CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Startnotitie Herijking Minimabeleid.pdf

Commissie Samenleving Papendrecht 24 november 2022, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 9: Herijking minimabeleid - Voorstel7.796 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Startnotitie herijking minimabeleid 2022 Aanleiding Met ingang van 1 januari 2022 is de Drechtraad opgeheven en de GR Drechtsteden omgevormd tot de GR Sociaal (GRS), waarvan de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) momenteel als enige nog onderdeel uitmaakt. Met deze wijziging in governance is de inhoudelijke sturing van de gemeenten op de GR versterkt, en komt er middels lokale kaderstelling ruimte voor gemeentespecifiek maatwerk in het beleid en de uitvoering van de SDD. Afgesproken is dat per 1 januari 2022 het volledige Drechtstedelijke beleid, behoudens de technische aanpassingen aan de nieuwe governance, in eerste instantie ongewijzigd over gaat. Tevens is met de gemeenten ten aanzien van de transitie naar de nieuwe GR afgesproken om eind 2021 gefaseerd te starten met de voorbereiding van de lokale kaderstelling, te beginnen met het minimabeleid. De herijking van het minimabeleid vindt plaats in co-creatie tussen de SDD en de gemeenten, volgens een beleidsproces dat in gezamenlijkheid is vastgesteld. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 is bestuurlijk overeengekomen om te starten met een ambtelijke voorverkenning en het opstellen van de voorliggende startnotitie, aan de hand waarvan het proces van lokale gemeentelijke kaderstelling ná de vorming van de nieuwe raden en colleges kan worden opgestart.

Het Drechtstedelijke minimabeleid bestaat uit verschillende onderdelen, die in een verschillend tempo ambtelijk zullen worden doorontwikkeld, maar integraal ter besluitvorming/bespreking zullen worden voorgelegd. Het beleid is, conform het kader van de Participatiewet waar het (grotendeels) op stoelt, op verschillende wijze vastgelegd. Zo zijn er verordeningen die door lokale raden vastgesteld worden, nadere regels door het Algemeen Bestuur (AB) van de GRS of colleges, en beleidsregels, vast te stellen door het Dagelijks Bestuur (DB) van de GRS en in sommige gevallen het AB. In de basis kan in alle gevallen gemeentelijk maatwerk van toepassing zijn, maar de routes kunnen verschillen. De herijking van het minimabeleid heeft betrekking op al deze aspecten. De voorliggende startnotitie heeft ten doel de "menukaart" voor de beoogde herijking van het minimabeleid op te stellen. De startnotitie beschrijft de "Ist"-situatie en de keuzemogelijkheden, de "Soll"-situatie wordt in latere voorstellen/adviezen per programmaonderdeel geconcretiseerd.

Het Drechtstedelijke minimabeleid Het Drechtstedelijke minimabeleid bestaat uit de volgende programmaonderdelen1:  Het persoonlijk minimabudget (= individuele inkomenstoeslag)  De individuele studietoeslag  De bijzondere bijstand  De collectieve zorgverzekering voor minima (CZM)  Het SMS-kinderfonds  Het fonds voor urgente noden  De regeling tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang In de onderstaande paragrafen wordt per programmaonderdeel afzonderlijk ingezoomd. Per onderdeel wordt beschreven waar het (wettelijk) op berust, waar de bevoegdheid ligt, wat het behelst, waartoe het dient, hoe het op dit moment is ingericht, waarom dat zo is en welke (primaire) keuzes 1 Het Drechtstedelijke beleid kent nog een aantal financiële regelingen die bijstandsgerechtigden ten goede kunnen komen.

Deze zijn echter nadrukkelijk bedoeld om participatie(inspanningen) te stimuleren zoals de participatie/vrijwilligersbonus, tegemoetkoming reiskosten woon-werk e.d. Deze worden om die reden niet gerekend tot het minimabeleid, maar maken onderdeel uit van het beleid binnen de opgave Ontwikkelen naar Werk. In de minima-effectrapportages worden ze altijd wel meegewogen, maar ze vallen onder een andere opgave binnen de GRS. Zij worden in een later stadium meegenomen bij de herijking Participatiewet.

1

binnen de herijking voorliggen. Tevens wordt op gemeenteniveau ingezoomd op de aantallen en uitgaven binnen het betreffende programmaonderdeel in 2021. Op het moment dat programmaonderdelen ter besluitvorming bij het DB/AB of ter doorgeleiding naar de colleges of gemeenteraden voorliggen, zullen zij worden voorzien van een concreet en gemotiveerd voorstel of advies vanuit de SDD, inclusief een inventarisatie van de gemeentelijke maatwerkwensen. De belangrijkste uitgangspunten waarop de advisering van de SDD gebaseerd zal zijn, zijn – naast gemeentelijke maatwerkwensen – de Regionale visie sociaal domein Drechtsteden en de Minimaeffectrapportage Drechtsteden 2021 aangevuld met de meest recente koopkrachtontwikkelingen. Daarnaast vormen ook ervaringen uit de (Drechtstedelijke) uitvoeringspraktijk een potentiële aanleiding tot gewenste aanpassingen in het huidige beleid. De voorstellen zullen zijn voorzien van een financiële doorrekening per gemeente, voor zover gewenst inclusief een doorrekening van gemeente-specifieke alternatieven en een uitvoeringstoets. Het proces om te komen tot gemeentelijk maatwerk is complex en tijdrovend. Dit zowel in het licht van afstemming en co-creatie, als het doorrekenen van eventueel gewenste alternatieven inclusief een uitvoeringstoets, wat op verschillende momenten in het proces aan de orde kan zijn.

