CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bijlagen bij Toelichting NL.IMRO.0590 Bestemmingsplan Oosteind 130-3001.pdf

Gemeenteraad Papendrecht 1 juli 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan 'Papendrecht, nabij Oosteind 130' - Voorstel54.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Gezien de schuur over een bitumendakbedekking beschikt is er geen sprake van nestlocaties van de huismus binnen de planlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Tijdens het veldbezoek zijn wel nestlocaties van de huismus waargenomen aan de Oosteind 130. Echter hebben de huismussen vanuit deze nestlocaties geen direct zicht op de te verwijderen groenstructuren. Gezien het brede aanbod aan geschikte groenstructuren die binnen de zichtlijnen vanaf de nestlocaties aanwezig zijn, zal er geen sprake zijn van het verlies van essentieel foerageergebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Gezien de opbouw van de schuur kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De schuur binnen de planlocatie is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Op de planlocatie is, door de kunstmatige inrichting, geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie kan sporadisch foerageeractiviteit van roofvogels plaatsvinden. De planlocatie is zeer beperkt geschikt als foerageergebied voor roofvogels. Gezien het ruime aanbod aan geschikter foerageergebied in de nabije omgeving en de beperkte afname aan groenstructuren tijdens de beoogde ontwikkeling, zal er geen sprake zijn van het verlies van essentieel foerageergebied. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

8

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De ijsvogel nestelt het liefst langs langzaam stromende beken. In mindere mate wordt ook bij stilstaande, visrijke wateren genesteld. Hun nesttunnels graaft de soort in zandige of lemige steile oeverranden, maar ook wel tussen wortels van bomen of in een kunstmatige ijsvogelwand (Vogelbescherming, 2020). Het gedeelte van het meertje nabij de planlocatie beschikt niet over oeverstructuren waar de ijsvogel mogelijk een nesttunnel kan graven. Van overtredingen op verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming ten aanzien van de ijsvogel is derhalve geen sprake. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken vormen voor algemene broedvogels zoals merel en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,5 km ligt het Natura 2000gebied ‘Biesbosch’ (figuur 4). Op een afstand van circa 0,6 km ligt het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (c.q. Grote Wateren en Noordzee) (figuur 5). Op een afstand van circa 1,4 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 7,2 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 6). Er zijn wel/geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Figuur 4

9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 0,6 km tot het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot een Belangrijk weidevogelgebied en ligt op een afstand van circa 7,2 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een schuurwoning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).

10

Sedert 27 januari 2021 is een stroomschema vanuit OZHZ beschikbaar waarmee aangetoond kan worden of een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar (figuur 7). De afstand tussen de planlocatie en het Natura-2000 gebied ‘Biesbosch’ bedraagt circa 2,5 km (figuur 8). Gezien de planlocatie in stedelijk gebied verkeerd, en de afstand tussen planlocatie en het Natura-2000 gebied meer dan 2,1 km bedraagt, kan op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Figuur 7

11

De planlocatie is gelegen in stedelijk gebied en bevindt zich op een afstand van circa 2,5 km tot het Natura-2000 gebied genaamd ’Biesbosch’.

Figuur 8 Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie (bron: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Versie 5.1, 27 januari 2021).

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUSstikstofberekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

+/-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

2,5 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

0,6 km

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

1,4 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

7,2 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

13

Conclusie De sloop van de schuur en de steiger en de realisatie van de schuurwoning met steiger nabij Oosteind 130 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.

Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. L. Pieterman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De te verwijderen schuur is opgetrokken uit houten rabatdelen en beschikt over een bitumen dakbedekking.

Figuur 2

De schuur is niet geschikt als nestlocaties voor huismussen.

18

Figuur 3

Eén van de te verwijderen groenstructuren is deze Japanse esdoorn. Het voornemen van de initiatiefnemer is de boom te verplaatsen en niet te kappen.

Figuur 4

Vanaf de nestlocaties aan de woning van Oosteind 130 hebben huismussen zicht op een ruim aanbod aan groenstructuren.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Perceel 1892 nabij Oosteind 130 Papendrecht

Verantwoording

Titel

:

Documentnummer

:

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Perceel 1892 nabij Oosteind 130 Papendrecht 20200455-D-VO-1

Status

:

Definitief

Versie

:

1.0

Datum

:

04-12-2020

Auteur(s)

:

FvdZ

E-mail adres

:

algemeen@adcim.nl

Deze rapportage, inclusief bijlagen, mag alleen in zijn geheel worden gereproduceerd. De resultaten van de keuringen volgens dit rapport gelden uitsluitend voor de gekeurde grond. Aan de resultaten kunnen derhalve geen rechten worden ontleend voor andere partijen.

