CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D02. 20231012 RIB Informatie Vonnis aansprakelijkstelling Chemours.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 23 november 2023, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken19.590 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aan de gemeenteraad De T datum behandeld door ons kenmerk doorkiesnummer onderwerp

12 oktober 2023 N.J.W. Visser 2023-0144535 14 078 Informatie Vonnis aansprakelijkstelling Chemours

Geachte mevrouw, heer,

Wij hebben u toegezegd dat wij u regelmatig op de hoogte houden over de ontwikkelingen in het dossier Chemours. Met deze brief willen wij u op de hoogte stellen van verschillende, relevante aspecten verbonden aan het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam in de zaak Gemeenten tegen Chemours e.a. Dit vonnis vindt u in bijlage 1. Op 27 september 2023 heeft de rechter in een tussenvonnis geoordeeld, dat Chemours, DuPont en Corteva (hierna Chemours) die waren gedagvaard, verantwoordelijk zijn voor de schade die zij hebben aangericht door de jarenlange uitstoot van PFOA in ons gebied. Als college zijn we tevreden met deze tussenuitspraak, omdat dit perspectief biedt voor de gemeente en inwoners, organisaties en bedrijven. Onze inzet was altijd om te komen tot een principe-uitspraak over de vraag of Chemours aansprakelijk is voor de schade die ontstond door uitstoot van PFOA en die ligt er nu, in de vorm van een tussenvonnis. De advocaat van het Juridisch Kennis Centrum heeft een samenvattend memo gemaakt van het tussenvonnis en van het juridische spoor vanaf deze uitspraak tot het eindvonnis (bijlage 2). Hierin is opgenomen wat de gemeenten nog dienen te onderbouwen ten behoeve van het eindvonnis. Onze advocaat richt zich hierop in de komende weken. Wat staat er samengevat in de uitspraak?

De Rechtbank heeft in het tussenvonnis in ieder geval in het voordeel van de gemeenten uitgesproken dat: - de uitstoot van PFOA naar de lucht in de periode van 1 juli 1984 tot en met 1 maart 1998 een onrechtmatige daad is ten opzichte van de gemeenten. In deze periode heeft Du Pont Gedeputeerde Staten (vergunningverlener) en de gemeenten onvoldoende ingelicht over de mogelijke risico's van de uitstoot;

-

los van de vraag of Chemours door hun emissies naar de lucht een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zij aansprakelijk zijn voor de kosten van het verwijderen van door hen uitgestoten deeltjes PFOA die op de percelen van de gemeenten zijn neergeslagen. Of als verwijdering niet mogelijk is voor de waardevermindering van de percelen. Dat geldt alleen als de hoeveelheid zo groot is dat dat naar objectieve maatstaven door de gemeenten niet getolereerd hoeft te worden.

Waar gaat de rechter nog een oordeel over geven? Het betreft een tussenvonnis. Over twee punten wil de rechter later een vonnis vellen. De gemeenten hebben tot 22 november 2023 om de gegevens in een akte aan te leveren bij de rechter. De bedrijven krijgen daarna de gelegenheid om een reactie te geven. De punten zijn: - Over de periode vanaf 2 maart 1998 zegt de Rechtbank dat zij voorlopig van oordeel is, dat Du Pont in haar vergunningsaanvraag van 2 maart 1998 wel voldoende heeft gewezen op de mogelijke risico's van de uitstoot. De gemeenten mogen proberen dit voorlopige oordeel van de Rechtbank bij te laten stellen. - De gemeenten moeten daarnaast uitleggen hoe het zit met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 maart 2023 over de huidige vergunning van Chemours die door Gedeputeerde Staten is afgegeven. Het lijkt er volgens de Rechtbank op dat Chemours toch weer PFOA uit mag gaan stoten, terwijl steeds is gezegd dat die uitstoot in 2012 definitief is beëindigd. De gemeenten moeten uitleggen hoe dit zit.

Wat verwachten we van de bedrijven? Het is duidelijk, dat de rechtbank Chemours iets oplegt. Chemours heeft aansluitend op de uitspraak aangegeven dat zij graag in contact treedt met gemeenten en inwoners over de gevolgen van de uitspraak. De rechter heeft tijdens de zitting de wens geuit dat de gemeenten en bedrijven met elkaar in gesprek blijven, lopende de procedure. Het is gebruikelijk, dat partijen met elkaar spreken, er is een geschil en als dit kan worden opgelost zonder tussenkomst van de rechter, dan heeft dat de voorkeur van de rechter. De kans dat partijen daarna constructief verder kunnen, speelt daarbij een rol. In de komende periode wordt daarom op basis van het definitieve oordeel van het tussenvonnis een verkennend gesprek gevoerd tussen gemeenten en bedrijven, in aanwezigheid van de advocaten om de impact van het vonnis aan beide kanten te duiden. Wat doen we als gemeenten? Onze advocaat is direct na de uitspraak gestart met het verzamelen van informatie voor het beantwoorden van de twee openstaande vragen. Ondertussen gaan de gemeenten verder met het inventariseren van de schade die is ontstaan als gevolg van de uitstoot. Wat kunnen we voor inwoners en ondernemers doen met deze uitspraak? De omgevallen boom jurisprudentie We krijgen vragen van inwoners hoe zij zelf het bedrijf kunnen aanspreken voor hun eigen schade.

De rechter is meegegaan in de door onze advocaat aangedragen 'omgevallen boom-jurisprudentie'. In die casus gaat het over een boom, die valt op 2

het perceel van de buren. Uitspraken van de rechter wijzen uit, dat de eigenaar van de boom deze boom moet verwijderen, dan wel, indien dat niet kan, de schade moet vergoeden. Deze jurisprudentie is door de rechter toegepast in dit tussenvonnis, wat betekent dat Chemours als eigenaar van de stof die is uitgestoten en neergedaald op de grond van de gemeente, moet betalen voor de daardoor ontstane schade. Er staat ook, dat alleen de schade vergoed wordt als die op grond van objectieve normen kan worden vastgesteld. Bijvoorbeeld in het geval van de moestuinen, waar onderzoek van het RIVM heeft aangetoond dat er inbreuk is gepleegd op de eigendomsrechten en het perceel niet gebruikt kan worden voor het doel waar het voor bedoeld is. Mogelijkheden voor inwoners Inwoners en bedrijven kunnen, gesteund door deze uitspraak, zelf een schadeclaim indienen bij het bedrijf als zij van mening zijn, dat er schade is aangericht op hun perceel door handelen of nalaten van Chemours. Zoals hierboven al aangegeven moet deze schade met objectieve normen kunnen worden vastgesteld en mag de mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding niet verjaard zijn. Voor inwoners die een juridische procedure willen starten, wordt informatie op de webpagina van de gemeente geplaatst. Deze is algemeen opgesteld en gaat over alle mogelijkheden om schade te verhalen.

De tekst van deze informatie is bijgevoegd (bijlage 3). Aangifte Veel inwoners en andere belanghebbenden hebben zich al aangesloten bij de strafrechtelijke aangifte, die, namens hen, door advocaat Ficq is gedaan. Deze procedure is gebaseerd op het strafrecht en loopt buiten de vier gemeenten om. Wij geven als gemeenten hierover geen advies. Media-aandacht De uitspraak kon rekenen op brede belangstelling van de media, zowel de lokale, landelijke als mondiale pers. Het beeld in de media is redelijk eenduidig: een bijzondere en stevige uitspraak, een duidelijke tik op de vingers voor het bedrijf, een overwinning voor de gemeenten. Er worden experts in milieurecht aan het woord gelaten om deze uitspraak verder te duiden. Ook worden er naast bestuurlijke reacties vooral reacties van omwonenden en actievoerders weergegeven. In de reacties op social media en in nieuwsberichten zien we in grote mate steun voor de gemeenten. Mensen reageren positief op de uitspraak van de rechter en vinden het gerechtigdheid. We zien grote steun vanuit actiegroepen/actievoerders, politici en mensen met professionele betrokkenheid bij het vakgebied. Maar er is tegelijkertijd ook kritiek op de overheid/gemeente. Mensen maken ook de terechte kanttekening, dat de uitspraak zelf op zich de schade die mensen zelf ten aanzien van hun gezondheid en hun leefomgeving ervaren, niet wegneemt.

