E02. 20250605 Bijlage B - Monitoringsrapportage Merwehoofd 20-12-24_.pdf
Tekst van het document
VERANTWOORDING
Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van: Stichting Bodembeheer Nederland Opgesteld door: Projectnummer Stantec: 327100992 Documentnaam: 327100992.r02 Datum: 20 december 2024
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Bezoekadres Poortweg 4D 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd
Versie 327100992.r02
2002 + 6002
Vrijgegeven door
Vrijgegeven op 20 december 2024
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen.
1.0 INLEIDING 1.1 AANLEIDING Door Stichting Bodembeheer Nederland is aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een grondwatermonitoring ter plaatse van Merwehoofd te Papendrecht. De aanleiding voor het uitvoeren van de monitoring vormt de aanwezige VOClverontreiniging van vlek V op de locatie. In februari t/m maart 2024 heeft een in situ bodemsanering plaatsgevonden door middel van substraatinjecties in het brongebied van vlek V en ter plaatse van vlek II. Onderhavige rapportage betreft de eerste monitoring na de uitvoering van de injecties.
1.2 DOELSTELLING De doelstelling van het onderzoek is het bereiken van een stabiele eindsituatie binnen 30 jaar op basis van een natuurlijke lozing van de verontreiniging op het oppervlaktewater.
1.3 NORMEN EN KADERS Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd in overeenstemming met de daarvoor geldende normen en richtlijnen. Voor meer informatie hierover verwijzen wij naar Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering en betrouwbaarheid, kwaliteitsborging en verklarende woordenlijst.
Stantec | 327100992.r02 3
2.0 ALGEMENE GEGEVENS
2.1 HISTORISCHE GEGEVENS
Voor de locatie zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd op basis waarvan de omvang van de verontreinigingssituatie is vastgesteld en de saneringsmaatregelen genomen zijn, namelijk: • Aanvullend onderzoek en raamsaneringsplan voormalig Fokker-complex inclusief gedempte Gantel aan de Veerdam 44 te Papendrecht, projectnummer B01A0011, 24 juli 2001. • Nader bodemonderzoek ter plaatse van vlek V locatie Merwehoofd te Papendrecht, De Straat Milieu Adviseurs B.V., projectnummer B03A0828, 24 november 2004. • Plan van aanpak, sanering vlek 5, Merwehoofd (voormalig Fokker-complex aan de Veerdam 44) te Papendrecht, Mourik, rapportnummer MGA/2005-03-10, 10 maart 2005. • Evaluatieverslag sanering Merwehoofd te Papendrecht bouwfase 2&3, vlek I t/m IV opgesteld door Syncera De Straat met kenmerk B04A0749.r02, d.d. 17 mei 2005. • Evaluatierapport sanering vlek 5, Merwehoofd (voormalig Fokker-complex aan de Veerdam 44) te Papendrecht, Mourik, rapportnummer MGA/2008-02-11, 11 februari 2008. • Rapportage aanvullend onderzoek Veerdam (vlek 5) te Papendrecht, Witteveen + Bos, rapportnummer PPD21-1, 13 oktober 2011. • Grondwatermonitoring en aanvullend onderzoek fase 1 t/m 3 vlek V Merwehoofd Papendrecht, MWH, projectnummer M14A1012, 1 november 2016. • Rapportage resultaten grondwatermonitoring 2016 Merwehoofd Papendrecht vlek I t/m IV, MWH, projectnummer M16A0114, 1 november 2016.
• Saneringsplan vlek I t/m V Merwehoofd Papendrecht, Stantec projectnummer M17A0011, 12 juli 2019. • Resultaten uitbreiding monitoringsnetwerk nulmeting monitoring grondwater vlek V en addendum op het saneringsplan Merwehoofd Papendrecht, Stantec, projectnummer M19A0407, 27 oktober 2021. • Eindevaluatie vlek 1 t/m IV Merwehoofd Papendrecht, Stantec, projectnummer M21A0215, 28 oktober 2021. • Aanvullend onderzoek diep grondwater vlek V, Merwehoofd te Papendrecht, Stantec, projectnummer M21A0362, 19 april 2022. • Evaluatierapportage milieukundige begeleiding substraatinjecties Merwehoofd te Papendrecht, Stantec, projectnummer 327100992, 2 april 2024.
De locatie Merwehoofd betreft het voormalige Fokker-terrein dat sinds 2001 wordt ontwikkeld als nieuwbouwlocatie met bestemming wonen. Het voormalig Fokker complex aan de Veerdam had een oppervlakte van circa 5,2 hectare en is in het verleden bebouwd geweest met diverse bedrijfsruimten, waaronder kantoor, laboratorium, productiehallen, galvanische baden, spuiterij en chemicaliën opslag (nabij gebouw 73). Als gevolg van de voormalige fabrieksactiviteiten is een bodemverontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) in grond en grondwater ontstaan. Het voormalig Fokker-terrein is nu bekend als Merwehoofd. Uit bodemonderzoek is gebleken dat op de locatie sprake is van een vijftal verontreinigingsvlekken/kernen. De verontreiniging bij vlek V is vermoedelijk ontstaan als gevolg van lozing van afvalwater met VOCl op de voormalige marmerput op de erfgrens van het voormalig Fokker-terrein ter plaatse van gebouw 59-61. Hier zijn zeer sterk verhoogde concentraties aan tetrachlooretheen (PER), trichlooretheen (TRI), cis en trans -1,2-dichlooretheen (CIS en TRANS), vinylchloride (VC) en minerale olie aangetoond vanaf 6 tot 8,5 m-mv in de grond en het grondwater. Op de locatie zijn in het verleden meerdere saneringen uitgevoerd.
Een stabiele eindsituatie van de verontreiniging, zoals gedefinieerd is in het saneringsplan van 2001 bleek echter na uitvoer van de saneringen onhaalbaar. In het brongebied zijn in 2011 nog steeds VOCl-concentraties gemeten die duiden op de aanwezigheid van puur product. In de periode 2017-2019 is voor vlek V een saneringsplan opgesteld door Stantec waarbij de overweging is gemaakt tussen drie saneringsvarianten. Uit de beoordeling en afweging kwam naar voren dat de variant die uitgaat van een natuurlijke lozing op het oppervlaktewater de hoogste waardering heeft over het totaal van de lasten en baten. In aanvulling op de maatregelen op het oppervlaktewater wordt een directe injectie in het brongebied uitgevoerd om de biologische afbraak van VOCl opnieuw te stimuleren. In het saneringsplan is de doelstelling gedefinieerd als het bereiken van een stabiele eindsituatie voor de verontreiniging in het grondwater en het terugbrengen van de concentraties verontreinigende parameters in het oppervlaktewater. Het bevoegd gezag heeft in december 2020 een beschikking afgegeven op het saneringsplan.
