CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Toelichting - Veerpromenade-Markt Papendrecht.pdf

Commissie Ruimte Papendrecht 18 januari 2023, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 8: Vaststelling bestemmingsplan 'Veerpromenade-Markt' - Voorstel17.437 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

11. Uitsnede Archeologische Beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht

Het plangebied is gelegen in de ‘Dorpskern: zeer hoge archeologische verwachting’. In de geldende beheersverordening is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen. Ter inventarisatie en bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem dient, onder bepaalde voorwaarden, voorafgaand aan nieuwe 30

bouwontwikkelingen een archeologisch onderzoek te worden verricht om eventueel aanwezige archeologische waarden in kaart te brengen. De Archeologische Beleidsadvieskaart geeft aan dat de noodzaak van een archeologisch onderzoek dient te worden getoetst bij grondwerkzaamheden die dieper reiken dan 30 centimeter onder maaiveld en/of die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 250 m². Beoordeling plan Voor dit bouwplan is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauen inventariserend veldonderzoek. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. In het plangebied is sprake van een hoge verwachting vanaf een diepte van 80 cm-mv. Om deze reden is conform het archeologisch advies een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen in het plangebied waarbij een dieptegrens van 50 cm-mv is gehanteerd. Dit betekent dat verstoringen tot een diepte van 50 cm-mv gevrijwaard zijn van archeologisch onderzoek (geen bouwverbod). In dit geval is echter een planvoornemen beoogd waarbij de dieptegrens wordt overschreden. Hierdoor is een archeologisch vervolgonderzoek nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit vervolgonderzoek zal in een later stadium worden uitgevoerd.

Met het opnemen van de dubbelbestemming is het uitvoeren van een vervolgonderzoek juridisch geborgd, waardoor dit bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft archeologie. 4.1.2. Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart (CHW) van provincie Zuid-Holland is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd. Beoordeling plan Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. Het plangebied ligt in de ‘Waterdriehoek’. De 'Waterdriehoek' wordt gevormd door UNESCO Werelderfgoed Kinderdijk, de Biesbosch en de Drechtsteden. De grote rivieren verbinden deze drie iconen. In dit gebied komen de ZuidHollandse verhalen van het water samen: van overstromingen en inpolderingen, molens en gemalen, scheepsbouwers en baggeraars. Het water als levensader voor de handel en welvaart. De oude rivierdijk ter plaatse van Westeind, Oude Veer en Bosch is als historische landschappelijke lijn van hoge waarde aangegeven. Deze cultuurhistorische elementen worden met dit planvoornemen niet verstoord.

Het aspect cultuurhistorie is dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen.

31

12. Uitsnede Cultuurhistorische kaart (Bron: provincie Zuid-Holland)

4.2. Water In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap Rivierenland. In deze paragraaf wordt daarom eerst ingegaan op het waterbeleid van het waterschap. Daarna wordt ingegaan op de waterhuishoudelijke situatie ter plaatse. 4.2.1. Beleid Waterschap Rivierenland De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (hierna: WBP) is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Waterschap Rivierenland in de vergadering van 26 november 2021. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie is in het WBP uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Voor dit WBP is dat 2022-2027. De maatregelen realiseren we vervolgens in projecten en in het reguliere beheer en onderhoud.

32

De principe van de uit te werken Watervisie 2050 zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendigrivierengebied. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Voor Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap.

13. Uitsnede legger waterschap Rivierenland (plangebied rood omlijnd)

De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater. In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem. Het maatregelenpakket uit het waterplan is in 2018 afgerond. Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving hebben geen plannen plaatsgevonden. In de gemeente Papendrecht geldt bij nieuwbouw dat 20 mm hemelwater op eigen terrein wordt geborgen.

33

Gebruikelijk binnen stedelijke ontwikkeling is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel in de vorm van een riool waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. 4.2.2. Waterhuishouding Op de beoogde bouwlocatie zal een appartementengebouw worden gerealiseerd. Huidige situatie Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.220 m². Het plangebied is momenteel in zijn geheel verhard en onbebouwd. De verharding bestaat uit klinkers. Een gedeelte van het plangebied wordt tijdelijk gebruikt als beveiligde fietsenstalling. In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen waterlopen aanwezig. Toekomstige situatie Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een appartementengebouw met horeca in de plint. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, adviseert het waterschap dat hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. In dit geval neemt het verhard oppervlakte niet toe vanwege dit planvoornemen. Er worden groene daklandschappen voorzien. Deze daklandschappen vormen tevens een waterbergende voorziening ter vertraging en gedeeltelijke opvang van hemelwater. De waterbergende daken worden geconstrueerd om regenbuien van 20 mm te kunnen vasthouden conform het Gemeentelijk Rioleringsplan. Door de aanleg van een dergelijke voorziening is er sprake van een positief effect op de lokale waterhuishouding, ten opzichte van de huidige situatie.