Wij blijven benadrukken dat deze uitspraak, hoe belangrijk ook, slechts één van de stappen is in dit dossier. Wij blijven ook op andere fronten actief, zoals nader onderzoek naar gevolgen, aanscherpen van de vergunning en de lobby voor een verbod op PFAS. De gezondheid van inwoners en leefomgeving staat daarbij steeds voorop.

3

Wij vertrouwen erop dat wij u met deze brief op dit moment voldoende geïnformeerd hebben over relevante aspecten verbonden aan het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam in de rechtszaak Gemeenten tegen Chemours.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,

J.M. Ansems

M.J.M. van Driel

4

ECLI:NL:RBROT:2023:8987 Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

27-09-2023

Datum publicatie

27-09-2023

Zaaknummer

C/10/621356 / HA ZA 21-576

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Tussenvonnis Chemours Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/621356 / HA ZA 21-576

Vonnis van 27 september 2023

in de zaak van

1 GEMEENTE DORDRECHT, zetelend te Dordrecht, 2. GEMEENTE PAPENDRECHT, zetelend te Papendrecht, 3. GEMEENTE SLIEDRECHT, zetelend te Sliedrecht, 4. GEMEENTE MOLENLANDEN,

zetelend te Hoornaar, eiseressen, advocaat mr. E.H.P. Brans te Den Haag,

tegen

1 CHEMOURS NETHERLANDS B.V., gevestigd te Dordrecht, 2. DU PONT DE NEMOURS (NEDERLAND) B.V., gevestigd te Dordrecht, 3. CORTEVA HOLDING NETHERLANDS 2 B.V., gevestigd te Bergen op Zoom, gedaagden, advocaat mr. N. Vloemans te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna de Gemeenten genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk Chemours c.s. en afzonderlijk respectievelijk Chemours, Du Pont (nieuw) en Du Pont (oud) genoemd worden.

1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 september 2022 en de daarin genoemde stukken, - de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met producties G.94 tot en met G.103, - de akte houdende overlegging producties aan de zijde van de Gemeenten, met producties G.104 en G.105, - de conclusie van dupliek, met productie I.2, - de akte houdende productie aan de zijde van de Gemeenten, met productie G.106, - de op 14 maart 2023 gehouden mondelinge behandeling en de bij die gelegenheid voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Brans en mr. Vloemans.

2 De zaak in het kort

2.1. De Gemeenten stellen dat zij schade hebben geleden door de uitstoot naar de lucht van perfluoroctaanzuur (hierna: PFOA) en GenX-stoffen vanuit de fabriek van Chemours in Dordrecht. De Gemeenten stellen Chemours c.s. aansprakelijk voor deze schade. Deze zaak gaat dus niet over lozingen rechtstreeks in de bodem of op het water en ook niet over de mogelijke schade van omwonenden van de fabriek van Chemours. 2.2. Op 21 september 2022 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenvonnis gewezen (ECLI:NL:RBROT:2022:7944). In dat vonnis heeft de rechtbank onder meer beslist dat de

vorderingen van de Gemeenten niet zijn verjaard en dat de Gemeenten de juiste rechtspersonen hebben gedagvaard. 2.3. Vandaag wijst de rechtbank opnieuw een tussenvonnis. In dit vonnis oordeelt de rechtbank, samengevat, onder meer als volgt. a. De uitstoot van PFOA naar de lucht in de periode tot 1 juli 1984 is ten opzichte van de Gemeenten geen onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW (hierna: onrechtmatige daad). Du Pont (oud) beschikte over een vergunning voor deze uitstoot en niet is komen vast te staan dat zij de Gemeenten in deze periode onvoldoende heeft ingelicht over de mogelijke risico’s van deze uitstoot. b. De uitstoot van PFOA naar de lucht in de periode van 1 juli 1984 tot en met 1 maart 1998 is een onrechtmatige daad ten opzichte van de Gemeenten. Omdat Du Pont (oud) gedeputeerde staten als vergunningverlener en de Gemeenten in deze periode onvoldoende heeft ingelicht over de mogelijke risico’s van deze uitstoot, kunnen Chemours c.s. zich wat betreft deze periode niet beroepen op de verleende vergunningen. In deze periode heeft Du Pont (oud) de uitstoot van PFOA naar de lucht ook niet beperkt vanwege de mogelijke risico’s daarvan. Chemours c.s. zijn aansprakelijk voor de schade die de Gemeenten hierdoor hebben geleden. c.

Vooralsnog staat niet vast dat de uitstoot van PFOA naar de lucht vanaf 2 maart 1998 een onrechtmatige daad is ten opzichte van de Gemeenten. De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat Du Pont (oud) in haar vergunningsaanvraag van 2 maart 1998 voldoende heeft gewezen op de mogelijke risico’s van deze uitstoot. d. De uitstoot van GenX-stoffen naar de lucht vanaf 2012 is geen onrechtmatige daad ten opzichte van de Gemeenten. e. Los van de vraag of Chemours c.s. door hun emissies naar de lucht een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij aansprakelijk voor de kosten van het verwijderen van door hen uitgestoten en vervolgens op percelen van de Gemeenten neergeslagen PFOA en GenXdeeltjes als die naar objectieve normen een inbreuk op hun eigendomsrechten maken. f. Een aantal door de Gemeenten opgevoerde schadeposten is niet toewijsbaar, zoals de gevorderde kosten voor de inzet van ambtenaren, advisering, voorlichting en bloedonderzoeken bij omwonenden, want dat zijn vooral kosten die de Gemeenten in het kader van hun publieke taak hebben gemaakt. g. Over de hoogte van de overige schade wordt in een aparte schadestaatprocedure beslist.

3 De feiten In rubriek 3 van het tussenvonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank een aantal feiten vastgesteld. Sommige van die feiten worden hierna nogmaals opgenomen voor de zelfstandige leesbaarheid van dit vonnis, aangevuld met een aantal andere relevante feiten. 3.1. In 1959 heeft Du Pont (oud) in Dordrecht drie chemische fabrieken (hierna samen: de fabriek) gebouwd, waarin PTFE en FEP (fluorpolymeren) en fluorelastomeren worden geproduceerd. 3.2. Vanaf de start van die productie is in de fabriek gebruik gemaakt van het dispergeermiddel PFOA op basis van de door het bevoegd gezag verstrekte vergunningen. De eerste vergunning daarvoor die onderdeel is van de gedingstukken, is op 2 juli 1968 verleend door burgemeester en wethouders van Dordrecht op basis van de toenmalige Hinderwet. Alle volgende vergunningen die (mede) betrekking hebben op de emissie van PFOA naar de lucht door Du Pont (oud) en Chemours zijn verleend door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten), voor het eerst bij besluit van 27 juli 1982. 3.3. Eind jaren zeventig heeft de producent/leverancier van PFOA in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS), het bedrijf 3M, meerdere onderzoeken verricht naar de gevolgen van het gebruik van PFOA.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de Amerikaanse tak van het toenmalige Du Pont concern (hierna: Du Pont VS) een vergadering gehouden over PFOA. Daarna is een intern

memo opgesteld, waarin PFOA wordt aangeduid als C-8. In dit memo van 31 juli 1980 staat onder meer het volgende: “C-8 COMMUNICATIONS MEETING OUTLINE (…) SUMMARY • C-8 is toxic but can be handled safely. • People working with C-8 generally accumulate organic fluorine in the blood, and levels generally correlate with job exposure potential. • Although this has caused no health effects continued exposure is not tolerable. • Our basic goals are to reduce exposures to below the provisional AEL, and to reduce organic fluorine levels in blood of exposed workers and prevent accumulation in new workers. • This will require equipment changes that are being done. • It will also require use of disposable protective clothing and use of breathing air or respirators for certain jobs. One other ingredient is needed -- your cooperation in controlling this hazard. C-8 COMMUNICATION MEETING The purpose of this meeting is to bring everyone up to date on our findings regarding C-8, our immediate program, and our long term plans. Most of you know that C-8 is a fluorochemical surfactant that is used for producing fine powder, dispersion, granular and FEP. (…) Other chemicals have been tested but none match C-8’s properties. (…) In 1965 tests showed that C-8 was slightly toxic when swallowed. (…) You can see that C-8 is not as toxic as acetone. It has a lower toxicity like table salt.