Stantec | 327100992.r02 4
Voor het volgen van de natuurlijke lozing op het oppervlaktewater (NLO) en om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een stabiele eindsituatie, waarbij de verontreiniging zich niet meer verspreidt, is een monitoringsprogramma van de bron en pluim van de verontreiniging in het grondwater opgesteld. Hiertoe is een selectie van peilbuizen gemaakt, rekening houdend met de monitoringsstrategie en wordt er over een periode van 30 jaar gemonitord. In de periode 2020-2022 is het monitoringsnetwerk uitgebreid met 17 extra peilbuizen. Deze zijn geplaatst in verband met de stimulering van de afbraak in het brongebied, om meer inzicht te krijgen in de omvang van de haard van de verontreiniging nabij het kerngebied en rond vlek II, de begrenzing van vlek VI en de mogelijke horizontale verspreiding richting het noordoosten in het diepe grondwater. In oktober 2021 is door Stantec een addendum op het saneringsplan ingediend. Hier is door het bevoegd gezag (omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) akkoord mee gegaan in november 2021 (brief met zaaknummer Z-21-288798). In het addendum zijn vijf wijzigingen opgenomen ten opzichte van het saneringsplan. Deze zijn als volgt: •
De eerste wijziging betreft het aanpassen van het injectieplan voor de aanpak van vlek V. Ten grondslag aan het voorstel ligt een onderzoek naar de afbraakomstandigheden in de bodem. Voorgesteld wordt om het aantal injecties te reduceren van 240 naar 80, waarbij het kerngebied intensief wordt behandeld en de periferie extensief. Ondanks de reductie van de inspanning wordt de saneringsdoelstelling (stabiele eindsituatie) naar verwachting nog steeds gehaald.
•
De tweede wijziging betreft het realiseren van een waterpartij in het kerngebied, waardoor het faalscenario zoals omschreven in het saneringsplan geen optie meer is. Om dit te ondervangen wordt het risico op falen gereduceerd door in het kerngebied een koolstofbron met een lange werkingsduur (factor 2 tot 3 langer) te injecteren. Opgemerkt wordt dat het te injecteren mengsel niet altijd stabiel blijft en daardoor minder werkzaam kan zijn. Het mengsel wordt daarom vlak voor het toepassen gecontroleerd op stabiliteit, zodat dit voorkomen wordt.
•
De derde wijziging betref een aanvullende injectie aan de noordzijde van vlek II. De bodem ten noorden van vlek II is onderzocht. Hier blijkt sprake te zijn van relatief hoge gehalten aan PER (tetrachlooretheen) in de grond en het grondwater. Uit voorzorg worden hier 11 extra injecties uitgevoerd ter stimulering van natuurlijke afbraak. De locatie wordt tevens opgenomen in het monitoringsnetwerk, zodat kan worden gecontroleerd of de afbraak leidt tot een stabiele eindsituatie.
•
Vierde wijziging: Het grondwater ter plaatse van vlek VI is onderzocht (kenmerk M19A0407.e07). De concentraties aan VOCl in het grondwater ter plaatse van vlek VI zijn aanzienlijk lager dan in de restverontreiniging van vlek II en de bronen kerngebied van vlek V. Gezien de aangetoonde concentraties in vlek VI is het niet nodig om daar injecties uit te voeren. De locatie wordt wel opgenomen in het monitoringsnetwerk, zodat de stabiele eindsituatie kan worden bevestigd.
•
Vijfde wijziging: Uitbreiding van het monitoringsnetwerk met de peilbuizen 301 tot en met 307 (kenmerk M21A0362.r01, 19 april 2022) in verband met het recent aantreffen van hoge concentraties aan CIS (cis-1,2-dichlooretheen) en VC (vinylchloride) in enkele diepe filters (202, 203 en 207). In 2016 was hier nog geen sprake van. Verspreiding richting het eerste watervoerend pakket kan daarom niet worden uitgesloten. De uitbreiding van het netwerk is er op gericht om eventuele verticale verspreiding naar het eerste watervoerend pakket te controleren.
Opgemerkt wordt dat de vijfde wijziging reeds is uitgevoerd in een aanvullend onderzoek van Stantec van april 2022. Uit dit aanvullend onderzoek bleek dat de sterk verhoogde VOCl-concentraties zich niet verder naar de diepte toe hebben verspreid waardoor vlek V voldoende is afgebakend. In het eerste kwartaal van 2024 zijn de substraatinjecties uitgevoerd (kenmerk 327100992.r01, 2 april 2024). De werkzaamheden betroffen het injecteren van substraat, een koolstofbron (Nutrolase, in de kern aangevuld met soja olie) met biomassa, in de bodem waarmee de DOC/TOC-concentratie in het grondwater verhoogd wordt.
Stantec | 327100992.r02 5
4.0 VERONTREINIGINGSSITUATIE VLEK V 2024 In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie van vlek V beschreven. De analyseresultaten met de aangetoonde VOCl-concentraties in het grondwater, per peilbuis zijn weergegeven in Bijlage 2.1: Situatietekening (1:500). De omvang van de verontreinigingssituatie voor het freatische en middeldiepe grondwater is gevisualiseerd op de situatietekeningen in Bijlage 2.2: Verontreinigingssituatie ondiep grondwater, Bijlage 2.3: Verontreinigingssituatie middeldiep grondwater en Bijlage 2.4: Verontreinigingssituatie diep grondwater. De analysecertificaten zijn opgenomen in Bijlage 4: Analysecertificaten. Een overzicht van deze resultaten is weergegeven in Bijlage 5: Analyseresultaten t/m 2024. Bij de bespreking van de resultaten van de nulmeting is onderscheid gemaakt in de volgende deelgebieden, namelijk: • Bronzone kerngebied vlek V. • Brongebied vlek V. • Pluimzone vlek V. • Verticale begrenzing saneringsgebied en controle vlek VI verontreiniging vlek V.
4.1 BRONZONE KERNGEBIED VLEK V In het kerngebied van de bronzone bevindt zich peilbuislocatie 201. Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat sinds 2017 op een diepte van 5 tot 6 en 6 tot 7 m-mv geen verhoogde PER- en TRI-concentraties meer zijn aangetoond. Naar verwachting zijn PER en TRI op deze diepte inmiddels afgebroken. Daarnaast zijn de concentraties CIS en VC significant gedaald op deze diepten. Op een diepte van 5 tot 6 m-mv ligt de concentratie CIS onder de tussenwaarde (van 1.800 naar 1,1 µg/l). De concentratie VC is gedaald van 930 naar 18 µg/l en bevindt zich nog wel boven de interventiewaarde. Op een diepte van 6 tot 7 m-mv liggen de concentraties CIS (van 1.100 naar 1,2 µg/l) en VC (590 naar 0,78 µg/l) onder de tussenwaarde. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv is nog steeds een sterke verontreiniging met PER, CIS en VC aanwezig. De concentratie TRI ligt in 2024 onder de interventiewaarde (van 3.700 naar 260 µg/l). Ook de concentratie PER is significant gedaald (van 13.000 naar 500 µg/l). De concentraties CIS (van 4.100 naar 14.000 µg/l) en VC (van 140 naar 1.600 µg/l) zijn echter allebei gestegen. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de afbraak van PER en TRI door de uitgevoerde substraatinjecties waardoor er meer CIS en VC vrijkomt.