ADCIM B.V. Rembrandtlaan 650 3362 AW Sliedrecht Tel. 0184 677500 Fax. 0184 617790 Info: algemeen@adcim.nl Web: www.adcim.nl

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

Inhoudsopgave 1.

ALGEMEEN ....................................................................................................................... 4 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 5 2.1.

Huidig grondgebruik .................................................................................................... 5

2.1.2.

Voormalig grondgebruik .............................................................................................. 5

2.1.3.

Toekomstig grondgebruik ............................................................................................ 6

2.1.4.

Calamiteiten ................................................................................................................ 6

2.1.5.

Ophogingen/dempingen/stort ...................................................................................... 6

2.1.6.

Boven- en ondergrondse tanks ................................................................................... 6

2.1.7.

Interactieve bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. ..................... 6

2.1.8.

Bodemloket ................................................................................................................. 6

2.1.9.

Omgevingsrapportage Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid ....................................... 7

2.1.10.

PFAS....................................................................................................................... 7

ONDERZOEKSTRATEGIE .......................................................................................................... 8 VELDWERK .......................................................................................................................... 8 ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN, CHEMISCH ONDERZOEK ............................................................... 9

3.3.1.

Grond .......................................................................................................................... 9

3.3.2.

Grondwater .................................................................................................................. 9

RESULTATEN ONDERZOEK .............................................................................................. 10 4.1. 4.2. 4.3.

5.

BODEMOPBOUW .................................................................................................................. 7 CONCLUSIE.......................................................................................................................... 7

OPZET ONDERZOEK .......................................................................................................... 8 3.1. 3.2. 3.3.

4.

HISTORIE EN ACTUELE SITUATIE ............................................................................................... 5

2.1.1.

2.2. 2.3. 3.

INLEIDING ........................................................................................................................... 4 DOEL VAN HET ONDERZOEK .................................................................................................... 4 GEHANTEERDE ONDERZOEKSMETHODE ..................................................................................... 4 LEESWIJZER ......................................................................................................................... 4

BODEMOPBOUW EN VELDWAARNEMINGEN ............................................................................. 10 ANALYSERESULTATEN GROND ............................................................................................... 10 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ...................................................................................... 11

VERKENNEND ASBESTONDERZOEK ................................................................................. 12 5.1. 5.2. 5.3. 6.1.

ONDERZOEKSTRATEGIE ........................................................................................................ 12 VELDWERK ........................................................................................................................ 12 ANALYSERESULTATEN VERKENNEND ASBESTONDERZOEK ............................................................. 12 CONCLUSIE........................................................................................................................ 14

6.1.1.

Bodemopbouw en veldwaarnemingen....................................................................... 14

6.1.2.

Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek ...................................................... 14

6.1.3.

Hypothese ................................................................................................................. 14

6.2. 6.3.

AANBEVELINGEN. ............................................................................................................... 15 BETROUWBAARHEID ........................................................................................................... 15

BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C BIJLAGE D BIJLAGE E

SITUATIETEKENING MET BORINGEN FOTO’S BOORPROFIELEN ANALYSERAPPORTTEN TOETSINGSTABELLEN

Pagina 3

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

1. ALGEMEEN 1.1. Inleiding In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. is een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse perceel 1892 nabij het Oosteind 130 te Papendrecht. Het onderzoek staat bij Adcim B.V. geregistreerd onder projectnummer 20200455. 1.2. Doel van het onderzoek Aanleiding voor het onderzoek betreft de voorgenomen bestemmingsplan wijziging van tuin naar wonen. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplan wijziging. 1.3. Gehanteerde onderzoeksmethode Het veldwerk is verricht door dhr. M. Visser (erkenning VB-078) onder certificaat BRL SIKB 2000 conform het protocol 2001 en 2002. Adcim BV verklaart hierbij dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 omschrijft het vooronderzoek en in hoofdstuk 3 is de opzet van onderzoek benoemd. In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van het onderzoek weergegeven.

Pagina 4

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

2. VOORONDERZOEK 2.1. Historie en actuele situatie De onderzoekslocatie betreft perceel 1892 nabij Oosteind 130 Papendrecht. De onderzoekslocatie is kadastraal geregistreerd onder perceel C1892 met een oppervlakte van 427m2. De situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in afbeelding 1.

