CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D04. 20250220 RIB CV Westeinde 32 windmolen ontwerp omgevingsvergunning met bijlagen.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 20 maart 2025, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken14.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aan de gemeenteraad van Papendrecht <<geadresseerde>>

datum 20 februari 2025 behandeld door A. Koppenaal ons kenmerk 2025-0010944 nummer 14 078 onderwerp 1Ontwerp 4omgevingsvergunning 0windmolen nabij 7Westeinde 32 8Wijngaarden

Geachte heer, mevrouw,

Met deze brief informeren wij u over de ontwerpprocedure voor het realiseren van een kleine windmolen ten behoeve van het agrarisch bedrijf aan Westeinde 32 te Wijngaarden. Hiervoor is een aanvraag omgevingsvergunning inclusief buitenplanse afwijking ingediend bij de gemeente Papendrecht. Wat houdt het initiatief precies in? Aan de Westeinde 32 is een agrarisch bedrijf gelegen. Het boerenerf wordt gescheiden door de Sliedrechtse Binnenvliet. Het woonhuis staat in de gemeente Molenlanden. De bedrijfsbebouwing staat op grondgebied van de gemeente Papendrecht op Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Papendrecht, sectie F, nummer 27. De initiatiefnemer heeft de wens om zelfvoorzienend te zijn. Het agrarisch bedrijf heeft hiervoor al een opbrengst uit de eigen zonnepanelen. De initiatiefnemer zou de mate van zelfvoorzienend zijn graag willen uitbreiden door het plaatsen van een kleine windmolen ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Door de toevoeging van deze kleine windmolen wordt het bedrijf grotendeels zelfvoorzienend in de energiebehoefte. De windmolen zal hierbij aan de achterzijde van het agrarisch bedrijf worden geplaatst en vanaf de weg nauwelijks te zien zijn. In de bijlagen zijn afbeeldingen toegevoegd ter illustratie (afbeelding 1 & 2). Daarnaast is ook een afbeelding toegevoegd van hoe een kleine agrarische windmolen er uit ziet (afbeelding 3).

Wat is de strijdigheid met de beheersverordening De initiatiefnemer wil op dit perceel een kleine windmolen realiseren. De windmolen heeft een ashoogte van 15 meter en een tiphoogte van 21,6 meter. Dit is in strijd met de beheersverordening. Ter plaatse is op grond van de planregels een windmolen toegestaan met een ashoogte van maximaal 12 meter. Voor de tiphoogte is geen maatvoering in de regels opgenomen. Om ter plaatse een kleine windmolen te kunnen realiseren, moet van de beheersverordening worden afgeweken. Dit kan door middel van een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij de aanvraag wordt gemotiveerd door middel van een ruimtelijke onderbouwing. Het college is hierbij voornemens om medewerking te verlenen aan dit plan.

Welke overwegingen zijn meegewogen in deze beslissing? locatie Het perceel van de aanvrager wordt gescheiden door de Sliedrechtse Binnenvliet. Het woonhuis staat in de gemeente Molenlanden. De bedrijfsbebouwing staat op grondgebied van de gemeente Papendrecht. Bij deze bedrijfsbebouwing is ook ruimte gereserveerd voor de windmolen. Deze zal worden geplaatst op voldoende afstand van woningen en openbaar toegankelijk gebied. De windmolen wordt gerealiseerd tussen bomen. Door het opnemen in deze landschapselementen, wordt de windmolen grotendeels aan het zicht onttrokken. Doordat het een kleine windmolen betreft is de constructie hiervoor beperkt. Hierdoor is deze niet dominant aanwezig in het landschap. Participatie Omwonenden zijn bij de totstandkoming van dit initiatief betrokken. Hierbij heeft een gesprek plaats gevonden over de locatie van de kleine windmolen. Tijdens dit gesprek is er toelichting gegeven op het ontwerp van de molen en de beoogde locatie van de kleine windmolen middels een plattegrond. Aan de omwonenden is gevraagd of ze bezwaar hebben tegen het plan en is er ruimte geboden om eventuele opmerkingen hierbij te plaatsen of suggesties te doen. De omwonenden waren allen positief over het plan en er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt.

Omgevingsvisie 2.0 en structuurvisie Binnen de 'Ontwerp Omgevingsvisie 2.0' wordt aangegeven dat de mogelijkheden om zonder behulp van fossiele brandstoffen energie op te wekken binnen onze eigen gemeente nog beperkt zijn. Om te voorkomen dat we niet kunnen meewerken aan duurzame initiatieven wil de gemeente daarom zo snel mogelijk maatregelen treffen om de capaciteit te vergroten. Voor windmolens wordt hierbij specifiek de volgende eis genoemd: 'Er komen geen windmolens in of nabij onze gemeente, met een as-hoogte, hoger dan 15 meter.' Het onderhavig initiatief voldoet hieraan. Op grond van artikel 2.27 van de wabo heeft uw raad categorieën van gevallen aangewezen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen achterwege kan blijven. Ontwikkelingen die passen binnen de structuurvisie vallen hieronder. Bij besluit van 31 mei 2022 heeft uw raad de structuurvisie vrijwel volledig ingetrokken en mag zij alleen nog gebruikt worden in het kader van de beoordeling van buitenplanse afwijkingen, zoals in voorliggend geval. Deze ontwikkeling past binnen de structuurvisie, omdat zij volledig ten dienste staat van het agrarische bedrijf en daarmee onderdeel is van het bedrijf. Duurzaamheid Initiatiefnemer beschikt al over zonnepanelen. De windmolen is een volgende stap in de ambitie van de aanvrager om te voorzien in de eigen energiebehoefte.