In combinatie met het feit dat de opzet van het nieuwe beleidsproces in de praktijk nog finetuning vereist, maakt dit de planning enigszins onzeker.

Het belang van minimabeleid Gemeentelijk minimabeleid vormt een belangrijke schakel binnen de armoedebestrijding en het terugdringen van maatschappelijke uitsluiting. Evenals in het bevorderen van kansengelijkheid. Het staat echter niet op zichzelf. Het vormt in feite een noodzakelijke aanvulling op inkomens(verdelings)vraagstukken die niet kunnen worden opgelost vanuit het samenhangende complex van inkomensvoorzieningen, belastingmaatregelen en toeslagen. Maar ook staat het in relatie tot brede maatschappelijke opgaven als bijvoorbeeld de beschikbaarheid van betaalbare woningen, de toegankelijkheid tot onderwijs (schoolkosten/studiefinanciering) of gezondheidszorg (premie en zorgkosten). In essentie zou het bij minimabeleid moeten gaan om ondersteuning bij individuele onvoorziene noodzakelijke uitgaven die de draagkracht van een huishouden overstijgen. Of ter compensatie van de financiële effecten van een langdurig inkomen op minimumniveau, zonder perspectief op inkomensverbetering. In die zin sluit het minimabeleid aan bij de Participatiewet. Daarnaast is het meer en meer instrument geworden om ongewenste koopkracht- of maatschappelijke effecten, als gevolg van economische omstandigheden of kabinetsbeleid, voor specifieke doelgroepen te repareren. Zeer tekenend hiervoor is de (op het moment van schrijven aangekondigde) energietoeslag.

Gezien het feit dat het gemeentelijke minimabeleid onderdeel is van een complex van samenhangende factoren, maakt dat het flexibel moet kunnen meebewegen met veranderingen in zowel landelijke, regionale als lokale omstandigheden. Of het minimabeleid binnen dat complex van factoren nog 'passend' is, moet dan ook periodiek worden getoetst. Idealiter in zijn volledige samenhang. Onder het regime van de GRD gebeurde dat toetsen vooral aan de hand van signalen uit de uitvoering en/of op basis van periodieke minima-effectrapportages. Bijsturing bestond veelal uit finetuning van het beleid, soms uit het inrichten van een andere uitvoeringspraktijk (bijv. de koppeling van het SMS-kinderfonds aan de Dordtpas) of vanuit budgettaire overwegingen. Centraal uitganspunt bij de aanpassingen van het minimabeleid is echter altijd de betaalbaarheid van de noodzakelijke uitgaven van huishoudens met de laagste inkomens geweest. Hoe "laag inkomen" gedefinieerd wordt, is echter arbitrair. Een definitief antwoord daarop is niet eenvoudig te formuleren, en het hangt samen met het perspectief van waaruit men het beschouwt. In het onderstaande wordt

2

het vraagstuk geschetst vanuit het perspectief van het CBS, vooral vanwege de bredere blik die het CBS hanteert en de koppeling die wordt gemaakt met de koopkrachtontwikkeling.

Armoede en laag inkomen In zijn laatste, tweejaarlijkse publicatie "Armoede en sociale uitsluiting 2021" stelt het CBS dat armoede in Nederland door het sociale vangnet geen kwestie is van fysiek overleven, maar dat het eerder in relatie staat tot het algemene welvaartsniveau van de samenleving. (Inkomens)armoede ziet het CBS als het niet beschikken over voldoende geld (inkomen) om een bepaald consumptiepatroon te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht. Als kritische grens daarvoor hanteert het CBS een eigen definitie van de lage inkomensgrens, die is gekoppeld aan de prijsontwikkeling. En daarop dus meebeweegt. Hierdoor weerspiegelt de lage-inkomensgrens van het CBS een vast koopkrachtbedrag door de tijd heen en leent zich daardoor uitstekend voor een longitudinale vergelijking.2 Overigens spreekt het CBS bij een inkomen onder de lage-inkomensgrens niet van armoede, maar van het risico op armoede dan wel op langdurige armoede. De beschikbare financiële middelen van huishoudens worden immers niet alleen bepaald door het inkomen. Zonder hier te diep op de resultaten van de historische ontwikkeling van het armoederisico te willen ingaan: het CBS constateert dat het risico op zowel armoede als langdurige armoede in 2020 in Nederland is gedaald ten opzichte van de eerdere jaren.

