CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

E01. 20250115 RIB Beantwoording Art.40 Vragen OP over sanering Havenhoofd.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 13 februari 2025, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken9.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de gemeenteraad

datum behandeld door ons kenmerk doorkiesnummer Onderwerp

14-01-2024 R. Aarnoudse 2024-0127087 14-078 Reactie artikel 40 vragen fractie OP over bodemsanering Veerdam/ Havenhoofd

Geachte mevrouw, heer,

Op 9 oktober 2024 heeft de fractie Onafhankelijk Papendrecht (OP) schriftelijk vragen gesteld aan het college van B&W (ex artikel 40 van het reglement van orde). De vragen gaan over een bodemsanering aan het Havenhoofd die in 1996-1997 plaatsvond. Het beantwoorden van alle artikel 40 vragen heeft substantieel tijd in beslag genomen bij collega’s van de gemeente, de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) en de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD). Vandaar is er op 7 november 2024 om uitstel gevraagd op het reguliere termijn van 30 dagen voor de beantwoording van artikel 40 vragen. In bijlage C4 vindt u een totaaloverzicht van de gemaakte uren. In deze RIB vindt u enkel de vragen en de beantwoording daarvan. Voor de door OP aangeleverde context bij de vragen verwijzen wij u naar de bijlage ‘Artikel 40 vragen OP - (onvoltooide) sanering gifgrond Havenhoofd’. In bijlage C5 is een ingekomen brief van de vertegenwoordiger van de bewoners van de Veerdam toegevoegd. Deze brief staat ook op de lijst van ingekomen stukken voor de raadvergadering van 16 januari: nummer A26. Voordat we ingaan op de vragen lichten we graag de structuur van de bijlagen, de rol van het bevoegd gezag in dit dossier, en wat er in dit geval wordt verstaan met een sanering graag toe.

Toelichting bijlagen structuur Bijlagen die beginnen met de letter A of B zijn aangeleverd door OZHZ, met een C is afkomstig van de gemeente of de GGD

A – Kerndocumenten relevant voor het gehele onderwerp Genummerde stukken zonder letter – Daarnaast opgevraagde documenten (die in de vragen zijn aangehaald) C – Overige documenten Toelichting bevoegd gezag rol & sanering definiëren Het bevoegd gezag voor de sanering en de nazorg is de Provincie Zuid-Holland. De uitvoering is in 2011 door de Provincie gemandateerd aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Het doel van de sanering is in dit geval het afdekken van de verontreiniging met een leeflaag en niet het verwijderen van de verontreiniging. Zo wordt contact met de verontreiniging en daarbij ook de gezondheidsrisico’s voorkomen.

1. Koopakte 17-03-1999 Vraag 1.1: Graag willen we bovengenoemde raadsbesluit – van 26 feb. 1998 num. 8748 – van u ontvangen. Antwoord 1.1: Deze zijn openbaar te vinden in het fysieke archief van Dordrecht. Vraag 1.2: Heeft er een schouwing plaatsgevonden door de Notaris? Antwoord 1.2: Voor zover we konden achterhalen heeft die niet door de notaris plaatsgevonden. Uit het saneringsverslag (bijlage A4) en de beschikking op het saneringsverslag (bijlage A3) blijkt dat de grond geschikt was voor de beoogde bestemming. Vraag 1.3: Graag willen we het schouwrapport van u ontvangen. Antwoord 1.3: Zie antwoord op vraag 1.2.

Vraag 1.4. Kunt u uitleggen hoe er gesaneerd is? Antwoord 1.4: De sanering is op basis van het saneringsplan met het IBC-principe gesaneerd. Het doel van de IBC-maatregelen is om de blootstelling van de mens aan de verontreinigde stoffen op de locatie zover mogelijk -binnen de randvoorwaarden van een sober en doelmatige aanpak- doch tenminste beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau terug te brengen en verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan. De IBC-variant houdt in dit geval in dat de verontreinigde grond in de tuinen rond de woningen aan de oneven zijde van de Veerdam een leeflaag is aangebracht. De ventilatie van de kruipruimten zijn gecontroleerd en geoptimaliseerd. De verontreinigde grond in het kabels- en leidingentracé onder het trottoir aan de Veerdam (oostzijde) is tot 0,9 m diepte (dat is tot bovenkant gasleiding) vervangen door schoon zand, i.v.m. de wortels van de kastanjebomen kon niet dieper worden gegraven. Tussen de kastanjebomen is niet ontgraven. Op het voormalige bedrijfsterrein Van Rossum en Van Lingen en overige terrein is tevens een leeflaag aangebracht. Op drie locaties bevinden zich verontreinigingen met minerale olie en PAK. De verontreinigde grond is verwijderd.

Vraag 1.5. Graag ontvangen we hier de bewijsstukken van. Antwoord 1.5: De beschikking (9 maart 1999 met kenmerk DWM/168851/1) van de provincie ZuidHolland is bijgevoegd (bijlage 1).

Vraag 1.6: Welk bedrijf heeft de graafwerkzaamheden langs de Veerdam verricht? Antwoord 1.6: De saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd door het aannemingsbedrijf A.H. Breijs & Zonen b.v. te Capelle aan den IJssel.

Vraag 1.7: Graag zien we de schriftelijke opdracht en factuur met datum van het verwijderen van de vervuilde grond. Daarmee bedoelen we niet de sloop van Lingen Beton. Antwoord 1.7: De opdracht voor de uitvoering van de sanering is samen met de uitvoering van de dijkversterking gegund door het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard aan aannemingsbedrijf A.H. Breijs & Zonen b.v.. Bijgevoegd is de brief (6 november 1996 DWM 128278) waarin de provincie het Hoogheemraadschap machtigt om te gunnen (bijlage 2). Facturatie heeft plaatsgevonden via het Hoogheemraadschap. Bijgevoegd is de laatste termijnstaat 7a en de eindafrekening (bijlagen 2a en 2b). De schriftelijke opdracht en de rest van de termijnstaten zijn niet meer aanwezig in het archief.

Vraag 1.8: Waar is deze vervuilde grond naartoe afgevoerd? Graag bewijs hiervan. Antwoord 1.8:

1) 2) 3) 4)

Uilenvliethaven Heerjansdam (6.962 ton); afvalstroomnummer 081236000163; AVM te Dordrecht (310 ton); afvalstroomnummer 080156085105 DOP/NOAP te Rotterdam (3.538 ton); afvalstroomnummer 080196043000 Ecotechniek (SCG) te Rotterdam (287 ton); afvalstroomnummer 08041650052

De opdracht tot verwerking van de grond is bijgevoegd (3). Vraag 1.9: Waar komt de schone grond die gebruikt is om op de Veerdam te verhogen vandaan? Graag een bewijsstuk met certificaat. Antwoord 1.9: In bijlage 3.3 en 3.4 van het evaluatieverslag is de kwaliteit van de grond aangegeven. Uit het verslag blijkt niet waar de grond vandaan komt. In 2010 is een deklaag onderzoek uitgevoerd waarmee de kwaliteit is vastgesteld. Het onderzoek (bijlage 4) is bijgevoegd. Vraag 1.10: Kunt u uitleggen waarom er in 2020 gesaneerd is bij de Veerdam en wel zo dat hele tuinen aan de voor- en achterzijde afgegraven zijn en wel zo diep dat de heipalen te zien waren? Antwoord 1.10: Bij zowel OZHZ als bij de gemeente is geen bodemsanering in 2020 bij de huizen van de Veerdam bekend. Vraag 1.11: Waar bestond die regulerende laag grond uit? Antwoord 1.11: De regulerende laag grond bestond uit grof zand.

Vraag 1.12: Graag zien we de schriftelijke opdracht en factuur met datum van het aanbrengen van de schone grond voor Het Havenhoofd – met certificaat. Daarmee bedoelen we niet de sloop van Lingen Beton. Antwoord 1.12: De saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd door het aannemingsbedrijf A.H. Breijs & Zonen b.v. te Capelle aan den IJssel. Bijgevoegd is de laatste termijnstaat 7a en de eindafrekening (bijlagen 2a en 2b). De schriftelijke opdracht en rest van de termijnstaten zijn niet meer aanwezig in

het archief. Er is geen certificaat beschikbaar, voor de kwaliteit van de deklaag wordt verwezen naar het deklaag onderzoek (bijlage 4).