Op een diepte van 14-15 m-mv is geen sterke verontreiniging meer aangetoond en is de verontreiniging hier in de bronzone verticaal begrensd. Wel is de concentratie VC iets gestegen van 1,7 naar 2,6 µg/l. De concentratie ligt hier dus boven de tussenwaarde. In de peilbuizen 201-1, 201-2 en 201-3 zijn daarnaast de afbraakparameters etheen, ethaan en methaan aangetoond. Ook ligt de concentratie DOC in 2024 veel hoger ten opzichte van 2020 vanwege de uitgevoerde substraatinjecties. In peilbuis 201-2 ligt de concentratie DOC zelfs op 1.100.000 µg/l (14.000 µg/l in 2020). De hoogte van deze DOC-concentratie heeft vooral te maken met de intensievere inspanning van de substraatinjecties rondom de kernzone (zie hiervoor ook de tussenevaluatie met kenmerk 327100992.r01). De grote afname in VOCl-concentraties is dus het gevolg van de substraatinjecties van eerder in 2024.
4.2 BRONGEBIED VLEK V Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat ter plaatse van peilbuislocatie 212, aan de zuidzijde van het brongebied, op een diepte van 6 tot 7 en 10 tot 11 m-mv de concentraties PER onder de tussenwaarde liggen. De concentratie CIS is op een diepte van 6 tot 7 m-mv echter significant gestegen van 7,4 in 2020 naar 500 µg/l in juli 2024. Ook de concentratie VC is gestegen van 25 naar 72 µg/l. In december 2024 is de concentratie CIS juist weer gedaald naar 160 µg/l en de concentratie VC gestegen naar 130 µg/l. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv is de concentratie CIS ook gestegen (van 40 in 2020 naar 100 µg/l in juni 2024), maar is de concentratie VC wel gedaald (van 200 naar 35 µg/l). In december 2024 is, net zoals bij het ondiepere filter, de concentratie CIS gedaald naar 60 µg/l, maar de concentratie gestegen naar 100 µg/l. Opgemerkt wordt dat peilbuislocatie 212 initieel in het saneringsgebied lag met de 240 substraatinjecties. Na aanpassing van het aantal substraatinjecties naar 80 valt peilbuis 212 echter buiten het injectiegebied. Dit is ook terug te zien in de concentraties DOC en DHC. De concentraties DOC zijn vergelijkbaar met 2020 en er zijn relatief weinig DHC-bacteriën gemeten (380 en 6 cellen/ml). Dat peilbuis 212 is opgenomen in de halfjaarlijkse monitoring komt voort uit het saneringsplan uit 2019 (kenmerk M17A0011).
Hierin was rekening gehouden met 240 substraatinjecties. Ondanks dat peilbuis 212 buiten de saneringslocatie heeft er wel natuurlijke afbraak plaatsgevonden getuige de afname in de concentraties CIS.
Stantec | 327100992.r02 10
Ter plaatse van peilbuis 213, stroomopwaarts van peilbuislocatie 212, is op een diepte van 6,5 tot 7,5 m-mv in juli 2024 een concentratie PER aangetoond onder de interventiewaarde. Daarnaast zijn de concentraties CIS en VC ook significant gedaald, maar bevinden zich nog wel boven de interventiewaarde. In december 2024 is de concentratie CIS verder gedaald tot onder de tussenwaarde (0,98 µg/l) en de concentratie VC gestegen naar 11 µg/l. Op een diepte van 10,5 tot 11,5 m-mv is de concentratie CIS in juli 2024 gedaald tot onder de interventiewaarde (van 25 naar 12 µg/l). Ook de concentratie VC is gedaald van 390 naar 17 µg/l. In december 2024 is de concentratie CIS verder gedaald tot onder de tussenwaarde (0,94 µg/l) en de concentratie VC, net zoals in het ondiepere filter, gestegen naar 22 µg/l. Ter plaatse van peilbuis 214, verder stroomafwaarts van het kerngebied en peilbuislocatie 213, waren op een diepte van 6 tot 7 en 10 tot 11 m-mv in 2020 alleen sterk verhoogde concentraties CIS en VC aangetoond. De concentratieniveaus lagen hier groter dan 100 x interventiewaarde. In juli 2024 ligt de concentratie CIS op een diepte van 6 tot 7 m-mv onder de tussenwaarde (van 8.300 naar 6 µg/l) en is de concentratie VC ook significant gedaald (van 3.500 naar 48 µg/l). In december 2024 zijn de concentraties CIS en VC verder gedaald tot respectievelijk 0,39 en 0,33 µg/l.
De concentratie VC ligt hier dus onder de tussenwaarde. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv ligt de concentratie CIS in juli 2024 ook onder de tussenwaarde en is de concentratie VC ook gedaald, maar nog wel boven de interventiewaarde (van 1.400 naar 17 µg/l). In december 2024 zijn deze concentraties ook verder gedaald, tot respectievelijk 1, 2 en 0,23 µg/l. Ook in dit filter ligt de concentratie VC dus onder de tussenwaarde. Op een diepte van 14-15 m-mv liggen alle concentraties onder interventiewaarde en is de verontreiniging verticaal begrensd. Wel is in juli 2024 de concentratie VC gestegen van 1 naar 2,6 µg/l (boven de tussenwaarde). In december 2024 is deze concentratie echter weer gedaald tot onder de tussenwaarde, naar 0,33 µg/l. In tegenstelling tot peilbuis 212 zijn de concentraties DOC van peilbuizen 213 en 214 in 2024 significant gestegen ten opzichte van 2020. Dit is het gevolg van de substraatinjecties van het eerste kwartaal van 2024. Vooral in peilbuisfilters 214-1 (van 6.500 naar 290.000 µg/l) en 214-2 (van 6.900 naar 150.000 µg/l) is deze stijging duidelijk zichtbaar. Samenvattend blijkt dat de substraatinjecties een groot effect hebben gehad op de VOCl-concentraties van peilbuizen 213 en 214. Peilbuis 212 ligt hier buiten en daar is dus ook geen effect zichtbaar. De concentraties zijn hier zelfs over het algemeen gestegen ten opzichte van 2020.
Zowel aan de westzijde (peilbuislocatie 209) als aan de oostzijde (peilbuislocatie 210) van het brongebied zijn in het grondwater alleen licht tot sterk verhoogde concentraties VC aangetoond. In peilbuis 209 op een diepte van 6 tot 7 m-mv is de concentratie VC gedaald van boven de interventiewaarde tot onder de detectielimiet. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv is de concentratie VC juist gestegen tot boven de interventiewaarde. De VOCl-concentraties van peilbuis 210 zijn vergelijkbaar met de vorige meting in 2020. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv ligt de concentratie CIS nog steeds onder de interventiewaarde en de concentratie VC boven de interventiewaarde. Stroomopwaarts van het brongebied bevindt zich peilbuislocatie 211. Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat de concentraties aan VOCl stroomopwaarts van het brongebied van vlek V verder zijn afgenomen. De concentratie VC ligt op beide diepten (6 tot 7 en 10 tot 11 m-mv) onder de detectielimiet.
4.3 PLUIMZONE VLEK V Voor de bespreking van de resultaten van de Pluimzone Vlek V worden binnen dit deelgebied de volgende stromingsrichtingen nader onderscheiden: • Uitstroom van VOCl ter plaatse van de Slobbengorsweg; • Afstroming van VOCl op de vijver; • Controle laterale verspreiding pluimzone vlek V; • Controle monitoringslijn ten noorden van de vijver.
