Bijlagen - Voorstel Belastingverordeningen 2026.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1 – Overzicht diverse heffingen Onroerende ZaakbelastingWoningen Eigenaar Onroerende ZaakbelastingNiet-Woningen Onroerende ZaakbelastingNiet-Woningen Gebruiker Afvalstoffenheffing 1 persoonshuishouden 2 persoonshuishouden meerpersoonshuishouden Ontgendelingstarief inzamelingsvoorzieningrestafval 30 Liter inwerptrommel 60 Liter inwerptrommel Rioolheffing Toeristenbelasting Begraafrechten Begraafrecht algemeen graf inclusief 15 jaar onderhoud en inschrijvingregister Aankoop en begraafrecht particulier graf inclusief 15 jaar onderhoud en inschrijvingregister
Realisatie2023 Realisatie2024 Begroting2025 Begroting2026 € 5.592.000 € 5.788.000 € 5.924.000 € 6.123.000 € 1.953.000 € 1.929.000 € 2.013.000 € 2.132.000 € 1.380.000 € 1.367.000 € 1.310.000 € 1.362.000 € 5.136.000 € 5.014.000 € 5.664.000 € 5.863.000
€ € €
2.489.000 € 75.000 € 364.000 €
2.559.000 € 58.000 € 356.000 €
2.642.000 € 56.000 € 408.000 €
Omgevingsvergunning
€
294.000 €
1.557.000 €
860.000 €
Overige leges Totaal
€ €
898.000 € 18.181.000 €
883.000 € 19.511.000 €
926.000 € 19.803.000 €
Tarief 2024 0,1136% 0,3261% 0,2438%
Tarief 2025 0,1088% 0,3359% 0,2334%
Tarief 2026 0,1050% 0,3323% 0,2302%
€ € €
290,00 € 312,00 € 360,00 €
309,00 € 339,00 € 394,00 €
328,00 360,00 417,00
€ € 2.753.000 € 66.000 € 408.000
0,75 € 1,50 € 169,00 € 1,52 €
0,75 € 0,90 1,50 € 1,80 174,00 Diverse tarieven 1,56 € 2,34
€
2.438,00 €
2.500,00 €
2.563,00
€
3.637,00 €
3.829,00 €
3.925,00
Variabel tarief Variabel tarief Variabel tarief %van de %van de %van de bouwkosten bouwkosten bouwkosten 945.000 Diverse tarieven Diverse tarieven Diverse tarieven 20.512.000 860.000
Bijlage 2 – Overzicht wijzigingen belastingen retributieverordeningen Overzicht wijzigingen Belasting- en retributieverordeningen Tariefwijziging Onroerende Zaakbelasting* 4,00% Basistarief afvalstoffenheffing excl. Ontgrendelingstarief 3,50% Rioolheffing (woningeigenaren met WOZ > € 75.000)** -5,20% Parkeerbelasting 2,50% Eenmalig rioolaansluitrecht 2,50% Kadegeld 2,50% Leges 2,50% Lijkbezorgingsrechten 2,50% Marktgeld 2,50% Toeristenbelasting Landelijk gemiddelde * Bij de OZB betreft een opbrengstenwijziging ** zie bijlage 4 voor toelichting systeemwijziging rioolheffing.
