en wat dat betekent voor inwoners en andere betrokkenen.
5.1.1. Doelgroepgerichte aanpak voor gasbesparing en individuele warmteopties Het eerste uitgangspunt van de Transitievisie Warmte is dat we voortvarend aan de slag gaan met isolatie en andere vormen van energiebesparing. Dat uitgangspunt komt in alle transitiepaden terug. In alle transitiepaden werken we aan de gebouwkant zoveel mogelijk toe naar een basisniveau van isolatie, ventilatie en elektrisch koken. Het basisniveau van isolatie bereiken we als we maximaal isoleren binnen de bestaande schil, bij voorkeur op natuurlijke momenten om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden. Het basisniveau is dus no-regret en moeten we altijd doen, voor iedereen en ongeacht het alternatief voor aardgas. Naast het basisniveau van bouwkundige maatregelen kunnen ook installaties, zoals hybride warmtepompen of volledige warmtepompen een no-regret maatregel zijn. Dit is afhankelijk van het transitiepad van de wijk waarin de woning zich bevindt. Een hybride warmtepomp is in alle wijken een goede tussenoplossing, in afwachting van een volledig gasvrije warmteoptie, maar ook een eindoplossing voor bijvoorbeeld het dijklint. Dit gedeelte van Papendrecht heeft namelijk zicht op duurzaam gas (dit geldt voor de licht oranje gekleurde besparingswijken). Een hybride warmtepomp die wordt gevoed met duurzaam gas is hierbij een goede eindoplossing.
Het spreekt voor zich dat niet iedere woningeigenaar een vergelijkbaar handelingsperspectief heeft. Dat verschilt per woningtype en per transitiepad. Bovendien zijn er momenteel weinig sturingsmogelijkheden voor de gemeente. Het nemen van deze individuele maatregelen is dus op basis van vrijwilligheid. Dat iedere eigenaar de maatregelen individueel treft, betekent niet dat er geen collectief aanbod georganiseerd kan worden, waar meerdere eigenaren tegelijk gebruik van kunnen maken.
31/82
30
Zowel bij inwoners als bij de lokale werkgroep hebben wij opgehaald wat woningeigenaren nodig hebben om zoveel mogelijk naar het basisniveau te gaan. Grofweg hebben woningeigenaren behoefte aan twee dingen:
Voorlichting: inwoners zijn sterk gemotiveerd om te isoleren. Zowel voor het comfort dat het oplevert, de financiële besparingen als de klimaatwinst. Maar men wil beter inzicht krijgen in welke maatregelen ze moeten nemen en wat daarvoor natuurlijke momenten zijn. Inwoners willen objectieve adviezen, het liefst georganiseerd vanuit de gemeente. In deze adviezen moet duidelijk worden waarom specifiek deze maatregelen nodig zijn en wat de voordelen ervan zijn, zoals meer comfort en lagere woonlasten.
Facilitering: zorgen dat gebouweigenaren weten bij welke middelen ze terecht kunnen om de maatregelen te nemen, zoals rekentools, woningscans, (digitale) loketten, subsidies, leningen en voorbeeldwoningen. Er zijn diverse landelijke subsidiemogelijkheden, zoals de Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW). Ook kunnen woningeigenaren gebruikmaken van de diensten van het Regionaal Energieloket. Er is behoefte aan een overzichtelijke en makkelijk toegankelijke plek waar deze informatie te vinden is. Energiebesparing in Papendrecht: tips van inwoners uit de informatieavond op 10 maart 2021
Toewerken naar een gedetailleerde planning wanneer wijken van het gas af gaan, zodat eigenaren hun verbouwplanning erop aan kunnen passen Onafhankelijk advies op maat voor individuele woningeigenaren Een voorbeeldwoning waarin alle effecten zichtbaar zijn Ondersteuning en begeleiding voor VVE’s Ondersteuning en inzicht geven in de kosten, terugverdientijden en beschikbare subsidies
Om iedere woningeigenaar op een juiste manier voor te lichten en te faciliteren is een doelgroepgerichte aanpak nodig. We onderscheiden drie hoofddoelgroepen: woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed. Bij iedere hoofddoelgroep kunnen we subdoelgroepen onderscheiden, zoals woningeigenaren binnen een VVE, huurders, en particuliere eigenaren. Samen met de andere gemeenten binnen de Drechtsteden gaan we de doelgroepenaanpak uitwerken. In de regionale doelgroepenaanpak werken we per (sub)doelgroep maatregelen uit op het gebied van voorlichting en facilitering. Vervolgens bepalen we als gemeente de prioritering in doelgroepen en aanpakken om in Papendrecht toe te passen. Aandachtspunten daarbij zijn het tegengaan van energiearmoede en het zoveel mogelijk aansluiten bij natuurlijke momenten van woningeigenaren in Papendrecht.
In de Regio is reeds een Regisseur Energiebesparing aangesteld die samen met gemeenten de aanpakken op het gebied van energiebesparing gaat vormgeven en ervoor zorgt dat wordt samengewerkt waar dat kansrijk is. De voordelen van regionale samenwerking zijn schaalvoordeel in de uitvoering, het kunnen leren van elkaars ervaringen, en uniformiteit in communicatie, voorlichting en andere uitingen.
32/82
31
5.1.2. De aanpak in warmtenetwijken De uitvoering voor warmtenetwijken kenmerkt zich door een wijkgerichte collectieve aanpak. Gemeente werken samen met bijvoorbeeld een warmtebedrijf en woningcorporatie om vraag en aanbod van warmte in een gebied te organiseren. Deze aanpak is wijkgericht omdat de infrastructuur van een warmtenet kostbaar is. Het is daarom belangrijk dat er binnen een wijk een bepaalde schaalgrootte ontstaat. Dit gebeurt stap voor stap. We kijken binnen een wijk naar verschillende doelgroepen, zoals particuliere woningbezitters en grote gebouweigenaren. Voor reeds geplande warmtenetten is de organisatiestructuur al ingericht, daarnaast is er ruimte voor nieuwe initiatieven.
Reeds geplande warmtenetten Via gemeentelijke SAH-werkgroepen wordt de aansluiting van clusters corporatiewoningen georganiseerd waarvoor al SAH-subsidie (stimulering aardgasvrije huurwoningen) is verkregen. De uitvoering wordt voor deze clusters uiterlijk in 2025 verwacht (onder voorbehoud van akkoord inwoners en goedkeuring raden van commissarissen).