Vraag 1.13: Kunt u dit uitleggen? Antwoord 1.13: Nee. (zie bijlage met de vragen van OP voor de context bij deze vraag).

Vraag 1.14: Waarom is er op 01-07-2009 een informatieavond geweest en is er op 26-082014 een folder van u in de brievenbus voor de Veerdam Nieuwbouw en Het Havenhoofd nodig geweest als alles toch in orde was? Antwoord 1.14: Om de inwoners te informeren over de gang van zaken en vorderingen van de sanering en nazorg.

Vraag 1.15: Wie draagt nu de verantwoordelijkheid over het niet in orde zijn van de grond? Antwoord 1.15: De huidige eigenaar of gebruiker van de grond is doorgaans verantwoordelijk voor de kwaliteit van de grond.

Vraag 1.16: Waarom merken de bewoners aldaar niets van die verantwoordelijkheid? Antwoord 1.16: De locatie is voldoende gesaneerd. De bewoners hebben daarom geen saneringsverplichtingen. Wel rust er nazorg op de locatie. De bewoners dienen de leeflaag/ deklaag in stand te houden. Omdat dit een passieve zorg is en de meeste bewoners de locatie normaal gebruiken, merken de bewoners over het algemeen weinig van de verantwoordelijkheid. Pas bij bouwactiviteiten of diepe (dieper dan 1 m) graafactiviteiten is een eigenaar verantwoordelijk voor een actief deugdelijke omgang met de nazorg.

Vraag 1.17: Waaruit bleek dat de grond schoon genoeg was voor het bouwen van woningen? Graag zien we het schriftelijke bewijs hiervan. Antwoord 1.17: Dit volgt indirect uit de beschikking op een saneringsplan en evaluatieverslag (bijlagen A1 en A3). Verleende vergunningen worden afgegeven onder voorbehoud dat een saneringsplan moet zijn ingediend en akkoord zijn bevonden door OZHZ. Na de grondsanering kan, als de gemeente de maatregelen voldoende acht, de bebouwing in gebruik worden genomen. Het is ons niet duidelijk naar welk document wordt gevraagd Vraag 1.18: Graag zien we bovengenoemde bijlagen. Antwoord 1.18: Het is onduidelijk naar welke bijlagen hiernaar gerefereerd wordt.

Vraag 1.19: Nu de notaris heeft aangegeven het rapport van de milieudienst ZHZ betreffende een nieuwbouwproject niet in zijn bezit te hebben, vragen wij het bovengenoemde rapport bij u op. Antwoord 11.19: Het is ons onduidelijk welk rapport naar gerefereerd wordt.

Vraag 1.20: Dus het heeft er alle schijn van dat de ontwikkelaar mogelijk ook te goeder trouw net als de kopers de gemeente Papendrecht ten onrechte vertrouwd heeft. Vind u dit behoorlijk bestuur geweest? Uit wat blijkt dat?

Antwoord 1.20: De kwaliteit en verantwoordelijkheden stonden benoemd in het koopcontract, dit blijkt uit bovenstaande citaten. Bij een leeflaagsanering is het niet ongewoon dat een ontwikkelaar te maken krijgt met de verontreiniging die onder de leeflaag aanwezig is en de benodigde milieuhygiënische maatregelen hiervoor treft. De ontwikkelaar heeft de locatie gekocht terwijl de kwaliteit en uitgevoerde sanering met hierbij horende nazorg bij hem bekend was.

2. GGD info. avond 01-07-2009 10 jaar na het betrekken van de huizen op uw toenmalige grond Vraag 2.1: 10 Jaar na het betrekken van de woningen worden de bewoners onaangenaam verrast met uw informatie, dat ze geen contact mogen hebben met hun gekochte grond. Om geen gezondheidseffecten te krijgen. Kunt u dat uitleggen? Antwoord 2.1: Het gaat om contact met de grond onder de leeflaag. Bij blootstelling aan sterk verontreinigde grond kunnen er gezondheidsrisico's zijn. Omdat er een leeflaag is, is erbij gewoon gebruik geen blootstelling en dus ook geen gezondheidsrisico's. Dit was reeds bekend na sanering (1998/1999), zoals blijkt uit het saneringsverslag en beslissing van de provincie hierop. Daarnaast staat dit ook in het koopcontract.

Vraag 2.2: Bent u geslaagd met het uitsluiten van de gezondheidsrisico’s? Als u na 10 jaar pas de bewoners op de hoogte heeft gesteld, dat ze op gifgrond wonen en dat ze eigenlijk niets met hun grond mogen doen. Antwoord 2.2: De bodemsanering was uitgevoerd volgens plan. Hiervan is een verslag en de provincie heeft hierop positief beslist (zie inleiding bevoegd gezag). Door de sanering zijn de gezondheidsrisico’s uitgesloten. De betrokken bewoners hebben een afschrift ontvangen van die beslissing, daarnaast waren zij betrokken bij de sanering aangezien hun voor- en achtertuinen zijn gesaneerd. Bij de nieuwe bewoners van de nieuwbouw was de situatie bekend tijdens de koop. Vraag 2.3: Zijn bovengenoemde metingen gedaan? Wanneer zijn de metingen gedaan? Antwoord 2.3: Ja, tijdens de nazorgfase (1999-2024) zijn binnenluchtmetingen gedaan.

Vraag 2.4: Graag zien we de uitslagen van deze metingen. Antwoord 2.4: De binnenluchtmetingen zijn in 2015, 2018 en 2021 en staan in de rapporten van 2016, 2019 en 2022 (zie bijgevoegde documenten 5-1, 5-2 en 5-3).

3. OZHZ Rapport 14-06-20121 Vraag 3.1: Waarom heeft u niet eerder dan in 2009 de bewoners gewaarschuwd? Antwoord 3.1: Op basis van die onderzoeken en resultaten heeft de provincie besloten om de locatie op korte termijn in 1996 te saneren. De bewoners zijn destijds geïnformeerd over de sanering, dit betrof namelijk hun voor- en achtertuinen.

1

Rapport OZHZ betreft het nazorgplan, maar dat plan is van een andere datum. De paginanummering klopt daardoor niet met die van de vragensteller.

Vraag 3.2: In welk jaar heeft deze genoemde sanering plaatsgevonden? Welk rapport van de OZHZ gaat hierover? Antwoord 3.2: In de periode oktober 1996 tot en met april 1997. OZHZ bestond in die tijd nog niet. Het saneringsverslag is bijgevoegd met aanduiding A4.

Vraag 3.3: Welke andere saneringen hebben nog plaats gevonden? Antwoord 3.3: Met de sanering uit 1996/1997 was het gehele terrein voor zover mogelijk gesaneerd. Op Veerdam 21a is nadien een woning gesloopt en nieuwbouw gepleegd. Hier is aanvullend gesaneerd.

Vraag 3.4: En op welke kavels hebben die saneringen plaatsgevonden? Antwoord 3.4: Veerdam 21a. Er is sprake van een aanvullende bodemsanering omdat de initiatiefnemer iets anders wilde en niet omdat de bodemsanering daarvoor niet afdoende was

Vraag 3.5: Graag zien we voor elk kavel nummer de volledige data wanneer waar en wat gedaan is. Antwoord 3.5: Alles op de Veerdam 21a is aanvullend gesaneerd. Deze aanvullende sanering vond plaats in 2007-2008. Vraag 3.6: Kunt u aantoonbaar bewijs laten zien met data en namen van de bedrijven die deze werkzaamheden hebben uitgevoerd? Antwoord 3.6: Sanering was in eigen beheer. Er is door de eigenaar geen saneringsverslag ingediend bij de OZHZ, daarom hebben wij deze data niet. De OZHZ heeft het eindsaneringsverslag ook niet ontvangen van de Provincie, en die zijn bevoegd gezag wat betreft de sanering.

Vraag 3.7: Als er is afgegraven, waar is deze zwaar vervuilde grond heen gegaan? Dit graag met bewijs laten zien ook met data erbij. Antwoord 3.7: Er is door de eigenaar geen saneringsverslag ingediend bij de OZHZ, daarom hebben wij deze data niet. De OZHZ heeft het eindsaneringsverslag ook niet ontvangen van de Provincie, en die zijn bevoegd gezag wat betreft de sanering. Zie ook verslag in deskundigheidsonderzoek bijlage B6.1 (deskundigheidsonderzoek Tauw 2011; vanaf H3 pagina 31: de leeflaag in de achtertuin is na sanering licht tot sterk verontreinigd met kwik). Het gehalte kwik in de grond in de achtertuin van 21a geeft echter geen humane risico's.