C-8, like table salt, can also be absorbed through the skin where it is about as toxic as it is orally. But, based on this low toxicity, no change in our safety program was necessary. In 1969 it was found that C-8 was more toxic by inhalation, Chart 2. This second chart shows the approximate concentration that will kill test animals in a 4 hour period. This approximate lethal concentration for rats exceeds anything we have measured in the plant. (…) However, since 3M informed us in 1978 of organic fluorine being detected in the blood of their employees who worked with C-8, we have been reviewing and expanding our C-8 program. We have concluded that personnel routinely exposed to C-8 will absorb it in their body. Tests at Washington Works show that blood fluorine levels which indicate C-8 levels generally correlate with potential job exposure. Repeated exposures can result in accumulation of C-8 in the blood. (…) The medical data show that no one has been injured by C-8 (Chart 4). The Medical Division after a thorough study has concluded that “… there is no conclusive evidence of an occupationally related health problem among workers exposed to C-8.” All that was noted was a small increase in two liver enzyme levels. After 25 years of handling C-8 we see no damage among the workers. However, the potential is the -- C-8 has accumulated in the blood.

Because of this accumulation we have decided to undertake programs to minimize accumulation of C8 in the blood of new workers. The AEL Committee of Haskell Laboratories has set a provisional Allowable Exposure Limit or “AEL” at 0.55 mpb of C-8 in air. (…) In order to meet the expected low AEL, equipment changes are necessary to protect from solid, liquid and airborn C-8. The next transparencies show the changes that have been made recently to protect against C-8

exposure. (…) Let me summarize the items covered: • C-8 is toxic, but it can be used and controlled below the proposed toxic limit. • In the past, people working with C-8 have accumulated organic fluorine in the blood and levels generally correlate with job exposure potential. • Although this has caused no health effects, continued exposure should be minimized with controls. • Our objective is to reduce exposures to below the provisional AEL, and to reduce organic fluorine levels in blood of exposed workers and to limit accumulation in new workers. • This will require equipment changes that are partially complete. • It will also require use of disposable protective clothing and use of breathing air or respirators for certain jobs. • One other ingredient is needed -- Total Division cooperation in controlling this material.” 3.4. De onderzoeksresultaten van 3M zijn ook gedeeld met Du Pont (oud) in Nederland. Naar aanleiding daarvan heeft Du Pont (oud) op 2 april 1981 in een intern memo het volgende bericht: “(…) MEDEDELING OVER MOGELIJKE GEZONDHEIDSASPEKTEN IN RELATIE TOT HET WERKEN MET C-8 Al reeds in 1978 zijn mededelingen gedaan over mogelijke gezondheidsaspekten in relatie tot het werken met organische gefluorideerde oppervlakte aktieve stoffen. Deze stof wordt gewoonlijk C8 genoemd. Zoals bekend wordt dit materiaal gebruikt in de fabrikage van fluoropolymeer harsen.

Door de 3M Maatschappij, één van de leveranciers van dit materiaal, zijn wij recentelijk op de hoogte gesteld van voorlopige resultaten van nieuwe dierproeven betrekking hebbende op C-8. (…) De voorlopige resultaten geven aan dat C-8, ook bekend als FC-143 of ammonium perfluorooctanaat, geboorteafwijkingen in de vorm van oogafwijkingen gaf bij de vrucht wanneer de vrouwelijke ratten dit materiaal via een maagslang toegediend werd. (…) Op dit moment weten wij niet of de resultaten van deze proeven op dieren in enig verband staan met de blootstelling van mensen. Als een voorzorgsmaatregel is echter besloten om vrouwelijke employés die in de vruchtbare jaren zijn, niet langer te laten werken met het materiaal C-8 zoals dat het geval is in de fabrieksafdelingen van twee Du Pont vestigingen in de U.S.A. In Dordrecht zijn geen vrouwelijke employés in de fabrieksafdeling werkzaam of betrokken bij het testen van producten die C-8 bevatten. Gedurende de periode dat C-8 gebruikt wordt in de U.S.A. en in Dordrecht zijn er geen aanwijzingen, dat de employés die blootgesteld zijn geweest aan C-8 concentraties, een nadelige invloed op de gezondheid ondervonden hebben. Een reeds bestaande vastgestelde voorlopig toegestane blootstellingslimiet van 0,01 mg/m3 (0,56 ppb), biedt de employé, zover nu bekend, voldoende bescherming.

In de normale werkomgeving geven de luchtmonsters aan dat deze limiet gehaald wordt. Er zijn geen indicaties die aan zouden geven, dat er enige vermindering zou zijn van de reproduktieve funkties bij mannen. In 1978 werd Du Pont door 3M al reeds geïnformeerd, dat blootstelling aan C-8 zou kunnen leiden tot verhoogde organische fluoride niveaus in het bloed van haar employés en dat deze verhoogde

niveaus voor langere tijd aanwezig zouden kunnen blijven. Op dat tijdstip hebben we de employés ingelicht en zijn programma's gestart om de blootstelling te verlagen. Tevens is men toen in de U.S.A. bloedonderzoek begonnen waarbij de employé(e)'s op de hoogte gehouden werden van de resultaten. Te Dordrecht zijn geen specifieke bloedmonsters voor C-8 genomen, in afwachting van aanbevelingen van de medische afdeling in de U.S.A. Dordrecht is voornemens bloedonderzoek naar C-8 in te voeren. Daarover zullen later mededelingen worden gedaan. Wij zullen u direkt informeren wanneer nieuwe informatie verkregen wordt. (…)” 3.5. Naar aanleiding van een op 22 mei 1984 gehouden vergadering is op 23 mei 1984 een intern memo van Du Pont VS opgesteld, waarin het volgende staat: “C-8 MEETING SUMMARY 5/22/84 - WILMINGTON (…) THERE WAS A CONSENSUS THAT C-8, BASED ON ALL THE INFORMATION AVAILABLE FROM WITHIN THE COMPANY AND FROM 3M, DOES NOT POSE A HEALTH HAZARD AT LOW LEVEL CHRONIC EXPOSURE. THERE WAS AGREEMENT THAT A DEPARTMENTAL POSITION NEEDED TO BE DEVELOPED CONCERNING THE CONTINUATION OF WORK DIRECTED AT ELIMINATION OF C-8 EXPOSURES OFF PLANT AS WELL AS TO OUR CUSTOMERS AND THE COMMUNITIES IN WHICH THEY OPERATE. THERE WAS CONSENSUS REACHED THAT THE ISSUE WHICH WILL DECIDE FUTURE ACTION IS ONE OF CORPORATE IMAGE, AND CORPORATE LIABILITY.