Nieuwe ontwikkelingen warmtenetten: Het uitnodigingskader (zie volgende paragraaf) geldt als houvast voor het gesprek met alle nieuwe initiatieven op het gebied van warmtenetten. Het heeft betrekking op zowel nieuwe SAH-clusters (woningcorporaties) als SAK-clusters (subsidie Stimulering Aardgasvrije Koopwoningen, voor VVE’s en particuliere woningen) en voor kleinschalige collectieven op bedrijventerreinen of voor andere grote gebouweigenaren. Door de Regio Drechtsteden is voor aardgasvrije wijkaanpakken in de Drechtsteden een Schaalbaar Stappenplan Aardgasvrjie Wijkaanpakken opgesteld, dat gemeenten helpt bij de planvorming en uitvoering. Dit stappenplan biedt structuur en houvast voor collectieve wijkaanpakken. In het stappenplan worden checklists, belangrijke afwegingen per fase van de wijkaanpak en voorbeelddocumenten uit de proeftuin Sliedrecht-Oost en initiatieven uit Zwijndrecht en Dordrecht gedeeld. Het stappenplan is te vinden op http://www.drechtstedenenergie.nl/wijkaanpak.
5.1.3. De aanpak voor bedrijventerreinen Bedrijven zijn benoemd als aparte hoofddoelgroep binnen de energiebesparingsopgave. Omdat deze doelgroep zowel qua verwarmingsbehoefte als qua regelgeving afwijkt van woningen, is het belangrijk dat voor deze groep specifieke aanpakken worden ontwikkeld. Deze kunnen zowel gericht zijn op individuele (besparings)maatregelen als het ontwikkelen van kleinschalige collectieve systemen (bronnetten). Bij het uitwerken van deze aanpakken is de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) een belangrijke partner.
5.1.4. De aanpak in Nieuwbouw- en transformatiegebied Nieuwbouw wordt per definitie aardgasvrij gerealiseerd. De keuze van een warmteoptie (energieconcept) voor nieuwbouw wordt gemaakt op basis van de afwegingscriteria voor warmteopties in de Transitievisie Warmte, inclusief de voorkeursvolgorde voor warmtebronnen uit de RES. Bij deze keuze spelen altijd ook lokale factoren een rol, zoals de schaal van de ontwikkeling en de relatie met de bestaande bouw eromheen.
33/82
32
5.2.
De transitievisie warmte als uitnodigingskader collectieve warmte
We zitten momenteel nog in een fase waarin wetgeving (o.a. Wet Collectieve Warmtevoorziening en Omgevingswet) in ontwikkeling is en randvoorwaarden voor de warmtetransitie - onder andere de betaalbaarheid - deels ontbreken. Een tussenfase dus. Dé manier om deze periode te overbruggen en ondanks die missende randvoorwaarden toch al voortgang te boeken, is het verlenen van medewerking aan initiatieven uit de markt en de samenleving. De Omgevingswet kiest ervoor om steeds meer de kracht van de samenleving te benutten in plaats van de overheid die alles zelf doet. Dat vraagt ook een stimulerende en uitnodigende cultuur die initiatiefnemers op weg helpt. Dat maken we mogelijk door de transitievisie warmte in deze tussenfase als uitnodigingskader te positioneren: een uitnodiging en leidraad voor het gesprek met initiatiefnemers. Het uitnodigingskader geldt voor alle initiatieven die met collectieve warmte, waarbij de medewerking van de gemeente nodig is (zoals aanleg van warmte-infrastructuur op gemeentegrond of afwijking van een omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Dat kan variëren van heel kleinschalig (enkele gebouwen) tot groot (bijvoorbeeld cluster- of wijkniveau). Waar gebouweigenaren stappen willen zetten richting aardgasvrij die passen binnen de kaders van deze transitievisie warmte, gaan we met dit uitnodigingskader als basis het gesprek aan.
We stellen dus geen dwingende regels. Dit vanuit de ervaring en overtuiging dat er in de samenleving (woningbouwcorporaties, gebouweigenaren, HVC, andere initiatieven, et cetera) voldoende kracht zit om de eerste stap richting 2050 te kunnen zetten. Om initiatieven de goede kant op te richten is er wel behoefte aan een uitnodigingskader, zodat de stappen die gezet worden in lijn zijn met het perspectief dat we in deze Transitievisie Warmte schetsen. Dit zorgt er onder andere voor dat keuzes die in deze tussenfase gemaakt worden voorsorteren op een betaalbare warmtetransitie. Het uitnodigingskader kan worden gezien als een gespreksleidraad, waarmee we aan de hand van ons warmtebeleid in de Transitievisie Warmte in gesprek gaan en medewerking verlenen aan initiatieven. De transitievisie warmte biedt de belangrijkste gespreksonderwerpen. Deze bestaan uit: 1. De uitgangspunten van deze transitievisie warmte (H2) 2. De afwegingscriteria warmteopties (H3) 3. Een duidelijk ontwikkelperspectief: hoe verhoudt het initiatief voor het aardgasvrij maken van een cluster gebouwen zich tot het perspectief voor de buurten eromheen, de verwachte infrastructuur, het temperatuurniveau en de bronnenstrategie (afkomstig vanuit de RES)? 4. Het warmtenet als onderdeel van het energiesysteem: een warmtenet kan zoals beschreven helpen om pieken in het energiesysteem op te vangen.
Het is daarom belangrijk om de integrale samenhang van het energiesysteem (warmtenet, (hernieuwbaar)gasnet en elektriciteitsnet) te bekijken. Op termijn kunnen warmtenetten aan elkaar gekoppeld worden.
34/82
33
5. Overige aandachtspunten. In een participatieronde met stakeholders, bewoners en bedrijven zijn criteria opgehaald die aangeven wanneer een initiatief als kansrijk wordt gezien om mee te starten. De belangrijkste zijn:
Zijn er koppelkansen met werkzaamheden in de openbare ruimte en ondergrond, of met andere natuurlijke vervangingsmomenten? Hierbij kan gedacht worden renovatiemomenten van woningcorporaties of andere grote eigenaren, vervanging of sanering van het huidige gasnet, rioolvervanging, werkzaamheden aan de openbare ruimte, verbouwingen of de vervanging van Cvketels en nieuwbouwwerkzaamheden.
Kan de aanpak zorgen voor het voorkomen van energiearmoede (waarbij huishoudens onvoldoende geld hebben voor verwarming, verlichting of koken en dus inleveren op hun comfort)?
Lokale invulling per gemeente, bijvoorbeeld hoe het initiatief bijdraagt aan de doelen uit de Omgevingsvisie.