Tevens benoemt het CBS een aantal doelgroepen, dat in hogere mate een armoederisico loopt. Voor 2021 en 2022 is – op basis van een door het CPB gemaakte prognose – de verwachting uitgesproken dat die risico's vrijwel onveranderd zullen zijn. De grote kanttekening die bij de CBS-publicatie op dit punt kan worden gemaakt, is dat de cijfers zijn gebaseerd op de jaren tot en met 2020, en dat daarin dus nog niet de sterk stijgende inflatie sinds de tweede helft 2021 is verdisconteerd. Buiten het feit dat het CBS het armoederisico koppelt aan koopkracht, is het perspectief dat het CBS in zijn publicatie op armoede presenteert om drie andere reden interessant: 1. Er wordt gedifferentieerd naar huishoudtype: voor huishoudens van verschillende grootte en samenstelling geldt een andere lage-inkomensgrens; 2. Er worden aanvullende materiële factoren meegewogen, zoals bestedingen, of vermogen dat als buffer kan worden ingezet en schulden; 3. Armoede wordt in een "breed leefsituatieperspectief" geplaatst, waarmee armoede wordt verbonden met gegevens over o.a. sociale uitsluiting, maatschappelijke participatie, woonomgeving en -kwaliteit en gezondheid. Precies dit zijn factoren die bij het formuleren van effectief en efficiënt gemeentelijk minimabeleid vragen om een gedegen afweging.

Zowel wat betreft de toegang tot het minimabeleid (de definitie van de doelgroep) als de feitelijk te bieden ondersteuning. Hoewel het minimabeleid in de Drechtsteden niet is geënt op de CBS-uitgangspunten, toont het wel de differentiatie waarmee gericht specifieke doelgroepen om specifieke redenen worden ondersteund.

Minima-effectrapportage Drechtsteden 2021 Mede op verzoek van de gemeenten en in opdracht van de SDD heeft het Nibud medio 2021 een Minima-effectrapportage (MER) opgesteld. Hierin is het effect van landelijke, regionale en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Drechtsteden onderzocht. Er is berekend in hoeverre huishoudens in staat zijn om het 2

Centraal Bureau voor Statistiek, Armoede en sociale uitsluiting 2021, Den Haag, december 2021, p.3..In het eerste hoofdstuk van de publicatie wordt nader ingegaan op verschillende gangbare operationele definities van het normatieve concept armoede, inclusief hun beperkingen.

3

basispakket (bestaande uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn) én de kosten voor sociale participatie (bijvoorbeeld het ontvangen van bezoek en contributies) te bekostigen. Het rapport brengt de verschillen in koopkracht tussen diverse huishoudtypes in kaart, middels de zogenoemde koopkrachtplaatjes. Dit is berekend voor negen verschillende huishoudtypes en voor meerdere inkomensniveaus (100% tot 150%) van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM). Kort samengevat laat de MER – let op: afgerond medio 2021 – een overwegend positief beeld zien. Het Nibud constateert dat het minimabeleid in de Drechtsteden goed aansluit bij de inkomensondersteunende maatregelen vanuit het Rijk. Hierdoor hebben alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket te betalen. Dit is niet het geval wanneer ook de bekostiging van de sociale participatie wordt meegenomen. Het paar met oudere kinderen kent dan een tekort van €11 op de maandelijkse begroting. Mede dankzij de inzet van het SMS-kinderfonds blijft de schade daarmee nog enigszins beperkt. De MER laat tevens zien, dat de bestedingsruimte van huishoudens zonder kinderen op bijstandsniveau laag is. Zij houden – na de basisuitgaven en de uitgaven voor sociale participatie – per maand €23 over.

Tevens wijst het Nibud erop dat een aantal huishoudens te maken krijgt met een doorstroomval (als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder bestedingsruimte overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau). Dit doet zich voor bij paren met kinderen op 120 procent, door het niet meer in aanmerking komen voor kwijtschelding van de lokale lasten en voor de vergoeding van het woon-werkverkeer. Een doorstroomval doet zich ook voor bij eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen op 150 procent. Dit wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding uit het SMS-Kinderfonds. In alle gevallen speelt bij de doorstroomval ook het (gedeeltelijk) wegvallen van landelijke toeslagen een rol. Het voorkomen van doorstroomvallen is daarom erg lastig, omdat de landelijke regelingen gelijktijdig gecorrigeerd zouden moeten worden. Buiten het feit dat dit dus lastig is, is het de vraag of het minimabeleid – vanuit het uitgangspunt dat het primair gericht is op de betaalbaarheid van de noodzakelijke uitgaven van huishoudens met de laagste inkomens – gericht doorstroomvallen zou moeten compenseren. Het is belangrijk om te benoemen dat de huishoudelijke begrotingen, die het NIBUD presenteert, berusten op drie cruciale voorwaarden: 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Alle inkomensondersteunende voorzieningen aanvragen; 3.