Vraag 3.8: Hoe is het nu met het grondwater? Dit was ook sterk vervuild. Antwoord 3.8: De grondwaterverontreiniging is stabiel. Dit is op plekken sterk verontreinigd, maar er zijn geen gezondheidsrisico’s aan verbonden, omdat men niet in contact komt met deze verontreiniging.

Vraag 3.9: In uw folder d.d. 26-08-2014 staan er zeker nog kyaniseerbakken op de locaties 19, 21, 21A, 23, 25, 27, getekend, kunt u dat uitleggen? Antwoord 3.9: Er staan kyaniseerbakken op getekend, dat zijn voormalige kyaniseerbakken. De bakken op de locaties Veerdam 19-27 zouden volgens het saneringsverslag zijn verwijderd. Maar later bleek ter plaatse van Veerdam 21a nog een bak in de leeflaag aanwezig was, omdat een aantal opstallen op deze bak zouden zijn gefundeerd.

Vraag 3.10: Een bewoner heeft de grond zelf gesaneerd en heeft een jarenlange rechtszaak gevoerd over o.a. een kyaniseerbak in zijn huidige voortuin die niet op de kaart stond. Kunt u bewijzen dat de genoemde bakken wel zijn weggehaald. Zo ja, hoe is dat gedaan? Antwoord 3.10: Een deel van de bakken is niet tijdens de sanering van 1996/1997 weggehaald. Dit blijkt uit het deskundigenonderzoek Veerdam 21a (bijlage 6). Het deel wat wel is verwijderd is met een hydraulische schaar gesloopt.

Vraag 3.11: Kunt u uitleggen hoe het komt dat met name bij huisnummer 27 een kwik(II) chloride gehalte gemeten is van 27 mg/kg droog stof? Antwoord 3.11: Het gehalte van 27 mg/kg ds is tijdens de sanering van 1996-1997 in de kruipruimte van de woning Veerdam 27 aangetoond. In andere kruipruimten zijn gehalten van onder de detectiegrens tot 21 aangetoond. Over het algemeen komen dit soort verontreinigingen heterogeen in de bodem voor en kunnen de gehalten van plek tot plek variëren. Van deze verontreiniging was bekend dat binnen de saneringslocatie licht tot sterk verhoogde gehalten kwik aanwezig waren. Vraag 3.12: Ondanks dat ze dieper liggen dan de uitgevoerde ontgraving, waarom heeft u ze niet toch uit laten graven? Als u weet dat dit zeer sterke vervuiling veroorzaakt en zeer slecht is voor mens en dier? De kwik(II)chloride kan nu gewoon uitspoelen met een nog grotere omvang van vervuilde grond als gevolg. Antwoord 3.12: De beweegreden om ze niet te ontgraven is nu niet meer te achterhalen. Wel was dit reeds in het saneringsplan aangegeven en dit plan is gebaseerd op de uitgangspunten die hierin staan. De provincie heeft ingestemd met het saneringsplan, omdat dit aan het bodemsaneringsbeleid voldoet. Het laten zitten van de kwikbaden stond het behalen van de saneringsdoelstelling niet in de weg. Door de sanering zijn de baden geen gevaar meer voor mens en dier.

Vraag 3.13: Dan is er toch niet goed en zorgvuldig gesaneerd? Antwoord 3.13: Ook als de dieper gelegen baden niet zijn verwijderd kan de sanering goed uitgevoerd zijn. In het saneringsplan staat de voorgestelde sanering met deels laten zitten van baden aangegeven. Het saneringsplan is vastgesteld door de provincie (bijlage A1). Ook in het saneringsverslag staat aangegeven dat niet alle baden zijn verwijderd. Dit verslag is tevens door de provincie vastgesteld (bijlage A3). Het deels niet verwijderen van kwikbaden heeft het behalen van de saneringsdoelstelling niet in de weg gestaan. De sanering is uitgevoerd conform het toen geldende bodemsaneringsbeleid.

Vraag 3.14: Op huisnummer 17 is volgens het rapport OZHZ extra gegraven, wel 5 meter diep. Waarom was dat? Antwoord 3.14: Er is hier tot 5 meter diep gegraven om een verontreiniging met minerale olie en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) zo veel mogelijk uit de grond te verwijderen.

Vraag 3.15: Hoe kan het dat er niet naar die bakken gekeken is? U heeft die bakken toch in kaart gebracht? Zie Punt 7 van dit schrijven. Antwoord 3.15: Naar aanleiding van een overleg met het bewonerscomité (d.d. 9 juli 2009) is de aangebrachte deklaag onderzocht. Het deklaag onderzoek had tot doel de dikte, opbouw en kwaliteit van de aangebrachte deklaag vast te stellen. Het onderzoek had niet tot doel om naar de bakken te kijken of om de ligging te verifiëren.

Vraag 3.16: Kunt u ons de volledige kaart met kyaniseerbakken, die nu nog in de grond zitten, geven? Antwoord 3.16: Kaart toegevoegd, zie bijlage C1. Vraag 3.17: Kunt u uitleggen hoe dit visueel waar te nemen is? Antwoord 3.17: Wat hier staat is dat het zand visueel schoon is, maar analytisch is dus een lichte verontreiniging kwik gemeten. Met visueel schoon zand wordt over het algemeen zand zonder bodemvreemde bijmengingen (zoals puindeeltjes of kooldeeltjes) bedoeld.

Vraag 3.18: Hoe kunt u dit verklaren? Antwoord 3.18: De lichte verontreiniging met zware metalen en PAK is vermoedelijk het gevolg van de plaatselijke bijmenging met puin en slakken.

Vraag 3.19: De gifstoffen verdunnen in de grond en het grondwater. Vindt u het verantwoordelijk dat die zeer zware verontreinigingen zich uitbreiden in de grond en de natuur en zo het bioritme kapot maken? Er zou zijn gesaneerd volgens het IBC principe? Antwoord 3.19: Er is op de locatie een leeflaag aangebracht volgens het IBC-principe. De natuur bevindt zich vooral in deze laag. De leeflaag zorgt ervoor dat de natuur ook niet in aanraking komt met de verontreiniging.

Vraag 3.20: Waarom zijn er toen geen stappen ondernomen? Beheersen is immers een belangrijk aspect van het IBC-concept. Antwoord 3.20: Het gehalte arseen in het grondwater, wat zich in 2011 op 2,27 m beneden maaiveld bevond, was in 2011 81 µg/l, dit is boven de interventiewaarde (60 µg/l). Ook elders waren in het grondwater gehalten boven de interventiewaarde aangetoond. Het kwikgehalte in diezelfde peilbuis was in 2011 ten opzichte van voorgaande jaren met 97%. Metingen kunnen door natuurlijke oorzaken (zoals schommelingen in de grondwaterstand) fluctueren. Het adviesbureau zelf concludeerde in 2011 dat de gemeten gehalten in de diverse peilbuizen overwegend overeenkomen met de gehalten van voorgaande grondwatermonitoringen en adviseerde om de monitoring voort te zetten conform het monitoringsplan. In deze regio kunnen overigens van nature gehalten arseen tot rond de interventiewaarde voorkomen in het grondwater. Het is bij deze parameter niet altijd duidelijk of en welk deel van het gemeten gehalten van nature en antropogeen is.

Vraag 3.21: Hoe kan het dat de schone deklaag gelijksoortig vervuild is als de dieper gelegen ondergrond? Antwoord 3.21: De ondergrond is licht tot sterk verontreinigd. Deze is dus niet gelijksoortig vervuild, maar sterker vervuild. Vraag 3.22: Als bekend is dat zich, zonder volledig te zijn, Kwikbakken en dergelijke in de grond bevinden en/of bevonden, hoe is het dan mogelijk dat er geen bodemmonsters zijn genomen wetende dat er woningen op deze grond gebouwd gingen worden? Antwoord 3.22: Omdat de verontreiniging niet verwijderd is zijn controlemonsters niet zinvol. Het doel van de sanering is niet het verwijderen van de verontreiniging, maar het afdekken van de verontreiniging met een leeflaag. Omdat de verontreinigingssituatie van de grond onder de leeflaag door de sanering niet veranderd, is het niet logisch om hiervan na de sanering monsters te nemen.

