CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

E05. 20250327 RIB Beantwoording Art.40 Vragen D66 - Schone Lucht Akkoord.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 10 april 2025, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken1.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de gemeenteraad

datum

27-03-2025

behandeld door

R. Aarnoudse

ons kenmerk

2025- 0028413

doorkiesnummer Onderwerp

14-078 Reactie artikel 40 vragen fractie D66 over Schone Lucht Akkoord

Geachte mevrouw, heer,

Op 25 februari 2025 heeft de fractie D66 schriftelijk vragen gesteld aan het college van B&W (ex artikel 40 van het reglement van orde). De vragen hebben betrekking op het Schone Lucht Akkoord . Via deze raadsinformatiebrief ontvangt u de reactie van het college op deze vragen.

Vraag 1: Hoe verklaart het college dat, ondanks de ambitieuze doelstellingen in 2020 en de vastgestelde maatregelen in 2023, Papendrecht in 2025 nog steeds op de 6e plaats in Nederland staat qua slechte luchtkwaliteit? Antwoord 1: Alle maatregelen die we treffen binnen het kader van het Schone Lucht Akkoord dragen hun steentje bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit binnen de gemeenten. Sommige maatregelen hebben echter tijd nodig voordat de effecten van de maatregelen positief bijdragen aan de luchtkwaliteit. Bijvoorbeeld: In de nieuw vastgestelde nota VTH voor de gemeentelijke taken (2025-2028) is scherp vergunnen verankerd middels een vaste, uniforme werkwijze voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid in het werkprotocol 'Beleidskader scherp vergunnen'. Bij nieuwe of geactualiseerde vergunningen worden strengere emissie-eisen gesteld. De bijdrage van deze maatregel aan een schonere lucht wordt pas gerealiseerd wanneer er nieuwe vergunningen aangevraagd worden c.q. bestaande vergunningen geactualiseerd worden. Daarnaast is luchtvervuiling een gemeentegrens overstijgende uitdaging; maatregelen kunnen getroffen worden om de emissie binnen de gemeente te reduceren, maar voor een deel komt de luchtvervuiling ons ook letterlijk aanwaaien. Papendrecht is onder de omgevingswet aangewezen als een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10).

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en PM10. Als men kijkt naar de ligging van Papendrecht is dat niet onlogisch; in de buurt van Rotterdam, tussen de N3 en de A15, en aan de oever van het drierivierenpunt: het drukst bevaren punt voor scheepvaartverkeer in Europa. Dat gezegd hebbende is de luchtkwaliteit in Papendrecht de afgelopen jaren verbeterd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit is niet alleen in Papendrecht het geval; overal in Nederland worden maatregelen getroffen om de luchtkwaliteit te verbeteren. In absolute zin verbetert de luchtkwaliteit in Papendrecht, maar omdat dit overal in Nederland het geval is, blijft Papendrecht—ten opzichte van andere gemeenten in Nederland—op de 6e plaats qua slechte luchtkwaliteit.

Vraag 2: Hoe reflecteert het college op de effectiviteit van de tot nu toe genomen maatregelen? Zijn er aanwijzingen dat deze onvoldoende effect sorteren en welke evaluaties of inzichten vormen de basis voor overwegingen tot beleidsaanpassingen? Antwoord 2: Het Schone Lucht Akkoord bestaat uit verplichte en aanvullende maatregelen. De verplichte maatregelen moeten alle gemeenten die het Schone Lucht Akkoord hebben ondertekend invulling aan geven. Daarbovenop zijn gemeenten vrij om aanvullende maatregelen te treffen die positief bij kunnen dragen aan de luchtkwaliteit. Papendrecht heeft aanvullende maatregelen getroffen binnen de thema’s mobiliteit, mobiele werktuigen en binnenvaart & havens. Zowel de verplichte als aanvullende maatregelen worden opgenomen in het decentraal uitvoeringsplan (DUP). Jaarlijks wordt het DUP door iedere ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord geactualiseerd, om de voortgang van de maatregelen te monitoren. De voortgang van de maatregelen is van belang om de voortgang richting de doelen van het Schone Lucht Akkoord te monitoren en er op bij te kunnen sturen. Door invulling te geven aan het decentraal uitvoeringsplan wordt de voortgang van de maatregelen in kaart gebracht. Zo wordt ook duidelijk welke thema's en maatregelen meer aandacht verdienen.

