D07. 20230420 RIB Uitspraak Rechtbank inzake rentebeschikking Van Herwijnen Beheer BV.pdf
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad
datum
20-4-2023
behandeld door
NJW Visser
ons kenmerk
2023-0051911
doorkiesnummer Onderwerp
7706232 Uitspraak Rechtbank inzake rentebeschikking Van Herwijnen Beheer BV
Geachte mevrouw, heer,
Onlangs hebben wij u bericht dat de rechtbank Rotterdam op 30 maart 2023 het beroep van Van Herwijnen Beheer BV in de bestuursrechtelijke zaak gegrond heeft verklaard. Dit beroep was ingediend tegen de beschikking, waarin het rentebedrag is vastgesteld dat betaald had moeten worden over de toegewezen planschadevergoeding. Het gevolg van deze bestuursrechtelijke uitspraak is dat de gemeente een bedrag van ruim € 700.000,- aan Van Herwijnen Beheer BV terug zou moeten betalen. De uitspraak is als bijlage toegevoegd. Wij hadden u juist in mei 2021 nog bericht dat de civiele rechter had geoordeeld dat het eerder betaalde hogere rentebedrag onverschuldigd was betaald aan het bedrijf, welk bedrag we ook terug hebben gevorderd en gekregen van het bedrijf. In deze civiele rechtszaak loopt momenteel een hoger beroep. De uitspraak daarin wordt in de loop van 2023 verwacht. Het college heeft besloten tegen de bestuursrechtelijke uitspraak van 30 maart 2023 in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt schorsing gevraagd van de uitvoering van de uitspraak om te voorkomen dat het bedrag direct terugbetaald moet worden.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,
J.M. Ansems
M.J.M. van Driel
de Rechtspraak Rechtbank Rotterdam ¢[ ]AANTEKENEN[ ]PER POST[ ]EMAIL
Mevrouw mr. D.S.P. Roelands-Fransen Postbus 11756 2502 AT 's-Gravenhage
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht
bezoekadres Wilhelminaplein 100/125 correspondentieadres Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam datum onderdeel contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk uwkenmerk
30 maart 2023 bestuur 1 mevr H. El Fakiri 088-3 626000 zaaknummer ROT 22 / 522 WET WIO 1 DF/FM/10044275
bijlage(n) onderwerp
het beroep van van Herwijnen Beheer B. V. te Kerkdriel
t 088-36 26000 Voor veilig e-mailen kijk op: www.rechtspraak.nl/contact/rdam www.rechtspraak.nl
Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.
Geachte mevrouw, Over het beroep met zaaknummer ROT 22 / 522 WET WIO 1 deel ik u het volgende mee. De rechtbank heeft uitspraak gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak. Indien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECU-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. In uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op y.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. Als u naar aanleiding van deze briefvragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. Als u de rechtbank belt of schrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend,
de griffier
BE022
Uw persoonsgegevens en indien van toepassing die van uw cliënt worden, voor zover nodig, voor een goede procesvoering verwerkt in de registratiesystemen van de Rechtspraak.
uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/522
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2023 in de zaak tussen Van Herwijnen Beheer B.V., gevestigd in Kerkdriel, eiseres, gemachtigden: mr. R. Bassie en mr. M.N.A. Littooij, en
het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht, verweerder, gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.