Dit is klimaatadaptieve verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Indien dit wel wordt gedaan dan mag het dakwater en/of ander hemelwater niet rechtstreeks op sloten worden geloosd en dient er een zuiverende voorziening zoals een bodempassage te worden toegepast. De hemelwaterriolering wordt verplicht aangeboden middels het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Het plan zal voldoen aan het rioleringskader ‘Samen door een buis’. In het verdere planproces zal nadere afstemming met het waterschap plaatsvinden hierover.

4.3. Natuur 4.3.1. Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Hierbij staat de Wet natuurbescherming in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief

34

effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 4.3.2. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch op circa 4,4 km afstand van het plangebied. Dit natuurgebied is tevens stikstofgevoelig. Het plangebied ligt niet in een gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland of een belangrijk weidevogelgebied of stiltegebied. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied - zijnde de BenedenMerwede is gelegen op circa 420 m ten zuiden van het plangebied.

14. Omliggende natuurgebieden (grijs = NNN, groen = Natura 2000, plangebied = rood omlijnd)

Gelet op de aard en omvang van dit project, waarbij een gebouw met maximaal 50 wooneenheden en horeca in de plint wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied (centrum Papendrecht), zijn als gevolg van dit project - m.u.v. stikstofdepositie - geen directe significant negatieve effecten te verwachten ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland gebied of het Natura 2000-gebied. Met een stikstofdepositieberekening met de laatste versie van AERIUS is aangetoond dat geen sprake is van stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Biesbosch. De rapportage van deze berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.3.3. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 35

-

Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

In dit geval is het plangebied - gelegen in het centrum van Papendrecht - volledig verhard in de vorm van klinkerbestrating. Er zijn geen opstallen of flora aanwezig. Tevens is een gedeelte tijdelijk in gebruik geweest als bewaakte fietsenstalling. Door deze twee omstandigheden is het voorkomen van beschermde soorten en habitats uitgesloten en is het uitvoeren van een quickscan flora & fauna niet noodzakelijk. Een overtreding van de Wet natuurbescherming wat betreft soortenbescherming is hierdoor uitgesloten. Ten slotte geldt te allen tijde de algemene zorgplicht uit de Wnb.

15. Luchtfoto plangebied en omgeving

4.3.4. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.5. Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming zijn er geen overtredingen te verwachten van de Wet natuurbescherming; 36

• • •

een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; na een stikstofdepositie onderzoek is gebleken dat dit project geen stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebieden; wat betreft het aspect natuur is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.4. Verkeer en parkeren 4.4.1. Verkeer Het plangebied is gelegen aan de straten Markt, Veerpromenade en Passage. Deze straten zijn ter plaatse autoluw en alleen toegankelijk voor langzaam verkeer. Uitzonderingen hierop zijn de aan- en afvoer van goederen t.b.v. de centrumfuncties, tijdens een evenement en de wekelijkse markt. De Veerpromenade sluit in noordelijke richting aan op de Veerweg en in zuidelijke richting op de Pontonniersweg. Beide zijn belangrijke gebiedsontsluitende wegen voor Papendrecht. Door de aanwezigheid van deze wegen in de directe omgeving van het plangebied is sprake van een goede bereikbaarheid. De beoogde appartementen genereren tussen 59 en 205 motorvoertuigbewegingen op een weekdagetmaal (uitgaande van CROW-norm 381, sterk stedelijk gebied en 33% startersappartementen en 66% duurdere appartementen). Voor de beoogde horecafunctie in de plint wordt als uitgangspunt een restaurant genomen, als meest waarschijnlijke invulling. Voor het restaurant wordt worst-case uitgegaan van 200 zitplaatsen, waarvoor 54 parkeerplaatsen benodigd zijn. Een dergelijke grootte levert bij drie shifts op een dag 324 motorvoertuigbewegingen op (54 x 3 x 2). De totale verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is (worstcase) 590 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gronden zijn in de huidige situatie aangewezen voor o.a.