Vraag 3.23: Uit bovenstaande blijkt dat er tot 2,0 m. en 3,0 m. diepte nog zware verontreinigingen zijn waargenomen. CITAAT IBC-principe Beheersbaarheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een eventueel falende voorziening te herstellen en de buiten het gebied veroorzaakte bodemverontreiniging terug te nemen. EINDE CITAAT. Hoe heeft u dit gedaan? Antwoord 3.23: De voorziening heeft niet gefaald, daarom is geen sprake van herstel of terugname.

Vraag 3.24: Hoe is zoiets mogelijk als men weet dat er 18 zware gifstoffen in die grond zitten en/of zaten? Antwoord 3.24: De locatie van peilbuizen (waar in het nazorgplan in paragraaf 4.3 onderdeel grondwater naar verwijst) heeft geen direct verband met de locatie van bodemverontreinigingen. Tegenwoordig worden deze nu meestal met GPS ingemeten. Dit was vroeger niet het geval. Blijkbaar was het moeilijk om op basis van de tekening van voor de sanering te bepalen waar de peilbuizen precies op de tekening van na de sanering zouden zijn gesitueerd. Door de sanering en dijkverzwaring met verleggen van de oevers zijn die twee tekeningen niet makkelijk met elkaar te vergelijken. Bijgevoegd (bijlage 6) is de locatie in bijlage 2.2 van het rapport van 1994 de locatie van de peilbuizen van voor de sanering.

Vraag 3.25: Kunt u nu aantonen dat daar nu geen minerale olie meer aanwezig is in de grond en in het grondwater aldaar? Antwoord 3.25: Bij de sanering van de verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de voormalige vatenopslag Lingen Beton zijn inderdaad geen controlemonsters genomen. Alleen van de verwijderde grond is een controlemonster genomen. Het gehalte minerale olie in dit monster betrof 91 mg/kg ds. Dit is een lichte grondverontreiniging. Van een lichte verontreiniging kan verwacht worden dat deze niet of nauwelijks in het grondwater opgenomen worden. Dit is waarschijnlijk de reden ook geweest dat hier verder geen controlemonsters van grond of grondwater zijn genomen. Een eventuele restverontreiniging bevindt zich onder de leeflaag. De kwaliteit van de leeflaag is bekend.

Vraag 3.26: Als u weet dat bijv. peilbuis nr.4 zeer tot sterke verruiling aangeeft met kwik(II)chloride, is het dan toch niet beter om alsnog te weten waar deze gestaan hebben? Antwoord 3.26: Van deze peilbuizen is bekend waar deze (hebben) gestaan. Ook ten tijde van het schrijven van dit rapport (nazorgplan 2014). Zie bijlage IV van het nazorgplan 2014.

Vraag 3.27: Zijn de overige peilbuizen waar de bodemgesteldheid in de gaten gehouden kan worden nog allemaal aanwezig en in takt? Antwoord 3.27: De monitoring is inmiddels afgerond, daarom is dit niet meer relevant. Daarnaast is het gebruikelijk dat peilbuizen in het kader van monitoring worden herplaatst als mocht blijken dat deze verloren zijn gegaan.

Vraag 3.28: Wat hebben deze metingen dan voor zin gehad, als u niet bijhoudt of bij laat houden waar en hoeveel er aan verontreiniging in de grond zit? * Het IBC-principe lijkt hier niet te werken. Antwoord 3.28: We kunnen dit citaat niet terugvinden. Het IBC-principe gaat er wel vanuit dat een restverontreiniging in de ondergrond (onder de leeflaag) achter blijft. Dit is hier dus ook het geval.

Vraag 3.29: Hoe kunt u dan blijven monitoren en zelfs een nazorgplan gaan uitvoeren, zoals u aan de bewoners heeft aangegeven te doen? Antwoord 3.29: De nazorg is er niet op gericht om verontreinigingen te verminderen. De nazorg is erop gericht om de leeflaag in stand te houden en te beoordelen of de grondwaterverontreiniging stabiel is.

Vraag 3.30: Tussen 2001 en 2011 is de sterke PAK vervuiling afgenomen. Waar is deze vervuiling gebleven? Antwoord 3.30: Bij de grondsanering is de verontreiniging in de grond grotendeels verwijderd. Vanuit de grond kan daardoor de verontreiniging niet of nauwelijks nog in het grondwater terecht komen. In het grondwater nemen dit soort verontreinigingen van nature af door bodemprocessen zoals natuurlijke afbraak (door bacteriën) van de verontreiniging en verdunning van de verontreiniging in het grondwater.

Vraag 3.31: Zo ook is de vervuiling van de minerale olie afgenomen. Dit zijn toch stoffen die niet oplossen, waar zijn deze gebleven? Antwoord 3.31: In onze regio zijn van nature goede omstandigheden in de bodem voor natuurlijke afbraak van dit soort stoffen. Vraag 3.32: Kunt u dit uitleggen? Antwoord 3.32: De kosten voor de uitvoering van de nazorg op basis van het onderhavige nazorgplan bestonden uit een jaarlijkse monitoring van het grondwater en een visuele inspectie van de leeflaag en een driejaarlijkse uitvoering van binnenluchtmetingen. De verantwoordelijke voor uitvoering was in 2014 de gemeente (na 2020 werd dit de provincie).

Vraag 3.33: Tijdens de besluitvorming over de uit te voeren sanering was mevrouw W. de Koning Pierens de toenmalige waarnemend burgemeester van Papendrecht. Kunt u het mogelijk maken dat deze mevrouw meewerkt aan de verduidelijking van dit dossier? Antwoord 3.33: Nee.

Vraag 3.34: Wordt het gebied nog in de gaten gehouden met peilbuizen? Antwoord 3.34: Nee, op dit moment niet meer. Eind 2023/begin 2024 heeft de laatste monitoring plaatsgevonden. De situatie is stabiel.

Vraag 3.35: Zo ja wat zijn de laatste bevindingen van o.a. deze peilbuizen? Graag met data erbij. Antwoord 3.35: In de beoordelingsbrief van OZHZ staat hierover het volgende: “Samenvattend kan uit de nazorgrapportage worden afgeleid dat de saneringsmaatregelen die in 1996-1997 zijn genomen in stand zijn gehouden en de risico's als gevolg van de restverontreiniging blijvend zijn weggenomen. Met de jaarlijkse controle van de grondwaterkwaliteit is daarnaast ook vastgesteld dat sprake is van een stabiele eindsituatie. Wij stemmen in met het beëindigen van de actieve nazorgmaatregelen. De actieve nazorg wordt hiermee omgezet in passieve nazorg.” De data zijn opgenomen in bijlage 8 (nazorgrapport 2023).

Vraag 3.36: Klopt het dat de OZHZ het dossier gesloten heeft? Antwoord 3.36: Ja.

Vraag 3.37: Zo ja, Wat heeft u doen besluiten dat u toestemming heeft gegeven om de OZHZ te laten stoppen met die nazorg? Antwoord 3.37: De gemeente is in deze geen bevoegd gezag. De provincie is hierin het bevoegd gezag. De Provincie heeft opdracht gegeven aan OZHZ voor de nazorg. OZHZ heeft de nazorg gestopt met toestemming van de provincie.

Vraag 3.38: Graag zien we heel het rapport van de OZHZ waar we nu enkel een paar bladzijdes van hebben. Antwoord 3.38: Het nazorgplan is bijgevoegd in bijlage A6.

4. Nazorgplan wordt opgesteld OZHZ 04-05-2012 Vraag 4.1: In de brief van 04-05-2012 over de ontwerpbeschikking nazorgplan schrijft de OZHZ enkel over de Russische Houthandel die zich op die locatie heeft bevonden. Echter, Aviolanda wordt niet genoemd. Terwijl deze toch ook hun nodige vervuiling heeft veroorzaakt. Kunt u dit uitleggen? Antwoord 4.1: Aviolanda was gevestigd ten noordwesten van de Veerdam rond het Aviolandaplein. De vervuiling op de nazorglocatie Veerdam/Havenhoofd is hoofdzakelijk door de activiteiten van de Russische Houthandel veroorzaakt.

5. Tritium Advies B.V. in opdracht van de OZHZ 25-10-2012 Vraag 5.1: Kunt u na de vele bemonsteringen aangeven wat er gevonden is, dus het hele rapport? Antwoord 5.1: De leeflaag/ deklaag is onderzocht in het deklaag onderzoek van 2010, zie bijlage 4. De ondergrond is voor de sanering onderzocht in het nader onderzoek uit 1994, zie bijlage 7.