5.2.1. Hoe werkt het uitnodigingskader?
Het uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers met een haalbare en betaalbare casus voor aardgasvrij uit om met de gemeente in gesprek te gaan. Het initiatief ligt hiervoor bij gebouweigenaren (woningcorporaties, utiliteit, VVE’s, groepen particulieren), die samen met een warmtebedrijf of een andere samenwerkingspartner in gesprek kunnen gaan. Het initiatief kan grootschalig zijn, maar ook kleinschalig, zoals een wijk-WKO of eigen warmtebron voor een grootverbruiker of voor een collectief van kleinverbruikers.
Er is geen exclusieve positie voor welke partij dan ook. Elk initiatief en elke partij kan initiatief nemen.
De gemeente gaat met de initiatiefnemer in gesprek aan de hand van de bovengenoemde inhoudelijke criteria, om de plannen te optimaliseren. Het initiatief moet verder voldoen aan alle reguliere vergunningen voor aanleg van een warmtenet.
Nieuwbouw Bij locatieontwikkelingen wordt in relevante documenten (waaronder nieuwe Omgevingsplannen en de selectieprocedure voor de ontwikkelaar) een verwijzing opgenomen naar de Transitievisie Warmte en het hierboven beschreven uitnodigingskader voor collectieve warmte.
Monitoring Periodiek gaan we na of we nog op koers zitten en of de landelijke context is veranderd. Een aantal zaken krijgt de komende periode verder vorm: de Wet Collectieve Warmtevoorziening (zie volgende paragraaf) en de invulling van financiële randvoorwaarden voor de wijkaanpak. Bij elk van deze mijlpalen nemen we het uitnodigingskader onder de loep en maken we aanpassingen in ons beleid waar nodig.
35/82
34
Voorbereiden op de aankomende Wet Collectieve Warmtevoorziening Er is wetgeving in ontwikkeling om gemeenten meer sturingsinstrumenten te geven in de warmtetransitie. De nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW) wordt naar verwachting in 2022 van kracht. Hierin is voorzien dat het college van B&W via een transparante procedure (publieke aanwijzing) een warmtebedrijf aanwijst, dat binnen een bepaald gebied (een warmtekavel) verantwoordelijk wordt voor de aanleg en levering van warmte. In het kader van de WCW is het uitnodigingskader een mogelijke tussenstap. Het is actief ná vaststelling van de Transitievisie Warmte en vóór vaststelling van een warmtekavel. Het door ons gehanteerde uitnodigingskader sluit daarom goed aan op de publieke aanwijzing zoals beschreven in de beoogde WCW. Het is in lijn met de WCW ook transparant en toegankelijk voor alle warmtebedrijven. We sorteren hiermee alvast voor en zorgen voor een overbrugging in deze tussenfase. Bij inwerkingtreding van de WCW zullen we het uitnodigingskader op de wet toetsen en eventuele aanpassingen doorvoeren.
5.3.
Wat vraagt dit van de gemeentelijke organisatie?
De energietransitie in de gebouwde omgeving vraagt om een toenemende inzet van de gemeentelijke organisatie. Het rapport Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord voor decentrale overheden in 2022 - 2030 laat zien dat een aanzienlijke groei in het aantal fte nodig is om de taken die in het klimaatakkoord aan gemeenten is toebedeeld te kunnen invullen. Onderstaande tabel geeft per gemeentelijke taak de capaciteitsinschatting uit het rapport voor de energietransitie in de gebouwde omgeving (warmtetransitie inclusief energiebesparing) aan. Gemeente Papendrecht valt in de categorie kleine gemeenten (<40.000 inwoners). Onderstaande tabel laat zien dat voor een gemeente als Papendrecht, vanaf 2022 capaciteitsinzet van minimaal 2 fte wordt verwacht voor het realiseren de warmtetransitie gemeentebreed. Daar bovenop komt nog extra capaciteit per wijk waar een wijkaanpak (wijkuitvoeringsplan) wordt opgesteld. Het capaciteitsvraagstuk voor de energietransitie in de gebouwde omgeving voor de totale regio Drechtsteden komt op 23-30 fte. Hierin zijn de wijkaanpakken nog niet meegenomen. Gemeentelijke taken Wijkuitvoeringsplan - planfase
Klein 0,8 – 1,1
Middel 0,9 – 1,4
G40 1,2 - 1,8
FTE fte per jaar per wijk
Wijkuitvoeringsplan - uitvoeringsfase
1,7 - 2,1
1,9 – 2,4
1,9 - 2,4
fte per jaar per wijk
Totaal
Hangt af van aantal wijkuitvoeringsplannen
Samenwerking corporaties & VVE’s
0,3 – 0,4
0,6 – 0,9
1,4 - 2,1
Vergunningverlening, toezicht en handhaving
fte per jaar Beperkt
Gemeentebrede communicatie incl. energieloket
0,9 – 1,1
1,8 – 2,2
3,8 - 4,6
fte per jaar
Verduurzamen eigen vastgoed
0,1 – 0,2
0,5
0,75 - 1,25
fte per jaar
Verduurzamen maatschappelijk vastgoed
0,3 – 0,5
0,5 – 0,7
1,1 - 1,5
fte per jaar
Verduurzamen overige utiliteitsbouw
0,3
0,5
0,75
fte per jaar
Monitoren en herijken Transitievisie Warmte
0,25
0,3 – 0,5
1 - 1,5
fte per jaar
Totaal
2,15 – 2,75
4,2 – 5,3
8,8 – 11,7
fte per jaar
36/82
35
Hoeveel capaciteit er extra nodig is, hangt dus sterk af van het aantal wijkuitvoeringsplannen waaraan wordt gewerkt. Of en wanneer we in Papendrecht met wijkaanpakken starten, hangt sterk af van landelijke randvoorwaarden. Daarnaast is het belangrijk bovenstaande tabel te toetsen aan de lokale situatie in Papendrecht en de regio Drechtsteden. De Drechtsteden wijken op een aantal vlakken af van de taken zoals hierboven in de tabel geduid:
De komende jaren worden wel warmtenetten met name gerealiseerd via een clusteraanpak, in plaats van een wijkaanpak (los van Sliedrecht-Oost en eventuele gesubsidieerde pilots). De uitvoeringsorganisatie voor de clusteraanpak is ingericht in de vorm van de SAH-werkgroepen. Dit kan worden gezien als een minder intensieve voorloper op de wijkuitvoeringsplannen.
Voor Energiebesparing (individuele maatregelen) en warmtenetten (collectieve aanpak) zijn regionale regisseurs aanwezig, die gemeenten ondersteunen.