detailhandel, dienstverlening;, horeca van categorie 1a, 1b en 2, zelfstandige kantoren en wonen. Ter plaatse is bouwvlak met een oppervlakte van ca. 1.200 m² en met een bouwhoogte van 9 meter. Uitgaande van 1 bouwlaag à 1.000 m² b.v.o. aan commerciële functies en 2 bouwlagen à 2.000 m² wonen (koop, etage, midden) genereert de huidige planologische situatie 421 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Het bouwplan, dat met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, resulteert uiteindelijk in een toename van 169 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Omgerekend is dit een toename van ca. 2 motorvoertuigbewegingen per 5 minuten tijdens de twee maatgevende momenten op een dag (ochtend- en avondspits). Verkeerskundig gezien is een dergelijke toename van het aantal motorvoertuig-bewegingen verwaarloosbaar. De beoogde entree van de parkeergarage is voorzien in de zuidwestelijke hoek van het plangebied. Dit betekent dat de in- en uitgang van deze overdekte parkeervoorziening is voorzien aan de marktluwe zijde, in aansluiting op De Passage en Achterom naar de

37

Schooldwarsstraat. Op deze wijze ontstaat een logische ontsluiting, zowel vanuit het perspectief van eventuele hinder als vanuit het perspectief van toekomstige logistiek. 4.4.2. Parkeren Beleid Op 6 februari 2018 is het parkeerbeleid door de gemeenteraad vastgesteld, genaamd ‘Parkeernormennota Papendrecht 2018’. De gemeente Papendrecht wil de vraag naar parkeergelegenheid op zodanige wijze faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte blijft behouden. In de kern is de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Het streven is om de initiatiefnemer parkeren op eigen terrein te laten realiseren. Indien dit niet mogelijk is wordt gekeken naar andere parkeermogelijkheden. Doel van deze parkeernota is om de parkeernormen vast te stellen, aan de hand van de kencijfers (met publicatienummer 317) van het CROW. Bij het bepalen van de parkeernormen zijn drie aspecten van belang: de stedelijkheidsgraad, de gebiedstypering (ligging) en de hoogte van de parkeernorm binnen de bandbreedte. Beoordeling plan Auto Met het planvoornemen wordt een appartementengebouw gerealiseerd met maximaal 50 wooneenheden. Daarbij zijn in de plint de functies horeca en detailhandel toegestaan en dienstverlening en zelfstandige kantoren uitsluitend op de begane grond en op de eerste verdieping.

De functies op de begane grond zijn onderling uitwisselbaar waarbij maxima zijn gesteld aan de oppervlakte voor horeca (max. 500 m²) en detailhandel (max. 200 m²). Bij deze functies is sprake van dubbelgebruik wat het parkeren betreft. Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat de toekomstige bewoners geen extra druk leggen op openbare parkeergelegenheid in het centrumgebied. In dit geval wordt in de parkeervraag op verschillende manieren voorzien, namelijk in de bestaande parkeervoorziening aan de Meent 5, de bestaande parkeerfaciliteit behorende bij het winkelcentrum en een eventuele nieuwe stallingsgarage onder de beoogde nieuwbouw. De bestaande parkeervoorziening aan de Meent 5 is gerealiseerd met het oog op deze ontwikkeling aan de Veerpromenade. Het betreffen 35 parkeerplaatsen die in beheer en eigendom zijn van de gemeente Papendrecht. Het eigendom van deze parkeerplaatsen zal onlosmakelijk worden verbonden aan 35 nieuw te bouwen woningen in het kader van dit bestemmingsplan. Indien meer dan 35 woningen worden gerealiseerd, dan wordt hiervoor permanente parkeerruimte gerealiseerd binnen de in de Parkeernormennota gestelde loopafstand van het plangebied. In dit bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen voor de realisatie van een parkeergarage onder het nieuw te bouwen gebouw.