Naast de jaarlijkse monitoring van de uitvoering van de maatregelen, toetst het RIVM eens in de 2 jaar of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik zijn. Hierin worden de gezondheidseffecten van, onder andere, de Schone Lucht Akkoord-maatregelen doorgerekend. Voor deze rapportages, is een emissiereductie bepaald van de maatregelen die zijn opgenomen in de uitvoeringsplannen. De uitvoeringsplannen vormen daarmee een belangrijk uitgangspunt voor de monitoring van het doelbereik van het Schone Lucht Akkoord. Het RIVM heeft deze zogenoemde ‘voortgangsmetingen’ in 2022 en 2024 gedaan. Deze voortgangsmetingen analyseren de voortgang en haalbaarheid van de doelstelling van het Schone Lucht Akkoord op landelijk niveau. Om als gemeente de luchtkwaliteit te verbeteren, is het belangrijk om te weten welke bronnen een belangrijke invloed hebben op de luchtkwaliteit en de gezondheid. Om lokale overheden te ondersteunen in hun beleidskeuzes heeft het RIVM de GCN-tool ontwikkeld. In de GCN-tool is te zien wat de berekende uitstoot is van verschillende bronnen in de gemeente. Ook staat in deze tool de concentratie van verschillende stoffen, en welke sectoren daaraan bijdragen. Industrie en verkeer zijn de sectoren die het meest bijdragen aan de luchtvervuiling in Papendrecht.

Echter zetten we als gemeente al stappen op dit gebied door middel van de uitvoering van het mobiliteitsplan en de strengere emissie eisen voor nieuwe en geactualiseerde vergunningen (zoals omschreven in het antwoord op vraag 1). Dit zijn maatregelen die op lange termijn positief zullen bijdragen aan het reduceren van de emissie van stikstofdioxide en fijnstof binnen de gemeente. Vraag 3: Op welke wijze is de effectiviteit van de geïmplementeerde maatregelen op het gebied van mobiliteit, industrie, houtstook en communicatie geëvalueerd en welke knelpunten kwamen daarbij naar voren? Antwoord 3: Zie antwoord op vraag 2 Vraag 4: Welke aanvullende of hernieuwde maatregelen overweegt het college om de luchtkwaliteit structureel te verbeteren en alsnog richting de doelstellingen van het Schone Lucht Akkoord te bewegen? Antwoord 4: Momenteel overweegt het college -naast uitvoering van de al geformuleerde en geplande maatregelen, geen aanvullende maatregelen. Ook in afwachting van nu in ontwikkeling zijnde landelijke instrumenten die door gemeenten kunnen worden toegepast. Een voorbeeld van zo’n landelijk instrument is de onlangs herijkte communicatiecampagne voor houtstook, waarvan we ook in Papendrecht gebruik hebben gemaakt.

Vraag 5: Hoe heeft de samenwerking met regionale partners, zoals OZHZ en andere betrokken gemeenten, bijgedragen aan de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord en welke verbeterpunten worden hierin gezien? Antwoord 5: OZHZ draagt bij op het thema industrie. Zij zijn de trekker van de verplichte maatregelen binnen het thema. Met name zijn er nu strengere emissie-eisen opgenomen in vergunningen, Met name gaat het om; strengere emissie-eisen die zijn opgenomen in vergunningen; aangescherpt

vergunningsbeleid waardoor minimaal eenmaal per 5 jaar vergunningen getoetst worden op actualiteit; het versterken van de toezicht en handhaving d.m.v. trainingen (gegeven op initiatief van de provincie Zuid-Holland) over emissie-eisen voor de industrie. In het regionale overleg ‘Samen Gezonde Lucht’ worden ervaringen en kennis gedeeld tussen gemeente in de regio. Zo deelt Zwijndrecht bijvoorbeeld haar ervaring over de pilot die van TNO en het RIVM om een nieuwe meetmethode te ontwikkelen. Ook wordt in dit overleg gesproken over hoe we effectiever in kunnen zetten op houtstook overlast, en welke kansen de omgevingswet daarin kan bieden. Verbeterpunten zijn wat betreft de samenwerking met regionale partners ons inziens niet aan de orde. OZHZ voert haar taak uit om scherpere emissie eisen op te nemen in vergunningen zoals vastgesteld in de nota VTH, en periodiek komen de gemeenten uit de regio samen om kennis en ervaringen te delen met elkaar wat betreft maatregelen om luchtvervuiling te reduceren c.q. beter in kaart te brengen. Desalniettemin is het—gezien het gemeentegrensoverschrijdende karakter van luchtvervuiling—het noodzakelijk dat zoveel mogelijk gemeenten meewerken aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.