6. Brief Commissaris v.d. Koning J. Smit 08-07-2014 Vraag 6.1: Kunt u aangeven hoe de nieuwe commissaris van de Koning de heer Wouter Kolff hierover denkt? Antwoord 6.1: Nee. Het nazorgplan waarnaar verwezen wordt is in 2014 beschikt. In 2012 was de ontwerpbeschikking ter inzage gelegd. Hierop kwamen zienswijzen. Deze zijn in de tussenliggende periode afgehandeld, waarna een risicobeoordeling was opgesteld, welke ook is beoordeeld door de Dienst Gezondheid en Jeugd (GGD) en vervolgens het nazorgplan is aangepast. Het aangepaste nazorgplan is in 2014 positief beschikt.

7. Uw folder “ Saneren en nazorg “ 26-08-2014 Vraag 7.1: Waarom heeft de GGD in 1999 het dossier gesloten als u leest wat er allemaal in de grond zat en/of zit? Antwoord 7.1: Dat de GGD het dossier in 1999 gesloten zou hebben is onjuist. Na de sanering van de bodem is er een periode van nazorg ingegaan waarbij de GGD betrokken is geweest en de GGD is betrokken geweest bij de inwonergespreken zoals bijvoorbeeld blijkt uit de notulen van de vergadering van 09-03-2009, een datum die ver na het door u genoemde jaartal ligt. Vraag 7.2: Verder op deze blz. 3 staat dat er niet op Het Havenhoofd is afgegraven. Kunt u dit uitleggen? Antwoord 7.2: Het Havenhoofd was niet bebouwd, daarom is de sanering daar anders uitgevoerd dan bij de Veerdam. Ter plaatse van het Havenhoofd is niet ontgraven, maar wel een leeflaag aangebracht, omdat dit deel reeds lager lag.

Vraag 7.3: Was het besef er toen deze folder geschreven en uitgedeeld werd dat de “nieuwe“ bewoners van Het Havenhoofd 1 t/m 22 die er al jaren wonen zich niet serieus meer genomen voelen? Omdat deze folder onverantwoord laat, pas 15 jaar na aankoop van de gifgrond, op hun deurmat viel? Antwoord 7.3: Op dit moment (10 jaar na uitgifte van de folder) is niet meer bekend of op dat moment bekend was dat bewoners van Havenhoofd 1-22 zich niet serieus genomen voelden. Wij hebben op dit moment geen stukken in ons archief waaruit blijkt of dit het geval is.

Vraag 7.4: Deze mensen hebben planten, bomen – die stuk voor stuk doodgaan – schuttingen, pergola's etc. in hun nieuwe tuin gegraven of laten graven zonder te beseffen dat ze zelf of de hovenier in gifgrond aan het graven zijn geweest. Daar hebben ook kinderen in die tuinen gespeeld. Wie draagt daar nu de verantwoording voor? Antwoord 7.4: Bij het Havenhoofd 1 t/m 22 is een leeflaag/deklaag in de tuinen aanwezig van tenminste 1 meter dikte. Er is bij de beschreven werkzaamheden geen sprake van graven in gifgrond,

aangezien de verontreinigde grond onder de leeflaag aanwezig is. De leeflaag is bedoeld om contact met de onderliggende verontreinigde grond te voorkomen. Veelal gaan planten niet dood door de chemische kwaliteit van de bodem, maar door de cultuurtechnische kwaliteit. De verantwoording voor het in stand houden van de leeflaag/deklaag ligt bij de bewoners zelf.

Vraag 7.5: Bent u bekend met Bioturbatie ? Antwoord 7.5: Ja. Vraag 7.6: Hoe kunt u de verantwoordelijkheid bij de bewoners van de gifgrond leggen als ze ongevraagd achteraf op vervuilde grond blijken te wonen? Antwoord 7.6: De oude bewoners waren bekend met de bodemkwaliteit, aangezien zij er woonden toen hun tuinen werden gesaneerd. De nieuwe bewoners hebben bij de koop van hun woning kennis kunnen nemen van de bodemkwaliteit en gebruiksbeperkingen van hun perceel.

Vraag 7.7: Hoe worden de mensen die deze folder gekregen hebben geacht normaal gebruik te maken van hun woning om niets te merken van de vervuiling van hun grond met gif? Antwoord 7.7: Bij normaal gebruik van de woning komen de bewoners niet in aanraking met de verontreinigde grond onder de leeflaag.

Vraag 7.8: Hoe kan men van de tuin eten als er gewassen geplant zijn, als u weet dat er Bioturbatie plaats vindt in de grond welke zelfs t/m het grondwater kan plaatsvinden? Antwoord 7.8: Bioturbatie wordt vooral veroorzaakt door mollen en wormen. Mollen leven tot maximaal 1 meter in de bodem. De meeste wormen leven ook in de bovengrond. Het grondwater bevindt zich op circa 2 tot 2,5 meter diepte. Ook uit het deklaagonderzoek (2010) dat circa 10 jaar na de sanering heeft plaatsgevonden blijkt geen hercontaminatie van de leeflaag dat gezondheidsrisico's kan hebben veroorzaakt.

Vraag 7.9: Een fruitboom zal zeker nog sneller al dat gif uit de grond in zich opnemen. Heeft u dat ook overwogen toen u het bovenstaande schreef aan uw inwoners? Antwoord 7.9: Over het algemeen zitten de meeste wortels van een fruitboom in de leeflaag. De dikte van een leeflaag is in het bodembeleid standaard 1 meter. Dit beleid houdt rekening met het gebruik van de leeflaag door mens en natuur, waaronder (fruit)bomen.

Vraag 7.10: Waren de kopers toen ze de grond van de gemeente kochten daar ook in gekend? Antwoord 7.10: Ja, kadastrale registratie van nazorg is ingevoerd in 2007 (met de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb)).

Vraag 7.11: Zijn dit alle bakken die er in de grond zitten? Antwoord 7.11: Zie biilage C1 voor de tekening met kyaniseerbakken.

Vraag 7.12: Zo ja, hoe verklaart u dat de aannemer op huisnummer 17 en 18 de heiinstallatie meerdere keren heeft moeten verplaatsen omdat deze niet door die bakken heen kon heien?

Antwoord 7.12: Ter plaatse van het Havenhoofd (1-22) zijn de bakken niet verwijderd, deze liggen hier onder de leeflaag.

Vraag 7.13: Waarom was de aannemer daarmee niet bekend? Antwoord 7.13: Het is ons niet bekend waarom de aannemer wel of niet bekend was met mogelijk aanwezige kyaniseerbakken in de ondergrond. Het was op basis van het saneringsverslag uit 1998 niet te verwachten.

Vraag 7.14: Beseft u dat door o.a. dit slordige werk de bewoners er totaal geen vertrouwen in hebben. Of zij ook op kyaniseerbakken wonen, en dus op een gifbelt leven? Antwoord 7.14: Het besef is er dat door het aantreffen van een kyaniseerbak op de locatie Veerdam 21a er zorgen zijn dat elders op de Veerdam ook kyaniseerbakken in de ondergrond aanwezig kunnen zijn. Dit resulteert niet in het leven op een gifbelt, aangezien de locatie is gesaneerd en het al dan niet aanwezig zijn van kyaniseerbakken in de ondergrond hier niets aan af doet.

Vraag 7.15: Graag krijgen we alle kyaniseerbakken met de exacte ligging van u in kaart. Antwoord 7.15: Zie bijlageC1 voor de kaart met kyaniseerbakken.

Vraag 7.16: Kunt u dat uitleggen? Antwoord 7.16: Door het ventileren kunnen geen gassen onder de woningen ophopen. Als dit gebeurt dan kunnen deze de kwaliteit van de binnenlucht in de woning beïnvloeden. Als in de kruipruimten door ventilatie voorkomen wordt dat gassen hier ophopen, dan is er ook geen risico voor de binnenlucht. Bij de Merwehoofd vindt nieuwbouw plaats en kan kruipruimteloos worden gebouwd, zodat zich in de kruipruimte geen gassen kunnen ophopen. De nieuwbouw moet dampdicht worden uitgevoerd. Dit is ook als voorschrift in de vergunning opgenomen. Dat de nieuwbouw dampdicht is, dient na de bouw met een binnenluchtonderzoek te worden aangetoond.