Inleiding 1.1. Bij besluit van 6 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres te betalen wettelijke rente vastgesteld op€ 257.899,35, berekend over het tijdvak van 23 maart 2011 tot 16 februari 2019. 1.2. Bij besluit van 21 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarop met een verweerschrift gereageerd. Eiseres heeft op 6 februari 2023 haar beroep aangevuld. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2023. Namens eiseres zijn verschenen: M. van Herwijnen en H. de Jong, bijgestaan door de gemachtigden van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen: N.J. W. Visser, mr. D. van Leerstun en G. Capelle, bijgestaan door de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiseres heeft op 9 juni 2004 een perceel met opstallen in Papendrecht in eigendom verkregen. Zij heeft planschade geleden in de vorm van waardedaling van deze onroerende zaak, nadat op 8 oktober 2008 het bestemmingsplan "Aan de Noord" in werking is getreden. Eiseres heeft op 23 maart 2011 verweerder verzocht deze planschade te vergoeden. 2.1. Bij uitspraak van 30 september 2016 heeft deze rechtbank, met vernietiging van verweerders besluit op bezwaar, het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en met herroeping van verweerders primaire besluit aan eiseres een tegemoetkoming in planschade toegekend van€ 1.145.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 6 februari 2019 bevestigd.
zaaknummer: ROT 22/522
2
2.2. Verweerder heeft een berekening gemaakt van het te betalen bedrag aan wettelijke rente. Na instemming van eiseres met deze berekening, heeft verweerder op 15 februari 2019 aan eiseres een totaalbedrag (inclusief kosten) voldaan van €2.122.660,80, waarvan een bedrag van E 975.304,28 aan wettelijke rente. 2.3. In juni 2020 heeft verweerder geconstateerd dat de uitbetaalde wettelijke rente ten onrechte is gebaseerd op de wettelijke handelsrente van artikel 6: 119a van het Burgerlijk Wetboek (BW), in plaats van de wettelijke rente van artikel 6: 119 van het BW. Verweerder heeft berekend dat een bedrag van E 257.899,35 als wettelijke rente voldaan had moeten worden aan eiseres en heeft aan eiseres terugbetaling verzocht van een bedrag van E 71 7.404, 93 aan te veel uitbetaalde rente. 2.4. Bij vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2021 is eiseres (onder meer) veroordeeld aan verweerder een bedrag van E 717.404,93 te voldoen wegens onverschuldigde betaling, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6: 119 van het BW met ingang van 15 februari 2019 tot de dag van volledige betaling. In dit vonnis is overwogen dat niet is gebleken dat verweerder de verschuldigde wettelijke rente heeft vastgesteld bij een beschikking, zoals bepaald in artikel 4:99 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.
Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van artikel 4:99 van de Awb de wettelijke rente, behorend bij de vergoeding van planschade, over het tijdvak 23 maart 2011 tot 16 februari 2019 vastgesteld op een bedrag van E 257.899,35. Omdat aan de betaling op 15 februari 2019 geen beschikking als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb ten grondslag ligt, stelt verweerder bij het primaire besluit het bedrag aan wettelijke rente vast. 4. Na heroverweging in bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder is afgeweken van het advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften van de gemeente Papendrecht (het advies), in die zin dat hij voorbijgaat aan de overweging over de bevoegdheid terug te komen van een eerder genomen besluit, omdat een besluit als bedoeld in artikel 4:99 van de Awb niet eerder is genomen. Voor het overige volgt verweerder het advies. Bij het primaire besluit is het rentebedrag lager vastgesteld dan het aanvankelijk betaalde bedrag, omdat de berekening op een onjuist tarief was gebaseerd. Het terugkomen van het onjuist berekende bedrag aan wettelijke rente is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat (nog) geen rechtens onaantastbaar besluit was genomen. Eiseres is door een professionele rechtsbijstandsverlener bijgestaan en had dus kunnen weten dat het bedrag te hoog was.
Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden, omdat de correspondentie over de hoogte van het bedrag geen bestuursrechtelijke toezegging is en eiseres zich ervan had kunnen dan wel moeten vergewissen of het juiste rentepercentage was gehanteerd. Tot slot is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft niet gemotiveerd welke nadelige gevolgen het bestreden besluit voor haar heeft. Het belang van een zorgvuldige besteding van gemeenschapsgeld gaat voor het belang van eiseres. Daarbij staat in deze procedure niet de terugvordering van het te veel betaalde rentebedrag centraal, maar de vaststelling van de hoogte van de wettelijke rente.