De energie die wordt opgewekt, is ten behoeve van eigen gebruik. Regionale Energiestrategie Drechtsteden (RES) In de Regionale Energiestrategie Drechtsteden wordt aangegeven dat er sprake was van veel terughoudendheid rond de inzet van winturbines. En dat we dit binnen en nabij de gemeente niet toe willen staan. Als college staan we hier nog steeds achter. In onderhavig plan is er echter geen sprake van een grote windturbine, maar van een kleinschalige windmolen ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Dit achten wij om de bovengenoemde redenen wel wenselijk. Procedure De ontwikkeling past binnen de ontwerp Omgevingsvisie 2.0 en structuurvisie. Gelet hierop is bindend adviesrecht niet van toepassing. Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning inclusief buitenplanse afwijking wordt voor zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zienswijzen naar voren brengen. De kennisgeving dat het ontwerp ter inzage wordt gelegd vindt plaats in de Klaroen, het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. In het geval zienswijzen worden ingediend, zullen deze ambtelijk worden gewogen en beantwoord in een zienswijzennota en wordt u geïnformeerd

over het wel of niet verlenen van de omgevingsvergunning, inclusief buitenplans afwijken. Bij geen zienswijzen zal de omgevingsvergunning onverlet worden verleend. Ingeval omgevingsvergunning wordt verleend, zal dit ook op de hierboven beschreven wijze worden bekend gemaakt. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,

J.M. Ansems, MSc

M.J.M van Driel

Bijlagen

Afbeelding 1: Impressie toekomstige situatie vanuit zuidelijke richting

Afbeelding 2: Impressie toekomstige situatie vanuit noordelijke richting

Afbeelding 3: Voorbeeld afbeelding van een kleine windmolen op agrarisch terrein

Plaatsing E.A.Z.-Windturbine Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van Westeinde 33 te Wijngaarden

E.A.Z. Wind 22 december 2023 16 december 2024 aanpassingen

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Plaatsing E.A.Z.-Windturbine E.A.Z. Wind

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van Westeinde 33 te Wijngaarden Concept 01 22 december 2023 135182/23-020.703

135182 J.A. Zoete MSc Drs. M.J. Schilt

E. Nijssen MSc R. de Jong MSc J.A. Zoete MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Catharijnesingel 33 Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

7

1.4

Planologische procedure

8

1.5

Leeswijzer

8

2

PLANBESCHRIJVING

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

10

3

BELEIDSKADER

13

3.1

Algemeen

13

3.2

Rijksbeleid

13

3.2.1 3.2.2 3.2.3

13 13 14

3.3

3.4

3.5

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisie Windenergie op land

Provinciaal beleid

14

3.3.1 3.3.2 3.3.3

14 17 17

Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Regionaal beleid

19

3.4.1

19

Regionale Energiestrategie Drechtsteden 1.0

Gemeentelijk beleid

19

3.5.1

Omgevingsvisie gemeente Papendrecht

19

4

OMGEVINGSEFFECTEN EN MILIEUEFFECTEN

20

4.1

Landschappelijke inpasbaarheid

20

4.2

Milieueffectrapportage

21

4.3

Verkeer en parkeren

21

4.4

Geluid

22

4.5

Luchtkwaliteit

23

4.6

Natuur

23

4.7

Waterhuishouding

27

4.8

Bodem

27

4.9

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

29

4.10

Cultuurhistorie en archeologie

29

4.11

Externe veiligheid

30

4.12

Bedrijven en milieuzonering

31

4.13

Kabels en leidingen

31

4.14

Slagschaduw

32

5

UITVOERBAARHEID

33

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

5.1.1 5.1.2 5.1.3

Instemming omwonenden Verklaring van geen bedenkingen Vooroverleg

33 33 34

5.1.4

Zienswijzen

34

Economische uitvoerbaarheid

34

Laatste pagina

34

5.2

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Akoestisch onderzoek

8

II

Digitale watertoets

10

III

QuickScan natuur

18

IV

Watervergunning

10

V

Slagschaduwrapport

7

VI

Stikstofberekening

8

VII

Toelichting bodem

3

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Melkveebedrijf de Groot, gelegen aan de Westeinde 33 te Wijngaarden, is voornemens één E.A.Z. 13.2 windturbine op het eigen terrein van het bedrijf te realiseren. De planlocatie is gelegen aan de zuidzijde van het woonadres op een ander perceel. De plaatsing van een kleine windturbine met een ashoogte van 15 m is strijdig met de bepalingen in de vigerende beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht 2021’ van de gemeente Papendrecht (vastgesteld op 1 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Papendrecht). De ontwikkeling kan planologisch mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan. Voorliggend rapport dient ter onderbouwing dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.1 lid c Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 3 Wabo). Afbeelding 1.1 toont een bovenaanzicht van het agrarisch bedrijf en de locatie van de te realiseren windturbine.

5 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 1.1 De firma de Groot, gelegen aan de Westeinde 33 te Wijngaarden (bron: eigen bewerking)

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Westeinde 33 te Wijngaarden. Het plangebied bevindt zich daarmee in de gemeente Papendracht, provincie Zuid-Holland. Ten zuiden van het plangebied ligt de plaats Sliedrecht. Afbeelding 1.2 toont de globale ligging van het plangebied.

Afbeelding 1.2 Globale ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Op het perceel is de beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht 2021’ (vastgesteld op 1 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Papendrecht) van kracht. Afbeelding 1.3 toont een uitsnede van de beheersverordening ter plaatse van het bedrijf met de locatie van de windturbine aangeduid door de rode locatiemarkering.

Afbeelding 1.3 Vigerende beheersverordening op en rondom het bedrijf (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De kleine windturbine wordt ontwikkeld op gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast is de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie’ van kracht ter plaatse van het plangebied. Enkelbestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3) De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij op open grond, met inachtneming van de kenmerkende openheid van het gebied. Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt dat op basis van artikel 3.2.6 één windturbine per agrarisch bedrijf is toegestaan, binnen het bouwvlak. De bouwhoogte van windturbines mag niet meer dan 12 m bedragen. Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ (artikel 36) De voor 'Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de aanwezige of te verwachten archeologische waarden conform de Beleidskaart archeologie. Een omgevingsvergunning is vereist bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm. De vergunningplicht geldt niet wanneer sprake is van een hoge archeologische verwachting en de oppervlakte van de ruimtelijke ingreep kleiner is dan 250 m 2. Overige ruimtelijke plannen Naast de vigerende beheersverordening is tevens een voorbereidingsbesluit vastgesteld binnen het plangebied.

7 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters (d.d. 8 november 2022) Dit voorbereidingsbesluit heeft betrekking op de plaatsing van hyperscale datacenters en is dus niet relevant voor de plaatsing van een kleine windturbine. Conclusie Een windturbine met een ashoogte van 15 m past niet binnen de planregels zoals opgenomen in de vigerende beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’. Op basis van artikel 3.2.6 is een windturbine enkel toegestaan wanneer deze binnen het bouwvlak wordt gebouwd. Op de planlocatie is geen bouwvlak aanwezig. Daarom is er een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan (beheersverordening) nodig, waarbij deze ruimtelijke onderbouwing de plaatsing van de kleine windturbine toetst aan het beleid en de relevante milieuthema’s. Het planvoornemen is niet in strijd met de regels horende bij de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.