Afbeelding 1) Onderzoekslocatie ter plaatse van de rode lijn

2.1.1.

Huidig grondgebruik

De onderzoekslocatie betreft een tuin met schuur tussen de Tiendweg-Oost en het Oosteinde te Papendrecht. Het terrein is grotendeels onverhard en betreft een gazon en de verharding bestaat uit tegels. In de schuur is een vloer bestaande uit tegels aanwezig. De onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening met boorpunten in bijlage A.

Afbeelding 2) Onderzoekslocatie 2019 bron Google Streetview

2.1.2.

Voormalig grondgebruik

De onderzoekslocatie is gelegen tussen het Oosteind en de Tiendweg-oost te Papendrecht. De onderzoekslocatie kent een lange historie met lintbebouwing.

Pagina 5

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

1925

1955

1967

1997

2019

Afbeelding 2) Topografische kaarten

2.1.3.

Toekomstig grondgebruik

Het grondgebruik wordt gewijzigd van tuin naar wonen waarbij het bouwvlak vergroot wordt. 2.1.4.

Calamiteiten

Er zijn geen gegevens bekend van eventuele calamiteiten. 2.1.5.

Ophogingen/dempingen/stort

De onderzoekslocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Ook is het gebied niet in gebruik geweest als stortlocatie of kassencomplex. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen gedempte watergangen aanwezig. 2.1.6.

Boven- en ondergrondse tanks

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn zover bekend geen onder en of bovengrondse tanks aanwezig of aanwezig geweest. 2.1.7.

Interactieve bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Volgens de geraadpleegde interactieve bodemkwaliteitskaart van Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid voldoen zowel de boven- als de ondergrond aan klasse industrie heterogeen. 2.1.8.

Bodemloket

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend volgens Bodemloket wat betreft de status van onderzoeken of eventuele verdachte locaties. Een indicatie van de bodemkwaliteit wordt niet gegeven. Ter plaatse van de Oosteind 154 staat de locatie bekend als ‘Uitvoeren historisch onderzoek.’ In de periode van 1922 tot 1950 is er een burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf gevestigd geweest.

Afbeelding 4) Omgevingsrapportage Milieudienst Zuid-Holland Zuid

Pagina 6

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020 2.1.9.

Omgevingsrapportage Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

De geraadpleegde omgevingsrapportage van Omgevingsdienst Zuid-Holland geeft geen aanvullende bodeminformatie met betrekking tot de onderzoekslocatie, uitgezonderd het nog uit te voeren historisch onderzoek van Oosteind 154.

Afbeelding 5) Bodemloket

2.1.10. PFAS

Voor zone 0 en 1 is ten behoeve van een omgevingsvergunning geen onderzoek op PFOA nodig. Voor beide zones geldt dat het voldoende zeker is dat de te verkrijgen onderzoeksresultaten niet zullen leiden tot zodanige risico's als gevolg van PFOA dat deze belemmerend zijn voor het verlenen van de bouwvergunning. Als bij de nieuwbouw grond vrijkomt is het voor het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden wel noodzakelijk om onderzoek op PFOA uit te voeren. 2.2. Bodemopbouw Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een kalkarme drechtvaaggrond, bestaande uit zware klei (Mv41C, zie figuur 16). Bij een vaaggrond heeft (nog) weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zijn wel geheel gerijpt. Bij drechtvaaggronden is binnen 80 cm diepte veen aanwezig en komen voor overal waar klei over veen uitwigt. Dat het bovenste pakket klei kalkarm is geeft aan dat de oeverwallen na een periode van hoogwater relatief snel droogvielen, waardoor minder synsedimentaire ontkalking plaatsvonden (oplossen en afvoeren van kalkdeeltjes). Synsedimentaire ontkalking vindt vooral sterk plaats in komgebieden. 2.3.

Conclusie Het verkennend (asbest)bodemonderzoek wordt afgeleid van de NEN5740 A1 april 2016 volgens de strategie diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof (VED-HE-NL) gezien het historische verleden van de onderzoekslocatie. Zodra tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden visueel een bodemvreemde bijmenging wordt waargenomen zal het onderzoek worden opgeschaald doormiddel van een verkennend asbest bodemonderzoek.