Beoordeling door de rechtbank 5.
De rechtbank oordeelt als volgt.
zaaknummer: ROT 22/522
3
5. I. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder met de berekening van de wettelijke rente op grond van artikel 6: 119a van het BW het onjuiste tarief heeft gehanteerd. De vergoeding van planschade en de daarbij behorende wettelijke rente vloeit immers niet voort uit een handelsovereenkomst naar burgerlijk recht, maar uit een publiekrechtelijke rechtsbetrekking. Daarom is evenmin in geschil dat artikel 6: 119 van het BW van toepassing is voor de berekening van de wettelijke rente. In geschil is de vraag of verweerder kon terugkomen van de grondslag van de berekening van de wettelijke rente. Voordat de rechtbank die vraag kan beantwoorden, dient eerst de vraag beantwoord te worden of aan de betaling een besluit ten grondslag heeft gelegen.
Heeft aan de betaling een besluit ten grondslag gelegen? 5.2. Eiseres betoogt dat aan de betaling een besluit vooraf is gegaan. Primair stelt eiseres dat vermelding van de vaststelling van de wettelijke rente een besluit is, omdat dit op de besluitenlijst van het college is opgenomen. Subsidiair stelt eiseres dat de e-mail van 12 februari 2019 van verweerder met de berekening van de wettelijke rente een besluit is. 5.2. l. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de vermelding op de besluitenlijst van het college niet kan worden afgeleid dat sprake is van een besluit tot vaststelling van de wettelijke rente. Dat blijkt ook uit het feit dat daar geen renteberekening bij is gevoegd. Het collegebesluit ziet op het overgaan tot betaling. Een rentebeschikking behoort de berekening te bevatten, dus die is niet eerder dan bij het primaire besluit genomen. 5.2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat aan de betaling op I 5 februari 2019 een besluit tot vaststelling van de wettelijke rente ten grondslag heeft gelegen. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag. 5.2.3. Op grond van artikel 4:99 van de Awb stelt het bestuursorgaan het bedrag aan wettelijke rente vast bij beschikking. Een beschikking is, op grond van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van een afwijzing van een aanvraag daarvan.
Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 4:99 van de Awb dient de beschikking de berekening van het bedrag te bevatten. Het rentebedrag wordt bij beschikking vastgesteld voordat tot betaling van de geldsom en de wettelijke rente wordt overgegaan. Dat betekent dat voorafgaand aan de betaling een besluit moet zijn genomen. 5 .2.4. Met de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, waarbij de uitspraak van deze rechtbank is bevestigd, staat in rechte vast dat verweerder planschade dient te vergoeden aan eiseres. De rechtbank heeft, na gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit op bezwaar, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het primaire besluit. De civiele rechter heeft in haar vonnis van 12 mei 2021 aan de bestuursrechter ruimte geboden voor nader onderzoek en een nadere beoordeling, door te overwegen dat het bestaan van een besluit over de te betalen rente dat te kwalificeren is als een beschikking in de zin van artikel 4:99 van de Awb, is gesteld noch gebleken. 5.2.5.