1.4

Planologische procedure

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de vigerende planologische kaders van de beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’. De ontwikkeling kan planologisch mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan (in dit geval de beheersverordening). Voorliggend rapport dient ter onderbouwing dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.1 lid c Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 2 Wabo).

1.5

Leeswijzer

Dit hoofdstuk beschreef de aanleiding van het planvoornemen. Hoofdstuk 2 gaat in op de planbeschrijving. Hoofdstuk 3 vormt een beschrijving van het beleid van verschillende overheden en de geldende relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 is het laatste hoofdstuk en betreft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

8 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

2 PLANBESCHRIJVING 2.1

Huidige situatie

De huidige situatie betreft een melkveebedrijf met bijbehorende bedrijfswoning (gelegen op een perceel ten noorden van het plangebied). Tussen de bedrijfswoning en het plangebied ligt de waterloop van de Sliedrechtse Binnenvliet. De omgeving wordt gekarakteriseerd als landelijke omgeving met woningen in lintbebouwing en een karakteristiek waterlooppatroon. Het melkveebedrijf ligt op ongeveer 2 km van de plaats Sliedrecht en 1 km van de kern van Wijngaarden. Aan de noordzijde ligt de weg Westeinde, in oostelijke richting naar Wijngaarden leidt. Afbeelding 2.1 toont de lokale ligging van het plangebied. De beoogde locatie van de windturbine is aangegeven met de rode markering.

Afbeelding 2.1 Lokale ligging van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

9 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt er een kleine windturbine ten noorden van het erf geplaatst. De windturbine wordt geplaatst om in de energiebehoefte te voorzien. Het melkveebedrijf verbruikt gemiddeld circa 67.000 kWh/jaar. De berekende opwek van de kleine windturbine bij dit bedrijf en op deze locatie is 30.000 kWh/jaar. Het melkveebedrijf heeft al een opbrengst uit de eigen zonnepanelen van circa 20.000 kWh/jaar. Hiermee komt de totale duurzame energieopwek op 50.000 kWh/jaar uit en is het bedrijf grotendeels zelfvoorzienend in de energiebehoefte. Het rapport met de volledige onderbouwing van de energiebehoefte is opgenomen in bijlage I. Het type windturbine betreft E.A.Z. 13.2 welke wordt geleverd en geïnstalleerd door E.A.Z. Wind. Dit is een windturbine met een ashoogte van 15 m, een tiphoogte van 21,6 m, een rotordiameter van 13.2 m op een fundering van heipalen en een nominaal vermogen van 15 kW. In tabel 2.1 zijn de specificaties van de E.A.Z. 13.2 windturbine opgenomen. Op afbeelding 2.2 zijn technische tekeningen weergegeven. Afbeeldingen 2.3 en 2.4 geven een beeld van de toekomstige situatie.

Tabel 2.1 Specificaties E.A.Z. 13.2 windturbine Onderdeel

Specificatie

certificering

de E.A.Z. 13.2 windturbine is een doorontwikkeling van deze E.A.Z. 12 windturbine. De prototype certificering van de E.A.Z. 13.2 is in 2022 gerealiseerd. De definitieve versie van de certificering volgt eind 2023

rotor

-

13,2 m diameter, 137 m2 aan windvang rotor geoptimaliseerd voor meest voorkomende 3-7 m/s windsnelheden

vermogen

-

nominaal vermogen: 15 kW nominale windsnelheid: 7,8 m/s nominaal toerental: 80 rpm cut in/Cut out: 2.5 m/s 20 m/s

opbrengst

25.000 kWh - 50.000 kWh, afhankelijk van de locatie

geluidsniveau op 60 m

39 dB

generator

direct drive, dual-rotor, air core, synchronous generator

netaansluiting

-

3 fasen 3 x 25A

monitoring

-

3g LTE connectiviteit vlootbeheersysteem met mobiele app voor de klant voor inzicht in opwek en verbruik meting van: bewegingen en toerentallen van toren en turbine, vermogen, belasting en temperatuur van generator, temperatuur van elektrakast en uitlezen omvormergegevens stroomkwaliteit van zon en wind met voltage en capaciteit meting om vermogensregeling aan te sturen

-

mast

-

dikwandige buismast volgens het soft-soft werkingsprincipe hoogte afhankelijk van regelgeving, obstakels in omgeving en landschappelijke inpassing

fundering

-

heipaalfundering: stalen kruis op buispalen gevuld met beton voor zettingsgevoelige ondergronden

10 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 2.2 Technische tekening van de E.A.Z. 13.2 (bron: E.A.Z. Wind)

Afbeelding 2.2 Impressie toekomstige situatie vanuit zuidelijke richting

11 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 2.4 Impressie toekomstige situatie vanuit noordelijke richting

12 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

3 BELEIDSKADER 3.1

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft een beeld van nationaal, regionaal en lokaal ruimtelijk beleid dat relevant is voor het planvoornemen. Allereerst wordt het Rijksbeleid beschreven, gevolgd door het provinciaal beleid, regionaal beleid en het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In juni 2019 is de NOVI vastgesteld. Met de NOVI geeft de Rijksoverheid een langetermijnvisie op de ruimtelijke inrichting en de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt. Het uitgangspunt in de aanpak van de Omgevingswet is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Burgers worden beter betrokken en overheden trekken samen op. Zo moet er gekomen worden tot betere geïntegreerde keuzes. De NOVI geldt hiermee als het kader voor andere planinstrumenten. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is groot. Om hiermee om te gaan beschrijft de NOVI nationale belangen waarop de Rijksoverheid wil sturen en richting aan wil geven. Deze komen samen in vier prioriteiten: klimaatadaptatie en energietransitie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De NOVI legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid, zoals opgenomen in het NOVI onder energietransitie en duurzaam economisch groeipotentieel.

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de juridische implementatie van de kaderstellende uitspraken uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ten aanzien van de 13 daarin genoemde nationale belangen in ruimtelijke plannen. Het gaat om de volgende belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. Het Barro blijft ook onder de NOVI van kracht.

13 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de NOVI is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen wordt ingezet. Conclusie Het Barro legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Barro.