Pagina 7

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

3. OPZET ONDERZOEK 3.1. Onderzoekstrategie Het verkennend (asbest)bodemonderzoek wordt afgeleid van de NEN5740 A1 april 2016 volgens de strategie diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof (VED-HE-NL) gezien het historische verleden van de onderzoek locatie. Het aantal boringen en de locaties ervan is afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de algemene kwaliteit van de bodem in het kader van de voorgenomen bestemmingsplan wijziging Tabel 1: Uitvoering veldwerk verkennend bodemonderzoek

Locatie gegevens Oppervlakte en Strategie NEN5740 Oppervlakte 0,01-0,05ha VED-HE-NL

Aantal boringen Boring tot 0,50 m in de verdachte laag 3

Boring tot grondwater (maximum 2,0 m-mv) 1

Boring met peilbuis 1

Aantal analyses (standaard pakket AS3000) Grond Bovengrond

Ondergrond

2x NEN

1 x NEN

Grondwater

1 x NEN

3.2. Veldwerk Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een terrein inspectie uitgevoerd op 09 oktober 2020. Tijdens deze inspectie zijn de volgende waarneming gedaan: - Op het zuidelijke terreindeel is een houten schuur aanwezig met aan de westzijde een houten vlonder. Aan de andere zijde van de schuur is bestrating aanwezig. - Het noordelijke terreindeel bestaat uit gras met bomen en lage borders met beplanting. - Bij het uitvoeren van de terrein inspectie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. - De huidige eigenaar geeft aan dat bij baggerwerkzaamheden van de naastliggende sloot en wiel de bagger verspreid is over het noordelijk terrein deel. Het veldwerk is verricht door dhr. M. Visser (erkenning VB-078) onder certificaat BRL SIKB 2000 conform het protocol 2001, 2002 en 2018. De bemonstering vind plaats aan de hand van het opgestelde monsternemingsformulier. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn bijgevoegd als bijlage A. De boorprofielen van deze boringen zijn bijgevoegd als bijlage C. Tabel 2: Peilbuisgegevens

Boring met peilbuis 04

Filter stelling in m-mv 1.30 – 2.30

Grondwaterstand in m-mv 58

pH

Ec

Ntu

6.4

1076

50

De peilbuis uit het eerder uitgevoerde onderzoek is bemonsterd na afpompen op 19 oktober 2020, waarbij de pH, de troebelheid en de geleidbaarheid zijn bepaald.

Pagina 8

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

3.3. Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek Bij alle boringen is de grond zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen en verdachte afwijkingen, hierbij zijn de volgende waarnemingen gedaan: - Ter plaatse van de bestaande bebouwing is het terrein verhard met klinkers gelegen op een straatlaag van zand op een ondergrond van klei met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind. In verband met de bijmenging is aanvullend een asbest bodemonderzoek uitgevoerd. - Ter plaatse van het noordelijke terreindeel zijn zowel in de boven- als ondergrond geen waarneming gedaan aan de uitkomende grond die een aanleiding geeft voor een mogelijke bodemverontreiniging. - De algehele bodemopbouw bestaat uit (geroerde) klei op een veenlaag op een diepte vanaf circa 1,50 á 1,80m-mv. 3.3.1.

Grond

Van de grondmonsters zijn in totaal 3 mengmonsters in het laboratorium samengesteld, waarvan de samenstelling, het betreffende trajectdeel en de onderzoeksresultaten zijn samengevat in de onderstaande tabel. Tabel 3: Samenstelling mengmonsters

Mengmonsters Traject Omschrijving MM1 BG Bovengrond klei, zwak zandig, bv: 18.4%, neutraal bruin, grijs, zwak metselpuin, zwak grind MM2 BG Bovengrond zand, matig grof, sterk siltig, matig humeus, donker bruin MM3 BG Ondergrond klei, matig siltig, neutraal grijs, bruin

Boringnr. Laagdikte van – tot (cm-mv) 01 15 50 02 15 50 03 05 01 02 03 05

0 0 50 50 50 20

20 20 70 70 80 70

Deze mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: - Zware metalen: Barium, Kobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. - Polychloorbifenylen (PCB). - Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieproducten zoals benzine, gasolie en petroleum. Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; - Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieproducten. 3.3.2.