Geen grote persoonlijke onvoorziene uitgaven hebben (zoals bijvoorbeeld zorgkosten, een hoge huur of een terloopse bekeuring). Deze combinatie van factoren zal zich in de praktijk niet vaak voordoen. Een extra complicerende factor hierbij is het huisvestingprobleem. In de berekeningen is het Nibud ervan uitgegaan dat de onderzochte huishoudtypes een passende sociale huurwoning hebben met bijbehorende huurprijs. Er moet rekening worden gehouden met dat de huidige problematiek rondom de huisvesting maakt dat dit niet de realiteit is voor veel huishoudens. Sommige huishoudens zullen bijvoorbeeld noodgedwongen in een dure particuliere huurwoning zitten, wat direct ingrijpt op hun financiële positie. Het Nibud heeft op basis van de uitkomsten van de koopkrachtpraatjes een tiental aanbevelingen gedaan: 1. Verminder niet-gebruik regelingen 2. Stimuleer goed financieel beheer: organiseer cursussen of begeleiding 3. Help energielasten verlagen 4. Onderzoek de mogelijkheid om sociale participatie voor volwassenen te vergoeden 5. Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering onder de aandacht 6. Zie er op toe dat deelnemers aan de collectieve zorgverzekering het ‘juiste’ pakket kiezen 7. Differentieer het Persoonlijk Minimabudget 8. Houd de vrijwilligers/participatiebonus in stand 9. Heroverweeg de tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang 10.

Houd aandacht voor paren met oudere kinderen Over de uitkomsten van de MER 2021 is de Drechtraad in december 2021 per raadsinformatiebrief geïnformeerd. Normaal gesproken zouden de uitkomsten van de MER in belangrijke mate richting geven aan de doorontwikkeling van het minimabeleid in de Drechtsteden. Echter ….. sinds de

4

coronacrisis hebben we te maken met sterk wisselende economische ontwikkelingen en verwachtingen. Crisis en herstel wisselden elkaar in golfbewegingen af, niet alleen in Nederland, maar ook mondiaal. In een verschillend tempo. En met een verschillende impact. Op het moment van schrijven leidt de (mondiale) economische opleving in combinatie met sterk ontregelde productie- en transportketens en geopolitieke spanningen tot schaarste aan grondstoffen, waaronder energie. Met als gevolg een ongekende stijging van de energietarieven en een sinds 1982 ongekend hoge inflatie die ver uitsteekt boven het in Nederland en Europees verband wenselijk geachte niveau. Kortom, een economische realiteit die de koopkracht van veel huishoudens onder druk zet, en die van de minima in het bijzonder. Dit vraagt niet alleen om een nieuwe analyse van de koopkrachtontwikkeling van minimahuishoudens in 2022, maar het noopt er mogelijk tevens toe een aantal maatregelen met prioriteit door te voeren.

Koopkrachtontwikkeling 2022 Het blijkt lastig een betrouwbare inschatting te maken van de koopkrachtontwikkeling in 2022. In het licht van de nasleep (?) en economische effecten van de coronacrisis is de onzekerheid groter dan onder stabielere economische omstandigheden. Bovendien ontwikkelt de situatie zich razendsnel, de inzichten van gisteren zijn vandaag alweer achterhaald. In september 2021 constateerde het Nibud naar aanleiding van de Miljoenennota, dat 2022 een somber jaar zou worden voor mensen die moeilijk rond konden komen. Dat had ermee te maken dat de aanpak van grote problemen die hun weerslag hebben op het besteedbaar inkomen door het kabinet vanwege zijn demissionaire status zijn doorgeschoven naar een volgende regeerperiode. Veel huishoudens zouden daardoor volgens het Nibud niet méér te besteden krijgen in 2022. Voor bijstandsgerechtigden zou de appel nog zuurder zijn: zij zouden er volgens de berekeningen zelfs op achteruitgaan (tussen de -0,2 en -0,3%).3 Veel andere huishoudens met een laag inkomen zagen hun koopkracht eveneens niet stijgen. Bij de koopkrachtberekeningen in september heeft het Nibud gerekend met een verwachte inflatie van 1,8 procent. Als de prijzen van producten en diensten in 2022 meer dan dit percentage stijgen, zou dat een negatieve invloed hebben op de koopkracht van alle huishoudens. Inmiddels is die realiteit ingetreden.

In november 2021 was de inflatie op consumentengoederen en -diensten in Nederland gestegen naar 5,2% ten opzichte van een jaar eerder.4 Bovendien zijn inmiddels veel huishoudens met een flexibel energiecontract geconfronteerd met de prijsontwikkelingen op de energiemarkt en zagen zij deze grote kostenpost binnen het huishoudbudget met tientallen euro's per maand stijgen. De Nederlandse Bank (DNB) ging in december 2021 in zijn publicatie Economische Ontwikkelingen en Vooruitzichten uit van een basisraming over het gehele jaar 2021 van 2,7% gemiddeld en verwacht tevens dat de inflatie de komende jaren hoog blijft, met gemiddeld 3,0% in 2022 en 2,9% in 2023. Tevens geeft de DNB aan dat de economische vooruitzichten met meer onzekerheid zijn omgeven dan gebruikelijk: "In een alternatief scenario ontwikkelt de pandemie zich zodanig dat substantiële contactbeperkende maatregelen langer nodig blijven en opnieuw moeten worden aangescherpt. Dit zou de bbp-groei volgend jaar met ruim 2 procentpunt kunnen verlagen tot 1,4%. In een tweede alternatieve scenario zijn de grondstoffenprijzen op de wereldmarkt langdurig verhoogd, in combinatie met aanhoudende aanbodverstoringen en een sterkere loon-prijsspiraal.