3.2.3

Structuurvisie Windenergie op land

De Structuurvisie Windenergie op land is een uitwerking van de SVIR. In deze uitwerking presenteert het kabinet een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grondgebied van Nederland (land en grote wateren, uitgezonderd de Noordzee). De doelstelling van dit plan is om zodanige voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van tenminste 6.000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. In zoverre de doelstelling niet tijdig wordt gerealiseerd, zal het restant van de opgave verdubbeld worden en meelopen in de Regionale Energie Strategieën. Deze verdubbeling zal gerealiseerd worden in de periode 2021 - 2023. Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. De Structuurvisie Windenergie op land blijft ook onder de NOVI van kracht. Conclusie De Structuurvisie Windenergie op land legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie Windenergie op land.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de omgevingsvisie en de omgevingsverordening. In de omgevingsvisie heeft de provincie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: - naar een klimaatbestendige delta; - naar een levendige meerkernige metropool; - naar een nieuwe economie: the next level; - energievernieuwing; - best bereikbare provincie; - gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie Zuid-Holland streeft naar een optimale wisselwerking tussen een goede leefomgevingskwaliteit en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: - het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven; - het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Windenergie De provincie biedt ruimtelijk mogelijkheden voor windenergie. Windenergie is naast overige vormen van duurzame energie noodzakelijk voor het bereiken van de provinciale doelstelling: in 2020 minimaal 9 % van de energieconsumptie in Zuid-Holland duurzaam opwekken.

De provincie heeft in de omgevingsverordening verschillende locaties voor windenergie juridisch vastgelegd. Naast moderne grote windturbines is er in de provincie Zuid-Holland ook ruimte voor kleinere windturbines.

14 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Windturbines met een ashoogte tot 15 m mogen binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied worden geplaatst en windturbines tot 45 m binnen bestaand stads- en dorpsgebied of binnen het glastuinbouwgebied, voor zover dat past bij de lokale situatie. De windturbine die met dit planvoornomen gerealiseerd wordt, heeft een ashoogte van 15 m. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsvisie is een kwaliteitskaart opgenomen. Deze kaart bevat de belangrijkste kenmerken (richtpunten) van een gebied, waar rekening mee gehouden dient te worden bij ruimtelijke plannen. De kwaliteitskaart is een middel om vroegtijdig in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. De richtpunten beschrijven hoe de provincie Zuid-Holland de kwaliteit van een gebied bij nieuwe ontwikkelingen wil behouden of versterken. Initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen dienen rekening te houden met richtpunten. Om de verschillende waarden en kenmerken van gebieden te benoemen en tot hun recht te laten komen, heeft de provincie gekozen voor een ordening van de kwaliteitskaart in vier lagen: 1 laag van de ondergrond; 2 laag van de cultuur- en natuurlandschappen; 3 laag van de stedelijke occupatie; 4 laag van de beleving.

Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn drie van lagen van de kwaliteitskaart van belang: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie. De worden hieronder toegelicht. Laag van de ondergrond De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘laag van de ondergrond’ aangemerkt als ‘rivierdeltacomplex rivierklei en veen’, zie afbeelding 3.1. Het richtpunt voor ontwikkelingen in een ‘rivierdeltacomplex - rivierklei en veen’ luidt als volgt: ‘Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar’.

Afbeelding 3.1 Uitsnede kwaliteitskaart, laag van de ondergrond

15 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Het planvoornemen vindt plaats op hele kleine schaal, achter bestaande bebouwing en wordt hiermee geplaatst binnen de bestaande structuren. Hierdoor doet de kleine windturbine geen inbreuk op de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ aangemerkt als ‘veen(weide)landschap’ (zie afbeelding 3.2). Richtpunten voor ontwikkelingen in ‘veen(weide)landschappen’ zijn: - bewaren van diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; - ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; - ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; - nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; - nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Afbeelding 3.2 Uitsnede kwaliteitskaart, laag van de cultuur- en natuurlandschappen

De kleine windturbine wordt achter bestaande bebouwing gebouwd en wordt hiermee geplaatst binnen de bestaande structuren. Het planvoornemen doet geen inbreuk op kenmerkende landschapselementen zoals verkavelingspatronen, zichtbaarheid van water in de vorm van weteringen, sloten en boezems en beplanting. Laag van de stedelijke occupatie De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘laag van de stedelijke occupatie’ aangemerkt als ‘bouwwerken voor energieopwekking’, zie afbeelding 3.3. Het richtpunt voor ontwikkelingen die in de ‘laag van stedelijke occupatie’ zijn aangemerkt als ‘bouwwerken voor energieopwekking’ is dat bij het plaatsen van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van de bouwwerken op de omgeving. Door het planvoornemen wordt de beeldkwaliteit niet aangetast. In paragraaf 4.1 wordt verder gemotiveerd dat het planvoornemen landschappelijk inpasbaar is.

16 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 3.3 Uitsnede kwaliteitskaart, laag van de stedelijke occupatie

Conclusie Het planvoornemen draagt bij aan energievernieuwing en past binnen de voorwaarden die de provincie Zuid-Holland heeft vastgelegd over windenergie. Ook draagt het planvoornemen bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de omgevingsvisie Zuid-Holland.

3.3.2

Omgevingsvisie Zuid-Holland-Koers 2020

Op 6 oktober 2020 is de Ontwerp-omgevingsvisie Zuid-Holland-Koers 2020 vastgesteld. De Omgevingsvisie Zuid-Holland-Koers 2020 betreft een wijziging van de Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland. In de Omgevingsvisie wordt beschreven dat de wijzigingen vooral zijn gericht op het verbeteren van de opbouw en onderlinge samenhang van de ambities, beleidsdoelen en ‘opgaven omgevingskwaliteit’. Er wordt aangegeven dat de aanpassingen van de Omgevingsvisie in de Koers 2020 vooral redactionele aanpassingen met beperkte beleidseffecten betreffen. Er zijn geen grote inhoudelijke aanpassingen voorzien ten opzichte van de Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland. Conclusie De Omgevingsvisie Zuid-Holland-Koers 2020 legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkelingen van de plaatsing van een kleine windturbine is niet in strijd met de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020.