Uitstroom van VOCl ter plaatse van Slobbengorsweg In het uitstroomgebied ter plaatse van de Slobbengorsweg bevinden zich peilbuizen WB15 en 202. Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat de concentraties CIS en VC in het uitstroomgebied van vlek V op een diepte van 5 tot 6 en 7 tot 8 m-mv (peilbuizen WB151 en WB15-2) nog steeds onder de tussenwaarde liggen. De concentratie CIS en VC van WB15-1 liggen nu ook onder de detectielimiet. Op een diepte van 9-10 m-mv (peilbuis WB15-3) zijn de concentraties aan CIS en VC in 2020 vrijwel gehalveerd ten opzichte van 2011. In 2024 liggen deze concentraties ook onder de tussenwaarde. De concentratie CIS is gedaald van 1.100 naar 0,35 µg/l en de concentratie VC is gedaald van 720 µg/l tot onder de detectielimiet. De concentratie DOC (15.000 µg/l) in combinatie met de hoge concentratie methaan (6.500 µg/l) en de afwezigheid van sulfaat tonen ook aan dat er sprake is van optimale omstandigheden voor natuurlijke afbraak.
Stantec | 327100992.r02 11
Op een diepte van 14-15 m-mv (peilbuis 202) is de concentratie VC in 2020 toegenomen. Sinds 2020 is de concentratie VC weer afgenomen naar 6,6 µg/l. Dit geeft aan dat de VOCl-verontreiniging zich hier verticaal heeft verspreid tot een diepte van 15 m-mv. Er is hier echter wel sprake van een afname van de VCconcentratie. Op deze diepte vindt dus ook natuurlijke afbraak plaats.
Controle monitoringslijn ten noorden van de vijver Voor de controle van de monitoringslijn ten noorden van de vijver zijn de peilbuizen 105 en 204 bemonsterd. Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat de concentraties CIS en VC op een diepte van 3,5 tot 4,5 en 5,5 tot 6,5 en 9,1 tot 10,1 m-mv niet zijn toegenomen. Er is geen sprake van verspreiding van verontreiniging over de monitoringslijn ten noorden van de vijver.
Afstroming van VOCl op de vijver In de pluimzone van vlek V bevinden zich peilbuizen 101, 102, 103 en 203. Uit de resultaten blijkt dat de concentraties aan VC nabij de vijver ter plaatse van peilbuis 101 (zuidwestzijde) op een diepte van 1,5 tot 2,5 m-mv, 4 tot 5 m-mv en 5,5 tot 6,5 m-mv zijn afgenomen. Alle concentraties in deze peilbuis liggen in 2024 onder de tussenwaarde. Voorts blijkt dat de concentratie VC nabij de vijver ter plaatse van peilbuis 102 op een diepte van 5,5 tot 6,5 m-mv is afgenomen van 270 naar 0,44 µg/l en bevindt zich nu onder de tussenwaarde. De VOCl-concentraties op de diepten 1,5 tot 2,5 m-mv 3,5 tot 4,5 m-mv zijn vergelijkbaar met 2020. Op een diepte van 9,4-10,4 m-mv (peilbuislocatie 203) zijn de concentraties CIS en VC in 2020 en 2021 sterk toegenomen. In 2024 is de concentratie CIS iets afgenomen, maar is de concentratie VC gestegen van 1.100 naar 2.500 µg/l. Dit geeft aan dat de VOCl-verontreiniging zich ook hier verticaal heeft verspreid tot een diepte van meer dan 10 m-mv. De VOCl-concentraties ter plaatse van peilbuislocatie 103 (oostzijde) zijn nog steeds op streefwaardeniveau.
Controle laterale verspreiding pluimzone vlek V Voor de controle van de laterale verspreiding in de pluimzone van vlek V zijn peilbuizen 205 t/m 208 bemonsterd. Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat de concentraties CIS en VC in het grondwater aan de oostzijde van de pluim van vlek V niet zijn toegenomen. Aan de westzijde (peilbuis 207) zijn op een diepte van 3,7-4,7 m-mv de concentraties CIS en VC verder afgenomen. In 2020 lag de VC-concentratie nog op 190 µg/l. In 2024 is deze concentratie onder de detectielimiet gemeten. Op een diepte van 9,0-10,0 m-mv is de concentratie VC enigszins afgenomen. De concentratie ligt hier op een vergelijkbaar niveau als in 2016.
4.4 VERTICALE BEGRENZING SANERINGSGEBIED EN CONTROLE VLEK VI VERONTREINIGING VLEK V Voor de bespreking van de resultaten van verticale begrenzing saneringsgebied en controle Vlek VI en verontreiniging Vlek V worden binnen dit deelgebied de volgende stromingsrichtingen nader onderscheiden: • Begrenzing kerngebied; • Restverontreiniging vlek II; • Restverontreiniging vlek VI.
Begrenzing kerngebied Uit de verontreinigingssituatie blijkt dat ter plaatse van de peilbuis 216 op een diepte van 6,2 tot 7,2 m-mv de concentraties CIS en VC zijn gedaald tot onder de detectielimiet. De concentratie VC lag in 2020 nog boven de interventiewaarde. Op een diepte van 10,2 tot 11,2 m-mv zijn de concentraties CIS en VC echter gestegen. In 2020 lag de concentratie CIS hier nog onder de tussenwaarde, maar is nu boven de interventiewaarde gemeten (van 0,2 naar 120 µg/l). De concentratie VC is gestegen van 36 naar 94 µg/l. In peilbuislocatie 217 is op een diepte van 6 tot 7 m-mv de concentratie VC gedaald van boven de tussenwaarde naar onder de detectielimiet. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv zijn de concentraties CIS en VC significant gedaald naar onder de tussenwaarde ten opzichte van 2020. Daarnaast is de concentratie PER ook gedaald tot onder de detectielimiet. De omvang van de verontreiniging met VOCl-concentraties nabij het kerngebied van vlek V is daarmee beperkt in laterale richting.
Stantec | 327100992.r02 12
Restverontreiniging vlek II Ter plaatse van peilbuislocatie 218 bleek in 2020 dat er sterk verhoogde concentraties PER, TRI, CIS en VC in het grondwater zijn aangetoond met name op een diepte van circa 6-7 m-mv. De concentraties PER en TRI zijn op deze diepte in 2024 significant afgenomen tot onder de detectielimiet. Daarentegen zijn de concentraties CIS en VC significant gestegen. Dit is het gevolg van de natuurlijke afbraak van PER en TRI naar aanleiding van de uitgevoerde substraatinjecties in vlek II. Op een diepte van 10 tot 11 m-mv zijn de concentraties CIS en VC ook gestegen. Daarnaast is de concentratie PER enigszins toegenomen. Samenvattend blijkt dat hier nog een sterke restverontreiniging van vlek II aanwezig is.