Vraag 7.17: Waarom staat Het Havenhoofd hier niet bij, immers hier liggen ook die kyaniseerbakken, zie uw folder. Antwoord 7.17: Dit staat wellicht niet zo duidelijk in de folder. Onder het kopje 'nieuwe woningen' staat bij 'in stand houden van de leeflaag: dat er onderscheid wordt gemaakt tussen kleinschalig, handmatig graafwerk t.b.v. regulier tuinonderhoud en substantiële graafwerkzaamheden die de dikte van de leeflaag aantasten. Die laatste categorie betekent dat hier wel ook rekening gehouden moet worden dat werkzaamheden mogelijk in verontreinigde grond worden uitgevoerd en dat een saneringsplan of BUS-melding (besluit uniforme sanering- melding) noodzakelijk is.

Vraag 7.18: Is dat ook gedaan voor het ingraven van de glasvezel? Antwoord 7.18: Uit het OZHZ-rapport vernemen we dat de lagen grond gescheiden gehouden moeten blijven als het gaat om de leeflaag en de vervuilde grond. De vervuilde grond dient verwijderd te worden en mag niet hergebruikt worden. Dus niet teruggelegd worden.

Vraag 7.19: Is dit gedaan bij het ingraven van de glasvezel? Antwoord 7.19: Ja, want glasvezel ligt niet dieper dan de leeflaag (1 m).

Vraag 7.20: Is dit gedaan bij het ingraven van de stroomkabels voor de trafo voor de Waterbus? Antwoord 7.20: Ja, want stroomkabels liggen niet dieper dan de leeflaag (1 m).

Vraag 7.21. Waaruit blijkt dit? Graag bewijs hiervan. Antwoord 7.21: In bijlage 9 is de diepte van de fundatie op 50 cm diepte (500-P) van de laadpaal voor de waterbus weergegeven.

Vraag 7.22. Hoe is het mogelijk dat bij het graven van de glasvezel en de trafo kabels er totaal geen beschermende maatregelingen zijn genomen, noch voor de werknemers en de omstanders noch voor de bewoners aldaar en spelende kinderen? Antwoord 7.22: Omdat de graafwerkzaamheden in de leeflaag hebben plaatsgevonden en niet in de verontreinigde grond onder de leeflaag.

Vraag 7.23. En dat een omwonende heeft moeten aandringen om alle grond die er lag voor werkzaamheden aan de glasvezel voor de nacht af te dekken. Kunt u dat uitleggen? Antwoord 7.23: Dit was niet nodig geweest, aangezien het om grond uit de leeflaag ging. Dit is ter geruststelling voor de bewoners gedaan.

8. Melding in het Kadaster door de OZHZ 12-10-2014 Vraag 8.1: Graag willen we bovengenoemde rapporten en onderzoeken ontvangen. Antwoord 8.1: Zie bijlage 10-1 t/m 10-7 en A6.

Vraag 8.2. Kunt u uitleggen waarom er geen controlerende monsters genomen zijn tijdens het saneren? Antwoord 8.2: Zie antwoord op uw vraag 3.22. Vraag 8.3: Staat u nog steeds achter wat er staat in de koopakte en wel met name CITAAT de betreffende gronden daarmee geschikt zijn voor de beoogde bestemming EINDE CITAAT ? Antwoord 8.3: Ja, door de sanering is de locatie geschikt voor de beoogde bestemming.

Vraag 8.4: Hoe is het met verwijzing naar bovenstaande mogelijk dat gelet op de wet bodembescherming uit 02-10-2014 de OZHZ zichzelf hier tegenspreekt? Antwoord 8.4: De eerste en het laatste citaat gaan over de Veerdam en Havenhoofd. De locatie is door de sanering met een leeflaag geschikt voor beoogde bestemming/ woningbouw. Onder de leeflaag is een restverontreiniging achtergebleven en is nazorg noodzakelijk (o.a. in stand houden leeflaag). Dit spreekt elkaar niet tegen.

De Eilandstraat valt buiten de nazorg- en saneringslocatie Veerdam/Havenhoofd. Ten zuidwesten is het voormalig Aviolatterrein/Fokkerterrein gelegen. Hier is de situatie anders. We kunnen niet plaatsen waar dit citaat vandaan komt of staat.

Vraag 8.5: Hoe heeft u in kunnen stemmen met bovengenoemde? Antwoord 8.5: Het is ons niet duidelijk uit welk rapport dit citaat (Rapport 14-06-2012) komt. Daarmee is deze vraag niet te beantwoorden

Vraag 8.6: Het gaat hier om 42 huizen, hoe kan de verspreiding van informatie over de bodemgesteldheid over worden gelaten aan een bewonerscomité? Antwoord 8.6: In reactie op een zienswijze (C in de beschikking van 2014) is aan de indiener voorgesteld (brief OZHZ 5 september 2012 met kenmerk 2012020800/CHK) om de beoordeling van de jaarlijkse nazorgmaatregelen ook te versturen naar het bewonerscomité.

Vraag 8.7: Is het u bekend dat de bewoners deze info. niet krijgen? Antwoord 8.7: Het Bewonerscomité zorgt voor verspreiding aan de bewoners. En 1 bewoner krijgt deze info apart.

Vraag 8.8: Wie draagt nu hier de eindverantwoordelijkheid over? Antwoord 8.8: Bevoegd gezag; de Provincie Zuid-Holland.

Vraag 8.9: Kunt u in vervolg niet beter zelf 42 kopieën maken en in de brievenbussen doen van deze mensen die op deze gifgrond woonachtig zijn? Bewoners hebben dit overigens al talloze malen verzocht maar hier is nooit gevolg aan gegeven. Antwoord 8.9: Dit is volgens ons niet aan het bevoegd gezag verzocht. Vraag 8.10: Toch is er gegraven zonder maatregelen te treffen voor glasvezeldraden en een trafo huis met al zijn kabels. Hier gaat u zelf tegen het advies van uw eigen OZHZ in. Kunt u dat uitleggen? Antwoord 8.10: Ook bij het graven voor glasvezel en trafo huis met kabels is de leeflaag hersteld. De werkzaamheden hebben niet geleid tot vermindering van de bodemkwaliteit in de contactzone (leeflaag). Vraag 8.11: Kunt u dit uitleggen? Antwoord 8.11: Bij de registratie van het saneringsplan is geen aantekening gekomen op alle percelen waarop dit saneringsplan betrekking had. De beperkingen voortvloeiend uit het nazorgplan zijn wel op alle percelen geregistreerd waarop dit betrekking heeft.

9. Extra Peilbuizen geplaatst 2022 Vraag 9.1: Kunt u beamen wat de heer Antwoord 9.1: Ja.

vertelde?

Vraag 9.2: Zo ja, wat zijn de uitkomsten van de metingen bij de peilbuizen en weet men nu waar het verhoogde arseen vandaan komt? Antwoord 9.2: Uit de resultaten van dit aanvullende grondwateronderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen, die een verklaring (bron/oorzaak) kunnen geven voor de hoge concentraties voor arseen in het grondwater in het gebied rondom PB2 (in de openbare weg Het Havenhoofd ter hoogte van nr 13 en 15). Er wordt geen directe relatie verwacht tussen de voormalige bedrijfsactiviteiten (houtverduurzaming met Wolmanzouten) en de arseenconcentraties in het grondwater. Het betreft een kern die zich bevindt bij PB 2. De concentraties buiten de kern lager zijn (en de afgelopen jaren (2018-2023) stabiel). De gemeten gehalten vormen geen risico voor de gezondheid van bewoners/gebruikers.

Vraag 9.3: Zo ja wat gaat u daartegen doen? Antwoord 9.3: De arseen-verontreiniging is nader onderzocht en gevolgd (2018-2022). Het onderzoek en de monitoring gaf geen aanleiding om verdere vervolgacties uit te voeren

Vraag 9.4: Graag ontvangen we de uitslag c.q. het rapport van het RIVM. Antwoord 9.4: In bijlage 10-6 en 10-7 staan rapporten over kwikchloride. Een rapport van het RIVM hierover vindt u in bijlage C2.