3.3.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 augustus 2020 is de geconsolideerde versie van de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze geconsolideerde versie van de omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de wijzigingen ten gevolge van verschillende actualisaties vanaf 2019 van de omgevingsverordening Zuid-Holland verwerkt. De omgevingsverordening verankert het beleid van de provincie Zuid-Holland juridisch. In de omgevingsverordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen alsmede de inhoud van ruimtelijke onderbouwingen. Voor het planvoornemen zijn onderstaande artikelen relevant.

17 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de omgevingsverordening zijn de volgende regels opgenomen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit: 1 een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; ii.

het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1 een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2 het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Lid 2 tot en met lid 6 van artikel 6.9 zijn in dit geval niet relevant voor het voornemen. In paragraaf 3.3.1 is onderbouwd dat het planvoornemen past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en rekening houdt met de richtpunten van de kwaliteitskaart. Ook past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied zodat er sprake is van inpassen zoals bedoeld in artikel 6:9 lid 1a. Het planvoornemen is hiermee in lijn met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 6.28 Windenergie In artikel 6.28 van de omgevingsverordening zijn de volgende regels opgenomen ten aanzien van windenergie: 1 een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II van de omgevingsverordening Zuid-Holland; 2 in het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden; 3 in afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads- en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie; 4 een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten de locaties voor windenergie, bedoeld in het eerste lid, kan vervanging van bestaande grote windturbines door nieuwe windturbines mogelijk maken.

De windturbine die met dit planvoornomen gerealiseerd wordt ligt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en heeft een ashoogte van 15 m. Het planvoornemen is hiermee in lijn met artikel 6.28 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

18 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionale Energiestrategie Drechtsteden 1.0

Het plangebied valt binnen de RES-regio Drechtsteden. De gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht, provincie Zuid-Holland en de waterschappen Hollandse Delta en Rivierenland hebben de RES 1.0 opgesteld. Hierin worden concrete zoekgebieden aangewezen ten aanzien van zonnevelden en windparken. Daarnaast is er een onderzoeksgebied aangewezen voor kleinschalige windenergie in Sliedrecht, niet in Papendrecht. Het kleinschalig opwekken van windenergie wordt verder niet uitgewerkt in de RES 1.0. Conclusie De uitgangspunten uit de RES zijn niet strijdig voor de voorgenomen ontwikkeling om één kleine windturbine te realiseren op een agrarisch bedrijf.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsvisie gemeente Papendrecht

De Omgevingsvisie Papendrecht is door de gemeenteraad van Schagen vastgesteld op 13 januari 2021. De Omgevingsvisie kijkt vooruit naar 2035. Door middel van vijf overkoepelende ambities voor de toekomst: - duurzame koers van Papendrecht; - prettig wonen; - economisch vitaal; - verbindende infrastructuur; - sterke verblijfskwaliteit. In de Omgevingsvisie Papendrecht wordt de ‘Duurzame koers van Papendrecht’ nader uitgewerkt in diverse, meer concrete ambities en acties. Zo is voor een toekomstbestendig Papendrecht de fysieke duurzaamheid fundamenteel. De gemeente heeft de opgave om in 2050 energieneutraal te zijn. Voor de bebouwde omgeving wordt zelfs 2035 beoogd. Daarnaast streeft Papendrecht naar een vermindering van de uitstoot van CO2 met 49 % in 2030 ten opzichte van 1990. Om de CO 2-uitstoot te verminderen zal gebruik worden gemaakt van hernieuwbare energie in plaats van fossiele energie zoals gas, steenkool en olie. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met het gemeentelijk beleid en draagt bij aan de duurzaamheidsambitie zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie van de gemeente Papendrecht.

19 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

4 OMGEVINGSEFFECTEN EN MILIEUEFFECTEN 4.1

Landschappelijke inpasbaarheid

De komende decennia zal het Nederlandse landschap in hoog tempo veranderen door de verdere uitbreiding van het aantal windturbines op land. Windturbines op land met een vermogen van 6-7 MW hebben door hun tiphoogte, soms wel tot 250 m, grote impact op het landschap1. Deze grote windturbines torenen ver boven andere bebouwing en bossen uit. Daarnaast gaan de windturbines vanwege de omvang en kleur moeizaam op in de omgeving. De beleving van het landschap kan daardoor sterk veranderen. Dit ligt genuanceerder bij de inpassing van kleine (E.A.Z.-)turbines. De kleine windturbines van E.A.Z. Wind meten een ashoogte van 15 m, een maximale tiphoogte van 21,6 m en dragen bij aan de duurzame transitie op bedrijfsschaalniveau. De E.A.Z.-windturbine heeft een eenvoudig uiterlijk met een lichtgroene mast, die bestaat uit drie dikwandige buissecties met verschillende diameters van hoge sterkte staal. Meest opvallend aan de kleine windturbine zijn de drie houten rotorbladen en de houten staart. Anders dan bij de grote windturbines past de windturbine goed bij de schaal van een boerenerf en de bebouwing, zoals stallen, schuren of silo’s. De beperkte hoogte draagt in algemene zin ook bij aan weinig zichthinder2. De aanwezige landschapsstructuur, zoals verkaveling en de grens tussen land en water, blijft leesbaar wanneer een kleine windturbine wordt geplaatst.

De openheid van het gebied raakt minimaal beïnvloed.

Afbeelding 4.1 E.A.Z.-windturbine op achtererf van agrarische bouwkavel (bron: eigen bewerking)

De windturbine is gesitueerd aan de zuidoostkant van het erf en bevindt zich binnen het bouwvlak. De windturbine staat op ongeveer 200 m van de Westeinde aan de noordkant van het erf en ongeveer 300 m van de Matenaweg aan de noordwestzijde van het erf. Door de afstand tot de weg en de aanwezige bebouwing binnen de zichtlijnen, is de molen zeer beperkt zichtbaar vanaf de Westeinde.

1

Agentschap NL - ministerie van Economische Zaken - Handreiking waardering landschappelijke effecten van windenergie -

2

Dorp Stad en Land, adviseurs ruimtelijke kwaliteit, document locatie- en plaatsingsonderzoek E.A.Z. Twaalf-windmolens.

april 2013.