Bijlage 3 – Wijzigingen per verordening 1. Onroerendezaakbelastingen De onroerende zaakbelastingen (OZB) genereren veruit het grootste deel van de gemeentelijke belastingopbrengst. De OZB bestaat uit drie verschillende belastingen: een eigenarenbelasting voor woningen en niet-woningen en een gebruikersbelasting voor niet-woningen. De opbrengst vloeit naar de algemene middelen van de gemeente. De raad bepaalt met het vaststellen van de begroting de totale opbrengst van deze heffing. De heffingsgrondslag voor de OZB is de totale WOZ-waarde van de onroerende zaken, oftewel de WOZ-capaciteit. Deze wordt vastgesteld volgens de regels van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor 2026 gelden de WOZwaarden met als waardepeildatum 1 januari 2025. Door de geraamde opbrengst te delen door de WOZ-capaciteit ontstaat het tarief en daarmee het bedrag dat de belastingplichtigen moeten betalen. De OZB wordt berekend naar een percentage van de WOZ-waarde van de onroerende zaak. De WOZ-waardeontwikkeling van peildatum 1 januari 2024 naar 1 januari 2025 is voor woningen berekend op 9 % en voor niet-woningen op 2,8 %. De OZB-tarieven voor 2026 worden: Gebruikersbelasting niet-woningen Eigenarenbelasting woningen Eigenarenbelasting niet-woningen
0,2302 % 0,1050 % 0,3323 %
De tarieven zijn gebaseerd op de totaalopbrengsten van OZB. Voor 2026 is er rekening gehouden met een inflatie van 2,5% plus 1,5% bovenop de reguliere indexatie (lopend beleid) en met de areaalontwikkeling. 2. Afvalstoffenheffing. Papendrecht heeft met ingang van 2024 het recycle-tarief (diftar) ingevoerd. Inwoners betalen vanaf dan een basisbedrag. Indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één, twee of meerpersoons dan bedraagt het basistarief voor 2026: Eén persoon: € 328,00 Twee personen: € 360,00 Meerpersoons: € 417,00 Naast het basisbedrag is een bedrag voor restafval per ontgrendeling van de verzamelcontainer en/of lediging van een minicontainer verschuldigd. Deze tarieven per ontgrendeling/lediging bedragen: Ontgrendeling 30 Liter : € 0,90 Ontgrendeling 60 Liter : € 1,80 Voor de lediging van een minicontainer wordt het tarief in 2026: 140 liter minicontainer voor restafval: € 4,20 240 liter minicontainer voor restafval: € 7,20
De tarieven van de afvalstoffenheffing zijn op basis van de begroting van HVC berekend. Hierbij is met betrekking tot de toegerekende btw-component vanaf 2026 rekening gehouden met een gemaximaliseerd bedrag van € 900.000. Bij de toepassing van de tariefdifferentiatie wordt onderscheid gemaakt tussen een vast tarief (basis) en een kleptarief (variabel). Beide componenten zijn aan loon- en prijsontwikkeling onderhevig. Daarnaast wordt het kleptarief ook nog beïnvloed door de hoeveelheid restafval die wordt aangeboden. Aangezien de afvalstoffenheffing een gesloten systeem is, alle uitgaven worden gedekt door heffing, zal bij de burger nooit meer in rekening worden gebracht dan nodig is. De kosten van de afvalstoffenheffing stijgen, maar er is sprake van minder meerkosten. 3. Riool- en waterzorgheffing In 2025 heeft de raad het voorstel aangenomen om de rioolheffing met ingang van 2026 te baseren op de WOZ-waarde van een pand. Deze systematiek sluit beter aan bij de gedachtegoed van de rioolheffing en bij de gemeentelijke zorgplichten op het gebied van afval-, hemel- en grondwater. De nieuwe systematiek zorgt voor een eerlijkere verdeling van de lasten, doordat deze evenwichtiger worden verdeeld over inwoners en bedrijven. Daarbij dragen niet-woningen een grotere bijdrage dan voorheen, wat ertoe leidt dat het basistarief voor de rioolheffing in 2026 lager uitvalt dan in 2025.
In de daaropvolgende jaren stijgt de rioolheffing jaarlijks met 3,5% conform het water-rioleringsplan. De stijging is noodzakelijk omdat door afronding van reconstructie projecten de kapitaallasten stijgen. De berekende stijging voor de rioolheffing is exclusief inflatiecorrectie. Verder wordt in de berekening van de tarief rekening gehouden met alleen de btw-toerekening over de exploitatielasten en niet de over de investeringen. 4. Eenmalig rioolaansluitrecht De tarieven voor éénmalig rioolaansluitrecht zijn verhoogd met 2,5 % prijscompensatie. 5. Kadegeld De tarieven voor kadegeld zijn verhoogd met 2,5 % prijscompensatie. 6. Legesverordening Hoofdstuk 1 De volgende wijzigingen zijn gemaakt: De tarieven zijn verhoogd met 2,5% prijscompensatie met uitzondering van: Paragraaf 1.2 Reisdocumenten Paragraaf 1.3 Rijbewijzen Artikel 1.25, onder a (Verklaring omtrent het gedrag) Artikel 1.31 Wet op de Kansspelen (Wettelijk maximaal tarief) De tarieven voor reisdocumenten, rijbewijzen en de verklaring omtrent gedrag worden na publicatie van de Rijkstarieven aangepast. Artikel 1.29 lid a Huisvestingswet 2014 is het bedrag voor het in behandeling nemen van een voorrangsverklaring verhoogd naar €81,15. Dit in verband met een regionale afspraken.