10. Beantwoording van de GGD op een bewonersbrief 16-06-2023 Vraag 10.1: Er wordt verhoogde arseen gemeten en de GGD weet dat er geen maatregelen komen. Kunt u dat uitleggen? Antwoord 10.1: Het gemeten arseen bevindt zich onder de aangebrachte leeflaag, wanneer de gebruiksbeperkingen worden gevolgd is er geen contact met arseenhoudend grondwater. In heel Nederland wordt in meer of mindere mate arseen aangetroffen in de bodem. Vraag 10.2: Er is een rapport over kwik(II)chloride en de GGD zwijgt in alle talen. Kunt u dat uitleggen? Antwoord 10.2: We willen u graag verwijzen naar het rapport KWIK IN MILIEU EN VOEDING IN NEDERLAND Evaluatierapport – 1993. Hierin wordt het voorkomen van kwik in de vrije natuur beschreven. Kwik(II)chloride bindt zich met name aan bodemdeeltjes en is moeilijker te peilen, kwik wordt vaker teruggevonden bij grondwaterbemonstering. Er is een redelijk consequente verhouding tussen beide stoffen waarbij kwik, dat makkelijker te detecteren is als maat- en richtinggevend wordt gezien.

Vraag 10.3: Waarom zijn de bewoners ter plekke hierin niet gekend? Antwoord 10.3: De bewoners zijn wel gekend in de vorderingen van de saneringen, zoals al eerder genoemd zijn er diverse gesprekken tussen Van der Vorm Bouw BV en bewoners geweest. We verwijzen graag naar de notulen van de bewonersbijeenkomst op 1 juli 2009 in bijlage C3.

Vraag 10.4: Kunt u dat uitleggen? Antwoord 10.4: Tijdens een gesprek met een voormalig wethouder en de OZHZ, is naar voren gekomen dat de DG&J de richtlijnen van het RIVM volgen.

Vraag 10.5: Kunt u laten zien dat er wel een onderzoek is geweest van bovengenoemde dienst? Antwoord 10.5: Zie de beantwoording van vraag 10.4.

11. Nazorgplan/ status van de OZHZ door de BK Ingenieurs 2023/2024, 1½ A4'tje Vraag 11.1: Is dit het nazorgplan wat men is gestart op 04-05-2012? Antwoord 11.1: Het nazorgplan is na 2012 aangepast en was op 25 september 2014 definitief gemaakt en dit plan is ook beschikt. De nazorg (onderdeel grondwatermonitoring) was al eerder gestart namelijk in 1999.

Vraag 11.2: Als te lezen is dat er volgens de IBC richtlijnen zeker de omgeving beschermd dient te worden tegen groter wordende vervuilingsschade en het zeker duidelijk is dat er bijvoorbeeld geen damwanden geslagen zijn, is er dan volgens u toch voldaan aan de IBCrichtlijnen? Antwoord 11.2: In dit geval wel, omdat vooraf verwacht werd dat een leeflaag en monitoring van het grondwater voldoende was en verder geen ingrijpende maatregelen zoals damwanden nodig waren. Dit is een IBC-variant. De benodigde saneringsmaatregelen worden over het algemeen per sanering vooraf afgewogen op basis van de verontreinigingssituatie, risico's en hydrologie van een gebied.

Vraag 11.3: In uw folder staat op blz., 6/7 enkele de tot dusver bekende kyaniseerbakken buiten de grens van de nazorglocatie. Hoe verklaart u dat dit binnen de IBCsaneringsnormen past? Antwoord 11.3: Het dijktracé ligt grotendeels over het voormalige terrein van Van Lingen en een klein deel over het voormalige terrein van Van Rossum. De buiten de sanerings- en nazorglocatie gelegen kyaniseerbakken liggen ter plaatse van de dijk. In die zin is hier dus ook een leeflaag aanwezig. Voor een dijklichaam gelden vanuit het waterschap namelijk ook gebruiksbeperkingen (in stand houden/ niet graven). Het is ter plaatse van de dijk in praktische zin niet mogelijk om nazorgmaatregelen (anders dan in stand houden van de dijk) te nemen, omdat de waterschapsverordening dit verbiedt in verband met de waterveiligheid (overstromingsgevaar door verzwakking dijk).

Vraag 11.4: Gebeurt dat sinds de sanering van 1996/1997 ook? Antwoord 11.4: Ja. De algemeen geldende regels ten aanzien van lozing van vrijkomend grondwater zorgen hiervoor.

Vraag 11.5: Is hier nu uit op te maken dat er ook op Het Havenhoofd is afgegraven? Antwoord 11.5: Uit dergelijke data kan dat niet worden opgemaakt. Dit is wel op te maken uit het saneringsverslag. Het voormalige terrein van Van Rossum en Van Lingen is geëgaliseerd, waarbij circa 250 ton grond is vrijgekomen en afgevoerd. Op het terrein en dus ook Het Havenhoofd is vervolgens een leeflaag aangebracht.

Vraag 11.6: Als uw antwoord ja is, waaruit blijkt dat? Antwoord 11.6: Het saneringsverslag (bijlage A4).

Vraag 11.7: Als uw antwoord nee is, waarom is dat dan niet door u gevraagd te veranderen in dit plan? Antwoord 11.7: Omdat de algemeen geldende regels ten aanzien van lozing van vrijkomend grondwater hiervoor zorgen.

Vraag 11.8: Zijn de gegevens van BK Ingenieurs B.V. dan wel betrouwbaar genoeg? Antwoord 11.8: Er is geen aanleiding om deze in twijfel te trekken.

Vraag 11.9: En is dit nazorgplan dan wel reëel te noemen als de gegevens niet kloppen waarvan ze uitgegaan zijn? Antwoord 11.9: Volgens ons kloppen de gegevens en is het nazorgplan wel reëel. Dit is ook in de periode van de ontwerpbeschikking en definitieve beschikking beoordeeld.

Vraag 11.10: Graag krijgen we het genoemde nazorgplan van 2014 (1) en (2) Brief OZHZ, 24 april 2023 met zaaknummer Z-23-424536, kenmerk D-23-2341495. Antwoord 11.10: Deze zijn bijgevoegd in bijlage A6 en 11.

Vraag 11.11: Gaat u stoppen met de nazorg? Antwoord 11.11: Ja hiermee is ingestemd in de brief van 30 oktober 2024 met kenmerk D-242471426, zie bijlage 12.

Vraag 11.12: Zo Ja, kunt u de rapporten laten zien waaruit blijkt dat er geen reden meer is om te blijven monitoren? Ondanks CITAAT De nazorg bestaat uit twee onderdelen: (…) het jaarlijks monitoren van de grondwaterkwaliteit. EINDE CITAAT Antwoord 11.12: Dit rapport is bijgevoegd in bijlage 8.

Vraag 11.13: Mogen de bewoners zich nu vrij voelen om de grond te gebruiken zonder dat ze zich aan de richtlijnen uit uw folder meer hoeven te houden? Antwoord 11.13: Nee, de gebruiksbeperkingen blijven van kracht.

Vraag 11.14: Kunnen nu de aantekeningen in het kadaster weggehaald worden omdat er nu niets meer in de gaten gehouden hoeft te worden? Antwoord 11.14: Nee, de gebruiksbeperkingen blijven van kracht en moeten daarom in het kadaster blijven staan.

Vraag 11.15: Sinds wanneer wordt er op de locatie Merwehoofd aardwarmte toegepast? Antwoord 11.15: Indien dit de woontoren betreft aan het Bolwerk, dan is deze woontoren nog niet gerealiseerd en het bodemenergiesysteem nog niet in werking. Het open bodemenergiesysteem aan de Aviolandaplein is sinds 2012 in gebruik.

Vraag 11.16: Kunt u uitleggen waarom de bewoners van de Veerdam geventileerde kruipruimtes hebben om ophoping van ongewenste gassen te voorkomen? Antwoord 11.16: Zie antwoord op vraag 7.16. Vraag 11.17: Uit wat blijkt dat het winnen van deze aardwarmte op deze locatie niet schadelijk is voor de omgeving? Antwoord 11.17: Bij gebruik van aardwarmte komt men niet in contact met de bodemvervuiling. Het opgepompte grondwater uit een systeem wordt ook weer teruggepompt de bodem in. Enkel de warmte wordt uit het water gewonnen.

Vraag 11.18: Kunnen nu deze bewoners zonder zich zorgen behoeven te maken over de bodemvervuiling gebruik gaan maken van de aardwarmte als beschreven in de energietransitie wat ze inmiddels mondeling is verzekerd door de heer

van de OZHZ?

Antwoord 11.18: Zie antwoord op vraag 11.17.