20 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Op de aangedragen locatie staan nog wel ontwikkelingen op stapel, zo wordt de bebossing op de oostzijde van het erf verwijderd en anders ingedeeld en is een verandering in de verharding op het erf voorzien. De beoogde locatie voor de windturbine is in lijn met de oostgevel van stal om de windturbine visueel zo veel mogelijk onderdeel van het erf te laten uitmaken. Afbeeldingen 2.3 en 2.4 in hoofdstuk 2 geven een beeld vanuit zuidelijke en noordelijke richting. Hierbij geldt dat het gaat om foto’s vanaf een hoogte, die een stuk hoger is dan reguliere ooghoogte. Conclusie De realisatie van de windturbine tast landschappelijke waarden die in het open landschap van het buitengebied kenmerkend zijn, niet aan. Het aspect landschap vormt geen belemmering voor het planvoornemen

4.2

Milieueffectrapportage

Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Dat de m.e.r.-plicht voor een belangrijk deel is geregeld in het Besluit m.e.r. volgt uit art. 7.2 Wm. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: - onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; - onderdeel B is reeds vervallen; - onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; - onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een aantal definities opgenomen van termen die worden gebruikt bij de omschrijving van activiteiten en gevallen in de kolommen 1 en 2 van de onderdelen C en D van het Besluit m.e.r. Onderdelen C en D bestaan elk uit vijf kolommen: - nummer van de categorie; - kolom 1: activiteiten; - kolom 2: gevallen; - kolom 3: plannen; - kolom 4: besluiten. Conclusie De voorgenomen activiteit staat niet in kolom 1: activiteiten van onderdeel C.

De voorgenomen activiteit staat ook niet in kolom 1: activiteiten van onderdeel D. Hieruit volgt dat het project niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig is.

4.3

Verkeer en parkeren

In de aanlegfase is sprake van werkzaamheden van twee dagen met beperkt materiaal. Het bestaande wegennet op en rondom het bedrijf functioneert voldoende voor deze verkeersafwikkeling. Door de komst van de windturbine is in de gebruiksfase geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. De windturbine en de omvormer zijn goed bereikbaar via de Westeinde en het erf van het bedrijf. Hulpdiensten kunnen de windturbine en de omvormer daarom goed bereiken. Conclusie Het onderdeel verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het plan.

21 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

4.4

Geluid

Op 1 december 2023 is door Geluid Plus Adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer 23011-07) ter plaatse van de meest nabij gelegen woning of andere geluidgevoelige bestemming. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage II van dit rapport. Er is uitgegaan van de volgende gegevens, zie tabel 4.1.

Tabel 4.1 Gegevens van de ligging van de windturbine en de meest maatgevende woning adres:

Westeinde 33 te Wijngaarden

aantal

1 windturbine

ligging windturbine ten opzichte van bedrijf:

ten zuiden

adres maatgevend geluidsgevoelig object:

Westeinde 32 te Wijngaarden

ligging woning ten opzichte van windturbine:

ten noorden

afstand turbine tot beoordelingspunt:

154 m

Het in werking hebben van een windturbine valt onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conform het Activiteitenbesluit (artikel 3.14a) mag de jaargemiddelde geluidbelasting vanwege één of meerdere windturbines ten hoogste 47 dB Lden (gewogen gemiddelde over het etmaal) en 41 dB Lnight (tussen 23.00 en 07.00 uur) bedragen. De berekeningen zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift windturbines, bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer. De geluidbelasting is bepaald op een beoordelingshoogte van 5 m ter plaatse van de gevel van de Westeinde 32 te Wijngaarden. Voor het bodemgebied is voor de omgeving van de windturbine uitgegaan van een harde, reflecterende bodem met bodemfactor Bf = 0,0 [-]. Ter plaatse van het maatgevende beoordelingspunt bedraagt de jaargemiddelde geluidbelasting 40 en 34 dB voor respectievelijk Lden en Lnight. Hiermee wordt voldaan aan de geluidnormering van Lden ≤ 47 dB en Lnight ≤ 41 dB conform het Activiteitenbesluit. De rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 3 van het geluidsonderzoek. Opgemerkt dient te worden dat de momentane geluidbelasting kan afwijken van de jaargemiddelde geluidbelasting. Dit ten gevolge van de op dat moment heersende windsnelheid en richting. Daarnaast laat afbeelding 4.2 zien dat het gemeten geluidsniveau lager ligt dan het geluid van spreken met normaal stemgeluid.

Het omgevingsgeluid zal dit geluidsniveau overstemmen. In de dichtstbijzijnde woningen zal geen geluidsoverlast door de windturbine worden ervaren.

22 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 4.2 Gewaarwording van geluidsomgeving (bron: Health Belgium - verklaring van technische begrippen over geluid)

Conclusie De berekeningen laten zien dat ter plaatse van de meest nabij gelegen woning wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. Hiermee kan gesteld worden dat de te realiseren windturbine akoestisch inpasbaar is in de omgeving.

4.5

Luchtkwaliteit

De windturbine is emissievrij. Daarnaast leidt de aanlegfase niet tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. De windturbine leidt in de gebruiksfase niet tot negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Het onderdeel luchtkwaliteit is hiermee in lijn met de voorwaarden van artikel 5.16, lid 1 Wet milieubeheer. Conclusie De komst van de windturbine voldoet aan de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer.

4.6

Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. De bescherming van natuur is geregeld via gebiedsbescherming en soortenbescherming. Om potentiële effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) en beschermde soorten te beoordelen is er een QuickScan natuur uitgevoerd (bijlage III). De Wnb vormt hierbij het geldend wettelijk kader. Toetsing aan de Wnb Het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuurgebieden is niet altijd genoeg om de verscheidenheid aan planten- en diersoorten in stand te houden. Bovendien komen veel soorten ook buiten natuurgebieden voor. De Wnb vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het doel van de Wnb is drieledig: 1 bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2 decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3 vereenvoudiging van regels. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de zorgplicht vanuit de Wnb.

23 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wnb regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: 1 vogels met jaarrond beschermde nesten; 2 overige vogels; 3 soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Onderstaand worden de effecten van de kleine windmolen beoordeeld aan de hand van eerdere onderzoeken. Ashoogte van 40 m of meer Er is veel onderzoek verricht naar slachtoffers onder vleermuizen en vogels bij windparken met windturbines met een ashoogte van 40 m of meer. Daaruit blijkt dat het aantal slachtoffers per windturbine laag is. Voor vleermuizen tussen de nul en drie per jaar en voor vogels tussen vijf en tien per jaar (Rydell et al. 2010; Kleyheeg-Hartman et al. 2015). Dit is mede het gevolg van vermijdingsgedrag van vleermuizen en vogels. Voor middelgrote en grote windturbines en windparken worden verstoringsafstanden tussen 80 en 600 m vastgesteld (Voslamber & Liefting 2011 en Zehtindjiev et al.