Omdat in dit bouwplan sprake is van dubbelgebruik is onderzocht welk dagdeel in de week bepalend is voor de berekening van de parkeervraag aan de hand van de 38

aanwezigheidspercentages die conform de Parkeernormennota Papendrecht 2018 gelden. Omdat er geen aanwezigheidspercentages voor restaurants zijn opgenomen in de gemeentelijke Parkeernormennota zijn de normen van de Gemeente Zwijndrecht gehanteerd. Er zijn twee varianten doorgerekend, waarbij voor de eerste variant een volledige horecabezetting is doorgerekend en bij de tweede variant ook een volledige bezetting voor commerciële dienstverlening is doorgerekend. De getallen en aantallen die in onderstaande tabellen worden genoemd, komen voort uit de Parkeernormennota Papendrecht 2018. Variant 1 Programma • 50 woningen (bewonersparkeren van 1 en een bezoekersparkeren van 0,3) • 500 m² horeca (uitgegaan van worst-case = restaurant) Parkeervraag Woningen • Bewonersparkeren in Matser (36), overige (14) in voorziening onder gebouw. Mogelijk liggen hier kansen voor een verdere uitbreiding binnen het project? • Bezoekersparkeren kan worden opgevangen in openbare parkeergarage(s). Restaurant • Parkeervraag kan worden opgevangen in openbare parkeergelegenheden (en garage(s). Hieronder is deze variant uitgewerkt:

39

Variant 2 Programma • 35 woningen (bewonersparkeren van 1 en een bezoekersparkeren van 0.3) • 500 m² horeca (uitgegaan van worst-case = restaurant) • 1.000 m² commerciële dienstverlening Parkeervraag Woningen • Bewonersparkeren in Matser (35) en er hoeven geen extra voorzieningen te worden gerealiseerd onder de ontwikkeling. Mogelijk liggen hier kansen voor een verdere uitbreiding binnen het project. • Bezoekersparkeren kan worden opgevangen in openbare parkeergarage(s).

Restaurant • Parkeervraag kan worden opgevangen in openbare parkeergelegenheden (en garage(s). Commerciële dienstverlening • Parkeervraag kan worden opgevangen in openbare parkeergelegenheden (en garage(s). Hieronder is variant 2 uitgewerkt:

Conclusie Bij variant 1 blijkt de zaterdagavond maatgevend met een gewogen vraag van minimaal 100 en maximaal 110 parkeerplaatsen. Binnen een straal van 100 meter (strikte norm) zijn binnen het centrumgebied voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om de (nieuwe) parkeervraag op te 40

vangen op basis van gegevens van een vrijdagavond (gegevens zaterdagavond niet beschikbaar) uitgaande van het huidige maximum qua bezettingsgraad dat 80% bedraagt. Voor een nadere toelichting hierover, zie de parkeerdrukonderzoek Papendrecht 2020 die is opgenomen in de bijlagen. Bij variant 2 blijkt de koopavond maatgevend met een gewogen vraag van minimaal 81 en maximaal 95 parkeerplaatsen. Binnen de gestelde straal is voldoende parkeergelegenheid beschikbaar op een koopavond, uitgaande van het huidige maximum qua bezettingsgraad dat 80% bedraagt. Voor een nadere toelichting hierover, zie de parkeerdrukonderzoek Papendrecht 2020 die is opgenomen in de bijlagen. Hiermee wordt aan de Parkeernormennota Papendrecht 2018 voldaan. De parkeernormen zijn in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd, om ervoor te zorgen dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van dit bouwplan wordt voldaan aan de parkeernorm. Sinds 10 maart 2020 geldt op grond van het Bouwbesluit de eis dat bij nieuwe woongebouwen met meer dan 10 parkeervakken op hetzelfde terrein voor elk parkeervak, dat aan een woning wordt toegekend, leidinginfrastructuur (loze leidingen) wordt aangelegd voor de aanleg van elektrische laadpunten. Fiets Bij het bepalen van de behoefte aan fietsparkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouwing of functiewijziging wordt eveneens uitgegaan van parkeernormen.

De parkeernormen voor fietsen zijn gebaseerd op de Publicatie "Fietsparkeerkencijfers 2019". Voor appartementen met fietsenberging dient deze ruimte te bieden aan minimaal 2 fietsplekken per woning. Voor een appartement zonder fietsenberging is dit 0,5 - 1 plaats per woning t.b.v. een buurtstalling met fietstrommels. Uitgaande van deze fietsparkeernorm moeten de bergingen bij de woonappartementen ruimte bieden aan minimaal 100 fietsen.