Vraag 11.19: Er zijn dus zeker nog 4 peilbuizen waar zorgelijke gegevens te zien zijn. Door ze apart te zien en dus niet meer te beschouwen als waren ze onderdeel van een totale bodemverontreiniging wil men maar doen of ze er niet meer zijn. Dus niet meer in de gaten houden. Vindt u dit geen zorgelijke “oplossing”? Antwoord 11.19: Het komt vaker voor dat in de ondergrond onbekende verontreinigingen aanwezig zijn. Als deze geen risico's vormt voor mens, natuur of het watersysteem dan worden hiervoor over het algemeen geen acties ondernomen. Het enkel in de gaten houden zonder reden of doel wordt niet zinvol geacht. Dit is in deze afweging meegenomen.

Vraag 11.20: Hoe zit het met die peilbuizen waar men de locatie niet meer van weet? Antwoord 11.20: Zie antwoord op vraag 3.24.

Vraag 11.21: Graag krijgen we genoemde brief waaruit blijkt dat de OZHZ bovenstaande toestemming gegeven heeft en de beweegredenen c.q. motivatie hiervoor. Antwoord 11.21: Zie bijlage 13.

Vraag 11.22: Op welke gronden heeft u zelf toestemming gegeven om die peilbuizen nu buiten de nazorg te houden? Immers u bent en blijft de baas over de maatregelen die u voert in uw eigen gemeente. Antwoord 11.22: De opdrachtgever voor de uitvoer van de nazorg is de provincie Zuid-Holland. Bevoegd gezag voor het beoordelen van de nazorg is ook de provincie Zuid-Holland. De provincie heeft beide taken gedelegeerd naar de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Vraag 11.23: Kunt u het volgende uitleggen? Rond oktober 2022 werden in en rond de huizen van Het Havenhoofd 1 t/m 22 een groot aantal nieuwe peilbuizen geplaatst. Met als doel het verhoogde arseengehalte te volgen. Ook omdat de bron daarvan niet bij de OZHZ bekend is. Antwoord 11.23: Deze peilbuizen om de arseenverontreiniging nader te onderzoeken.

Vraag 11.24: Hoe kan het dat dit nu ineens niet meer zorgelijk is? Antwoord 11.24: De zorg is weggenomen door de resultaten van dat onderzoek.

Vraag 11.25: Hoe kan het dat de concentraties kwik(II)chloride zich in dezelfde range bevinden als de afgelopen jaren en er zich geen verontrustende ontwikkelingen meer zouden voordoen? Antwoord 11.25: Dit kan als de voormalige bedrijfsactiviteiten er niet meer zijn en de verontreiniging vanuit de ondergrond in beperkte mate na levert aan het grondwater. Als de situatie in de loop der jaren weinig veranderd, dan zijn er voor de lange termijn ook geen zorgelijke ontwikkelingen te verwachten. De jarenlange monitoring van het grondwater had als doel om dit aan te tonen (stabiele eindsituatie).

Vraag 11.26: Kunt u de bewoners uitleggen hoe het kan dat onderstaande genoemde stoffen nu niet meer gevaarlijk zijn om op te leven? Kunt u het rapport hierover laten zien waaruit dat blijkt?

1. Kwik(II)chloride 2. Arseen 3. Koper 4. Lood 5. Zink 6. Nikkel 7. PAK 8. Chroom 9. Cadmium 10. Minerale Olie 11. Parameters zijn niet bekend, in grasvelden zijn verontreinigingen aangetoond 12. Perchloorethyleen 13. Vluchtige Organochloorverbindingen 14. Trichlooretheen 15. Zware metalen 16. VOCI 17. Carbolineum

18. Slakken Antwoord 11.26: Dit zijn onder andere de rapporten van BK Ingenieurs B.V. Nazorgstatusrapport 2022 Veerdam - Het Havenhoofd te Papendrecht, het briefrapport van Tritium 2012-12-04 Hg2CL, .2010-07-02 def rapport binnenluchtmetingen UDM.pdf Dit zijn de rapportages die uitsluitsel geven over deze vraag. Elke stof kan een gevaar opleveren, het is de combinatie stof en blootstelling en concentratie die het gevaar bepaalt. In dit geval zijn er stoffen aanwezig in het milieu die schadelijk zouden kunnen zijn wanneer ze in voldoende hoge concentraties aanwezig zouden zijn. Dit is niet het geval. Door het afdekken met een leeflaag is het contact met de genoemde stoffen niet mogelijk wanneer de gebruiksbeperkingen worden nageleefd.

Vraag 11.27: De bewoners hebben op 04-05-2012 mee mogen doen door middel van het indienen van een zienswijze op het zorgplan dat in 2023/2024 uitgekomen is. Waarin vervolgens het advies stond dat men kan stoppen met o.a. het monitoren van de peilbuizen. En de grond te bekijken op veranderingen. Terwijl de bewoners die op de gifgrond wonen en gezien bovenstaande CITATEN zich ernstig afvragen hoe nu ineens alles onder controle lijkt te zijn? Antwoord 11.27: Zie ook de antwoorden op uw vragen 3.1 t/m 3.38. In 2012 is een nazorgplan ingediend. Dit plan en de ontwerpbeschikking is van 10 mei tot 28 juni 2012 ter inzage gelegd. Hierop zijn door bewoners zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen is onderzoek naar de verschijningsvormen van kwik en een risicobeoordeling uitgevoerd. Vervolgens is op 1 oktober het nazorgplan van 2014 beschikt. De nazorg waaronder een grondwatermonitoring is uitgevoerd van 1999 tot 2024. Uit het laatste rapport, het nazorgrapport van 2023/2024, blijkt dat de actieve nazorg (monitoring van het grondwater en actieve inspectie leeflaag) kan worden beëindigd. In de brief van OZHZ van 30 oktober 2024 met kenmerk D-242471426 is hiermee ingestemd. De brief is in bijlage 14 toegevoegd. Het is derhalve niet zo dat het 'nu ineens alles onder controle lijkt'. Dit is gebaseerd op jarenlange uitvoer van actieve nazorg (monitoring).

Vraag 11.28: Hoe kan bijv. nu de kwik(II)chloride niet meer in zo'n ernstige mate aanwezig zijn, terwijl dit geen vluchtige stof is? Antwoord 11.28: De mate van verontreiniging is nog steeds ernstig. De stof is nog steeds aanwezig in de ondergrond en in het grondwater. Omdat de ondergrond nog steeds verontreinigd is, gelden er gebruiksbeperkingen voor de locatie. Met het naleven van de gebruiksbeperkingen wordt contact met de verontreiniging vermeden, en daarmee ook de gezondheidsrisico's.

Vraag 11.29: Kunt u ons uitleggen hoe het kan dat het in verslagen en/of rapporten – zelfs in die van uw eigen OZHZ – niet over kwik(II)chloride gaat maar over kwik? Antwoord 11.29: Kwik(II)chloride is op de locatie in het verleden bedrijfsmatig in een oplossing gebruikt. De bodem is hierdoor verontreinigd geraakt met kwikverbindingen. Daarom wordt de bodem en grondwater geanalyseerd op kwik-totaal en wordt verder ook in de verslagen en rapporten en brieven gesproken over kwik. Vraag 11.30: Zijn de rapporten en bevindingen waar u mee werkt eigenlijk wel betrouwbaar? Antwoord 11.30: Ja, deze vraag is ook gesteld tijdens de beschikkingsprocedure van het nazorgplan 2012-2014. Hiertoe zijn de rapporten in bijlage 10-5 (memo verschijningsvormen kwik van RHDHV),

10-6 (risicobeoordeling van Trititum) en 10-7 (beoordeling van DGJ/GGD) opgesteld. Zie ook zienswijze nummer A2 in de beschikking van 2014 in bijlage A5.

Vraag 11.31: Als u besluit of al besloten heeft te stoppen met het Nazorgplan: heeft uw besluit te maken met het volgende citaat? Pagina 14/27 rapport OZHZ CITAAT Wanneer een actieve beheersing noodzakelijk is, zal door de verantwoordelijke een overzicht van de financiële middelen ter dekking van de nazorgkosten worden uitgewerkt en aan de betrokkenen worden voorgelegd. EINDE CITAAT Antwoord 11.31: Nee, er is tijdens de actieve nazorgfase geen actieve beheersing noodzakelijk gebleken. Daarnaast heeft dit ook geen invloed op het besluit om te stoppen met de actieve nazorg.

Tot slot Wij gaan ervan uit de vragen hiermee afdoende te hebben beantwoord.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris,

de burgemeester,

J.M. Ansems

M.J.M. van Driel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1038/documents/14815