LIABILITY WAS FURTHER DEFINED AS THE INCREMENTAL LIABILITY FROM THIS POINT ON IF WE DO NOTHING AS WE ARE ALREADY LIABLE FOR THE PAST 32 YEARS OF OPERATION. CORPORATE IMAGE DISCUSSION CENTERED AROUND THE PERCEIVED DILIGENCE VERSUS OUR POLICIES IF WE ELECTED TO STOP WORK. CURRENTLY, NONE OF THE OPTIONS DEVELOPED ARE, FROM A FINE POWDER BUSSINESS STANDPOINT, ECONOMICALY ATTRACTIVE AND WOULD ESSENTIALLY PUT THE LONG TERM VIABILITY OF THIS BUSSINESS SEGMENT ON THE LINE. FROM A BROADER CORPORATE VIEWPOINT THE COSTS ARE SMALL. THE BASIS FOR A DECISION AT THIS POINT IS SUBJECTIVE AND IS MADE MORE DIFFICULT BY OUR CURRENT UNDERSTANDING OF TECHNOLOGY AND COST, AND THE IMPACT ON THE FINE POWDER BUSSINESS. IT’S NOT AN EASY AND OBVIOUS DICISION AS FOR EXMPLE TBSA WAS. LOOKING AHEAD, LEGAL AND MEDICAL WILL MOST LIKELY TAKE A POSITION OF TOTAL ELIMINATION. THEY HAVE NO INCENTIVE TO TAKE ANY OTHER POSITION. THE PRODUCT GROUP WILL TAKE A POSITION THAT THE BUSSINESS CANNOT AFFORD IT. THE END RESULT, IN MY OPPINON, WILL BE THAT WE ELIMINATE ALL C-8 EMISIONS AT OUR MANUFACTURING SITES IN A WAY YET TO BE DEVELOPED WHICH DOES NOT ECONOMICALLY PENALIZE THE BUSSINESS, AND ADDRESSES THE C8 EMISSION AND EXPOSURES OF OUR DISPERSION CUSTOMERS. SOME INFORMATION WHICH WE JUST DEVELOPED 5/21/84 IS THAT DETECTIBLE LEVELS OF C-8 ARE IN BOTH THE LUBECK, W.V. AND THE LITTLE HOCKING, OHIO WATER SYSTEMS.

WE SHOULD HAVE QUANTITATIVE NUMBERS IN THE NEXT TWO WEEKS. (…) C-8 WILL NOW BECOME A MAJOR ISSUE ON ALL FURTHER PROJECT WORK IN THE FINE POWDER AREA, STARTING WITH THE WILMINGTON SCOPE REVIEW 6/29/84. IN PREPERATION FOR THAT REVIEW I HAVE REQUESTED THE ESO GROUND LEVEL CONCENTRATION STUDY BE REDONE USING THE NEW PRODUCTION VOLUMES AND RECIPE (45% SOLIDS). ALSO WE HAVE INCLUDED IN THE DRAFT SCOPE OF WORK A NEW SMALL EXHAUST SYSTEM IN THE FRONT END OF THE DRYER BED TO TRY TO CATCH MOST OF THE C-8 IN A MUCH LOWER VOLUME AIR STREAM. THE PROJECT WILL PUT THIS STREAM TO THE EXHAUST STACK. THE INTENT IS TO FIRST REDUCE IN PLANT EXPOSURE. AND SECOND LEAVE A FUTURE CAPABILITY FOR TREATMENT OF THIS RELATIVELY CONCENTRATED

STREAM. I BELIEVE WE NEED TO SIT BACK DOWN WITH THE NEW INFORMATION WE NOW HAVE. AND THE FEEDBACK WE HAVE GOTTEN FROM THESE MEETINGS AND JOINTLY WITH PUTNAM REVIEW OUR PLANT POSITION. RAINES AT ONE POINT HAD REJECTED REDUCTION AS AN OPTION. THIS NEEDS TO BE INCLUDED IN OUR THINKING AGAIN.” 3.6. In de jaren daarna heeft Du Pont (oud) verschillende vergunningsaanvragen ingediend die mede betrekking hebben op de uitstoot van PFOA naar de lucht. Deze aanvragen zijn ingewilligd door gedeputeerde staten. Hierna is een overzicht opgenomen van de aanvragen die Du Pont (oud) in de jaren 1986-1998 heeft ingediend en van de besluiten die gedeputeerde staten op deze aanvragen hebben genomen. ontvangst aanvraag

besluit tot verlening vergunning

11 juli 1986

6 december 1988

30 oktober 1991

26 juni 1992

20 juni 1994

25 november 1994

7 december 1995

23 oktober 1996

2 maart 1998

24 september 1998

De vergunning van 1998 gold nog in 2012. 3.7. In de loop van 2012 is Du Pont (oud) gestopt met het uitstoten van PFOA naar de lucht en heeft zij op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een vergunning aangevraagd voor het gebruik van GenX-stoffen en het uitstoten daarvan naar de lucht. Op 28 juni 2012 hebben gedeputeerde staten hiervoor voor het eerst een vergunning verleend. Voor de periode daarna hebben gedeputeerde staten steeds, aanvankelijk op aanvraag aan Du Pont (oud) en later aan Chemours, Wabo-vergunningen voor uitstoot van GenX-stoffen naar de lucht verleend. 3.8. De Gemeenten zijn eigenaar van verschillende percelen die zijn gelegen binnen een straal van vijftien kilometer rondom de fabriek. 3.9. In opdracht van de Gemeenten is er in 2016 en 2017 bloedonderzoek verricht onder omwonenden van de fabriek. 3.10. De Gemeenten hebben in 2021 op grond van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem overbruggingsjaar 2021 een subsidie aangevraagd en verkregen van € 3.559.662,- voor buitenproportionele opgaven in verband met PFAS-verontreinigingen (hierna: SPUK-subsidie). 3.11. Het RIVM heeft op 5 september 2022 een rapport uitgebracht van een onderzoek naar gewassen van moestuinen die in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden binnen een straal van vijftien kilometer rondom de fabriek liggen.

In de in het rapport opgenomen ‘publiekssamenvatting’ staat onder meer: “(…) Als eerste blijkt dat mensen te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit de groep moestuinen die binnen 1 kilometer ten noordoosten van het chemiebedrijf liggen. Het RIVM adviseert om deze gewassen niet te eten omdat effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten. Als tweede blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via de gewassen uit een groep moestuinen die tussen 5 en 10 kilometer ten zuidwesten van het bedrijf ligt en ook niet uit een groep moestuinen die zo'n 15 kilometer ten noordoosten ligt. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen gewoon blijven eten.

De derde conclusie gaat over zes groepen moestuinen die op zo'n 1 tot 10 kilometer ten noordwesten, noordoosten of oosten van het bedrijf liggen of op zo'n 2,5 kilometer ten zuidwesten. Deze moestuinhouders krijgen ook niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. Deze moestuinhouders kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten, maar hen wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Producten uit de winkel bevatten namelijk minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk omdat mensen in Nederland via andere voedselproducten en drinkwater al meer PFAS binnenkrijgen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. DuPont/Chemours heeft twee soorten PFAS uitgestoten: tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 GenX. Deze twee PFAS zijn via de lucht op de bodem en in het water terechtgekomen. Via de grond en het water kwamen ze daarna in de gewassen uit de moestuinen. (…)” 3.12. Aansluitend op voormeld RIVM-onderzoek heeft onderzoeksbureau Arcadis de grond en het (irrigatie)water van de moestuinen onderzocht. In het op 10 januari 2023 uitgebrachte rapport staat in de ‘publiekssamenvatting’ onder meer: “(…) Voor het onderzoek zijn 10 clusters van moestuincomplexen en individuele moestuinen onderzocht, waaronder een referentiecluster.

Het referentiecluster is een groep tuinen die naar verwachting niet is beïnvloed door de uitstoot van de fabriek. De indeling in clusters is gekozen op basis van de afstand tot de fabriek en de overheersende windrichting. (…) PFOA wordt in alle clusters aangetroffen in de grond, het grondwater en in het slootwater. In het water uit de aanwezige regentonnen is geen of weinig PFOA aangetroffen. Zowel voor de groenten en het fruit als voor de grond en het grond-, regen- en slootwater geldt dat hoe verder de tuin van de fabriek vandaan ligt, hoe lager de concentraties PFAS zijn. Tuinen die vanaf de fabriek in de overheersende windrichting liggen (de wind waait vooral in noordoostelijke richting) hebben hogere concentraties in grond, water en gewassen dan tuinen waar de wind minder vaak naar toe waait. Bij hoge PFAS-concentraties in de grond en/of het water worden duidelijk hogere PFASconcentraties in groenten en fruit aangetroffen (cluster B-S). Op locaties waar lagere PFASconcentraties in de grond en het water worden aangetroffen zijn ook de PFAS-concentraties in groenten en fruit lager. De relatie tussen de concentraties in gewassen en in grond is echter niet volledig eenduidig. Conclusies voor gebruik moestuinen De resultaten zijn vergeleken met de meest recente risicogrenswaarden.