Onderzijde deklaag en 1ste WVP laterale en noordelijke begrenzing Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater van de peilbuizen alleen licht verhoogde concentraties CIS zijn aangetoond. Daarnaast is in het grondwater van peilbuis 303 (14-15 m-mv) een licht verhoogde concentratie VC aangetoond. De concentraties van alle overige parameters liggen onder de detectiegrens. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat de VOCl-verontreiniging in verticale richting is afgeperkt op een diepte van circa 14 tot 20 m-mv en zich niet heeft verspreid naar het 1ste WVP.
4.6 CONTROLE OPPERVLAKTEWATER VLEK V 2020
Restverontreiniging vlek VI Ter plaatse van peilbuis 219 (7,7-8,7 m-mv) zijn in 2020 sterk verhoogde concentraties PER, CIS en VC in het grondwater zijn aangetoond. In 2024 liggen de concentraties PER en TRI onder de detectielimiet. De concentratie CIS is gestegen en ook de concentratie ligt nog hoog ondanks een daling ten opzichte van 2020. Waarschijnlijk is de verhoogde concentratie CIS het gevolg van de natuurlijke afbraak van PER (en in mindere mate TRI). De aangetoonde verontreiniging is een restant van vlek VI. Peilbuis 220 (7,7-8,7 m-mv) is stroomafwaarts van vlek VI geplaatst aan de noordzijde van de parkeergarage. Hier is alleen een licht verhoogde concentratie CIS aangetoond. Voor peilbuis 205 (ten noorden van peilbuis 219) geldt dat op de diepten 6 tot 7 m-mv en 10 tot 11 m-mv, net als in 2020, de concentraties onder de detectielimiet liggen.
4.5 VERONTREINIGINGSSITUATIE DIEP GRONDWATER
Nabij peilbuizen 102 en 104 zijn in oktober 2024 watermonsters van het oppervlaktewater genomen. Dit om te controleren of de verontreiniging met CIS en VC nog steeds op het oppervlaktewater afstroomt. Uit de resultaten blijkt dat de verontreiniging met CIS en VC niet op het oppervlaktewater afstroomt. Dit is mogelijk ook het gevolg van de sterke daling in de VOCl-concentraties in de peilbuizen rondom de vijver. We merken op dat ten tijde van het veldwerk de fonteinen nog niet geplaatst zijn. Deze zouden in 2024 geplaatst worden. De metingen van oktober 2024 betreffen daarom (nieuwe) referentiemetingen na de laatste meting van 2020. Wanneer de fonteinen in de vijver geplaatst zijn, vermoedelijk in het voorjaar van 2025, wordt het oppervlaktewater nabij peilbuizen 102 en 104 intensiever gemonitord, conform het saneringsplan.
Voor de bespreking van de resultaten van het diepe grondwater worden binnen dit deelgebied de volgende stromingsrichtingen nader onderscheiden: • Pluimzone 1ste WVP; • Onderzijde deklaag en 1ste WVP laterale en noordelijke begrenzing.
Pluimzone 1ste WVP Uit de analyseresultaten blijkt dat in de pluimzone alleen de concentratie CIS in peilbuizen 301 en 302 licht verhoogd in het 1ste WVP is aangetoond, de concentraties van de overige parameters liggen allen onder de detectielimiet. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat de VOCl-verontreiniging hier verticaal is afgeperkt en zich niet dieper bevindt dan een diepte van 15 tot 20 m-mv. Stantec | 327100992.r02 13
4.7 CONCEPTUEEL MODEL VLEK V MONITORING GRONDWATER 2024 Aan de hand van de analyseresultaten is het conceptueel model bijgewerkt voor de verontreinigingssituatie van vlek V. Hierbij zijn over de lengte van de pluim van de verontreiniging de peilbuizen 211, 212, 201, 214, 301/202/WB15, 302/203/102, 303/207, 305, 104 en 307/204/105 in een dwarsprofiel opgenomen. Het conceptueel model is in Bijlage 6: Conceptueel model weergegeven. Uit het conceptueel model blijkt dat er sprake is van een zeer gelaagde bodem. Aan de onderzijde van de gedempte Gantel is een veenlaag aanwezig. Onder de veenlaag is van 6 tot 8,5 m-mv (1,5 tot 4 m-NAP) nog een sterke verontreiniging in de grond aangetoond. In de zone van 10 tot 11 m-mv (5,5 tot 6,5 m-NAP) zijn de hoogste concentraties VOCl aangetoond. In het verleden betrof dit voornamelijk PER. Nu bestaat dit voornamelijk uit CIS en VC. Er heeft dus natuurlijke afbraak plaatsgevonden in zodanige mate dat de concentraties PER bijna volledig in CIS en VC zijn afgebroken. In de bronzone is de verontreiniging verticaal begrensd met de peilbuizen 201 en 214 op een diepte van 15 m-mv (circa 11 m-NAP). In de pluimzone is in 2024 een sterke verontreiniging aangetoond in de peilbuizen 202 en 203 op een diepte van circa 11 mNAP. Bij peilbuis 202 is sprake van een dalende trend. Bij peilbuis 203 (9,4-10,4 m-mv) is voornamelijk de concentratie VC gestegen.
In de diepe filters in het 1ste WVP (van circa 13 tot 17 m-NAP) zijn in het grondwater van peilbuizen 301 (19-20 m-mv) en 302 (14-15 m-mv) alleen enkele licht verhoogde concentraties aan CIS en/of VC aangetoond. Vanwege de aanwezige kwelstroom in het diepere grondwater heeft de verontreiniging zich slechts in zeer geringe mate naar de diepte toe verspreid. De verontreiniging in het grondwater verspreidt zich zodoende op een diepte van circa 6 tot 15 m-mv (circa 1,5 tot 10,5 m-NAP) via de watervoerende zandlagen tussen de kleilagen. Daarnaast blijkt dat door de uitgevoerde substraatinjecties, de concentraties op een diepte tot 10 m-mv het meeste zijn gedaald tot onder de interventiewaarde. Uit het conceptueel model is verder op te maken dat de verontreiniging op de Slobbengorsvijver afstroomt. De verontreinigingspluim heeft zich niet voorbij de monitoringslijn aan de noordzijde van de vijver, ter plaatse van de peilbuizen 105/204/307, verspreid.
Stantec | 327100992.r02 14
Conclusies pluimzone
5.0 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
•
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusies bron- en kerngebied •
• •
• •
•
•
In het brongebied zijn in februari en maart 2024 substraatinjecties uitgevoerd. Het effect hiervan is duidelijk waarneembaar als gekeken wordt naar het verschil in VOCl-concentraties van peilbuizen 201, 213 en 214. In het verleden zijn in het brongebied hoge concentraties PER aangetoond. Deze zijn alleen nog aanwezig in peilbuis 201 op een diepte van 10 tot 11 m-mv. In peilbuis 212 is de concentratie CIS ook gedaald, maar is de concentratie VC juist gestegen. Deze peilbuis viel ook buiten het saneringsgebied, waardoor hier nog hoge VOCl-concentraties aanwezig zijn. Desondanks vindt er wel natuurlijke afbraak plaats. De hoge concentraties aan afbraakparameters en DOC tonen aan dat de omstandigheden voor (verdere) gestimuleerde afbraak nog steeds optimaal zijn. In het voorjaar van 2025 zal gestart worden met de eerste graafwerkzaamheden voor de realisatie van de nieuwbouw in het brongebied. Dit betekent dat peilbuizen 201, 210, 213, 214 en 217 zullen verdwijnen. Voor deze werkzaamheden is ook een wijziging op de sanering ingediend (notitie kenmerk 327100992.e02, 20 december 2024). In het monitoringsprogramma komen deze peilbuizen dan ook te vervallen. Ook wordt aanbevolen om de halfjaarlijkse monitoring uit het monitoringsprogramma te halen vanwege het verlies van peilbuizen 201, 213 en 214. Peilbuis 212 viel bovendien al buiten het actuele saneringsgebied.