4.5. Kabels en leidingen Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels en leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Een eventueel benodigde traforuimte wordt inpandig gerealiseerd. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6. Bodem- en grondwaterkwaliteit Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een bodemonderzoek conform NEN5740 plaats te vinden. Met dit verkennend onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. 41

In dit geval is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit verkennend en nader bodemonderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten. Verkennend en bodemonderzoek Met voorliggend onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater afdoende vastgesteld. De ondergrond bleek licht verontreinigd te zijn met kobalt, kwik, lood, nikkel en PAK. De sporen- tot zwak puinhoudende ondergrond bleek licht verontreinigd te zijn met koper, kwik en lood. Het grondwater bleek licht verontreinigd te zijn met barium en naftaleen. Nader onderzoek naar zowel de lichte verontreinigingen in de grond als het grondwater is niet noodzakelijk. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen uitgifte van de locatie en de voorgenomen herontwikkeling. Indien grond wordt afgegraven en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

4.7. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In dit geval worden maximaal 50 wooneenheden voorzien. Dit zijn geluidsgevoelige objecten. Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Eilandstraat. Omdat sprake is van geluidzones waarbinnen geluidsgevoelige objecten beoogd zijn, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Daarnaast is het plan gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen, waaronder: Veerpromenade, de Schooldwarsstraat, Achterom en de Markt. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze wegen geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat is de geluidbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen nabij 30 km/uur wegen echter alsnog bepaald.

Daarom is in het onderhavige akoestisch onderzoek de geluidbelasting ten gevolge van voornoemde 30 km/uur wegen inzichtelijk gemaakt. Voor alle wegen in het onderzoek geldt dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. 42

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting bepaald voor alle gemodelleerde wegen. De cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 56 dB ter plaatse van één toetspunt. Op alle overige toetspunten bedraagt de cumulatieve geluidbelasting ten hoogste 53 dB. Voor toetspunt 9 is bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Voor alle overige toetspunten geldt dat bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Industrie en spoorweglawaai Het plangebied is gelegen buiten geluidszones van gezoneerde industrieterreinen en spoorwegen. Derhalve hoeft met deze geluidbron geen rekening te worden gehouden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer 43

een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg.

In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

17. Worst-case berekening bijdrage van extra verkeer op luchtkwaliteit

Beoordeling plan Het planvoornemen ziet op de realisatie van 50 appartementen en horeca in de plint. Om te bepalen of het plan niet in betekende mate bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. 44

Op basis van het voorgaande kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ten noorden van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de Veerweg - zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Ook met de hierboven genoemde toenamen worden de grenswaarden (ruimschoots) niet overschreden. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.

De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt

45

verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter met uitzondering van het hinderaspect gevaar. Naast voorgaande omgevingstypen kent de publicatie ook gebieden met functiemenging. Bij functiemenging kan gedacht worden aan: • Stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; • Horecaconcentratiegebieden; • Zone met functiemenging langs stedelijke toegangswegen; • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan daarbij gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. In functiemengingsgebieden is een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten wenselijk, omdat de activiteiten qua schaal sterk kunnen verschillen van de activiteiten op een bedrijventerrein. De activiteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C. De betekenis voor de toelaatbaarheid is als volgt: • Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

• Categorie B: Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en ander gevoelige functies dienen plaats te vinden. • Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. Productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. De activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. Activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Beoordeling plan Milieubelasting op het plan vanwege bedrijfsactiviteiten in de omgeving In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere niet-woonfuncties. Dit betreffen namelijk een veelvoud aan functies in het centrum van Papendrecht, zoals het gemeentehuis, een woonzorgcentrum, een winkelcentrum, detailhandel, horeca en dienstverlenende bedrijven. Gezien deze omstandigheden is het plangebied aan te duiden als ‘gemengd gebied’.

De oorspronkelijke richtafstanden worden daarom verminderd met één afstandsstap in navolgende toetsing, met uitzondering van het hinderaspect gevaar. Op circa 180 meter van het plangebied ligt bedrijventerrein Slobbengros. Dit bedrijventerrein met een maximale milieucategorie 3.2 - heeft door de relatief hoge afstand tot het plangebied geen invloed op het plangebied. Voor de milieucategorie 3.2 geldt namelijk (na voornoemde 46