Daarnaast is het belangrijk om niet te kijken naar de warmtetransitie als losstaande opgave. In de planvorming en uitvoering kunnen koppelingen worden gemaakt met opgaven op andere beleidsterreinen. Deze samenhang heeft geen plek in bovenstaande tabel. Ten behoeve van 2022 en de daarop volgende jaren is met oog op het bovenstaande een opschaling van de organisatie nodig. Deze opschaling wordt naar verwachting mogelijk gemaakt door een ophoging van het gemeentefonds. In 2021 werken wij dit organisatievraagstuk uit en bereiden wij een intensiveringsvoorstel voor. Vanzelfsprekend hebben wij hierbij ook oog voor de brede (financiële) context waarin onze gemeente zich begeeft. Met de vaststelling van de Transitievisie Warmte kan de gemeente Papendrecht in samenwerking met de andere Drechtsteden de komende jaren voortvarend aan de slag met de warmtetransitie.
37/82
36
BIJLAGEN
38/82
Inhoudsopgave 1
Bijlage A: Uitkomsten participatie
3
2
Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen
13
3
Bijlage C: Warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid
24
4
Bijlage D: Begrippenlijst
43
39/82
2
1 Bijlage A: Uitkomsten participatie Resultaten online enquete: wat vind jij belangrijk bij de overstap naar aardasvrij? Via social media, het platform denkmee.drechtstedenenergie.nl en gemeentelijke nieuwsbrieven is een online enquête verspreid waarbij inwoners van de Drechtsteden gevraagd zijn om een aantal meerkeuzevragen over de warmtetransitie te beantwoorden. De resultaten van de enquête geven een beeld van wat bewoners belangrijk vinden in de warmtetransitie en de keuzes die in de transitievisie warmte gemaakt moeten worden. De enquête is meer dan 4.500 keer ingevuld en geeft daarmee inzicht in de voorkeuren van bewoners ten aanzien van de overstap naar aardgasvrij wonen. Uit de enquête blijkt dat het thema aardgasvrij bij vrijwel alle respondenten bekend is. Een behoorlijke groep van 40 procent geeft aan er al vrij veel over te weten, ruim 50 procent geeft aan erover gehoord te hebben. Veel inwoners zijn al bewust bezig met duurzamer wonen en zijn al aan de slag om hun aardgasverbruik te verminderen, maar er wordt ook ruimte voor verbetering gezien. Respondenten geven verder aan vooral de betaalbaarheid en wooncomfort (een comfortabele temperatuur) belangrijk te vinden als het gaat om de overstap naar aardgasvrij. Zo’n 30 procent geeft aan niet van het aardgas af willen.
Uit de enquête komt een algemeen beeld naar voren dat het onderwerp leeft, men er al mee bezig is, maar ook dat mensen een aantal concrete zorgen hebben. Hieronder zijn de uitkomsten van de enquete weergegeven.
40/82
3
41/82
4
42/82
5
43/82
6
44/82
7
45/82
8
Resultaten participatieplatform denkmee.drechtstedenenergie.nl Via het participatieplatform konden bewoners en ondernemers hun mening geven en ideeën delen over de warmtetransitie. Er zijn twee vragen gesteld: (1) hoe kiezen we de meest geschikte wijken om de overstap naar aardgasvrij te beginnen en (2) Bedrijven/ondernemers: hoe wordt de overstap naar aardgasvrij voor jullie interessant? Hieronder is een voorbeeld te zien van antwoorden op vraag 1. In de discussies kwamen een aantal onderwerpen vaker terug, namelijk de voorkeur voor een focus op isolatie, zorgen over betaalbaarheid en uitvoerbaarheid en een wens voor het behoud van bestaande infrastructuur, in combinatie met oplossingen die de komende jaren nog niet beschikbaar zullen zijn, zoals waterstof en kernenergie. De inbreng op het platform is gebruikt bij het opstellen van de uitgangspunten en afwegingscriteria in deze transitievisie warmte.
46/82
9
Resultaten enquête over isoleren In maart 2021 heeft de tweede uitgebreide participatieronde plaatsgevonden in de gemeenten van de Drechtsteden. Deze bestond allereerst uit een bewonersavond per gemeente. Bewoners zijn tijdens deze avond geïnformeerd over aardgasvrij wonen, er is toelichting gegeven op wat de transitievisie warmte is en er is een concept van de perspectiefkaart gedeeld en reacties daarop zijn verzameld. In dezelfde periode is onder bewoners van de Drechtsteden een brede enquête uitgezet, waarbij bewoners bevraagd werden over isoleren. Hier is 263 keer op gereageerd.
47/82
10
48/82
11
Reacties participatieplatform over isoleren Parallel aan de enquête over isoleren is ook het platform opengesteld voor discussies en ideeën rondom isoleren. Hier konden bewoners hun ideeën over het onderwerp kwijt en reageren op verschillende suggesties die gedaan werden, bijvoorbeeld ten aanzien van collectieve inkoopacties en buurtisolatieplannen.
49/82
12
2 Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag. Deze modelanalyses zijn in dit hoofdstuk besproken. Eerst is de methodologie achter het onderzoeksbeeld beschreven. Vervolgens is de methodologie van het Warmtetransitiemodel in detail uitgewerkt. Tot slot zijn alle gehanteerde kengetallen en uitgangspunten aan dit hoofdstuk toegevoegd.
Methodologie onderzoeksbeeld Het onderzoeksbeeld is tot stand gekomen op basis van een vergelijking van drie modelstudies: 1. Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen 2. Openingsbod 1.0 van Stedin 3. Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Deze modelstudies zijn zowel vergeleken op methodologie als op resultaten per CBS-buurt. Eerst is geverifieerd of de modelstudies inderdaad vergelijkbaar zijn, en waar de verschillen zitten in rekenwijze of uitgangspunten, en daarna is per buurt gekeken in hoeverre de modelstudies dezelfde resultaten per CBS-buurt produceren en wat de reden is van eventuele verschillende uitkomsten per buurt. Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de drie gehanteerde modelstudies. Kenmerk
WTM (2020)
Openingsbod 1.0
Startanalyse 2020
Algemene omschrijving
Ruimtelijk rekenmodel dat kosten berekent per BAGpand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.
Vergelijkende analyse van drie onderliggende modellen: Vesta MAIS, Cegoia en ETM, met ieder hun eigen karakteristieken. Openingsbod is uitgerekend in drie scenario’s die verschillen in de beschikbaarheid van gas en warmte.
Maakt gebruik van het Vesta MAIS-model, dat kosten berekent per BAGpand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.
Kostendefinitie
“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd.
“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd.
“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd (wordt “nationale kosten” genoemd in de Startanalyse)
Doorgerekende bouwkundige niveaus
Twee niveaus:
Modellen bepalen per scenario een optimaal isolatieniveau per buurt.