Tot slot wordt aanbevolen om een nieuwe peilbuis te plaatsen ten zuiden van peilbuizen 206/304 op een diepte van 10-11 m-mv. Vanwege de nieuwbouw is aan de noordoostzijde geen peilbuis meer aanwezig om het voortschrijdende saneringsresultaat voldoende te kunnen interpreteren.
•
• •
Ter plaatse van de uitstroom vanuit het brongebied en afstroming op de Slobbengorsvijver zijn de VOCl-concentraties ook significant gedaald naar aanleiding van de substraatinjecties. Dit is voornamelijk te zien in peilbuizen WB15, 101 en 102. Hier zijn de concentraties CIS en VC inmiddels veelal onder de interventiewaarde gemeten. Aangezien de halfjaarlijkse monitoring volgens ons voorstel komt te vervallen, wordt aanbevolen om voor peilbuizen 202 en 203 in het vervolg ook bij de jaarlijkse monitoring te analyseren op afbraak- en macroparameters, DOC en DHC. Lateraal is de VOCl-verontreiniging niet verspreid. De concentraties CIS en VC zijn in peilbuizen 205 t/m 208 gedaald of gelijk gebleven. Ten noorden van de vijver zijn de concentraties CIS en VC nog steeds maximaal licht verhoogd aangetoond.
Conclusies restverontreinigingen en diep grondwater •
•
•
In april 2024 zijn ter plaatse van de restverontreiniging van vlek II substraatinjecties uitgevoerd. De concentraties PER en TRI in peilbuis 218 zijn daardoor afgenomen tot onder de detectielimiet. De concentraties CIS en VC zijn als gevolg hiervan wel gestegen. Ter plaatse van de restverontreiniging van vlek VI zijn de concentraties PER en TRI in peilbuis 219 ook gedaald tot onder de detectielimiet. Er zijn nog wel hoge concentraties CIS en VC aanwezig. In het diepe grondwater, op een diepte van 14 tot 20 m-mv, zijn ten hoogste licht verhoogde concentraties aangetoond.
Op basis van bovenstaande conclusies wordt geadviseerd om in 2025 opnieuw een monitoring uit te voeren. Hierin zijn enkele wijzigingen aangebracht vanwege de realisatie van de nieuwbouw. Daarnaast wordt aanbevolen de jaarlijkse monitoring vanaf 2025 in het voorjaar uit te voeren in verband met de hoge begroeiing in de zomermaanden. Op deze manier hoeft het talud nabij de Slobbengorsvijver niet elk jaar gemaaid te worden voor de uitvoering van de monitoring. Het monitoringsprogramma is in onderstaande tabellen weergegeven.
Stantec | 327100992.r02 15
BRONVERMELDINGEN Bron 1
Bron 2 Bron 3 Bron 4
Bron 5 Bron 6
Bron 7
BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemen waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 7, 7 maart 2022. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 7, 7 maart 2022. Besluit kwaliteit leefomgeving, Informatiepunt Leefomgeving, 1 januari 2024. Regeling bodemkwaliteit 2022, regeling van 18 november 2022, houdende vaststelling van de Regeling bodemkwaliteit 2022, Staatscourant nr. 1338, 19 januari 2023 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. Besluit bodemkwaliteit, Informatiepunt Leefomgeving, 15 september 2023. BRL SIKB 6000, ‘Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van graven in de bodem, saneren van de bodem, grondwatersanering, ingrepen in de waterbodem en nazorg’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 5.0, 1 februari 2018, inclusief Wijzigingsblad versie 4 bij BRL SIKB 6000 versies 5.0, 2 november 2021. Protocol 6002, ‘Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in-situ methoden en nazorg’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 5.0, 1 februari 2018, inclusief Wijzigingsblad versie 4 bij BRL SIKB 6000 versies 5.0, 2 november 2021.
Stantec | 327100992.r02 19
BIJLAGEN Bijlage 1: Overzichtskaart Bijlage 2: Situatietekeningen Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering en betrouwbaarheid, kwaliteitsborging en verklarende woordenlijst Bijlage 4: Analysecertificaten Bijlage 5: Analyseresultaten t/m 2024 Bijlage 6: Conceptueel model
Bijlage 1: Overzichtskaart
Bijlage 2: Situatietekeningen
Bijlage 2.1: Situatietekening (1:500)
Bijlage 2.2: Verontreinigingssituatie ondiep grondwater
Bijlage 2.3: Verontreinigingssituatie middeldiep grondwater
Bijlage 2.4: Verontreinigingssituatie diep grondwater
Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering en betrouwbaarheid, kwaliteitsborging en verklarende woordenlijst
Bijlage 3.1: Normering, kwaliteit, onafhankelijkheid Veldwerk De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA**). Voor dit project is Peter Bloot van ons kantoor te Delft opgetreden als senior adviseur. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ (Bron 2). De milieukundige begeleiding is uitgevoerd onder de BRL SIKB 6000 ‘Beoordelingsrichtlijn milieukundige begeleiding van (water)bodem-saneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg’ (Bron 6) en het onderliggende protocol 6002 ‘Milieukundige begeleiding van landbodem-sanering met insitu methoden en nazorg’ (Bron 7).
2002 + 6002
Alle procesonderdelen (uitvoering veldwerk, begeleiding erkend projectleider, overdracht monsters aan laboratorium, en rapportage) zijn uitgevoerd door Stantec B.V., voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. In Bijlage 3.2: Kwaliteitsborging veldwerk is de kwaliteitsborging opgenomen. Hierin is de uitvoeringsdatum van het veldwerk en de naam van de uitvoerende medewerker weergegeven.
Analyses De analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (RvA geaccrediteerd). De monsters zijn voorbehandeld conform het AS3000 protocol.
Toetsing Grondwater Onder de Omgevingswet stelt het Rijk geen regels meer aan een grondwatersanering. Wel heeft het Rijk taken toebedeeld aan provincies, waterschappen en gemeenten. Bij de afweging of een grondwatersanering als maatregel moet worden voorgeschreven, moet de provincie de 'signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering' uit bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving betrekken. Dit zijn de voormalige interventiewaarden grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013. Decentrale overheden kunnen rechtstreeks werkende regels voor initiatiefnemers opnemen, bijvoorbeeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan. De analyseresultaten voor grondwater zijn daarom getoetst aan de signaleringsparameters zoals opgenomen in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bron 3). Wanneer de locatie is gelegen in een kwetsbaar (grondwater)gebied dan worden de analyseresultaten getoetst aan de voorkeurswaarden, indien opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Afhankelijk van de regels die zijn opgenomen in de omgevingsverordening of het omgevingsplan kan het nodig zijn de resultaten van de Risicotoolbox grondwater te gebruiken bij de beoordeling.