verminderde afstandsstap) een richtafstand van 50 meter, met uitzondering van het aspect gevaar (100 meter). Aan de richtafstand kan worden voldaan. In de directe omgeving zijn bedrijven en andere milieubelastende activiteiten gevestigd die in een lagere milieucategorie zijn ingedeeld. Dit betreffen inrichtingen in de milieucategorie 1, omdat het detailhandel, dienstverlening, lichte horeca en kantoren betreffen. Voor de milieucategorie 1 geldt een maximum richtafstand van 0 meter. Vanwege deze omstandigheid kan worden voldaan aan de richtafstanden. Milieubelasting op de omgeving Omgekeerd biedt dit bestemmingsplan de mogelijkheid voor de oprichting van horeca in de plint. De op deze locatie toegestane horeca categorieën zijn inrichtingen in de milieucategorie 1 (restaurant, café of hotel). Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter (na verlaging van één afstandsstap). Dit betekent dat kan worden voldaan aan de richtafstand ten opzichte van de horecaplint ten opzichte van omliggende woningen. Functiemenging Boven de horecaplint zijn woningen voorzien. Nagegaan moet worden of deze twee functies van horeca en woningen in de directe nabijheid van elkaar kunnen worden gerealiseerd. Uit de VNGbrochure ‘bijlage 4 van de Staat van bedrijfsactiviteiten’ volgt dat restaurants, cafés en hotels vallen onder categorie A.

Dit betreffen activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Milieubelastende activiteiten in het bedrijfsgebouw zullen niet doordringen tot de woningen. Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van de beoogde woningbouw. Anderzijds brengt het planvoornemen geen belemmering teweeg voor de niet-woonfuncties, omdat deze functies niet in de bedrijfsvoering worden gehinderd. Ten slotte leidt de horecaplint niet tot hinder in het kader van de richtafstanden. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.10. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.

47

Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.

De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen.

18. Uitsnede Professionele Risicokaart (plangebied met rode pointer aangewezen)

Beoordeling plan De dichtstbijzijnde weg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de N3. Het invloedsgebied van de N3 (wegvak Z115) is maximaal 880 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1,5 km 48

afstand van de N3. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de vaarweg Beneden Merwede/Noord. Als een plangebied op meer dan 200 meter van de relevante transportroutes is gelegen, geldt altijd een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De beperkte verantwoording groepsrisico bestaat uit het beschouwen van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Betuweroute (spoorlijn) is gelegen op circa 2.000 meter afstand. Aangezien deze transportroute buiten de 200 meter is gelegen is conform het Besluit externe veiligheid transportroutes geen berekening noodzakelijk naar de hoogte van het groepsrisico. De transportroute vormt geen belemmering voor het plan. De dichtstbijzijnde hoge druk aardgasleiding is gelegen op circa 1.000 meter afstand. Het planvoornemen valt ruim buiten het invloedsgebied. De buisleiding vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Op circa 350 meter afstand is de inrichting Fokker Aerostructures gelegen. Uit de signaleringskaart blijkt dat het invloedsgebied van de inrichting niet over het planvoornemen is gelegen. De inrichting vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Voor het overige zijn er geen risicobronnen van invloed op het planvoornemen.

Beperkte verantwoording groepsrisico Bij het scenario van een BLEVE (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) zijn personen binnen 150 meter onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Het plangebied ligt op voldoende afstand waardoor schuilen hier een beste advies is, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Er zijn voldoende mogelijkheden om in tegenstrijdige richting van het incident te vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden, is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. De (regionale) brandweer kan in het geval van een calamiteit met toxische gassen het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem activeren (WAS: de sirenes) om de bevolking te alarmeren om te gaan schuilen. Uit een overzicht van de WAS-dekking in de gemeente Papendrecht valt op te maken dat het WAS-systeem voor het plangebied dekkend is. Met betrekking tot zelfredzaamheid speelt risicocommunicatie een belangrijke rol.

Risicocommunicatie is het voorlichten van mensen over de risico's die gelopen worden, en welke handelingspatronen (vluchten of schuilen) daarbij het meest gewenst zijn. Het opstellen van een risicocommunicatieplan op objectniveau is daar een goed voorbeeld van.

49

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Met in achtneming van de omschreven situatie en maatregelen wordt het restrisico acceptabel geacht. Advies VRZHZ Conform de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) moet er inzake de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Verder heeft de VRZHZ geen nadere opmerkingen conform het aspect externe veiligheid. Het team Veilig bouwen en gebruiken binnen de VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor het appartementencomplex, bijbehorende horeca en ondergrondse parkeergarage, zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen. In het kader van de bouwvergunning zal er advies worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde realisatie van maximaal 50 wooneenheden en horeca in de plint.