Risicogrenswaarden zijn concentraties in het milieu waarboven nadelige effecten op mens of milieu niet kunnen worden uitgesloten. Op basis van de gemeten concentraties in grond, water en gewassen en de meest recente risicogrenswaarden, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: A. Regenwater kan overal worden gebruikt om de groenten en fruit water te geven. Omdat PFAS langdurig kunnen hechten aan het oppervlak van oude regentonnen wordt wel geadviseerd om in de buurt van de fabriek van DuPont/Chemours (clusters B-P, B-S en E) oude regentonnen te vervangen. Slootwater kan in de clusters A, C, D, E, F, G, H en R gebruikt worden om groenten en fruit water te geven. In cluster B-P wordt aangeraden terughoudend te zijn met het gebruik van slootwater. In cluster B-S wordt het gebruik van slootwater voor de moestuin afgeraden. B. Grond in moestuinen heeft gemiddeld gesproken lagere PFOA-concentraties dan de grond van direct omliggende percelen. Dit is waarschijnlijk als gevolg van langdurige, intensievere bewatering en bewerking. De resultaten van het gewasonderzoek van RIVM zijn hierdoor mogelijk niet representatief voor recente of nieuw aan te leggen moestuinen in de nabije omgeving van de onderzochte complexen. Het advies is daarom voor het aanleggen van nieuwe moestuinen of

voedselbossen op percelen waar nog geen intensieve bewerking heeft plaatsgevonden, altijd eerst een bodemonderzoek uit te laten voeren naar de concentraties PFOA in grond. In het huidige rapport wordt hiervoor een voorstel gedaan voor te hanteren toetswaarden. C. In cluster B-S (Sliedrecht) is het mogelijk om groenten en fruit te telen indien gebruik wordt gemaakt van bakken met nieuwe grond. Voor de bewatering kan regenwater of kraanwater worden gebruikt. Het gebruik van slootwater wordt in dit cluster afgeraden. De resultaten van het grond en wateronderzoek bevestigen de resultaten van het RIVM: groenten en fruit uit de moestuinen in cluster B-S, direct benedenwinds van DuPont/Chemours kunnen beter niet gegeten worden. Verder weg van DuPont/Chemours, in de clusters A, B-P, C, D, E en F kunnen de groenten en het fruit worden gegeten, als dit afgewisseld wordt met groenten en fruit uit de winkel. In de verder weg gelegen clusters G, H en R zijn de concentraties in groenten en fruit lager en zijn er geen beperkingen met betrekking tot het eten uit de tuin. In alle gevallen wordt aangeraden om aanhangende grond zo goed mogelijk te verwijderen en groenten en fruit goed te wassen voor consumptie.”

4 De vordering na eiswijziging 4.1. In de conclusie van repliek hebben de Gemeenten hun eis gewijzigd. Zij vorderen thans om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: ( i) voor recht te verklaren dat Chemours onrechtmatig heeft gehandeld jegens (elk van) de Gemeenten in de periode vanaf de 2012-splitsing, alsmede aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van Du Pont (oud) in de periode tot aan de 2012-splitsing, door de emissie van PFOA in Dordrecht door Chemours vanaf de 2012-splitsing en door Du Pont (oud) tot aan de 2012splitsing, ter plaatse van de fabriek, te hebben laten plaatsvinden en laten voortduren ondanks de kennis die bij deze vennootschap aanwezig was of had behoren te zijn aangaande de risico’s voor mens en milieu van PFOA, ( ii) voor recht te verklaren dat Chemours onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens (elk van) de Gemeenten door de emissie van GenX-stoffen in Dordrecht door Chemours, ter plaatse van de fabriek, te hebben laten plaatsvinden, laten voortduren en niet te staken ondanks de kennis die bij deze vennootschap aanwezig is, was of had behoren te zijn aangaande de risico’s voor mens en milieu van GenX-stoffen, ( iii) voor recht te verklaren dat Chemours onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens (elk van) de Gemeenten in de periode vanaf de 2012-splitsing, alsmede aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van Du

Pont (oud) in de periode tot aan de 2012-splitsing, door het ten gevolge van de emissie van PFOA en/of GenX-stoffen, als bedoeld onder (i) en (ii), veroorzaken van bodem- en grondwaterverontreiniging binnen (elk van) de Gemeenten, meer specifiek ter zake van de percelen die in eigendom zijn van (elk van) de Gemeenten, ( iv) voor recht te verklaren dat Chemours onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens (elk van) de Gemeenten in de periode vanaf de 2012-splitsing, alsmede aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van Du Pont (oud) in de periode tot aan de 2012-splitsing, door het ten gevolge van de emissie van PFOA en/of GenX-stoffen, als bedoeld onder (i) en (ii), veroorzaken van bodem- en grondwaterverontreiniging binnen (elk van) de Gemeenten, meer specifiek ter zake van de percelen die in eigendom zijn van (elk van) de Gemeenten en na te laten deze bodem- en grondwaterverontreiniging te saneren dan wel ongedaan te maken, ( v) voor recht te verklaren dat Du Pont (oud) op grond van artikel 2:334t BW (zo mogelijk

hoofdelijk) aansprakelijk is voor alle vorderingen van de Gemeenten op Chemours die voortvloeien uit de onrechtmatige handelingen van Du Pont (oud) onder (i) tot en met (iv) in de periode van 1967 tot aan de 2012-splitsing, voor zover Chemours niet aan haar veroordeling voldoet binnen 30 kalenderdagen na betekening van het vonnis waaruit die veroordeling van Chemours voortvloeit, ( vi) voor recht te verklaren dat Du Pont (nieuw) op grond van artikel 2:334t BW (zo mogelijk hoofdelijk) aansprakelijk is voor alle vorderingen van de Gemeenten op Chemours die voortvloeien uit de onrechtmatige handelingen van Chemours en Du Pont (oud) onder (i) tot en met (iv) in de periode van 1967 tot aan de 2015-splitsing, voor zover Chemours niet aan haar veroordeling voldoet binnen 30 kalenderdagen na betekening van het vonnis waaruit die veroordeling van Chemours voortvloeit, ( vii) Chemours c.s., ten aanzien van Du Pont (oud) en Du Pont (nieuw) met inachtneming van de beperkingen als voor hen opgenomen onder (v) respectievelijk (vi), (zo mogelijk hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van de schade die de Gemeenten hebben geleden en lijden als gevolg van de onrechtmatige handelingen van Chemours en Du Pont (oud) als omschreven onder (i) tot en met (iv), nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaardingen tot aan die der algehele voldoening en

te vereffenen volgens de wet, ( viii) Chemours c.s. (zo mogelijk hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis, ( ix) Chemours c.s. (zo mogelijk hoofdelijk) te veroordelen in de nakosten.

5 Het tussenvonnis en de (nadere) standpunten

5.1. In het tussenvonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank naar aanleiding van (formele) verweren van Chemours c.s. onder meer overwogen en beslist: - dat de Gemeenten belang in de zin van artikel 3:303 BW hebben bij hun vorderingen, zij het dat het belang bij de onderdelen (i) en (ii) naast onderdeel (iii) van het (toenmalige) petitum op dat moment nog onvoldoende duidelijk was, - dat de vorderingen niet verjaard zijn; - dat artikel 6:175 BW met ingang van 1 februari 1995 toepasselijk is op de uitstoot van PFOA, mits aan de in dat artikel opgenomen materiële vereisten is voldaan, - dat de luchtemissie van GenX-stoffen is aangevangen na 1 februari 1995 en dat artikel 6:175 BW daarom van toepassing is op deze uitstoot, mits aan de in dat artikel opgenomen materiële vereisten is voldaan. De rechtbank heeft de Gemeenten verzocht zich in hun conclusie van repliek met name uit te laten op drie punten ((a) achtergehouden/verzwegen informatie, (b) vrijwaring van aansprakelijkheid en (c) schade), waarop Chemours c.s. in hun conclusie van dupliek zouden kunnen reageren. 5.2. De Gemeenten stellen, samengevat, het volgende. 5.2.1.