Twee niveaus:
Minimumniveau max. 80 kWh/m2 Basisniveau max. 65 kWh/m2
50/82
13
Schillabel D Schillabel B
Warmteopties
Gasnet All-electric Warmtenet (70°C) Warmtenet (40°C) Lokale bronnetten
Gasnet All-electric Warmtenet (70°C)
Groengas Waterstofgas All-electric Warmtenet met MT/HT-bron Warmtenet met LTbron
Warmtebronnen
Modelmatig onbeperkt verondersteld en separaat getoetst aan het bronperspectief i.s.m. HVC.
Verondersteld beperkt en als input aan de modellen meegegeven op basis van openbare data.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data.
Duurzaam gas
Beschikbare hoeveelheid gas is geen inputvariabele. De warmteoptie gasnet wordt toegekend op basis van buurtkenmerken zoals ouderdom.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.
Tabel 1. Overeenkomsten en verschillen modellen
Uit de vergelijking van de modellen blijken de volgende, belangrijke overeenkomsten en verschillen: 1. Alle drie de modestudies optimaliseren op maatschappelijke kosten. Daarmee zijn ze in beginsel vergelijkbaar omdat ze een uitspraak doen over hetzelfde, namelijk welke warmteoptie de laagste kosten heeft. 2. De modellen hanteren alle drie een verschillende typologie van warmteopties. Om de resultaten vergelijkbaar te maken zijn deze typologieën in het onderzoeksbeeld samengevoegd tot één typologie:
Gasnet
All-electric
Warmtenet
3. Het WTM verschilt van zowel Openingsbod 1.0 als Startanalyse 2020 als het gaat om de aannames over warmtebronnen en duurzaam gas. De laatste twee gaan uit van aannames en open data over warmte en gas om deze vervolgens te “verdelen” over buurten op basis van de laagste kosten. Het WTM veronderstelt dat warmte onbeperkt is. Separaat (dus buiten het model) is getoetst of er ook daadwerkelijk voldoende warmte is. Deze exercitie is voor de Drechtsteden gedaan in samenwerking met HVC vanwege hun vergaande kennis van warmtebronnen in de regio. Voor duurzaam gas neemt het WTM aan dat deze beperkt is, maar kent daar geen waarde aan toe. In plaats daarvan wordt het gasnet toegekend aan buurten die op basis van praktijkervaring het meest kostbaar en complex zijn om gasvrij te maken, zoals oude binnensteden en dijklinten.
51/82
14
Methodologische verdieping Warmtetransitiemodel Deze paragraaf geeft een methodologische verdieping van het WTM van Over Morgen. Voor een methodologische verdieping van het Openingsbod 1.01 en de Startanalyse 20202 wordt verwezen naar externe documentatie in de voetnoot.
Modelontwerp Warmtetransitiemodel Het WTM is een ruimtelijk model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kentallen. De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere:
Bouwjaar en gebouwtype
Buurtkenmerken, zoals bebouwingsdichtheid
Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens
Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen
Bandbreedtes voor kosten en besparingen
Brondata Warmtetransitiemodel Het WTM maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen, zie tabel 2. Bronhouder
Bron
Dataset
CBS
Wijk- en Buurtkaart
Buurtgeometrie
Energielevering aan woningen en bedrijven naar postcode
Energieverbruiken per postcode-6
Regionale netbeheerders
Kleinverbruiksdata
Energieverbruiken per postcode-6
Kadaster
Basisregistratie Adressen en Gebouwen
Basisregistratie Topografie (TOP10NL)
Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar
Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid)
Over Morgen
Energetische kengetallen en kostenkentallen op basis van eigen kennis en ervaring.
Tabel 2: overzicht van gebruikte brondata in het Warmtetransitiemodel
De gebouwendatabase is verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie. Met deze kengetallen worden de warmteopties per buurt berekend. Het WTM maakt de warmteoptie met de laagst maatschappelijke kosten per buurt inzichtelijk. Kentallen worden bij woningbouw toegekend op basis van een woningtype - en bouwjaarcombinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd.
1 Openingsbod Warmtetransitie: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod 2 Startanalyse PBL: https://www.pbl.nl/publicaties/startanalyse-aardgasvrije-buurten-2020
52/82
15
Bouwjaarklassen <1920 1920-1950 1950-1975 1975-1990 1990-2005 ≥2005
Gebouwtype Rijwoning Twee-onder-een-kapwoning Vrijstaande woning Meergezinswoning Utiliteitsbouw
Tabel 3: Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het Warmtetransitiemodel
Bij utiliteitbouw worden de sleuteltypes bepaald op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is, dan wordt het sleuteltype bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maakt het model nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed. Bouwjaarklassen < 1945 1946-1973 1974-1981 1982-1992 1993-1999 2000-2003 2004-2005 > 2005
Energielabel G G F E D C B A
Functie Kantoren Winkels Gezondheidszorg Onderwijs Logies Sport Bijeenkomst
Tabel 4: Sleuteltypen voor utiliteitsbouw worden bepaald door combinaties van afgemelde energielabels en gebruiksfuncties. Indien labels niet bekend zijn, worden bouwjaarklassen gebruikt om een label te berekenen.
Bouwkundige niveaus in het Warmtetransitiemodel Het WTM rekent met vier bouwkundige niveaus. Voor een technische verdieping bij deze niveaus verwijzen we naar bijlage C.
Bestaande situatie (meer dan 80 kWh/m2 ruimteverwarming)
Minimumniveau (max. 80 kWh/m2 ruimteverwarming)
Basisniveau (max. 65 kWh/m2 ruimteverwarming)
Hoog niveau (max. 50 kWh/m2 ruimteverwarming)
Het model neemt op basis van het sleuteltype aan op welk niveau ieder gebouw momenteel zit. Indien een gebouw nog niet op het minimum- of basisniveau zit, rekent het model door wat de kosten zijn om het minimum- en het basisniveau te bereiken en tot welke energiebesparingen dat leidt. Het model doet dit voor ieder gebouw en aggregeert deze getallen vervolgens naar buurten.
Warmteopties in het Warmtetransitiemodel Het model kent een typologie van vijf warmteopties:
All electric: verwarmen en koken met gebruik van elektriciteit. In de woning wordt gebruikgemaakt van een warmtepomp.
Gasnet in combinatie met hybride oplossingen: een gasinfrastructuur gevoed met duurzaam gas in combinatie met een gasketel en een elektrische warmtepomp.
Warmtenet (70°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een middentemperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van maximaal 70°C aangevoerd wordt tot bij het gebouw of de woning.
Warmtenet (40°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een lage temperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van circa 40°C aangevoerd wordt tot het gebouw of de woning.
Lokale bronnetten: lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.