In de onderhavige procedure heeft eiseres, in aanvulling op de stukken die zijn overgelegd aan de civiele rechter, een aantal door middel van een procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur alsnog verkregen documenten overgelegd, te weten het aan verweerder voorgelegde ontwerpbesluit van 13 februari 2019 en de besluitenlijst van verweerder van 19 februari 2019. Aan verweerder is het ontwerpbesluit voorgelegd: "De
zaaknummer: ROT 22/522
4
proceskosten en de planschadevergoeding verhoogd met de wettelijke rente voor handelstransacties op 15 februari 2019 aan Van Herwijnen Beheer B. V. uitbetalen". In de toelichting bij het ontwerpbesluit is het volgende opgenomen:
"Voorstel De proceskosten en de planschadevergoeding verhoogd met de wettelijke rente voor handelstransacties op 15 februari 2019 aan Van Herwijnen Beheer B. V uitbetalen. Inleiding Op 6 februari 2019 heeft de Afdeling uitspraak gedaan met betrekking tot het planschadeverzoek van Herwijnen Beheer B.W.. De gemeente dient de proceskosten (€ 2.356,52) en een planschadevergoeding van€ 1.145.000,- vermeerderd met de wettelijke rente (handelstransacties) aan het bedrijf te betalen. Na dé uitspraak heeft de gemeente ter vaststelling van de totaal te betalen vergoeding contact opgenomen met de vertegenwoordigers van Van Herwijnen Beheer B... Het bedrag van de wettelijke rente (de laatste jaren circa 8%) is berekend vanaf maart 2011 en komt uit op € 975.304,28. De totale vergoeding komt hierdoor uit op€ 2.122.660,80 (= € 1.145.000 + € 975.304,28 + €2.356,52) Beoogd effect Overgaan tot betaling van de proceskosten en de planschadevergoeding verhoogd met de wettelijke rente. Argumenten 1. 1. Opvolging uitspraak Raad van State Door te betalen word gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1.2. Afspraken met Van Herwijnen Beheer B. V Met Van Herwijnen Beheer B. V is afgesproken dat de proceskosten en het planschadebedrag verhoogd met wettelijke rente (totaal bedrag van € 2.122.660,80) 0p 15 februari 2019 wordt uitbetaald.
Financiën In lijn met het gemeentelijk beleid zal de raad worden voorgesteld deze planschadevergoeding te dekken uit de Algemene reserve. Hiervoor wordt een separaat voorstel aan uw college aangeboden. Uitvoering Ter uitvoering van dit collegebesluit zal de burgemeester de betaalopdracht voor akkoord tekenen, zodat op 15 februari 2019 het bedrag kan worden uitbetaald. Bijlage overzicht opbouw wettelijke rente." In de besluitenlijst van 19 februari 2019 is opgenomen: 2.7.1 Afwikkeling planschadevergoeding Van Herwijnen Beheer B. V
Besluit 1. De raad informeren over de afwikkeling van de planschadevergoeding Van Herwijnen Beheer B. V met bijgevoegde raadsinformatiebrief. 2. De raad voorstellen de planschadevergoeding te dekken uit de Algemene reserve 2. 9 Uitbetaling planschadevergoeding Van Herwijnen Beheer B. V Besluit De proceskosten en de planschadevergoeding verhoogd met de wettelijke rente voor handelstransacties op 15 februari 2019 aan Van Herwijnen Beheer B. V uitbetalen" 5 .2.6. De rechtbank stelt vast dat, zoals blijkt uit een e-mail van 2 maart 2022 van de bestuurssecretaris van verweerder, verweerder akkoord is gegaan met het ontwerpbesluit door parafering door de vier wethouders op 13 februari 2019 en de burgemeester op 14
zaaknummer: ROT 22/522
5
februari 2019, gevolgd door de gemeentesecretaris op 18 februari 2019. Tijdens dé wekelijkse collegevergadering van 19 februari 2019 is het door middel van de parafenprocedure genomen besluit bekrachtigd. In dit besluit is de wettelijke rente vastgesteld op € 975.304,28. De rechtbank ziet geen grond voor het standpunt dat dit besluit alleen gaat over de vraag uit welke financiële middelen van de gemeente dit bedrag wordt voldaan. Het besluit behelst volgens de besluitenlijst immers ook de vaststelling van de hoogte van de wettelijke rente door het college van burgemeester en wethouders. Het besluit is daarmee afkomstig van een (bevoegd) bestuursorgaan, genomen op een verzoek van eiseres - namelijk tot vergoeding van planschade- en houdt een publiekrechtelijke rechtshandeling in. Gelet op dit alles wordt voldaan aan de criteria van een besluit van artikel 1 :3 van de Awb. Dat het besluit niet aan eiseres is bekend gemaakt, doet daar niet aan af. Gebreken aan de bekendmaking of inwerkingtreding ontnemen immers niet het besluitkarakter aan een besluit. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder bij het nemen van het besluit kennelijk onder tijdsdruk heeft gehandeld. In het ontwerpbesluit is opgenomen: "fatale termijn: 13 februari 2019 ivm tijdige betaling".