De uitstoot van PFOA (van 1967 tot 2012) en GenX-stoffen (vanaf 2012) vanuit de fabriek naar de lucht heeft geleid tot verontreiniging van percelen die eigendom zijn van de Gemeenten en van de leefomgeving van de inwoners van de Gemeenten, gezien de milieuen gezondheidsrisico’s die verbonden zijn aan PFOA en GenX-stoffen. Chemours c.s. waren bekend met deze risico’s van PFOA, maar zij hebben bij hun vergunningsaanvragen het bevoegd gezag steeds niet naar behoren over deze risico’s geïnformeerd. In 2012 is

Chemours met het gebruik van PFOA gestopt en vanaf dat moment is zij GenX-stoffen gaan gebruiken. Chemours c.s. wisten toen al dat ook GenX-stoffen gevaarlijke stoffen zijn voor mens en milieu; ook op dat punt hebben zij het bevoegd gezag niet naar behoren geïnformeerd. 5.2.2. Chemours en Du Pont (oud) hebben de op hen rustende zorgplicht met betrekking tot het gebruik van de gevaarlijke stoffen PFOA en GenX geschonden. Chemours en Du Pont (oud) hebben nagelaten: om de Gemeenten en de omgeving van de fabriek te informeren over en te waarschuwen voor de risico’s van de emissie van PFOA en GenX-stoffen voor mens en milieu, om de emissie van PFOA en GenX-stoffen aanzienlijk te beperken of te staken, ondanks de bij Chemours en Du Pont (oud) aanwezige kennis over de milieu- en gezondheidsrisico’s van de emissie van PFOA en GenX-stoffen, om maatregelen te treffen om de door de emissie van PFOA en GenX-stoffen veroorzaakte schade, waaronder de verontreiniging van percelen van de Gemeenten, ongedaan te maken door PFOA-deeltjes en GenX-stofdeeltjes van deze percelen te verwijderen. 5.2.3. Chemours c.s. zijn primair op grond van artikel 6:175 BW en subsidiair op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die de Gemeenten als gevolg van de uitstoot van PFOA en GenX-stoffen hebben geleden, lijden of zullen lijden. 5.2.4.

De Gemeenten vorderen vergoeding van de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen van Chemours en Du Pont (oud), nader op te maken bij staat. De Gemeenten stellen onder meer de volgende schadeposten te hebben: de waardevermindering van percelen grond in en van de Gemeenten vanwege de aanwezigheid van PFOA en GenX-stoffen in de bodem en het grondwater, kosten voor de inrichting en het gebruik van (tijdelijke) depots, kosten voor het afvoeren van met PFOA verontreinigde grond, vertragingsschade ten aanzien van verschillende bouwprojecten, aansprakelijkheid jegens derden, blijkend uit ontvangen aansprakelijkstellingen van aannemers vanwege het niet kunnen nakomen door de Gemeenten van overeenkomsten tot levering van grond, onderzoekskosten, ambtenarenkosten, kosten voor advisering en communicatie, advocaatkosten. 5.3. Chemours c.s. stellen vast dat de Gemeenten zich onvoldoende hebben gehouden aan de instructie van de rechtbank in het tussenvonnis van 21 september 2022. Zij betwisten verder de door de Gemeenten gestelde feiten en de daaraan door de Gemeenten verbonden gevolgtrekkingen. Zij voeren daartoe – kort samengevat – het volgende aan: 5.3.1. Betwist wordt dat de Gemeenten eigenaar zijn van percelen waarop verontreiniging is vastgesteld door neerslag van PFOA en GenX-stoffen als gevolg van luchtemissies vanuit de fabriek.

De stellingen van de Gemeenten op dat punt zijn onvoldoende concreet. 5.3.2. Chemours c.s. zijn niet op grond van artikel 6:175 BW aansprakelijk. Aan de in artikel 6:175 BW gestelde criteria is niet voldaan. Van zowel PFOA als GenX-stoffen was nog geen gevaar bekend op het moment dat met het gebruik van deze stoffen werd begonnen. PFOA en GenX-stoffen zijn ook nu geen gevaarlijke stoffen in de zin van artikel 6:175 BW. Dat een stof ‘zeer zorgwekkend’ is, betekent nog niet per definitie dat deze stof ‘een bijzonder gevaar

van ernstige aard’ meebrengt. Verder zijn de GenX-stoffen FRD-903 en E1 geen (hulp)stoffen die Chemours toevoegt aan het productieproces, en dus geen stoffen die Chemours in de uitoefening van haar bedrijf gebruikt of onder zich heeft zoals bedoeld in artikel 6:175 BW. Tot slot zijn de emissies van PFOA en GenX-stoffen steeds vergund geweest, waarop aansprakelijkheid afstuit (artikel 6:178 sub f BW). 5.3.3. Chemours c.s. zijn evenmin op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk. Een algemene zorgvuldigheidsnorm en/of zorgplicht is niet geschonden. Aan de gevaarzettingscriteria van de Hoge Raad in geval van blootstelling aan gevaarlijke stoffen is niet voldaan (Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0567). Chemours c.s. hebben steeds een vergunning gehad voor hun luchtemissies en zij hebben binnen de kaders van hun vergunningen gehandeld. Verder is er geen causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de gestelde schade en is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. 5.3.4. Eventuele schade bij de Gemeenten is het gevolg van hun eigen handelen en/of nalaten en van handelen en/of nalaten van derden (artikel 6:98 en 6:101 BW). De informatie over PFOA en GenX-stoffen was publiekelijk bekend en meer in het bijzonder bekend bij de Gemeenten.

Als er al reden zou zijn geweest tot zorg, dan hadden de Gemeenten als betrokken bestuursorganen voldoende inspraakmogelijkheden bij het bevoegd gezag om, in het kader van de vergunningverlening, hun zorgen te uiten over de emissie van PFOA of GenX-stoffen. Dat hebben zij echter niet gedaan en zij hebben evenmin enig rechtsmiddel (bezwaar en/of (hoger) beroep) aangewend tegen één van de milieuvergunningen. Indien de Gemeenten al schade hebben geleden of lijden, dan is dat aan henzelf toe te rekenen. 5.3.5. Tot slot betwisten Chemours c.s. de door de Gemeenten gestelde schade in het algemeen. Ook de specifieke schadeposten worden betwist. De door middel van de SPUK-subsidie verkregen gelden moeten bij een eventuele schadeberekening worden betrokken.

6 De verdere beoordeling Processuele aspecten 6.1. Er is geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en die is ook niet in strijd met de goede procesorde, zodat recht gedaan wordt op de gewijzigde eis. Chemours c.s. brengen naar voren dat de eiswijziging aanleiding moet zijn om de in het tussenvonnis van 21 september 2022 verworpen verweren opnieuw te beoordelen. Zij leggen echter niet voldoende uit waarom dat zou moeten en de rechtbank ziet daar ook geen reden voor. 6.2. Voor zover Chemours c.s. consequenties verbonden willen zien aan het onvoldoende opvolgen van de instructies in het tussenvonnis van 21 september 2022, stelt de rechtbank voorop dat zij in dat vonnis geen opdrachten, maar verzoeken aan partijen heeft geformuleerd. Deze verzoeken, waaraan de Gemeenten inderdaad niet volledig hebben voldaan, waren bedoeld ter stroomlijning van het partijdebat en ter verduidelijking van de standpunten. Nu de Gemeenten op verschillende punten wel nader zijn ingegaan, mede aan de hand van nieuwe producties, ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het niet volledig voldoen aan de verzoeken van de rechtbank door de Gemeenten. De doorkruisingsleer 6.3. Voor zover het beroep op de doorkruisings-/tweewegenleer zo moet worden opgevat dat Chemours c.s.

menen dat de Gemeenten niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen of dat de vorderingen in verband hiermee zonder verder onderzoek moeten worden afgewezen, gaat dat

beroep niet op. 6.4. Het gaat hier om de vraag of de overheid, indien haar bij een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van de bevoegdheden die zij in beginsel heeft op grond van het privaatrecht. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid om overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid om bij de burgerlijke rechter een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad in te stellen. Wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling daarin niet voorziet, is voor het antwoord op deze vraag beslissend of gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van de overige geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht. Van belang is verder of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid.