53/82
16
Deze warmteopties zijn in meer detail beschreven in bijlage C. De warmteopties worden toegekend aan buurten op basis van een aantal rekenregels. Het model doorloopt hiervoor vijf stappen: 1. Eerst worden op basis van bouwjaarklasse en dichtheid de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar het gasnet zal blijven liggen. Het model rekent niet met het aanbod van duurzaam gas, maar kijkt alleen naar de vraagkant: in welke wijken zou het gasnet blijven liggen als er een beperkt aanbod is van duurzaam gas. In de praktijk zijn het historische stads- en dorpskernen en lintbebouwing die uitkomen op het gasnet. 2. Vervolgens wordt op basis van gebouwfunctie de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar een bronnet de meest logische keuze is. Dit zijn dus wijken en buurten met relatief veel utiliteitsbouw. 3. In alle overige buurten kijkt het model vervolgens naar de dichtheid. Alleen als de dichtheid groter is dan 30 WEQ per hectare dan is een warmtenet een realistische oplossing. Wijken of buurten met een lagere dichtheid krijgen automatisch de warmteoptie all electric. 4. De buurten die dan nog overblijven krijgen op basis van een vergelijking van de maatschappelijke kosten de optie warmtenet of all-electric.
Berekening van de maatschappelijke kosten Alleen in de buurten die overblijven in stap 4 wordt een maatschappelijke kostenberekening gemaakt om te komen tot de optimale warmteoptie. Deze berekening gaat als volgt. Op basis van de kengetallen per sleuteltype berekent het model per woning wat de investeringen, onderhoudskosten en de energierekening is van de warmteopties warmtenet en all electric, over een periode van 30 jaar. Op basis hiervan wordt met een netto contante waardeberekening de onrendabele top berekend van de warmteopties. Die onrendabele top wordt geaggregeerd naar buurt en gemiddeld naar een gemiddelde onrendabele top per woning per buurt. De omvang van de onrendabele top verschilt doorgaans sterk per buurt. De onrendabele top is het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend gedurende de exploitatie. De exploitatiekosten zijn over het algemeen lager, als gevolg van een lagere energierekening. Vrijwel altijd zullen duurzame warmteopties nog leiden tot een onrendabele top op buurtniveau. Als de financieringsperiode wordt verkort naar bijvoorbeeld 15 jaar dan zal de onrendabele top dus verder stijgen. Alle investeringskosten en de onrendabele top worden uitgedrukt in een gemiddelde bandbreedte met een onder- en bovengrens en zijn inclusief BTW. Uitgangspunt is dat de investeringen worden gecombineerd met natuurlijke momenten.
De gepresenteerde kosten zijn een gemiddelde van een bandbreedte met een onder- en bovengrens. De bandbreedtes zijn zodanig breed dat zij rekening houden met de volgende aspecten:
De te nemen maatregelen zullen op woningniveau sterk variëren;
Technische variaties binnen warmteopties, afhankelijk van warmtebron, opslag, opwekker en infrastructuur;
Bestaande prijsverschillen op de markt door schaal en aanbestedingsvormen;
Marktontwikkelingen zoals schaarste en inzetbaarheid van personeel, materiaal, etc.;
Afwijking van de kengetallen als gevolg van sterk afwijkende woningen.
De omvang van de bandbreedte verschilt per maatregeltype, warmteoptie en sleuteltype, afhankelijk van de karakteristieken van die specifieke combinatie.
Resultaat onderzoeksbeeld Het resultaat van het onderzoeksbeeld is weergegeven in figuur 1. Uit deze kaart blijkt de mate van overeenstemming tussen de modelstudies in het onderzoeksbeeld. Buurten waar geen overeenstemming is tussen de modelstudies zijn ook aangegeven als zodanig. Wat uit het onderzoeksbeeld naar voren komt is dat het warmtenet een belangrijke warmteoptie is in de Drechtsteden. Dit is gelet op het stedelijke karakter van de regio geen verrassende uitkomst. We zien dat het warmtenet in iedere gemeente een substantiële uitkomst is. De grootste overeenstemming over het warmtenet, dus waar alle drie modellen deze uitkomst geven, zie we ook in buurten waar nu al veel gebeurt op het gebied van warmtenetten, zoals Crabbehof in Dordrecht. All-electric zien we ook veel terugkomen. Buurten waar all-electric vaak terugkomt zijn bedrijventerreinen en relatief nieuwe wijken in lage dichtheden en wijken. Het gasnet is de kleinste
54/82
17
warmteoptie in het onderzoeksbeeld en zien we verspreid over de Drechtsteden, met name in oudere buurten en stukken (dijk)lintbebouwing. Ook dit is een logische uitkomst. Een groot deel van de buurten heeft als uitkomst “Geen overeenstemming”. In deze buurten geven de modellen verschillende uitkomsten of geven zij géén uitkomst, bijvoorbeeld omdat de uitkomst te onzeker is. Het is belangrijk deze uitkomst te verklaren omdat we ook in deze buurten een helder transitiepad moeten kunnen uitstippelen. Er zijn verschillende verklaringen voor deze uitkomst:
Verkeerde inputdata. Alle drie de modelstudies in het onderzoeksbeeld maken gebruik van grotendeels openbare data. Deze is in sommige gevallen niet actueel genoeg om actuele situaties te reflecteren. We zien dit met name met recent gerealiseerde warmtenetten. Deze zijn nog niet goed verwerkt in het Gasregister van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Daardoor zien we bijvoorbeeld het warmtenet niet terugkomen in de Staatsliedenbuurt in Sliedrecht en de Volgerlanden-Oost in Hendrik-Ido-Ambacht.
Grote buurten. In het algemeen geldt: hoe groter een buurt, hoe diverser de gebouwtypologie van die buurt. Hoe groter de mix van gebouwtypen en bouwjaren, hoe minder duidelijk de uitkomst voor de buurt en hoe minder goed modellen daarmee kunnen omgaan We zien dit met name in Papendrecht, delen van Dordrecht en in mindere mate in Hendrik-Ido-Ambacht.
Oude buurten. In het algemeen geldt ook: hoe ouder de bebouwing, hoe complexer de warmtetransitie. Die complexiteit vertaalt zich vaak in grote kostenbandbreedtes en dus een minder duidelijke uitkomst. Buurten met een onzekere uitkomst zijn dan ook vaker oudere buurten. We zien dit bijvoorbeeld aan het dijklint in Sliedrecht, Oud-Zwijndrecht en delen van de Dordtse binnenstad.