Deze risicotoolbox is een beslissingsondersteunend systeem waarmee de bevoegde overheid, de beheerder van het grondwater of de gebruiker van grondwater kan beoordelen in hoeverre de grondwaterkwaliteit geschikt is voor de (beoogde) functie of gebruik. En of er risico's zijn als gevolg van grondwaterverontreiniging of vanwege een dynamische situatie.
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Met de uit de bronnen verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie afgeleid, waarvan wij het aannemelijk achten dat deze representatief is voor de locatie. Wij wijzen er op dat de geraadpleegde bronnen mogelijk onvolledig zijn of dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Voor elk bodemonderzoek geldt verder dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit.
Tevens merken wij op dat een bodemonderzoek een momentopname is. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Als na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor worden beïnvloed.
Onafhankelijkheidsverklaring Stantec heeft geen persoonlijke banden of zakelijke belangen bij de onderzoekspercelen en/of de perceeleigenaren, zoals bedoeld in de BRL 2000. Daarmee is de onafhankelijkheid van Stantec in dit onderzoek gewaarborgd. Het procescertificaat van Stantec en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten over de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever, die (ingeval van monsters van grond of bouwstoffen voor nuttige toepassing) dan zelf erkend is volgens deze beoordelingsrichtlijn.
Bijlage 3.2: Kwaliteitsborging veldwerk
Bijlage 3.3: Verklarende woordenlijst Omgevingswet
Milieubelastende activiteit (MBA) Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Omgevingsplan (tijdelijk of definitief)
Gebouw (of gedeelte daarvan) dat de bodem raakt, waarvan aannemelijk is dat er meer dan twee uur per dag aaneengesloten personen aanwezig zullen zijn. Ook een woonschip of woonwagen is een bodemgevoelig gebouw.
Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Bij de inwerkingtreding krijgt iedere gemeente een tijdelijk omgevingsplan van rechtswege. Dit tijdelijke plan moet tussen 1 januari 2024 en eind 2031 worden overgezet naar het nieuwe definitieve deel. Met het omgevingsplan krijgen gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk te leveren voor hun grondgebied.
Bodemgevoelige locatie
Toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem
Bodemgevoelig gebouw
Locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Ook de aangrenzende aaneengesloten tuin of het aangrenzende aaneengesloten terrein behoort hiertoe.
Bruidsschat Een door het Rijk meegegeven set aan regels die automatisch in het omgevingsplan van iedere gemeente zijn opgenomen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Interventiewaarde
Waarde die aangeeft dat bij overschrijding sprake is van significante risico's voor mens, plant of dier. De interventiewaarden bodemkwaliteit staan in bijlage IIA van het Bésluit activiteiten leefomgeving. Deze waarden bepalen onder andere het onderscheid tussen de activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit.
Maatwerkregel Een maatwerkregel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of van de provincie. De gemeente kan hiermee de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vanwege lokale omstandigheden of ambities aanvullen of ervan afwijken (strenger of soepeler), tenzij het Bal dit niet toestaat. Maatwerkregels van de gemeente staan in het omgevingsplan. Maatwerkregels zijn algemeen verbindende voorschriften die kunnen worden gesteld ten aanzien van bepaalde activiteiten en/of aan bepaalde locaties en kunnen daarmee zowel gelden voor bestaande als toekomstige activiteiten.
Een toevalsvondst is een verontreiniging die al aanwezig was maar nog niet bekend is en bij toeval wordt ontdekt. Het begrip geldt enkel voor historische verontreinigingen ontstaan vóór 1 januari 1987. De veroorzaker van de verontreiniging is meestal ook niet direct bekend. Soms blijkt een verontreiniging anders te zijn dan eerder gedacht. Of door voortschrijdend inzicht kan een stof schadelijker blijken te zijn dan eerst gedacht. De eigenaar moet dan snel handelen om verdere blootstelling zoveel mogelijk te voorkomen. Dit geldt bij acute risico’s die ook bij relatief korte blootstelling chronische of acute negatieve effecten voor de gezondheid opleveren.
Voorbereidingsbesluit
Een voorbereidingsbesluit bevat regels, de zogenoemde voorbeschermingsregels. Dat zijn regels die de activiteiten moeten voorkomen die in het omgevingsplan of de omgevingsverordening nog zijn toegestaan, maar die met de in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan of de omgevingsverordening (waaronder de wijziging van het omgevingsplan door een projectbesluit, instructieregel of instructie) naar verwachting niet meer of alleen onder voorwaarden zijn toegestaan. Het voorbereidingsbesluit is dus een besluit dat het omgevingsplan of de omgevingsverordening daadwerkelijk wijzigt. De voorbeschermingsregels maken deel uit van het omgevingsplan of van de omgevingsverordening.
Waarde toelaatbare kwaliteit bodem Waarde waaraan de bodem moet voldoen om een bodemgevoelig gebruik toe te laten, zonder dat maatregelen nodig zijn. Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Overgangsrecht Wet bodembescherming Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan worden veroorzaakt door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen dat van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.
Toetsingskader In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 zijn interventiewaarden vastgelegd voor grond en streefwaarden en interventiewaarden voor grondwater. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling. De monsters zijn getoetst met BoToVa, waarbij gebruik is gemaakt van de toetsingskaders T12 (Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb) en T13 (Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb). BoToVa corrigeert het ‘gemeten’ gehalte op basis van het lutum- en organische stofgehalte naar standaard bodem met 10% organische stof en 25% lutum. De gehalten worden vervolgens getoetst aan de normwaarden zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling.
Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.
Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie (geen formele status), namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd.
Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.
Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.
Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium.
Saneringscriterium
BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek
Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Het saneringscriterium dient om vast te stellen of sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging met spoed dient te worden uitgevoerd. Wanneer sprake is van spoed, is het nemen van maatregelen verplicht.
Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren.
De werkwijze van het saneringscriterium geldt voor: • Een geval van ernstige verontreiniging. • Een historische verontreiniging. Voor verontreinigingen die sinds 1987 zijn ontstaan is artikel 13 van de Wbb (zorgplicht) van toepassing. • Huidige en voorgenomen gebruik. • Grond en grondwater. • Alle stoffen waarvoor een interventiewaarde is afgeleid, met uitzondering van asbest. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbende met het oog op gewenst gebruik van de bodem. Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik. Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot saneren binnen een gestelde termijn. Risico’s hebben een directe relatie met het gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Als er aan het gebruik binnen de aanwezige of toekomstige functie onaanvaardbare risico’s zijn verbonden staat voorop dat maatregelen zo snel mogelijk moeten worden genomen.
De risico’s die aanleiding kunnen zijn om met spoed te saneren worden verdeeld in: a) risico’s voor de mens, b) risico’s voor het ecosysteem en c) risico’s van verspreiding van verontreiniging.
Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl).
Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.