Onder andere door hogere energieprijzen loopt de Nederlandse inflatie in dat scenario sneller op, naar circa 4% in 2022 en 2023, en komt de bbp-groei in die jaren gemiddeld 1 procentpunt per jaar lager uit dan in de basisraming".5 Hoewel het coalitieakkoord van het nieuwe kabinet bij publicatie op het oog voor de koopkracht van de Nederlandse huishoudens en minima misschien nog enigszins hoopvol stemde, blijkt dat in het licht

3 Nibud, Koopkrachtveranderingen voor 2022. Koopkrachtplaatjes voor 117 voorbeeldhuishoudens, september 2021. 4 CBS, nieuwsbericht, 7 december 2021, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/49/hoogste-inflatie-in-bijna-40-jaar. 5 DNB, Economische Ontwikkelingen en Vooruitzichten, december 2021, nr. 22, p3.

5

van de huidige inflatiecijfers (althans zonder verdere ingrepen) erg tegen te vallen. In zijn doorrekening van het coalitieakkoord in januari 2022 gaat het CPB uit van de inflatiepercentages in de basisraming van de DNB6 en constateert het dat de positieve beleidseffecten van het coalitieakkoord voor de koopkracht door de inflatie voor de gehele regeerperiode geneutraliseerd worden. 7 In maart 2022 zal het CPB met zijn Centraal Economisch Plan met een actualisatie komen op basis van nieuwe inflatieramingen. Wat de stijgende inflatie voor de koopkracht in 2022 voor de Nederlandse huishoudens betekent, is door het Nibud aan de vooravond van de regeringsverklaring doorgerekend. Ook het Nibud gaat daarbij uit van de basisraming van de DNB (3% stijging inflatie). Aangezien in 2022 nog geen beleidseffecten vanuit het coalitieakkoord zijn te verwachten, kantelt het plaatje – dat het Nibud in september 2021 presenteerde – van neutraal/licht negatief naar negatief voor alle 117 voorbeeldhuishoudens.8 Zij leveren tussen de 0,5 en 1,9% in, in euro's betekent dit een daling van de koopkracht die afhankelijk van het huishoudtype varieert van €9,- tot €116 per maand. Bij een hogere inflatieverwachting dan de basisraming zal dat tekort nog verder oplopen.9 Het Nibud maakt zich daarbij vooral zorgen over de lagere inkomensgroepen.

Vele van hen, zoals bijstandsgerechtigden en mensen met een hoge huur, komen daardoor structureel klem te zitten. Hetzelfde geldt volgens het Nibud voor AOW'ers met een klein pensioen. In de cijfers van het Nibud is al wel de lagere energiebelasting, maar nog niet de door het kabinet aangekondigde en door gemeenten uit te voeren energietoeslag meegenomen. Deze laatste zal volgens het Nibud wel enige verlichting bieden, maar niet toereikend zijn om de volledige koopkrachtdaling te compenseren.10 In het debat over de regeringsverklaring op 18 en 19 januari 2022 stond de koopkracht dan ook prominent op de agenda, waarbij er kamerbreed werd opgeroepen om de koopkrachtdalingen te repareren. Dit heeft echter niet geleid tot harde garanties, maar tot een intentie het te onderzoeken. Tevens is door de premier aangegeven dat – buiten de reeds toegezegde energietoeslag – in 2022 niet veel meer kan worden gedaan aan koopkrachtreparatie. Ervan uitgaande dat de inflatiecijfers voorlopig nog hoog zullen blijven11, nog aangejaagd worden door recente geopolitieke ontwikkelingen en de koopkrachtreparatie vanuit het kabinet niet tijdig en volledig zal zijn, legt de stijgende inflatie vooralsnog een grote druk op het gemeentelijke minimabeleid om een passend antwoord te formuleren op de dalende koopkracht van kwetsbare huishoudens met een laag inkomen en (hoog) armoederisico.

De verschillende onderdelen van het minimabeleid Het persoonlijk minimabudget Wettelijk kader Art. 36. Participatiewet Bevoegdheid (artikel 4 lid 1 jo. artikel 5 lid 1 GRS) Verordening PMB: Gemeenteraad (art. 8, lid 1, sub b Participatiewet). Nadere regels PMB: College 6 CPB, Analyse coalitieakkoord 2022-2025, januari 2022 , p.17, p.27 7 CPB, Analyse coalitieakkoord 2022-2025, januari 2022, p.3, p.15 8

Nibud, Koopkrachtveranderingen voor 2022 Koopkrachtplaatjes voor 117 voorbeeldhuishoudens, januari 2022.