Verweerder heeft kennelijk alles in het werk gesteld om te voorkomen dat het bedrag aan wettelijke rente zou oplopen. Eiseres heeft in de feitelijke betaling de bevestiging gezien en mogen zien dat het besluit is genomen en heeft- vóór de onderhavige procedure- geen aanleiding hoeven zien. alsnog om toezending daarvan te verzoeken. 5.2.7.
De beroepsgrond slaagt.
Mocht verweerder terugkomen van het besluit? 5.3. Omdat aan de betaling van de wettelijke rente een besluit ten grondslag ligt, komt de rechtbank vervolgens toe aan de beroepsgrond van eiseres dat verweerder niet mocht terugkomen van dat besluit. Eiseres stelt dat het terugkomen van dat besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat zij erop mocht vertrouwen dat verweerder de wettelijke rente op juiste wijze had berekend. 5 .3 .1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verweerder op de hoogte van de wettelijke rente mocht terugkomen, omdat eiseres had kunnen weten dat sprake is van een onjuiste berekening. Het uitbetaalde bedrag is aanzienlijk hoger dan het bedrag wat aan eiseres had moeten worden voldaan. Bovendien is eiseres bijgestaan door een professionele partij. Eiseres heeft niet voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht. Het terugkomeri van het besluit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 5.3.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het terugkomen van het besluit tot vaststellen van de hoogte van de wettelijke rente in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag. 5.3.3. Een bestuursorgaan heeft de bevoegdheid een besluit tot toekenning van wettelijke rente in te trekken of te wijzigen, als achteraf blijkt dat deze tot een te hoog bedrag is toegekend.
Deze bevoegdheid wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het beginsel van rechtszekerheid. Aan die rechtszekerheid komt te meer betekenis toe als het besluit in rechte onaantastbaar is geworden na uitputting van alle rechtsmiddelen. Uit de door partijen genoemde uitspraak van de Afdeling blijkt dat de Afdeling bij haar afweging van de betrokken belangen betrekt hoeveel tijd is vei-streken, of in de eerdere
zaaknummer: ROT 22/522
6
procedure het bedrag aan de orde is geweest, de grootte van het verschil en of de betrokkene in de veronderstelling was dat het juiste tarief is gehanteerd. 1 5.3.4. Partijen hebben tot in hoogste instantie geprocedeerd over het verzoek van eiseres tot vergoeding van planschade, met als resultaat dat verweerder deze schade aan eiseres dient te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente. De hoogte van de te betalen wettelijke rente is tussen partijen aan de orde geweest in hun onderlinge emailcorrespondentie. De gemachtigde van verweerder heeft op 6 februari 2019 aan de gemachtigde van eiseres bericht dat verweerder op basis van de uitspraak van de Afdeling van die dag de wettelijke rente zal berekenen en een voorstel zal voorleggen, alvorens over te gaan tot het overmaken van het bedrag. De gemachtigde van eiseres heeft op 12 februari 2019 geantwoord dat verweerder al tot uitkering van de hoofdsom kan overgaan en dat de wettelijke rente dan kan worden betaald na akkoord van eiseres op het voorstel van verweerder. De gemachtigde van verweerder heeft op 12 februari 2019 gereageerd dat verweerder de wettelijke rente heeft berekend, met de berekening als bijlage. De gemachtigde van eiseres heeft dezelfde dag bericht akkoord te zijn met het voorstel van verweerder. 5 .3 .5.