4.11. Windhinder Algemeen In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN8100:2006 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de activiteit (doorlopen, slenteren of langdurig zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat. Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Voor het beoordelen ervan worden de gradaties gevaarlijk, beperkt risico en geen gevaar/voldoet gebruikt.

50

Beoordeling plan Ten behoeve van deze planontwikkeling is een quickscan windklimaat in de buitenruimte uitgevoerd door Actiflow. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de twee modellen die in het voortraject zijn gepresenteerd aan de gemeenteraad. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat het risico op windhinder en gevaar voor de directe omgeving van het gebouw laag is, ongeacht de keuze voor één van de twee ontwerpopties. Bovendien is het hoge risico niet direct gerelateerd aan de aanwezigheid van de nieuwbouw. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Op navolgende afbeelding is de inschatting van de kans op windhinder visueel weergegeven. Met donkergrijs is de nieuwbouw weergegeven. De kans op windhinder is met oranje/rood weergegeven.

19. Kans op windhinder op maaiveld

Uitkomst is dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat er geen onevenredige windhinder of windgevaar ontstaat.

4.12. Bezonning Er gelden geen wettelijke normen voor bezonning van woningen. De gemeente Papendrecht hanteert de door TNO gestelde normen welke zijn afgeleid van de Engelse wetgeving. De normen die door TNO zijn opgesteld luiden als volgt: 51

-

-

Minimumnorm: er is sprake van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 maart-21 oktober (gedurende 8 maanden) in de woonkamer. Streefnorm: er is sprake van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 januari-21 november (gedurende 10 maanden) in de woonkamer.

Ten behoeve van dit project is een bezonningsstudie uitgevoerd om na te gaan of er nadelige gevolgen zijn voor omwonenden. De bezonningsstudie is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. De resultaten van de bezonningsstudie laten zien dat sprake zal zijn van een toename van schaduwwerking als gevolg van het bouwplan. Ook blijkt uit de bezonningsstudie dat wordt voldaan aan de normen die Papendrecht stelt ten aanzien van schaduwwerking.

4.13. Niet-gesprongen explosieven Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten in de bodem zijn achtergebleven. Bij het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico doordat het explosief door direct contact of trillingen kan exploderen. Om deze reden is een verkennend vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgende de resultaten uit het onderzoek. Het doel van een Verkennend Vooronderzoek is om te beoordelen of er binnen het onderzoeksgebied indicaties zijn die wijzen op oorlogshandelingen waardoor er mogelijk ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Er zijn geen indicaties dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied. Op basis van het Verkennend Vooronderzoek kan gesteld worden dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.

4.14. M.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 52

1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De activiteit komt voor in kolom 3 als onderdeel D 11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). Vanwege de aard en omvang van het project is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit is gebleken dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

53

Hoofdstuk 5.

Juridische planbeschrijving

5.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Veerpromenade-Markt’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Veerpromenade-Markt’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0590.BPVeerpromenade-3001.

5.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.3. Toelichting op de regels 5.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 5.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Artikel 3 Centrum De bestemming Centrum is opgenomen voor de bouw van maximaal 50 woonappartementen in een gebouw met maximaal 9 bouwlagen. Op de begane grond is het mogelijk een horecafunctie op te richten (in categorie 1a, 1b en/of 2) en/of een kleine detailhandelszaak te vestigen (max. 200 m²). Tevens zijn er mogelijkheden opgenomen voor maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en (zelfstandig) kantoorruimte op de begane grond en 1e verdieping.

54

Het gebouw moet worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak. De bestemming staat de bouw van gestapelde hoofdgebouwen toe evenals bijhorende bouwwerken en andere bouwwerken zonder dak. Met de ‘specifieke bouwaanduiding - 1‘ is geregeld dat ter plaatse van deze aanduiding de begane grond niet mag worden bebouwd. Ter plaatse van het plangebied is het via de planregels mogelijk gemaakt een ondergrondse parkeervoorziening te realiseren. Artikel 4 Waarde - Archeologie Om de archeologische waarden en verwachtingen veilig te stellen, is deze dubbelbestemming opgenomen conform de Beleidsnota Archeologie (2012) en de Archeologische verwachtings- en beleidskaart. 5.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 5.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.

55

Hoofdstuk 6.