Hoofdstuk 2 Tarieven zijn aangepast conform uurtarief OZHZ of met 2,5% prijscompensatie. Verder zijn onderstaande aanpassingen aangebracht. Artikel 2.3 onder 7 Zinssnede 'of naar het oordeel van de gemeente, geen volledig' toegevoegd. In de praktijk komt het voor dat initiatiefnemers het vooroverleg traject vroegtijdig afbreken, voordat het initiatief voldoende is uitgewerkt. Als door initiatiefnemer daarna een aanvraag wordt ingediend bestaat nu niet de mogelijkheid voor de gemeente om leges te heffen voor het vervolgen van bijvoorbeeld een omgevingstafel, terwijl dit voor het goed beoordelen van een aanvraag wel noodzakelijk is. Die kosten komen nu voor rekening van de gemeente en kunnen niet doorberekend worden. Vanwege de kostendekkendheid van de leges wordt voor deze gevallen deze aanvulling voorgesteld. Zo wordt de mogelijkheid gecreëerd om leges te heffen in deze gevallen Artikel 2.41 lid a en b is gewijzigd naar artikel 2.41: Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning. OZHZ heeft geadviseerd om artikel korter te formuleren. Het onderscheid tussen MBA en overige activiteiten is er uit gehaald.
Bij artikel 2.42 is onderstaande aangevuld als 2.42 lid b: Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikelen 2.13 tot en met 2.19 zijn geen leges verschuldigd. Artikel 2.42 heeft betrekking op de leges die in rekening moet worden gebracht als de omgevingsvergunning op verzoek wordt ingetrokken. Voorgesteld wordt om geen leges te heffen voor intrekken van de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Artikel 2.45 Het bedrag van € 5.025,48 dat in de legesverordening 2025 is opgenomen is gebaseerd op de kosten die wij voorheen maakten bij het maken van een bestemmingsplan. In het afgelopen jaar is duidelijk geworden dat de kosten voor een wijziging omgevingsplan vele malen hoger zijn. Daarnaast kunnen de kosten per aanvraag fors verschillen. Vandaar dat de formulering is aangepast . Deze formulering is gelijk aan de formulering die al door andere gemeenten gebruikt wordt. Artikel 2.46 a is lid 3 toegevoegd: 3. Bij vergunningen voor opvolgende BOPA's (volgens artikel 12.27a Bkl) wordt voor elke losse aanvraag voor een BOPA vergunning behorende
bij de opvolgende BOPA de kosten voor een BOPA volgens dit artikel in rekening gebracht. De opvolgende BOPA is een nieuwe figuur die is ontstaan bij de ingang van de Omgevingswet. Bij een opvolgende BOPA wordt een project opgeknipt in meerdere vergunningen voor opvolgende fasen van het traject (van grote lijnen naar detailniveau). Aanvrager kan kiezen voor opvolgende BOPA's als dit, om diverse redenen, beter uitkomt voor het initiatief. Het werk/ de uren voor de gemeente per vergunningaanvraag zijn niet substantieel minder bij opvolgende BOPA's dan wanneer voor het initiatief één vergunning aangevraagd wordt. Daarom wordt voor elke BOPA vergunning aanvraag bij een opvolgende BOPA de standaard basis BOPA leges die van toepassing gerekend. Om misverstanden te voorkomen wordt daarom voorgesteld de zin toe te voegen dat de legeskosten die voor een BOPA opgenomen zijn in de verordening voor elk van de opvolgende BOPA's in rekening worden gebracht. Ook al zijn de BOPA's voor opvolgende fasen van hetzelfde initiatief. Dit is feitelijk ook nu al de situatie. De zin is enkel opgenomen ter verduidelijking. Paragraaf 2.13 en Artikel 2.52 Het woord vermindering is vervangen door verrekening.
Daarnaast is de zinssnede 'binnen een jaar na het afronden van het vooroverleg' toegevoegd in de leden b en c Hoewel het woord vermindering werd gebruikt in de verordening was in feite sprake van verrekening. Daarom is de bewoording aangepast. Het is niet wenselijk dat uitkomsten uit vooroverleggen tot in lengte van dagen geldig blijven. Beleidsuitgangspunten en omstandigheden kunnen immers na verloop van tijd wijzigen Om een financiële prikkel te geven aan het kort na de beslissing op vooroverleg indienen van een formele aanvraag wordt voorgesteld om deze zinssnede toe te voegen. Zo worden leges van het vooroverleg nog maximaal een jaar verrekend met een aanvraag. Naast deze financiële prikkel in de legesverordening zal bekeken worden of er formeel regels voor het vooroverleg opgesteld en vastgelegd kunnen worden. Hierin zou dan ook een termijn van een jaar opgenomen kunnen worden voor de geldigheid van een beslissing op een vooroverleg. Paragraaf 2.14 teruggaaf en artikel 2.54 Aan deze paragraaf en artikel is bij de relevante artikelen naast het woord teruggaaf ook het woord vermindering toegevoegd omdat in de praktijk vaak sprake is van een vermindering van de verschuldigde leges en geen teruggaaf van al betaalde leges. Het woord teruggaaf is blijven staan omdat soms ook teruggaaf aan de orde is.