Eiseres had redelijkerwijs kunnen en dus behoren te weten dat het bedrag aan wettelijke rente te hoog was. Niet alleen is het verschil tussen het bedrag aan wettelijke rente en wettelijke handelsrente aanzienlijk, ook wordt in de correspondentie meermaals benoemd dat het handelstarief is gehanteerd voor de berekening. Op basis van de wet en de toen geldende jurisprudentie had eiseres behoren te weten dat dit tarief onjuist is. Dit geldt te meer nu eiseres werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener en een adviseur gespecialiseerd in planschade. Omdat eiseres had kunnen weten dat het bedrag op een onjuiste wijze is berekend, had eiseres er rekening mee kunnen houden dat verweerder kon terugkomen van het besluit. 5 .3 .6. De rechtszekerheid kan evenwel met zich brengen dat eiseres geen rekening (meer) hoeft te houden met een beslissing van verweerder terug te komen van zijn besluit en dat verweerder van zijn bevoegdheid geen gebruik (meer) mag maken. Bij de beoordeling of dit het geval is, betrekt de rechtbank niet alleen het tijdsverloop tussen het besluit en de ontdekking door verweerder van de fout, maar ook de overige omstandigheden waaronder de onjuiste berekening tot stand is gekomen.
Ten aanzien van het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de datum van het besluit in februari 2019 en de ontdekking van de fout in juni 2020. Dit aanzienlijke tijdsverloop weegt zwaar, mede gelet op de omstandigheid dat het besluit zes weken na de betaling van het bedrag onherroepelijk is geworden. Ten aanzien van de overige omstandigheden overweegt de rechtbank dat voor het berekenen van de wettelijke rente geen voorstel of een akkoord van de wederpartij nodig is. Het bedrag van de wettelijke rente wordt vastgesteld op basis van een vast wettelijk tarief. Partijen zijn allebei bijgestaan door professionele rechtsbijstandsverleners met ruime ervaring in deze materie. Bovendien is in de berekening expliciet benoemd dat is gerekend met de wettelijke handelsrente. Ook in het voorstel aan de gemeenteraad tot dekking van de planschadevergoeding en de rente uit de algemene reserves is de term 'wettelijke rente (handelstransacties)' (cursivering van de rechtbank) gehanteerd. De gemeenteraad heeft dit niet opgemerkt en is akkoord gegaan met de financiële dekking van de uitbetaling van de wettelijke rente op basis van dit tarief. Hoewel hij daartoe niet gehouden was, heeft verweerder blijkens de overgelegde
1
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van I juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2053.
zaaknummer: ROT 22/522
7
e-mailcorrespondentie van februari 2019 er voor gekozen wel expliciet via zijn rechtsbijstandverlener een berekening aan eiseres voor te leggen en haar om instemming daarmee te vragen. Vervolgens heeft eiseres daarop met de voorgestelde berekening ingestemd. Ook dit weegt zwaar. Gelet op dit alles mocht verweerder bij afweging van alle
betrokken belangen in het primaire besluit niet terugkomen van het eerdere besluit tot vaststelling van de hoogte van de wettelijke rente. Het bestreden besluit, waarin verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, kan dan ook geen stand houden. 5.3.7. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt daarom aan beoordeling van de overige beroepsgronden niet meer toe. 6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8: 72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen omdat verweerder niet mocht terugkomen van het eerdere besluit. 7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ter hoogte van € 365,- vergoedt. 8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op ( I punt voor het indienen van het bezwaarschrift en I punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde van €597,- per punt, en I punt voor het indienen van het beroepschrift en I punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,-) bij wegingsfactor l. Toegekend wordt € 2.868,-.
zaaknummer: ROT 22/522
8
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond en herroept het primaire besluit; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,-aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van A.J. Mourik, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 maart 2023.
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
3 n HAN 2023
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
toara.a VOOAA GOPIE CONFORM De grirfer van de Rechtbank Rotterdam Sector Bestuursrecht