In dit regionale overleg kunnen we lobbyen dat buurgemeenten ook het Schone Lucht Akkoord ondertekenen om verdergaande maatregelen te treffen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Vraag 6: Op welke wijze worden inwoners en lokale ondernemers betrokken bij het evaluatieproces en de verdere ontwikkeling van het luchtkwaliteitsbeleid? Antwoord 6: Dit wordt met name gedaan binnen het thema houtstook. Inwoners worden actief geïnformeerd over de bijdrage die zij kunnen leveren aan een gezonde lucht (namelijk door gebruik te maken van de stookwijzer om te zien of houtstook verantwoord is op een bepaald moment). Hierbij wordt gebruik gemaakt van landelijke informatiebronnen zoals de toolkit die ontwikkeld is door het Rijk, de stookwijzer en stookalert. Bij overlast van houtstook kan men dit melden via de stookwijzer. Deze meldingen worden meegenomen met de inventarisatie van mogelijke aanvullende maatregelen voor dit thema. Vraag 7: Hoe wordt de financiële inzet voor de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord verantwoord en gemonitord, en hoe verhouden de bestede middelen zich tot de behaalde resultaten? Antwoord 7: De financiële inzet wordt voor de onderliggende maatregelen van het Schone Lucht Akkoord afzonderlijk binnen hun eigen traject verantwoord en gemonitord. Denk bijvoorbeeld aan het project walstroom.

Dit project is opgenomen in het DUP, maar doorloopt zijn eigen traject wat betreft besluitvorming, financiering en uitvoering. Er is geen directe verhouding tussen bestede middelen en behaalde resultaten. Vraag 8: Hoe reflecteert het college op de bijdrage van de genomen maatregelen aan de verbetering van de volksgezondheid en welke aanvullende initiatieven worden overwogen om de gezondheidswinst verder te realiseren? Antwoord 8: Zie antwoord op vraag 2 Vraag 9: Welke concrete tijdslijnen en evaluatiemomenten zijn er voor de komende jaren vastgesteld en hoe wordt de voortgang hierover transparant gecommuniceerd aan de raad en inwoners? Antwoord 9: Zie antwoord op vraag 2 Vraag 10: Welke strategische koerswijzigingen overweegt het college op lange termijn om een significante verbetering van de luchtkwaliteit in Papendrecht te realiseren, zodat de ambitieuze doelstellingen voor 2030 alsnog behaald kunnen worden? Antwoord 10: Het Schone Lucht Akkoord stelt als doel 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016. Op basis van de berekeningen gemaakt door het RIVM in het ‘monitoringsrapportage doelbereik Schone Lucht Akkoord – tweede voortgangsmeting’ concludeert het RIVM dat de gezondheidseffecten als gevolg van luchtvervuiling in 2030 me 46% afneemt ten opzichte van 2016. Deze berekening gaat

uit van de maatregelen die opgenomen zijn in de DUP’en van deelnemende gemeenten. Echter, als ook de effecten van maatregelen tegen klimaatverandering en stikstofneerslag worden meegerekend is een gezondheidswinst van 50% haalbaar. Buiten het Schone Lucht Akkoord om wordt er vanuit de regionaal economische samenwerking binnen Smart Delta Drechtsteden, onder het thema werken en economie, ingezet op verschillende innovatie roadmaps die vooral gericht zijn op verduurzaming van de (maritieme) maakindustrie. De bedrijven die deelnemen aan deze trajecten zijn kartrekkers in het verbeteren van luchtkwaliteit op internationale schaal, en zich inzetten om hun sector te verduurzamen. Voorbeelden hiervan zijn de Refit Alliantie waarin ingezet wordt op de transitie waarin met name de binnenvaart wordt verduurzaamd. Hierin wordt o.a. gewerkt aan innovatieve oplossingen om de voortstuwing van schepen te verduurzamen en om te bouwen tot waterstof. De Roadmap Zero Emission Dredging ofwel emissieloos baggeren richt zich op verduurzaming van de baggersector waarin eveneens een transitie wordt voorzien van fossiele brandstoffen naar waterstof en elektriciteit als krachtbron. In beide roadmaps zijn diverse Papendrechtse bedrijven actief. Pon Power is bijvoorbeeld betrokken bij de Refit Alliantie en Boskalis is een van de kartrekkers in het emissieloos baggeren.

Daarnaast is het Schone Lucht Akkoord vastgesteld op basis van de in 2005 geldende WHOadvieswaarden. Als we kijken naar de berekeningen van het RIVM lijkt het erop dat we in 2030 ruimschoots zullen voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005. Om aan WHO-advieswaarden uit 2021 voldoen zullen we als gemeente echter meer moeten inzetten op het reduceren van luchtvervuiling. Kortom, het college overweegt geen strategische koerswijziging ten aanzien van het luchtbeleid. We blijven ons inzetten om de geplande maatregelen—binnen en buiten het Schone Lucht Akkoord om— te implementeren, volgen landelijk ontwikkelingen om herijkte instrumenten in te zetten, en zullen op basis van de evaluatiemomenten—DUP, voortgangsmetingen van het RIVM en de GCN-tool— aanvullende maatregelen treffen.

Tot slot Wij gaan ervan uit de vragen hiermee afdoende te hebben beantwoord.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris,

de burgemeester,

J.M. Ansems

M.J.M. van Driel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1056/documents/15197