Artikel 2.54 Hier is het standaard percentage van 85% gewijzigd in een aflopend percentage gelinkt aan de hoeveelheid werk dat al verricht is. Dit i.v.m. de kostendekkendheid van de leges. Artikel 2.59 lid a is het percentage van teruggaaf/vermindering verlaagd van 50% naar 20% in geval van als het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit weigert.
Een aanvraag die geweigerd moet worden, is niet minder werk om te toetsen en te beoordelen dan een aanvraag die wel verleend kan worden. Vaak zelfs meer werk. Deze bepaling met vermindering van de leges is in het verleden in de legesverordening opgenomen als een manier om voor aanvrager het ‘leed te verzachten’ bij een weigering. Maar een reductie met 50% is niet langer realistisch en niet kostendekkend Hoofdstuk 3 Artikel 3.1 is lid b en c toegevoegd. b. een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening, voor zover het een paracommerciële rechtspersoon betreft c. een aanvraag tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld in onderdeel artikel 3.1.b.: Wij hebben lid b. toegevoegd om een nieuw tarief in te voeren voor paracommerciële rechtspersonen. Bij deze instellingen doen wij niet standaard een Bibob-toets. Daarom hanteren wij een lager tarief ten opzichte van lid a. (reguliere exploitatievergunning). Artikel 3.19 lid c Het tarief is naast het aanvragen voor het wijzigen van de vergunning nu ook van toepassing bij het verlengen van de vergunning. Artikel 3.22 lid c De termijn voor intrekking van aanvragen met recht op 100% teruggave van leges wordt verlengd van 7 dagen naar 14 dagen.
De eerdere termijn van 7 dagen bleek in de praktijk te kort om voldoende af te wegen of de aangevraagde activiteiten uitvoerbaar zijn/vergund kunnen worden. Door de termijn te verlengen naar 14 dagen wordt aanvragers een redelijke termijn geboden om hun aanvraag tijdig in te trekken. Artikel 3.22 lid d en e: De tarieven voor teruggave bij intrekking binnen en na 21 dagen worden verhoogd. Dit is omdat de leges voor horeca- en diverse exploitatievergunningen relatief hoog zijn. Percentage bij lid d wordt 50 naar 75% aangepast en bij lid e is percentage aangepast van 25 naar 50. 7. Lijkbezorgingsrechten De tarieven worden verhoogd met 2,5 % prijscompensatie, afgerond op hele bedragen naar boven. 8. Marktgeld De tarieven worden verhoogd met 2,5 % prijscompensatie. 9. Parkeerbelastingen De tarieven worden verhoogd met 2,5 % prijscompensatie.
10. Toeristenbelasting Momenteel ligt de toeristenbelasting in Papendrecht onder het Nederlandse gemiddelde. Het tarief wordt eenmalig verhoogd naar het landelijk gemiddelde prijspeil 2024 (€ 2,34 per persoon per overnachting). Dit is een besluit van de raad (OMB 89 Verhogen toeristenbelasting naar landelijke gemiddelde perspectiefnota 2025-2030).