Grondwater

Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: - benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen, naftaleen en styreen; - vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); - kobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; - minerale olie; - tribroommethaan; - dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

Pagina 9

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

4. RESULTATEN ONDERZOEK 4.1. Bodemopbouw en veldwaarnemingen De bovengrond ter plaatse van het noordelijke terrein gedeelte bestaat voornamelijk uit een toplaag sterk siltig zand met hieronder een zwak zandige klei met wisselende bodemopbouw ter plaatse van boring 3 in de ondergrond . De bovengrond onder de elementenverharding ter plaatse van het zuidelijke terrein gedeelte bestaat voornamelijk uit zwak siltig straatzand. De grond hieronder bestaat voornamelijk uit zwak zandige klei met een zwakke bijmenging aan metselwerkpuin en grind met in de diepere ondergrond zwak kleiig veen. Beoordeling analyseresultaten Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van de achtergrondwaarden AW 2000 en de tussen- en interventiewaarden voor microverontreinigingen, zoals opgenomen in de Leidraad Bodembescherming. De omschrijving van deze waarden is als volgt: Achtergrondwaarde AW 2000. Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door één of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW2000 en de interventiewaarde gehanteerd. 4.2. Analyseresultaten grond De genoemde waarden zijn afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW gehalte boven achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); >T gehalte boven tussenwaarde (matige verontreiniging); >I gehalte boven interventiewaarde (ernstige verontreiniging). In de laatste kolom staat tevens vermeld wat de kwaliteit van de grond is bij indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage D.

De toetsingstabellen zijn bijgevoegd als bijlage E.

Pagina 10

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020 Tabel 4: Analyseresultaten grond

Nr. 1 2 3

Mengmonster MM1 BG MM2 BG MM3 OG

Gehalte > AW Kwik, lood, zink, PAK Kwik, lood, zink Kwik, lood

Gehalte > T -

Gehalten > I -

Toetsing BBK Klasse industrie Klasse wonen AW2000

Verklaring afkortingen: BG: bovengrond, OG: ondergrond

4.3. Analyseresultaten grondwater In onderstaande tabel staan de overschrijdingen in het grondwater. Het analysecertificaat zijn opgenomen in bijlage D. De toetsingstabel is bijgevoegd als bijlage E. Tabel 6: Analyseresultaten grondwater

Peilbuis 04

Gehalten > Streefwaarde Barium

> Tussenwaarde -

> Interventiewaarde -

Pagina 11

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

5. VERKENNEND ASBESTONDERZOEK 5.1. Onderzoekstrategie Voor de strategie van het onderzoek is de NEN 5707+C1:2016 tabel 6 aantal plekken voor visuele inspectie en te analyseren (meng)monsters bij verkennend onderzoek asbest op een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. De gegeven aantallen gelden per verontreinigingskern Tabel 7: Uitvoering veldwerk verkennend asbestbodemonderzoek

Aantal maaiveldinspectiepunten

2

Gaten in de verdachte laag tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag 2

Gaten in de verdachte laag tot de onverdachte ondergrond 2

Aantal te analyseren (meng)monsters

1 (asbest in grond)

Het aantal gaten, de boringen en de locaties ervan zijn afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de eventuele aanwezigheid van asbest(vezels) in de grond ter plaatse van de voormalige watergang. 5.2. Veldwerk Op 09 oktober 2020 is het veldwerk verricht door dhr. M. Visser (erkenning VB-078) onder certificaat BRL SIKB 2000 conform het protocol 2018. De bemonstering vind plaats aan de hand van het opgestelde monsternemingsformulier. Er zijn een tweetal gaten gegraven van tenminste 0,30 x 0,30 m tot de ongeroerde ondergrond op een diepte van circa 0,35 m-mv. Bij het uitvoeren van het veldwerk zijn de volgende bevindingen gedaan: - Ter plaatse van het asbest gat 1 is zintuigelijk geen asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen. - Ter plaatse van het asbest gat 2 is één stukje asbestverdacht plaatmateriaal met een gewicht van 6 gram aangetroffen. De locatie van de gaten zijn terug te vinden in de tekening bijgevoegd in bijlage A. De bodem is ontgraven in lagen van circa 0,05 meter. Het vrijkomende materiaal is in een dunne laag op folie met een hark uitgespreid om de visuele aanwezigheid van asbest vast te stellen. Foto´s en de boorstaten zijn opgenomen in bijlage B en C. De visuele resultaten van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat. tabel 8: gaten, omschrijving