9 Het leven was in januari 7,6 procent duurder dan een jaar eerder. Dat blijkt uit een eerste raming van het CBS volgens de zogenoemde

Europese rekenmethode. In december werd met deze rekenmethode nog een inflatie van 6,4 procent gemeten. Volgens de Nederlandse rekenmethode was de inflatie In januari 2022 6,4% tegenover 5,7% in december. 10 https://www.nibud.nl/beroepsmatig/nibud-ziet-koopkrachtdalingen. 11 https://nos.nl/artikel/2415995-inflatie-blijft-ook-nog-groot-deel-2023-hoog-zegt-dnb-president-knot

6

Beleidsregels/uitvoeringsrichtlijnen: DB GR Sociaal Doel en korte schets huidig beleidskader Onder de Wet werk en bijstand (WWB) bestond de langdurigheidstoeslag. Bedoeld om de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen en na verloop van tijd geen enkel perspectief hebben om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen, te ondersteunen. Per 1 januari 2015 is de Participatiewet van kracht geworden en daarin vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Hierdoor kwamen er nieuwe vereisten over de wijze waarop invulling werd gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’, die door de gemeenteraad dienen te worden vastgesteld. Tevens wordt colleges de mogelijkheid geboden om via nadere regels de doelgroep te specificeren. Het Persoonlijk Minima Budget (PMB) is de Drechtstedelijke invulling van de individuele inkomenstoeslag. Het PMB is bedoeld voor mensen die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering (het is ondanks inspanningen niet mogelijk om het inkomen op korte termijn te verbeteren). Dat het PMB is beperkt tot geldend voor mensen ouder dan 21, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vastgelegd in de Participatiewet.

Tevens is daarin voorgeschreven dat een aanvraag voor individuele inkomenstoeslag niet eerder dan 12 maanden na de vorige aanvraag succesvol kan worden ingediend. Formeel gezien dient men, gezien het gestelde in artikel 36 van de P-wet, ook te beoordelen of de aanvrager "geen uitzicht heeft op inkomensverbetering". Hier kan in de praktijk streng of ruimer mee worden omgegaan. Momenteel komen huishoudens met een inkomen van maximaal 110 procent van de bijstandsnorm voor het PMB in aanmerking. Waarbij de referteperiode (de periode dat men op dit inkomensniveau zit) 12 maanden is. Het PMB wordt op aanvraag éénmaal per jaar verstrek. De hoogte van dit budget is in 2021 vastgesteld op 35% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit betekent voor een: - Alleenstaande, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 385 euro per jaar; - Gehuwd/samenwonend, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 550 euro per jaar. Verblijvend in inrichting: - Alleenstaande, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 125 euro per jaar; - Gehuwd/samenwonend, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 190 euro per jaar. Daarnaast zijn in de nadere regels PMB door de colleges de doelgroepen gedefinieerd die geen recht hebben op het PMB. Keuzemogelijkheden Het PMB kent een aantal knoppen om aan te draaien, waarbij op grond van art.

8, lid 2, P-wet op zijn minst invulling moet worden gegeven aan de begrippen "langdurig' en "laag inkomen". 1. Bepaling van de definitie laag inkomen 2. Bepaling van de referteperiode (= definitie langdurig) 3. Differentiatie naar huishoudtype 4. De hoogte van de toeslag 5. De nadere regels ten aanzien van de doelgroep Huidige aantallen en uitgaven per gemeente12 2021 Alblasserdam Dordrecht Hardinxveld-G H-I-Ambacht

Aantal klanten (gehuwd + alleenstaande ouder +alleenstaande) 247 (50+159+37) 2.891 (374+561+1.953) 110 (26+26+58) 251 (46+62+142)

Totaal bedrag in € 101.805 1.143.945 45.955 99.185

Gemiddeld bedrag per klant in € 412 396 418 395

12 De uitgaven per gemeente in de tabellen per programmaonderdeel hebben telkens betrekking op de programmakosten, en zijn één op

één toegerekend aan de gemeenten (op basis van feitelijk gebruik voorzieningen).