Als dat zo is, dan is dat een belangrijke aanwijzing dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg (Hoge Raad 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965). 6.5. De Gemeenten zijn, behalve de gemeente Dordrecht in de periode tot 1982 (zie 3.2), geen bevoegd gezag waar het gaat om de vergunningen. Dat de Gemeenten in de vergunningsprocedures mogelijk adviezen of zienswijzen hadden kunnen geven en/of rechtsmiddelen hadden kunnen instellen, betekent niet dat de onderhavige procedure een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Het staat niet vast dat de Gemeenten langs publiekrechtelijke weg hadden kunnen bereiken dat de vergunningen zouden zijn geweigerd of ingetrokken. Dit laatste had wat betreft de periode tot 1982 wel bereikt kunnen worden door de gemeente Dordrecht, maar dat leidt zoals hierna zal blijken inhoudelijk niet tot een andere uitkomst. Daarnaast hadden de Gemeenten in een bestuursrechtelijke procedure geen verklaringen voor recht of schadevergoeding kunnen vorderen. 6.6. Ook vordering (iv) komt niet in strijd komt met de doorkruisingsleer.

Hoewel de Gemeenten in de dagvaarding (onder 2.134) zelf stellen dat het ook een optie was geweest om een last tot ongedaanmaking van de bodemverontreiniging op te leggen op grond van artikel 13 Wet bodembescherming (hierna: Wbb), blijkt uit vordering (vii) dat het in deze procedure uiteindelijk gaat om schadevergoeding. Op dit aspect wordt, in het kader van de bespreking van vordering (iv), onder 6.47 teruggekomen. Ook op de relevantie van de doorkruisingsleer voor enkele onderdelen van de vorderingen wordt hierna bij het bespreken van enkele schadeposten teruggekomen. De uitstoot van PFOA 6.7. De uitstoot van PFOA naar de lucht heeft grotendeels plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van artikel 6:175 BW op 1 februari 1995. Wat betreft de periode tot 1 februari 1995 kan dus alleen artikel 6:162 BW / artikel 1401 BW (oud) (onrechtmatige daad) als grondslag dienen voor de door de Gemeenten primair gestelde aansprakelijkheid (zie 5.1 en het tussenvonnis van 21 september 2022). Om deze reden zal de rechtbank als eerste onderzoeken of de uitstoot van PFOA over de gehele periode een (algemene) onrechtmatige daad oplevert. Indien nodig, zal later beoordeeld worden of er (ook), gedurende een deel van de periode, in strijd met (het bijzondere) artikel 6:175 BW is gehandeld. Omdat Chemours c.s.

bij wijze van verweer aanvoeren dat de verleende vergunningen hen vrijwaren voor alle aanspraken van de Gemeenten, zal de rechtbank dat verweer eerst bespreken. Daarbij geldt als uitgangspunt dat tussen partijen vaststaat dat Du Pont (oud) en nu Chemours steeds beschikten over vergunningen voor hun uitstoot en dat zij zich wat betreft de emissies

naar de lucht steeds aan (de voorwaarden van) die vergunningen hebben gehouden. Vrijwaart de vergunning? 6.8. De vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de hem verstrekte vergunning handelt, maar daarbij schade of hinder toebrengt aan derden, hangt af van de aard van de vergunning, het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust en de (andere) omstandigheden van het geval (Hoge Raad 10 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1311). De vergunninghouder mag er in het algemeen op vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend, dat de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op juiste wijze zijn afgewogen en dat hij gerechtigd is om van die vergunning gebruik te maken. 6.9. Wel wordt dan verondersteld dat de vergunninghouder met betrekking tot de vergunde activiteit bij de vergunningsaanvraag alle relevante informatie waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken met het bevoegd gezag deelt. Voor Chemours c.s. geldt dit uitgangspunt des te meer, omdat het gaat om stoffen die in de fabriek worden gebruikt bij de vervaardiging van Teflon en Du Pont VS Teflon zelf heeft ontwikkeld.

Gelet hierop mag van Du Pont (oud) en Chemours worden verwacht dat zij bij uitstek deskundig zijn wat betreft het productieproces en de daarbij gebruikte of vrijkomende stoffen. De kennisvoorsprong die Du Pont (oud) en Chemours hadden (en hebben), brengt een extra verantwoordelijkheid mee om het bevoegd gezag over alle relevante informatie (in voorkomend geval ook tussentijds) te informeren, zeker wanneer het publiek belang in het geding is. 6.10. Tussen partijen is niet in geschil dat alle bij Du Pont VS bestaande kennis over PFOA met Chemours c.s. is gedeeld. De Gemeenten betogen dat Du Pont (oud) in 1980, 1984, 1993 en 1995 relevante informatie heeft verzwegen. Chemours c.s. betwisten dat. de periode tot 1984 6.11. Uit de stukken kan worden afgeleid dat er voor Du Pont (oud) al begin jaren tachtig indicaties waren dat het gebruik van PFOA nadelige gevolgen kan hebben voor mens en milieu. Zo staat in het interne memo van Du Pont VS van de op 31 juli 1980 gehouden vergadering (zie 3.3) dat C-8 (een aanduiding voor een groep stoffen waartoe PFOA behoort) giftig is, dat het de eigenschap heeft zich langzaam op te stapelen in het bloed en dat continue blootstelling moet worden vermeden. Er staat echter ook dat PFOA “can be handled safely” en “can be used and controlled below the proposed toxic limit” mits maatregelen tegen continue blootstelling van werknemers worden getroffen.

Deze informatie en verdere Amerikaanse onderzoeksresultaten zijn vervolgens ook in de Nederlandse tak van Du Pont besproken. Zo blijkt uit een intern memo van Du Pont (oud) van 2 april 1981 (zie 3.4) dat 3M, de Amerikaanse leverancier van PFOA, de voorlopige onderzoeksresultaten van in de VS uitgevoerde dierproeven aan Du Pont VS heeft bekendgemaakt. Uit die resultaten bleek dat toediening van PFOA aan vrouwelijke ratten tot geboorteafwijkingen bij de jongen kan leiden, maar dat nog onduidelijk was of PFOA ook voor mensen soortgelijke gevolgen zou hebben. Een en ander is voor Du Pont (oud) aanleiding geweest om uit voorzorg te besluiten dat “vrouwelijke employés die in de vruchtbare jaren zijn" niet meer blootgesteld mochten worden aan PFOA. 6.12. Dat Du Pont (oud) destijds aanleiding heeft gezien om een dergelijke voorzorgsmaatregel te treffen, had voor haar op zichzelf reden kunnen zijn om het bevoegd gezag (in Nederland) over de onderzoeksresultaten en de getroffen voorzorgsmaatregel te informeren. Anderzijds kan ook gezegd worden dat daar voor Du Pont (oud) op dat moment nog onvoldoende concrete aanleiding toe bestond. Zo komt uit de memo’s het beeld naar voren dat Du Pont VS en Du Pont (oud) op dat moment de daadwerkelijke schadelijke gevolgen van het gebruik van PFOA voor mens en milieu

nog niet voldoende konden overzien. Het betroffen immers voorlopige onderzoeksresultaten, waarbij nog niet bekend was of de resultaten van de dierproeven ook toepasselijk zouden zijn bij blootstelling van de mens aan PFOA. Du Pont (oud) was daarnaast, zo staat in het memo, nog in afwachting van aanbevelingen van de medische afdeling van Du Pont VS naar aanleiding van een in de VS gehouden bloedonderzoek onder werknemers. Voorts bestaat verschil tussen de blootstelling van eigen personeel bij het productieproces en de (geringere en andersoortige) blootstelling van het algemeen publiek door emissies in de lucht. Uit de hiervoor besproken memo’s uit 1980 en 1981 volgt niet dat er destijds al vrees bestond dat de uitstoot van PFOA naar de lucht voor de omgeving van de fabrieken van het concern ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Alles afwegend was Du Pont (oud) naar het oordeel van de rechtbank in 1980/1981 nog niet rechtens gehouden om nadere informatie te verstrekken aan het bevoegd gezag, althans het tegendeel is in deze procedure niet komen vast te staan. Omdat niet is komen vast te staan dat Du Pont (oud) in 1980/1981 (of daarvoor) relevante informatie heeft verzwegen voor de vergunningverlener – in die periode was dat de gemeente Dordrecht – en de Gemeenten in dit verband geen andere argumenten hebben aangevoerd, slaagt het verweer van Chemours c.s.