Bijlage 4: Analysecertificaten
SGS Environmental Analytics Correspondentieadres Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34 www.sgs.com/analytics-nl
Analyserapport
Stantec B.V. POSTBUS 270 2600 AG DELFT
Uw projectnaam Uw projectnummer SGS rapportnummer
Blad 1 van 6
: In situ sanering Merwehoofd : 327100992 : 14108644, versienummer: 1.
Rotterdam, 04-07-2024
Geachte heer/mevrouw, Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project 327100992. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben uitsluitend betrekking op de door SGS geteste monsters en zoals door SGS ontvangen zijn. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters, het project en de monsternamedatum (indien aangeleverd) zijn overgenomen in dit analyserapport. SGS is niet verantwoordelijk voor de gegevens verstrekt door de opdrachtgever. Het onderzoek is uitgevoerd door SGS Environmental Analytics, gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL). Indien het onderzoek is uitgevoerd door derden is dit in het rapport aangegeven. Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 6 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan. Voor meer informatie, omtrent bijvoorbeeld meetonzekerheid of gebruikte analysemethoden, kunt u contact opnemen met de afdeling Customer Support. Wij vertrouwen er op u met deze informatie van dienst te zijn. Hoogachtend,
Business Unit Manager
SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.
SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister 24226722.
Blad 2 van 6
Analyserapport Stantec B.V. Projectnaam Projectnummer Rapportnummer
26-06-2024 Orderdatum 26-06-2024 Startdatum Rapportagedatum 04-07-2024
In situ sanering Merwehoofd 327100992 14108644 - 1
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000)
205-1-1 205 (600-700)
002 003 004 005
Analyse
205-2-1 205 (1000-1100) 209-1-1 209 (600-700) 209-2-1 209 (1000-1100) 211-1-1 211 (600-700)
Eenheid
Q
GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN 1,1-dichloorethaan µg/l S 1,2-dichloorethaan µg/l S cis-1,2-dichlooretheen µg/l S trans-1,2-dichlooretheen µg/l S som (cis,trans) 1,2µg/l S dichloorethenen (0.7 factor) dichloormethaan µg/l S 1,2-dichloorpropaan µg/l S tetrachlooretheen µg/l S tetrachloormethaan µg/l S 1,1,1-trichloorethaan µg/l S 1,1,2-trichloorethaan µg/l S trichlooretheen µg/l S chloroform µg/l S vinylchloride µg/l S
001
002
003
004
005
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 1) 0.14
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 1) 0.14
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 1) 0.14
<0.2 <0.2 0.74 <0.1 1) 0.81
<0.2 <0.2 0.47 <0.1 1) 0.54
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 <0.2
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 <0.2
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 <0.2
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 12
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 <0.2
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning.
Paraaf : SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.
SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister 24226722.
Blad 4 van 6
Analyserapport Stantec B.V. Projectnaam Projectnummer Rapportnummer
26-06-2024 Orderdatum 26-06-2024 Startdatum Rapportagedatum 04-07-2024
In situ sanering Merwehoofd 327100992 14108644 - 1
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
006
Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000) Grondwater (AS3000)
211-2-1 211 (1000-1100)
007 008 009 010
212-1-1 212 (600-700) 212-2-1 212 (1000-1100) 218-1-1 218 (600-700) 218-2-1 218 (1000-1100)
Analyse
Eenheid
DOC
mg/l
Q
GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN 1,1-dichloorethaan µg/l S 1,2-dichloorethaan µg/l S cis-1,2-dichlooretheen µg/l S trans-1,2-dichlooretheen µg/l S som (cis,trans) 1,2µg/l S dichloorethenen (0.7 factor) dichloormethaan µg/l S 1,2-dichloorpropaan µg/l S tetrachlooretheen µg/l S tetrachloormethaan µg/l S 1,1,1-trichloorethaan µg/l S 1,1,2-trichloorethaan µg/l S trichlooretheen µg/l S chloroform µg/l S vinylchloride µg/l S
006
007
008
5.2
6.2
2)
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 1) 0.14
<2.0 2) <2.0 500 2) <1.0 1) 500.7
<0.2 <0.2 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.2 <0.2 <0.2
<2.0 2) <1.0 6.1 2) <1.0 2) <1.0 2) <1.0 4.1 2) <2.0 72
2)
009
2)
<0.2 <0.2 100 0.15 1) 100.15
<40 2) <40 20000 2) <20 1) 20014
<0.2 <0.2 0.11 <0.1 <0.1 <0.1 0.31 <0.2 35
<40 2) <20 2) <20 2) <20 2) <20 2) <20 2) <20 2) <40 4300
2)
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning.
Paraaf : SGS Environmental Analytics IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM EN ISO/IEC 17025:2017 ONDER NR. L 028.
SGS Environmental Analytics – Vestiging van SGS Nederland BV, Malledijk 18 - P.O. Box 200, NL-3200 AE Spijkenisse - Nederland. Al onze werkzaamheden worden uitgevoerd onder de algemene voorwaarden gedeponeerd bij de kamer van koophandel te Rotterdam inschrijving handelsregister 24226722.
010
<0.2 <0.2 1700 2.6 1) 1702.6 <0.2 <0.2 1.1 <0.1 <0.1 <0.1 0.39 <0.2 210
Blad 6 van 6
Analyserapport Stantec B.V. Projectnaam Projectnummer Rapportnummer
26-06-2024 Orderdatum 26-06-2024 Startdatum Rapportagedatum 04-07-2024
In situ sanering Merwehoofd 327100992 14108644 - 1
Analyse
Monstersoort
Relatie tot norm
1,1-dichloorethaan
Grondwater (AS3000)
1,2-dichloorethaan
Grondwater (AS3000)
cis-1,2-dichlooretheen
Grondwater (AS3000)
trans-1,2-dichlooretheen
Grondwater (AS3000)
som (cis,trans) 1,2dichloorethenen (0.7 factor) dichloormethaan
Grondwater (AS3000)
AS3130-1, NEN-EN-ISO 20595 Idem Idem Idem AS3130-1
1,2-dichloorpropaan
Grondwater (AS3000)
tetrachlooretheen
Grondwater (AS3000)
tetrachloormethaan
Grondwater (AS3000)
1,1,1-trichloorethaan
Grondwater (AS3000)
1,1,2-trichloorethaan
Grondwater (AS3000)
trichlooretheen
Grondwater (AS3000)
chloroform
Grondwater (AS3000)
vinylchloride
Grondwater (AS3000)
DOC
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
AS3130-1, NEN-EN-ISO 20595 Idem Idem Idem Idem Idem Idem Idem Idem NEN-EN 1484
Monster
Barcode
Aanlevering
Monstername
Verpakking
001 001 002 002 003 003 004 004 005 005 006 006 007 007 007 008 008 008 009 009 010 010
G7318400 G7318390 G7318401 G7318409 G7318407 G7318397 G7318396 G7318402 G7318405 G7318386 G7318399 G7318393 Q2027743 G7318406 G7318398 Q2027741 G7318387 G7318404 G7318395 G7318392 G7318410 G7318391
26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024 26-06-2024
25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024 25-06-2024
ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC330 ALC236 ALC236 ALC330 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236 ALC236