Figuur 1: Onderzoeksbeeld van de Drechtsteden
55/82
18
Validatie van het onderzoeksbeeld Zoals uit het onderzoeksbeeld blijkt, zijn modelstudies niet feilloos en het onderzoeksbeeld is dat dus ook niet. Daarom is het onderzoeksbeeld per gemeente met de lokale werkgroepen gevalideerd. Dat wil zeggen: per buurt is bekeken of de uitkomst van het onderzoeksbeeld logisch, begrijpelijk en herkenbaar is. Bij die validatie zijn dus ook de vakspecialisten van de diverse partijen betrokken. Eventuele onlogische uitkomsten per buurt zijn samen met de vakspecialisten verklaard en gedocumenteerd. Deze overwegingen zijn meegenomen in het opstellen van de uiteindelijke transitiekaart per gemeente.
Kengetallenoverzicht Deze paragraaf geeft een overzicht van alle energetische en financiële kengetallen en parameters.
Investeringskosten Tabel 5: Investeringskosten per woning voor isoleren, ventileren en elektrisch koken
Minimumniveau3 Min Max € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
€ 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000
Basisniveau Min € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ 2.500 € 3.000 € 4.000 € 4.500
€ 3.500 € 4.000 € 5.000 € 5.500
€ 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
€ 7.000 € 7.000 € 9.500 € 11.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ 3.500 € 4.000 € 5.000 € 6.000
€ 13.500 € 20.500 € 25.000 € 32.500
€ 7.500 € 12.500 € 18.000 € 22.500
€ 14.500 € 28.000 € 35.000 € 47.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ 7.500 € 9.000 € 13.000 € 19.000
€ 14.500 € 22.500 € 27.500 € 39.500
€ 10.500 € 16.500 € 22.500 € 30.500
€ 17.500 € 28.500 € 33.500 € 48.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ 8.000 € 10.000 € 15.000 € 17.000
€ 26.000 € 37.500 € 43.000 € 57.500
€ 11.500 € 19.500 € 22.500 € 27.500
€ 31.500 € 46.000 € 55.000 € 74.500
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ 11.000 € 14.500 € 16.500 € 18.000
€ 26.000 € 37.500 € 43.000 € 56.000
€ 20.500 € 27.500 € 32.500 € 38.500
€ 31.500 € 46.000 € 55.000 € 72.500
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Max € 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000
Tabel 6: Investeringskosten aardgasvrij per woning inclusief afsluitkosten gas en verhogen capaciteit van elektriciteitsnet.
3 Inclusief de kosten voor het deels vervangen van radiatoren, indien nodig, om met maximaal 70°C comfortabel te kunnen
verwarmen.
56/82
19
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Warmtenet Min € 5.500 € 13.000 € 18.000 € 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
All electric4 Min € 17.000 € 18.000 € 24.000 € 25.000
Max
Max € € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ € € €
5.500 13.000 18.000 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ € € €
5.500 13.000 18.000 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ € € €
5.500 13.000 18.000 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ € € €
7.500 15.000 20.000 20.000
€ € € €
12.500 20.000 25.000 25.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoningen < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ € € €
7.500 15.000 20.000 20.000
€ € € €
12.500 20.000 25.000 25.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
€ 12.500 € 20.000 € 25.000 € 25.000
All electric Min € 18.000 € 19.000 € 25.000 € 26.000
Tabel 7: Totale investeringskosten per warmteoptie
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Warmtenet Min € 6.500 € 14.000 € 19.000 € 19.000
Max
Max € € € €
26.000 27.000 33.000 34.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ 8.000 € 16.000 € 22.000 € 22.500
€ 14.000 € 22.000 € 28.000 € 28.500
€ € € €
18.000 19.000 25.000 26.000
€ € € €
31.000 32.000 40.500 43.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990
€ 9.000 € 17.000 € 23.000
€ 24.000 € 38.500 € 48.000
€ € €
24.500 30.500 42.000
€ € €
38.500 53.000 66.000
4 Inclusief het vervangen van de radiatoren door laagtemperatuur radiatoren.
57/82
20
Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ 24.000
€ 55.500
€
47.500
€
79.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ 13.000 € 22.000 € 31.000 € 37.000
€ 25.000 € 40.500 € 50.500 € 62.500
€ € € €
27.500 34.500 46.500 55.500
€ € € €
41.500 53.500 64.500 80.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ 15.500 € 25.000 € 35.000 € 37.000
€ 38.500 € 57.500 € 68.000 € 82.500
€ € € €
28.500 37.500 46.500 52.500
€ € € €
55.500 71.000 86.000 106.500
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ 18.500 € 29.500 € 36.500 € 38.000
€ 38.500 € 57.500 € 68.000 € 81.000
€ € € €
37.500 45.500 56.500 63.500
€ € € €
55.500 71.000 86.000 104.500
Onrendabele top Tabel 8: Onrendabele top warmtetransitie per woningtype (isoleren, ventileren, elektrisch koken en aardgasvrij)
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Warmtenet Min € 8.000 € 15.000 € 20.000 € 19.500
Max € € € €
14.000 21.000 26.000 25.500
All electric Min € 14.500 € 13.500 € 16.000 € 12.000
Max € € € €
22.500 21.500 24.000 20.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ € € €
9.000 17.000 22.500 23.000
€ € € €
15.000 23.000 28.500 29.000
€ € € €
13.500 11.500 13.500 10.500
€ € € €
26.000 24.500 27.000 25.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ € € €
10.000 18.000 23.500 24.000
€ € € €
22.500 35.000 41.500 55.500
€ € € €
18.500 18.500 22.000 25.500
€ € € €
32.000 40.500 45.000 54.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ € € €
10.500 16.000 25.000 28.500
€ € € €
18.500 31.500 38.000 47.500
€ € € €
16.000 17.000 23.500 26.000
€ € € €
30.000 36.000 41.500 50.500
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ € € €
12.500 17.000 23.500 30.500
€ € € €
33.500 47.000 53.500 71.500
€ € € €
16.500 17.000 20.000 23.500
€ € € €
42.500 49.500 57.500 76.000
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ € € €
15.000 23.500 27.000 30.000
€ € € €
33.000 48.000 55.000 70.000
€ € € €
25.500 25.500 31.000 36.000
€ € € €
42.500 49.000 58.000 74.000
58/82
21
Technische en financiële parameters Tabel 9: Technische en financiële parameters
Grootheid Tarieven Variabel tarief warmte
Eenheid
Vastrecht warmte
Euro / jr.
Incl.
Meetkosten warmte
Euro / jr.
Incl.
Huur afleverset warmte
Euro / jr.
Incl.
Kale aardgasprijs
Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / jr. Euro / jr.
Excl.
Energiebelasting aardgas ODE aardgas Totale gasprijs Vastrecht gasaansluiting Vastrecht energieleverancier aardgas Tarief kale elektriciteit
Energiebelasting elektriciteit ODE elektriciteit Totale elektriciteitsprijs
Euro / GJ Incl.