dat de verleende vergunning haar in deze periode vrijwaart van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. 1984 6.13. Dit kan in 1984 niet meer gezegd worden. Op dat moment was uit onderzoek gebleken dat er in de omgeving van de Du Pont-fabriek in Parkersburg (VS) in publieke watervoorzieningen PFOA was aangetroffen en dat een verband werd gelegd met uitstoot van PFOA via de lucht door de Du Pont-fabriek. Hoewel Chemours c.s. in deze procedure ter zitting hebben verklaard dat zeer lang gedacht is dat PFOA oplost in de lucht en dus niet neerslaat, is dit een duidelijke contra-indicatie voor die (niet behoorlijk onderbouwde) gedachte, die Du Pont (oud) niet had kunnen en mogen negeren. Uit het interne memo van Du Pont VS van 23 mei 1984 (zie 3.5) valt op te maken dat op grond van deze informatie tijdens een vergadering in de VS de mogelijkheid is besproken om de emissie van PFOA volledig te staken.

Ondanks de verwachting dat de juridische en de medische afdeling van Du Pont VS zouden adviseren om volledig met PFOA te stoppen (“Looking ahead, legal and medical will most likely take a position of total elimination”), heeft Du Pont VS daar toen niet toe besloten, omdat dit niet “economically attractive” was en het de levensvatbaarheid van het betreffende bedrijfsonderdeel in gevaar zou kunnen brengen (“would essentially put the long term viability of this business segment on the line”). 6.14. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat de binnen het Du Pont-concern bestaande zorgen over PFOA zich in 1984 niet meer alleen op mogelijk schadelijke gevolgen voor (vrouwelijke) werknemers van Du Pont richtten, maar ook op mogelijk schadelijke gevolgen voor de omgeving, zowel voor omwonenden als voor het milieu (het oppervlaktewater en de bodem). Omdat niet in geschil is dat de in de VS bestaande kennis met de Nederlandse tak van Du Pont werd gedeeld, moet deze kennis ook bij Du Pont (oud) bekend zijn geweest. Gezien deze ontwikkelingen kon Du Pont (oud) niet langer zwijgen en had zij vanaf 1984 gedeputeerde staten (als vergunningverlener) tussentijds moeten informeren over de ontstane zorgen over het gebruik van PFOA, mede naar aanleiding van wat in de omgeving van de Du Pont-fabriek in Parkersburg was gebleken. Vast staat dat Du Pont (oud) dit toen niet heeft gedaan.

Het betoog van Chemours c.s. dat het nader informeren van de vergunningverlener niet nodig was, omdat de wetenschap over de schadelijkheid van PFOA algemeen bekend was, heeft geen betrekking op de situatie in 1984 en kan alleen al daarom niet tot een andere conclusie leiden. Daarnaast had het uit een oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van Du Pont (oud) gelegen om aan de Gemeenten mee te delen dat aan gedeputeerde staten tussentijds nadere informatie was verstrekt over PFOA. De eventuele schadelijke gevolgen van de uitstoot daarvan naar de lucht doen zich immers in belangrijke mate in de Gemeenten voor, waarmee het belang van de Gemeenten om hierover ingelicht te worden in beginsel is gegeven. Uit praktisch oogpunt en omdat Du Pont (oud) na het verschijnen van het memo van 23 mei 1984 enige tijd moest worden

gegund voor het maken van deze afweging, acht de rechtbank de uitstoot van PFOA naar de lucht vanaf 1 juli 1984 onrechtmatig ten opzichte van de Gemeenten. De conclusie is dat het betoog van de Gemeenten dat Du Pont (oud) in 1984 relevante informatie heeft verzwegen slaagt. Het beroep van Chemours c.s. op de vrijwarende werking van de verleende vergunning slaagt dus vanaf 1 juli 1984 niet langer. De periode vanaf 1 juli 1984 6.15. Vervolgens staat ter beoordeling of Du Pont (oud) bij een van de vergunningsaanvragen na 1 juli 1984 alsnog voldoende informatie aan gedeputeerde staten heeft verstrekt. Als zij dat heeft gedaan, kan de op basis van die aanvraag verleende vergunning een vrijwarende werking hebben. 6.16. Chemours c.s. stellen zich, mede onder verwijzing naar een rapport van TAUW, op het standpunt dat zij, gelet op de omstandigheden, de wetenschap en de geldende eisen op het moment van indiening, bij het indienen van elk van de in 3.6 vermelde aanvragen voldoende informatie hebben verstrekt over de mogelijke risico’s van de uitstoot van PFOA naar de lucht. 6.16.1. Wat betreft de aanvragen uit 1986, 1991, 1994 en 1995 volgt de rechtbank dit standpunt niet.

De algemene argumenten dat veel en inzichtelijke informatie is verstrekt en dat de aanvragen (ook volgens TAUW) van hoog niveau waren, zeker naar toenmalige maatstaven, betekent nog niet dat de in 6.14 bedoelde informatie is verstrekt. Of Du Pont (oud) in 1993 en 1995 andere relevante informatie heeft verzwegen, zoals de Gemeenten stellen, hoeft gelet hierop niet afzonderlijk beoordeeld te worden. In de aanvraag uit 1986 is weliswaar gewezen op de risico’s van de gebruikte stoffen, maar dan toegespitst op de gevaren voor brand en explosie. In het rapport van TAUW wordt evenmin gesteld dat bij deze aanvraag specifieke informatie is verstrekt over het risico van de uitstoot van PFOA naar de lucht voor de omgeving. Wel heeft Du Pont (oud) in 1988 een grenswaarde ingesteld voor de blootstelling van het milieu en de bevolking aan via de lucht uitgestoten PFOA, wat op zichzelf laat zien dat zij de problematiek serieus nam en haar productieproces daar op had aangepast. Maar dat ontsloeg Du Pont (oud), met haar kennisvoorsprong omtrent deze problematiek, niet van haar verantwoordelijkheid om het bevoegd gezag op dit punt nader en expliciet te informeren.

In haar aanvraag uit 1994 heeft Du Pont (oud) gewezen op de moeilijke biologische afbreekbaarheid van PFOA, op een op dat moment lopend onderzoek in de VS naar PFOA, de vooralsnog niet succesvolle zoektocht naar geschikte alternatieven en de inschatting dat, als die alternatieven niet snel gevonden zouden worden, emissiebeperkende maatregelen onvermijdelijk zouden zijn. Ook daarmee is niet voldoende specifiek gewezen op wat Du Pont VS in 1984 al voorzag, namelijk dat de schadelijke gevolgen van PFOA voor de omgeving mogelijk zodanig zouden blijken te zijn dat er uit juridisch en medisch oogpunt waarschijnlijk gekozen zou moeten worden voor het stoppen (of in elk geval het zeer aanzienlijk beperken) van de uitstoot. Ook in deze aanvraag is derhalve niet de voor een geslaagd beroep op vrijwaring vereiste informatie verstrekt. 6.16.2. Chemours c.s. wijzen erop dat in tabel 6.8.5 van de aanvraag van 2 maart 1998 staat vermeld dat het gebruikte dispergeermiddel (PFOA) in WMS-klasse “R 22-36” valt. Volgens het rapport van TAUW betekent dit dat gedeputeerde staten op de volgende eigenschappen van PFOA zijn gewezen: “- R 22: Schadelijk bij opname door de mond - R 23: Giftig bij inademing - R 24: Giftig bij aanraking met de huid - R 25: in geval van inslikken onmiddellijk een arts raadplegen en de verpakking of het etiket tonen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/650/documents/11853