2017). Ashoogte van 30 m In Nederland is onderzoek gedaan naar windturbines met een ashoogte van 30 m. Voor ganzen is geen verstoringsafstand vastgesteld (Winkelman 1989). Voor steltlopers is een maximale afstand van 100 m vastgesteld (Spaans et al. 1998). In de onderzoeken worden geen effecten gevonden voor kraaiachtigen, spreeuwen of kokmeeuwen en steltlopers. Ashoogte < 20 m Sweco (2019) heeft recent een beleidsevaluatie1 uitgevoerd naar de effecten van het plaatsen van kleine windturbines op vogels en vleermuizen binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen in het buitengebied en in stedelijk gebied. Uit de beleidsevaluatie komt naar voren dat grotere vogels een hoger risico hebben op aanvaring met kleine windturbines dan kleinere vogels. Daarnaast heeft Ecosensys een pilotstudie (monitoringsonderzoek)2 uitgevoerd naar de effecten van kleine windturbines binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen in buitengebied. Uit het monitoringsonderzoek komt naar voren dat verschillende vogelsoorten en vleermuissoorten in de buurt van kleine windturbines kunnen voorkomen. Bij het slachtofferonderzoek zijn echter vrijwel geen vogelslachtoffers gevonden. Uit observaties met warmtebeeldcamera’s zijn geen aanvaringen van vleermuizen met windturbines vastgesteld en zijn ook geen slachtoffers gevonden tijdens het slachtofferonderzoek.

Er zijn derhalve geen slachtoffers gevonden waarvan met zekerheid te stellen valt dat deze door windturbines zijn gedood. Hierdoor valt het verstoringsaspect van de windturbines met een ashoogte < 20 m te verwaarlozen. Quickscan ecologie Om de potentiële ecologische effecten van de realisatie van één kleine windturbine in beeld te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (zie bijlage III). In deze quickscan is ook meer achtergrond te vinden met betrekking tot wet- en regelgeving. Er heeft een verkennend veldbezoek in het plangebied plaatsgevonden. Op basis van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken. Extra vragen zijn gesteld en aangepast in de ecologische quickscan.

1

Sweco 2019. Evaluatie beleid kleine windturbines Provincie Groningen. Rapportnr. SWNL0242800.

2

Jonge Poerik, B. & S. van Houten-Munten 2020. Pilotproject effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen. Provincie Groningen.

24 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Natura 2000-gebieden Op circa 3 km afstand, ten zuiden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Biesbosch, weergegeven op afbeelding 4.3. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied. In de aanlegfase van de windturbine is er sprake van werkzaamheden van hooguit enkele dagen. Gezien de aard van de geplande werkzaamheden, zullen naar verwachting geen negatieve externe effecten (bijvoorbeeld geluid, visuele verstoring en ruimtebeslag) optreden in de aanlegfase.

Afbeelding 4.3 Natura 2000-gebied in omgeving (rode markering laat de locatie van de windturbine zien)

Stikstof Tijdens de aanleg van de kleine windturbine kan sprake zijn van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden. Hiervoor is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage IV). De berekening is uitgevoerd met de AERIUS Calculator 2023 (versie 2) en laat zien dat er een lichte uitstoot van NOx en NH3 te verwachten is, welke echter niet leidt tot stikstofdepositie. Daarom is het resultaat van de AERIUS berekening 0,00 mol/ha/jr en kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden. Tijdens de gebruisfase zal er periodiek onderhoud uitgevoerd worden, ook dit zal niet leiden tot stikstofdepositie. Daarnaast is het initiatief gelegen op circa 3 km afstand van (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied. Negatieve effecten op het Natura 2000-gebied worden dan ook niet verwacht. Tot slot zorgt de windturbine zelf tijdens de gebruiksfase niet voor aanvullende stikstofdepositie en is er geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. Naar aanleiding van vragen en verandering in de AERIUS is er een nieuwe berekening uitgevoerd op 15 november 2024, hierin is de eindconclusie niet gewijzigd. Nieuwe berekening toegevoegd in bijlage. Natuurnetwerk Nederland Afbeelding 4.4 geeft de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied weer. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 330 m afstand van het plangebied.

De bescherming van NNN heeft in de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het NNN-gebied ligt hoeft niet getoetst te worden aan provinciaal beleid.

25 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 4.4 NNN-gebieden in omgeving (rode markering laat de locatie van de windturbine zien)

Weidevogelgebied Het plangebied ligt op circa 880 m afstand van gronden die tot belangrijk weidevogelgebied Behoren, dit is weergegeven op afbeelding 4.5. De locatie van de windturbine ligt buiten gronden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied, waardoor het compensatiebeginsel van de provincie ZuidHolland voor weidevogelleefgebied niet van toepassing is. Ook is geen sprake van significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het aangewezen weidevogelleefgebied in de nabijheid van de windturbine. Er is geen sprake van verlies aan geschikt broedbiotoop, omdat de windturbine op een erf van een agrarisch bedrijf wordt geplaatst. Bovendien is geen sprake van een wezenlijke verstoring van weidevogelleefgebied.

Afbeelding 4.5 Weidevogelgebied in omgeving (rode markering laat de locatie van de windturbine zien)

Soorten bescherming De voorgenomen plaatsing van een kleine windturbine leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vogel soorten. De kans op het opzettelijk doden van vogels, in de zin van artikel 3.1 Wet natuurbescherming is nihil. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

26 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Ter plaatse van de windturbine zijn geen vliegroutes of geschikt foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Structurele vliegbewegingen van vleermuizen zullen dan ook niet plaatsvinden op de locatie van het plangebied. De kans op het opzettelijk doden van vleermuizen, in de zin van artikel 3.5 Wet natuurbescherming nihil is. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Aanvulling heeft plaatsgevonden voor de soorten rugstreeppad en heikikker., er zijn in de nabijheid van de sloot geen heikikker en rugstreeppadden aangetroffen. Op of nabij de planlocatie zijn geen geschikte standplaatsvereisten voor beschermde plantensoorten aanwezig. De windturbine wordt geplaatst op braakland en grenst aan grasland, verharding en een sloot. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten op het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Ook is geen oppervlaktewater aanwezig dat geschikt is als leefgebied voor niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën of reptielen zoals ringslang. Er staan geen bomen of gebouwen op de locatie van de windturbine waarin verblijfplaatsen van bijvoorbeeld eekhoorn, boommarter of steenmarter aanwezig kunnen zijn. Ook voor kleine marterachtigen is de locatie ongeschikt als verblijfplaats of als essentieel leefgebied.