Waarde Bron / Toelichting
Excl.
25,23 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 363,13 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 26,63 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 121,20 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 0,2485 ACM 2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,3331 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0775 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI
Incl.
0,7975
Incl. Incl.
185,95 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders 62,82 ACM 2020
Euro / kWh
Excl.
Euro / kWh Euro / kWh Euro / Nm3 Euro / jr.
Excl. Excl.
0,0633 Gemiddelde van 3 grootste leveranciers d.d. 1/1/2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,0977 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0273 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI
Incl.
0,2278
Incl.
212,79 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders
Incl.
42,00 Gemiddelde van 3 grootste energieleveranciers
n.v.t.
4,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 2,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 200 Geïndexeerd volgens CPI
Vastrecht elektriciteitsaansluiting Vastrecht energieleverancier Euro / jr. elektriciteit Technische uitgangpunten warmteopties COP warmtepomp kWh / ruimteverwarming kWh COP warmtepomp WTW kWh / bereiding kWh Jaarlijkse onderhoudskosten Euro warmtepomp Herinvesteringskosten Euro warmtepomp Levensduur warmtepomp Jaren Jaarlijkse onderhoudskosten gasketel
BTW
Euro
Excl.
n.v.t. Incl. Incl.
5.000 Geïndexeerd volgens CPI
n.v.t.
15
Incl.
100 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI
59/82
22
Herinvesteringskosten Euro Incl. gasketel Levensduur gasketel Jaren n.v.t. Rendement Hr-ketel* % n.v.t. 3 Calorische bovenwaarde MJ/Nm n.v.t. aardgas Financiële uitganspunten netto contante waarde Consumentenprijsindex % n.v.t. Disconteringsfactor % n.v.t. vastgoedeigenaar Verdisconteringsperiode Jaren n.v.t. WACC warmtebedrijf % n.v.t. Volloopsnelheid warmtenet Jaren n.v.t Aansluitdichtheid warmtenet % n.v.t
1.600 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI 18 87,01 ACM 2020 35,17 Op basis van calorische bovenwaarde aardgas
2,0 3,0 30 8,5 5 Eigenaren sluiten binnen 5 jaar aan. 80 Meer dan 80% van de vastgoedeigenaren/ panden sluit aan.
60/82
23
3 Bijlage C: Warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid Deze bijlage behandelt de technische achtergrond bij warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid van warmteopties.
Beperken van de warmtevraag Bij een groot deel van de woningvoorraad, die gebouwd is voor de jaren ‘90, is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmteopwekinstallaties, die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan gasketels, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten (en dus meer woningen per bron mogelijk te maken). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moeten daarnaast vaak radiatoren worden vervangen of toegevoegd om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Of dat nodig is kan niet op voorhand per woning(type) worden vastgesteld. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 11 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen.
Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag circa 20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie voor de warmtevraag. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2
Gemiddeld gasverbruik m3
Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2
Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
170 135 125 130 145 155 120
2200 2100 1800 1500 1400 1200 -
95 110 100 85 65 50 35
Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
85 80 75 70 90 90 70
1250 1200 1100 850 800 700 -
95 95 95 70 50 40 25
Nederlands gemiddelde
119
1310
84
Tabel 10: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.
De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie:
61/82
24
1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen, die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 80 kWh/m2). Deze woningen hebben reeds een aantal aanpassingen in de schil gekregen of hadden dit niveau al bij de bouw. Sommige woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C op de koudste dagen, mits er voldoende radiatorvolume aanwezig is. Daarnaast is het afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes gebruiken die met dit niveau nog niet comfortabel warm worden op de koudste dagen. 3. Woningen, die een basisisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 65 kWh/m2). Bij dit niveau is er maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil. Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die op dit niveau zitten zijn woningen die grofweg gebouwd zijn in de periode 1990-2005.
Idealiter zitten aan het einde van de transitie zoveel mogelijk woningen op minstens dit niveau. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren (BENG). Bij de bestaande bouw moeten voor laagtemperatuur de radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Mogelijk gaat de regelgeving wijzigen waarbij de minimale temperatuur aan het tappunt daalt van 55°C naar 40°C. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 45-50°C kunnen leveren. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen:
Woningen stapsgewijs isoleren naar het basisniveau Het totale isolatieniveau is de optelsom van de verschillende bouwdelen: vloer, gevel, raam, dak. Het minimumniveau en basisniveau zijn gebruikt om modelmatig het onderscheid te maken in welke ingrepen per woningtype en bouwjaar op bouwdeelniveau nog minimaal nodig zijn om klaar te zijn voor een bepaalde warmteoptie. Als er een ingreep gedaan moet worden op een bouwdeel (vloer, gevel, raam, dak) is het van belang dat dit onderdeel klaar is voor de energietransitie, onafhankelijk van de warmteoptie die in de buurt komt. Per bouwdeel is het advies om op het moment van ingreep dus zo goed mogelijk te isoleren, afhankelijk van wat de praktijksituatie toelaat (no regret). Daarmee wordt voorkomen dat dak, vloer of gevel in twee stappen worden aangepakt. Dat is kosteninefficiënt en het aantal natuurlijke momenten is beperkt. Het basisniveau kan door de meeste eigenaren worden bereikt door alle bouwdelen op een natuurlijk moment van onderhoud stapsgewijs zo goed mogelijk te isoleren. Zo kan spouwmuurisolatie aangebracht worden, isolatieglas geplaats worden in combinatie met een schilderbeurt en kan een plat dak zeer goed geïsoleerd worden als de dakbedekking wordt vervangen. Indien nodig zullen ook de radiatoren vervangen moeten worden.
Bij zowel het minimum- als het basisniveau wordt er dus maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil op natuurlijke momenten, en het handelingsperspectief is dus voor alle gebouweigenaren gelijk. Het verschil tussen minimum en basis is enkel dat het minimumniveau eerder wordt bereikt, en dat er dus bij sommige woningen eerder kan worden begonnen met 70°C-oplossingen. Het is wenselijk dat zoveel mogelijk woningen in Nederland aan het einde van de warmtetransitie op het basisniveau zit. Hierdoor zijn ze namelijk geschikt voor bijna alle alternatieve duurzame verwarmingstechnieken. Ook wordt de warmtevraag hierdoor nog verder verlaagd en wordt de retourtemperatuur lager, waardoor installaties efficiënter kunnen functioneren.
62/82
25
Naast isolatie en het vervangen van radiatoren zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming:
Elektrisch koken, zoals inductiekoken;
Kierdichting;
Voldoende (mechanische) ventilatie.
In 2050 zal ook een deel van de voorraad een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.