Bijlage 4 – Onderbouwing nieuwe systeem rioolheffing Papendrecht 2026 Voor deze stelselwijziging verwijzen wij naar de oordeelsvormende vergadering van 15 mei 2025 (en de daarbij behorende stukken zoals het advies). Deze stelselwijziging en de gevolgen daarvan voor de diverse belastingplichtigen zijn uitvoerig besproken en een belangenafweging heeft dan ook plaatsgevonden. In de nieuwe stelsel voor het innen en vorderen van rioolheffing wordt een onderscheid gemaakt in woningobjecten en niet-woningobjecten. Binnen deze woningobjecten en niet-woningobjecten wordt gebruik gemaakt van verschillende waardeklassen. Hiermee wordt een systeem ingericht waarin grootgebruikers in verhouding meer rioolheffing betalen. Hierna wordt per groep de tarieven per waardeklassen toegelicht. Woningobjecten Voor woningen zijn drie waardeklassen vastgesteld:
Klasse 1: Woningobjecten met een WOZ-waarde van €1 tot €75.000. Deze klasse bestaat grotendeels uit garageboxen in Papendrecht. In de oude rioolheffing werden deze objecten niet meegenomen. Gezien de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater en grondwater afvoer in het kader van het collectief goed is het juist om deze panden wél op te nemen bij de heffing, ongeacht of zij een aansluiting op de riolering hebben. Het tarief van €33 is gebaseerd op 20% van het basistarief van €165, uitgaande van het principe dat een klein object zoals een garagebox ongeveer 20% van een gemiddelde woning vertegenwoordigt.
Klasse 2: Woningobjecten met een WOZ-waarde boven €75.000. Dit betreft alle reguliere woningen in Papendrecht. Wonen is een basisbehoefte en een eenvoudige tariefstructuur helpt bewoners te beschermen tegen complexe en mogelijk hogere tarieven. Een basistarief zonder onnodige differentiatie ondersteunt deze bescherming.
WOZ-waarde Woningen
Tarief
€1 tot €75.000 €75.000 of meer
€33 €165
Niet-woningobjecten Voor niet-woningen zijn acht waardeklassen vastgesteld. Niet-woningobjecten, zoals bedrijfspanden, winkels en kantoren, hebben een groter en vaak snel stijgend waardebereik. Door ze in meerdere waardeklassen in te delen, kan het tarief beter worden afgestemd op de werkelijke economische waarde.
Klasse 1: Niet-woningobjecten met een WOZ-waarde van €1 tot €75.000. Deze categorie omvat kleine objecten zoals loodsen, fietsenstallingen,
carports, antennemasten en transformatoren. Deze objecten vielen onder de oude rioolheffing buiten beschouwing, maar in het kader van het collectief goed worden ze nu wel meegenomen. Dit sluit aan bij het uitgangspunt om zoveel mogelijk objecten te betrekken, ongeacht of ze direct zijn aangesloten op de riolering. Voor deze kleine objecten geldt een tarief van 20% van het basistarief.
Klasse 2: Niet-woningobjecten met een WOZ-waarde van €75.001 tot en met €300.000. Voor deze klasse geldt het basistarief van €165, omdat hier het grootste aantal niet-woningobjecten onder valt.
Klasse 3 tot en met 6 In deze en de daaropvolgende klassen wordt gebruikgemaakt van onderstaande formule om een exponentiële groei in het tarief te hanteren.
Tarief =Basistarief +0 ,11% ×
( Klassenminimum+2Klassenmaximum −Klassenmaximum van basis)
Klasse 7: Niet-woningobjecten met een WOZ-waarde van €2.000.001 of meer. In deze klasse geldt een maximumtarief. Het tarief van €2.401 is gebaseerd op vergelijkbare tarieven in buurgemeenten, zoals Rotterdam, die een maximum hanteren om buitensporige heffingen voor bedrijven met een hoge WOZ-waarde te voorkomen.
Klasse 8: Niet-woningobjecten waaraan geen WOZ-waarde wordt toegekend. Bij een heffing op basis van de WOZ-waarde kan het zijn dat aan objecten geen WOZ-waarde wordt toegekend door toepassing van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten. Dit geldt bijvoorbeeld voor kerken in Papendrecht en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. In het kader van het collectief goed worden deze objecten echter wel geheven voor het basistarief.
WOZ-waarde Niet-Woningen
Tarief
€1 tot € 5.000 €75.001 tot en met €300.000 €300.001 tot en met €500.000 €500.001 tot en met €900.000 €900.001 tot en met €1.400.000 €1.400.001 tot en met €2.000.000 €2.000.001 of meer Niet-woningen waaraan geen WOZ-waarde wordt toegekend
€33 €165 €275 €605 €1.100 €1.705 €2.401 € 165
Zorginstellingen Verpleegtehuizen, gezinsvervangende tehuizen, (schippers)internaten, tehuizen voor personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, verzorgingstehuizen, bejaardentehuizen en kindertehuizen die voor de WOZ als woning zijn aangemerkt, worden in de nieuwe verordening belast als niet-woning. Dit omdat het doorgaans gaat om grote panden in Papendrecht met veel gebruikers van de riolering.