Voor beschermde soorten ongewervelden zoals dagvlinders en libellen ontbreekt geschikt leefgebied op de planlocatie. Effecten op niet-vrijgestelde overige soort(groep)en kunnen op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. De kleine winturbine tast de beschermde gebieden en soorten zoals benoemd in de Wnb niet onevenredig aan. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de zorgplicht vanuit de Wnb.

4.7

Waterhuishouding

Het planvoornemen is gelegen in het beheersgebied van waterschap Rivierenland. Het plangebied is niet gelegen op gronden die zijn aangeduid als waterkering of oppervlakte. Een digitale watertoets is uitgevoerd, zie hiervoor bijlage V bij dit document. Hier is uit voortgekomen dat het planvoornemen geen invloed heeft op de waterhuishouding. De functieverandering die optreedt bij het planvoornemen is dusdanig beperkt (circa 30 m2) dat er geen compenserende maatregelen getroffen hoeven te worden. Daarnaast is er geen watervergunning nodig, omdat er geen waterkeringen in de nabijheid van de planlocatie aanwezig zijn. Conclusie Het voornemen heeft geen effecten ten aanzien van de waterhuishouding. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het plan.

4.8

Bodem

Bij het ruimtelijk planproces gaat het om de vraag of het huidige of toekomstige gebruik van de bodem afgestemd kan worden op de aanwezige bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie, Het bodemsaneringsgebied is verder uitgewerkt in de Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit Uniforme Saneringen (BUS), de Circulaire Bodemsanering en het Besluit bodemkwaliteit. Voor het plaatsen van de windturbine wordt geen grond verplaatst. De grond die wordt uitgegraven, wordt na het plaatsen van de windturbine weer teruggebracht. Voor tijdelijke uitname van grond stelt het Besluit bodemkwaliteit in artikel 36, derde lid, dat wanneer grond niet wordt bewerkt en op dezelfde plaats onder dezelfde condities opnieuw en in dezelfde toepassing wordt teruggebracht, dit toegestaan is zonder kwaliteitsbepaling (artikel 38 en 40), toetsing aan de functie (onder andere artikel 59) en melding (artikel 42).

27 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Overige bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit, en andere wetgeving zoals de Wbb, Arbo-regelgeving, Wet ruimtelijke ordening en Waterwet blijven bij tijdelijke uitname onverminderd van kracht. Hierbij kan gedacht worden aan: - functionaliteit (artikel 5 Bbk): dat wil zeggen dat sprake moet zijn van een nuttige toepassing, geen grotere hoeveelheid wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing en dat de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; - zorgplicht bodem (artikel 13 Wbb) en zorgplicht oppervlaktewater (artikel 7 Bbk). Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om asbesthoudende grond terug te plaatsen indien bij ontgraving asbest is geconstateerd; - bij tijdelijke uitname kunnen grond of baggerspecie worden getransporteerd. Als dit binnen de grenzen van een werk gebeurt (geen transport over de openbare weg) is het niet nodig dat hierbij schriftelijke bescheiden aanwezig zijn. Als het transport naar een tijdelijke opslag buiten de grenzen van het werk plaatsvindt, is de aanwezigheid van schriftelijke bescheiden wel noodzakelijk. Een oorspronkelijk toegepaste bouwstof, ontgraven grond of baggerspecie wordt veelal als een afvalstof gezien. In dat geval moet het transport zijn vergezeld van een begeleidingsbrief.

Om veiligheidshalve meer te weten te komen over de bodemkwaliteit is topotijdreis.nl geraadpleegd. De locatie is vanaf 1850 herkenbaar op historisch kaartmateriaal, zie afbeelding 4.6. Het perceel heeft altijd een agrarische functie gehad. Vanaf 1989 is de eerste bebouwing zichtbaar. Het is aannemelijk dat, gelet op het historisch gebruik van de gronden (agrarisch), geen sprake is van bodemverontreiniging.

Afbeelding 4.6 Het plangebied in 1850 (bron: topotijdreis.nl)

Ook is het bodemloket geraadpleegd. Afbeelding 4.7 geeft een uitsnede weer van het bodemloket. Op het perceel zijn geen gegevens bekend. Gezien de geschiedenis van het perceel wordt er geen vervuiling verwacht.

28 | 34

Witteveen+Bos | 135182/23-020.703 | Concept 01

Afbeelding 4.7 Uitsnede bodemloket (bron: www.bodemloket.nl)

Conclusie Het onderdeel bodem is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het plan.

4.9

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

Openbare bronnen (BeoBOM en de AVG bommenkaart) zijn geraadpleegd. Hieruit volgt dat in het plangebied geen opsporing of vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn er ook geen munitie dumpen, luchtaanvallen of mijnenvelden op het plangebied bekend. Het risico op het aantreffen van OO is daarmee uit te sluiten. Het aspect OO is daarmee niet relevant voor onderhavig plan.

4.10

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Conform de Cultuur historische atlas van de provincie Zuid-Holland is het plangebied gekenmerkt als veenontginning. Veenontginningen zijn vanaf de 11e eeuw ontstaan, toen vanaf een ontginningsbasis (rivier of gegraven wetering) de veenwildernis systematisch werd ontgonnen. Zo ontstond een verkaveling die nog altijd karakteristiek is voor het veenlandschap: lange (smalle) stroken, van elkaar gescheiden door (afwaterings)sloten, met de boerderij op de kop van de kavel. De stroken liggen evenwijdig aan elkaar of vormen een waaier, als ze uitgezet zijn vanaf een kronkelende rivieroever. Verder zijn op het plangebied geen beschermde dorps- of stadsgezichten aanwezig. Vanwege de kleinschaligheid van het planvoornemen heeft de kleine windturbine geen negatieve invloed op de eigenschappen van het landschap. Hij past goed bij de schaal van het boerenerf en de bestaande bebouwing. Daarnaast wordt de landschapsstructuur van de veenontginning en de openheid van het gebied minimaal beïnvloed. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1059/documents/15037