7

Papendrecht Sliedrecht Zwijndrecht TOTAAL

388 (67+80+241) 385 (53+86+244) 840 (126+216+497) 5.112 (742+1.068+3.294)

158.195 152.415 340.280 2.041.780

408 396 405 399

De individuele studietoeslag Wettelijk kader Art. 36b Participatiewet Bevoegdheid (artikel 4 lid 1 jo. artikel 5 lid 1 GRS) Verordening individuele studietoeslag: Gemeenteraad (art. 8, lid 1, sub c Participatiewet). In de Drechtsteden is ervoor gekozen de regels omtrent het verlenen van een individuele studietoeslag op te nemen in de Verordening Werk en Inkomen (art. 2.11) en niet in een separate verordening of in combinatie met de Verordening Persoonlijk Minimabudget. Doel en korte schets huidig beleidskader De individuele studietoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor inwoners van wie is vastgesteld dat ze door een medische beperking niet kunnen bijverdienen naast de studie. De voorwaarden waaronder iemand in aanmerking komt voor de individuele studietoeslag zijn vastgelegd in artikel 36b van de Participatiewet. De discretionaire ruimte voor gemeenten is – mede daardoor – beperkt. Op dit moment dient de gemeenteraad (nog) regels te stellen omtrent het verlenen van een individuele studietoeslag. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag. Ook kan de gemeenteraad een uitvoeringsorganisatie aanwijzen die de ernst van de medische beperking in relatie tot het verdienvermogen beoordeelt.

Met de individuele studietoeslag is echter iets bijzonders aan de hand: uit onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie van december 2018 is gebleken dat de individuele studietoeslag niet aan het gestelde doel voldoet en aanpassing behoeft. Aanpassing werd noodzakelijk geacht om uiteindelijk het beoogde doel van de regeling te bereiken: jongeren met een structurele medische beperking die niet kunnen bijverdienen naast en tijdens hun studie, een extra (financiële) steun in de rug te geven. Om deze reden ligt er een voorstel om de regeling met betrekking tot de studietoeslag te wijzigen om het belangrijkste mankement te repareren: het feit dat de hoogte van de toeslagen per gemeenten te veel van elkaar verschilden en daarmee de rechtszekerheid van een kwetsbare doelgroep aantastten. De wijzigingen met betrekking tot de studietoeslag waren oorspronkelijk onderdeel van het wetsvoorstel Breed Offensief. In april 2021 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Breed Offensief echter controversieel verklaard. Via een amendement bij de Verzamelwet SZW zijn de wijzigingen met betrekking van de studietoeslag, nu onderdeel van het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2022. Dit is in november 2021 in de Tweede Kamer aangenomen. Op dit moment is nog niet precies duidelijk wanneer in 2022 de verzamelwet van kracht wordt, maar dit wordt op korte termijn voorzien.

De belangrijkste wijziging ten aanzien van de individuele studietoeslag betreft de hoogte van de toeslag.13 Deze wordt nu geharmoniseerd en genormeerd en bij een algemene maatregel van bestuur (AMvB) vastgesteld, waarbij de hoogte van de toeslag "naar leeftijd te onderscheiden categorieën belanghebbenden verschillend kan zijn". In aanloop naar de wetswijziging heeft de minister van SZW gemeenten (nogmaals, ook in 2019) opgeroepen reeds in de geest van de herziening van de 13 Naast de hoogte van de studietoeslag zijn binnen het wetsvoorstel Breed offensief nog tal van andere wijzigingen van kracht zoals

herdefiniëring van de doelgroep, nadere definiëring van de medische beperking, het schrappen van de leeftijdsgrens en het loskoppelen van de individuele studietoeslag van de bijstandsverlening (waardoor de toetsingscriteria die voor de beoordeling van het recht op bijstand aan de orde zijn niet van toepassing zijn op de individuele studietoeslag).

8

individuele studietoeslag te handelen en de hoogte hiervan vanaf de leeftijd van 21 jaar op €300 netto per maand vast te stellen. Voor studenten jonger dan 21 jaar kunnen gemeenten conform het toepasselijke jeugd-minimumloon een lager bedrag hanteren. De Drechtsteden hebben in aanloop naar de wetswijziging reeds in 2019 de hoogte van de studietoeslag bepaald op €300 per maand, met een terugwerkende kracht van maximaal 6 maanden. Van de optie om voor studenten jonger dan 21 een lager bedrag naar rato van het betreffende minimum jeugdloon te hanteren is nog geen gebruik gemaakt. Keuzemogelijkheden Zoals in het voorgaande is aangegeven zal de discretionaire ruimte van gemeenten ten aanzien de individuele studietoeslag verder worden beperkt. De beoogde wetswijziging (inclusief de AMvB) noopt wel tot aanpassing van de Gemeentelijke Verordeningen Werk en Inkomen op het moment dat de Verzamelwet SZW van kracht wordt. Huidige aantallen en uitgaven per gemeente 2021 Alblasserdam Dordrecht Hardinxveld-G H-I-Ambacht Papendrecht Sliedrecht Zwijndrecht TOTAAL