Uitvoerbaarheid

6.1. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht bij een procedure waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.12 Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld doordat een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer. In artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. Het is niet toegestaan om de gronden te gebruiken voor de appartementen als vanwege kosten de realisatie onmogelijk is. De realisatie van het bouwplan komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Er zijn geen gemeentelijke investeringen mee gemoeid. Dit is vastgelegd in de getekende anterieure overeenkomst. Het kostenverhaal is hierin geregeld. De kosten zijn hierdoor anderszins verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

Bij de verlening van de vergunning besluit het bevoegd gezag geen exploitatieplan vast te stellen zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, omdat de plankosten anderszins verzekerd zijn. De initiatiefnemers kunnen de kosten voor de ontwikkeling dragen. Het plan wordt gerealiseerd op gronden die in eigendom zijn van de gemeente. Gemeente Papendrecht neemt dan ook de kosten voor de planvorming voor haar rekening. Omdat de gemeente als initiatiefnemer is aan te merken vervalt de exploitatieverplichting. Gelet op vorenstaande kan in het kader van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan en wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan onder meer ter vooroverleg toegezonden aan de provincie, de veiligheidsregio (zie paragraaf 4.10), Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid en het waterschap.

56

Waterschap Rivierenland Het waterschap heeft enkele opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. Ten eerste verzoekt het waterschap om in de toelichting te motiveren dat het plan voldoet aan het rioleringskader ‘Samen door een buis’. Tevens wordt verzocht in de toelichting op te nemen dat nadere afstemming met het waterschap nodig is rondom de riolering. Voorts verzoekt het waterschap dat aangegeven wordt hoe de riolering in het plan wordt aangelegd, naar welk lozingspunt het hemelwater wordt afgevoerd en op welke watergangen het hemelwater uiteindelijk geloosd gaat worden. Nieuwe lozingen van bestaand verhard oppervlak worden aan de ‘beslisboom afkoppelen’ getoetst. Per geval wordt getoetst of de afvoer van hemelwater moet worden gecompenseerd. Tot slot ziet het waterschap graag een toekomstige rioleringstekening van het plangebied. Reactie: 1. In de toelichting (§ 4.2) is het rioleringskader ‘Samen door een buis’ opgenomen, waarbij gemotiveerd is aangegeven dat het plan aan het rioleringskader voldoet. Tevens is opgenomen dat voorafgaand aan de bouw nadere afstemming met het waterschap zal plaatsvinden over het verdere planproces rondom de riolering. 2. Het plan ziet toe op de realisatie van een gebouw met daarin maximaal 50 appartementen op een plint met ruimte voor horeca. Er is (nog) geen sprake van een vast gebouwontwerp.

Er is gekozen voor een bestemmingsplan dat enige flexibiliteit biedt. Omdat er met het bestemmingsplan nog geen vaststaand gebouwontwerp wordt vastgelegd kan de aanleg van de riolering ook nog niet worden geregeld. In het vervolgtraject, dat wil zeggen bij uitwerking van het bouwplan, zal in overleg worden getreden met het Waterschap over de wijze waarop de riolering in het plan wordt aangelegd. Uw aandachtspunten worden daarbij ten harte genomen. Wel wordt voorshands opgemerkt, dat het plangebied in de huidige staat volledig is verhard (100%) en er aldus geen belemmeringen worden verwacht als gevolg van toetsing aan de 'beslisboom afkoppelen'. 3. In de toelichting (§ 4.2) is opgenomen dat er bij de nieuwbouw geen gebruik zal worden gemaakt van uitlogende materialen. Provincie Zuid-Holland De provincie heeft per mail gereageerd op het ontwerpbestemmingsplan. De provincie geeft aan dat het plangebied binnen de Provinciale Omgevingsvisie/verordening is aangemerkt als ‘te optimaliseren centrum’. De provinciale verordening staat alleen ontwikkelingen toe die in overeenstemming zijn met het beschreven ontwikkelperspectief (artikel 6.13, lid 2 van de verordening). Op basis van het KSO 2021 is er in principe geen uitbreidingsruimte in Papendrecht voor detailhandel. De winkelleegstand is 11 procent.

De ontwikkeling lijkt derhalve niet in lijn met het ontwikkelperspectief, welke stelt dat het winkelbestand in principe niet zou moeten uitbreiden. Verzocht wordt om te kijken of elders meters uit de markt gehaald kunnen worden of te onderbouwing hoe de ontwikkeling past binnen het ontwikkelperspectief. Reactie: In het bestemmingsplan wordt maximaal 200 m² aan detailhandel mogelijk gemaakt. De vigerende beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’ laat de realisatie 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/594/documents/9932