Monster

gat

asbest op mv

MA2-grond

02

geen

visueel asbest in grond ja

asbest gewicht totaal 6 gr

tabel 9: gaten, sleuven, samenstelling mengmonsters

mengmonster MA2-grond

mengmonster 14.3 kg

bodemlaag klei, zwak zandig, bv: 18.4%, neutraal bruin, grijs, zwak metselpuin, zwak grind

mengmonster, analyse NEN 5898

5.3. Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek De analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage C. Er is bij de analyse onderscheid gemaakt in hechtgebonden en niet-hecht-gebonden asbest. Het laatste bestaat uit losse vezels en is de meest risicovolle. Het hechtgebonden asbest is plaatmateriaal, waarvan losse vezels vrijkomen als het bewerkt wordt (zagen, snijden). Het totale asbestgehalte in de grond/puin is bepaald door de aanwezigheid van de grove fractie (> 20 mm) en de fijne fractie (< 20 mm). Deze gehalten zijn daarom bij elkaar opgeteld. Hierbij is de asbestconcentraties in de materiaalmonsters van de grove fractie omgerekend naar een asbestgehalte in de grond (mg/kg ds. gewogen).

Pagina 12

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

tabel 10: Analyseresultaten grond (mg/kg ds)

omschrijving monster MA1-grond

aantal deeltjes < 20 mm -

visueel asbest >20 mm 1x plaatje 6gr chrysotiel

asbest totaal, gewogen in mg 750

tabel 11: Toetsing gewogen gemiddelde asbest in grond totaal (mg/kg ds)

monster MA1-grond

Asbest in grond <0,3 mg/kg ds

Asbest in plaat 12,3 mg/kg ds (750mg in 55kg grond)

mg/kg ds 13,6 mg/kg ds

Pagina 13

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

6. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. is een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse perceel 1892 nabij het Oosteind 130 te Papendrecht. Het onderzoek staat bij Adcim B.V. geregistreerd onder projectnummer 20200455. Aanleiding voor het onderzoek betreft de voorgenomen bestemmingsplan wijziging van tuin naar wonen. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplan wijziging. 6.1. Conclusie Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: 6.1.1.

-

-

6.1.2.

-

Bodemopbouw en veldwaarnemingen

Ter plaatse van de bestaande bebouwing is het terrein verhard met klinkers gelegen op een straatlaag van zand op een ondergrond van klei met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind. In verband met de bijmenging is aanvullend een asbest bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het noordelijke terreindeel zijn zowel in de boven- als ondergrond geen waarneming gedaan aan de uitkomende grond die een aanleiding geeft voor een mogelijke bodemverontreiniging. De algehele bodemopbouw bestaat uit (geroerde) klei op een veenlaag op een diepte vanaf circa 1,50 á 1,80m-mv. Op het zuidelijke terreindeel is een houten schuur aanwezig met aan de westzijde een houten vlonder. Aan de andere zijde van de schuur is bestrating aanwezig. Het noordelijke terreindeel bestaat uit gras met bomen en lage borders met beplanting. Bij het uitvoeren van de terrein inspectie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De huidige eigenaar geeft aan dat bij baggerwerkzaamheden van de naastliggende sloot en wiel de bagger verspreid is over het noordelijk terrein deel. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek

De bovengrond met een zwakke puin bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse industrie. De bovengrond zonder bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse wonen. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan klasse altijd toepasbaar. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. In de grond met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd, waarbij één stukje asbesthoudend plaatmateriaal. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de grond niet verontreinigd is met asbest boven de tussenwaarde (50 mg/kg ds) en interventiewaarde (100 mg/kg ds).

6.1.3.

Hypothese

De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen ontwikkeling, vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering.

Pagina 14

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

6.2. Aanbevelingen. Aanbevolen wordt de onderzoeksresultaten van dit onderzoek af te stemmen met omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid als zijnde het desbetreffende bevoegd gezag. 6.3. Betrouwbaarheid Er wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Het onderhavig onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden en Kwalibo. De resultaten van het onderzoek zijn echter gebaseerd op een beperkt aantal boringen en analyses. Het uitgevoerde bodemonderzoek is een momentopname. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht dienen te worden bij het gebruik van de resultaten van dit rapport.

Pagina 15

VERKENNEND BODEMONDERZOEK PERCEEL 1892 NABIJ OOSTEIND 130 PAPENDRECHT Projectnummer: 20200455 Definitief versie 1.0 Datum: 04-12-2020

Bijlage A Situatietekening met boringen en afbeeldingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/273/documents/5936