Aantal cliënten 6 40 0 5 3 8 7 68

Totaal bedrag in € 13.829 96.033 0 14.014 5.934 19.819

15.300 164.930

De bijzondere bijstand Wettelijk kader Artikel 35 lid 1 van de Participatiewet Bevoegdheid (art. 4 lid 1 jo. art. 5 lid 1 GRS) Beleidsregels Minimabeleid: DB GR Sociaal Doel en huidig beleidskader De Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt, afhankelijk van de individuele omstandigheden en de financiële situatie, bijzondere bijstand voor bijzondere en noodzakelijke kosten. Kosten die vergoed kunnen worden zijn bijvoorbeeld de kosten in verband met ziekte, een noodzakelijke verhuizing of rechtsbijstand. De SDD bepaalt mede aan de hand van de beleidsregels of er recht op bijzondere bijstand bestaat. Hierbij wordt gekeken naar wat de aard van de kosten is, of de kosten noodzakelijk zijn, of de kosten voortkomen uit bijzondere omstandigheden en of de kosten daadwerkelijk gemaakt worden. Er mag geen andere regeling zijn waaruit de noodzakelijke kosten kunnen worden vergoed. Alleen inwoners met een laag inkomen (110% WSM) en beperkt vermogen (alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010) komen in aanmerking. Het inkomen hoger dan de inkomensgrens wordt voor 35% als draagkracht verrekend met de toe te kennen bijzondere bijstand. Bij een vermogen hoger dan de vermogensgrens wordt 100% als draagkracht in aanmerking genomen. De bijzondere bijstand kan voor de meeste kostensoorten tot zes maanden terugwerkende kracht worden aangevraagd.

Dit houdt in dat de betaalnota niet ouder dan zes maanden mag zijn. De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand wordt (individueel) bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten, waarbij wordt gekeken naar de goedkoopste adequate voorziening. Bij volledige woninginrichting en losse duurzame gebruiksgebruiksgoederen wordt een lijst met richtprijzen gehanteerd. In principe wordt de

9

bijzondere bijstand als gift ('om niet') verstrekt. Voor duurzame gebruiksgoederen geldt echter de hoofdregel dat in de vorm van een lening wordt verstrekt. Keuzemogelijkheden 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Inkomensgrenzen Vermogensgrenzen Draagkrachtpercentages Terugwerkende kracht aanvragen Vorm van bijstand: lening of gift Hoogte richtprijzen

Huidige aantallen en uitgaven per gemeente 2021

Alblasserdam Dordrecht Hardinxveld-G H-I-Ambacht Papendrecht Sliedrecht Zwijndrecht TOTAAL

Uitgaven BB exclusief bewindvoering 71.941 928.674 55.693 100.381 118.256 89.874 253.182 1.618.001

Verstrekte leenbijstand -33.473 -332.013 -21.196 -50.291 -99.528 -37.284 -144.553 -718.338

Uitgaven BB Bewindvoering 162.604 1.925.031 76.137 132.428 224.079 304.252 433.284 3.257.815

Totaal BB

201.072 2.521.693 110.634 182.519 242.806 356.842 541.913 4.157.478

Alblasserdam - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 107 27 15 26

Totaal bedrag in € 162.604 48.199 13.507 6.612

Dordrecht - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 1.265 286 176 341

Totaal bedrag in € 1.925.031 455.298 131.308 95.460

Hardinxveld-G - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 41 13 8 16

Totaal bedrag in €

H-I-Ambacht - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 86 31 23 26

Totaal bedrag in € 132.428 65.970 21.167 8.345

72.097 29.980 8.150 3.844

10

Papendrecht - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 146 31 18 47

Totaal bedrag in € 224.079 61.689 14.618 13.030

Sliedrecht - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 195 41 13 51

Totaal bedrag in € 299.400 60.289 10.396 13.038

Zwijndrecht - Top 4 BB 2021 1. Bewind 2. Kosten inrichting/huisraad 3. Verhuiskosten 4. Eigen bijdrage rechtsbijstand

Aantal klanten 284 69 48 105

Totaal bedrag in € 430.890 128.314 41.348 35.037

De collectieve zorgverzekering voor minima Wettelijk kader Art. 35, lid 3 Participatiewet Bevoegdheid (artikel 4 lid 1 jo. artikel 5 lid 1 GRS) Beleidsregels Minimabeleid (hoofdstuk 3): DB GR Sociaal Doel en korte schets huidig beleidskader Om ervoor te zorgen dat inwoners met een financieel kwetsbare positie niet voor onverwachte hoge kosten komen te staan bij een zorgvraag, biedt de SDD inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan: de Gemeentepolis Drechtsteden. De aanbieder hiervan is zorgverzekeraar VGZ. De Gemeentepolis Drechtsteden bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering. De aanvullende verzekering is uitgebreid met extra vergoedingen voor bijvoorbeeld brillen, fysiotherapie, en medicijnen. Ook is het mogelijk om het eigen risico mee te verzekeren. Deelnemers kunnen kiezen uit drie pakketten waarmee de kwetsbaarheid vanuit zowel gezondheids- als financieel perspectief ondervangen kan worden. Kinderen jonger dan 18 jaar zijn volledig gratis meeverzekerd. Om voor de Gemeentepolis Drechtsteen in aanmerking te komen, wordt een inkomensgrens van 130 procent van het (bruto) wettelijk minimumloon gehanteerd, inclusief vakantiegeld. Er is geen vermogenstoets. De tarieven worden jaarlijks door de verzekeraars – dus ook VGZ – vastgesteld.

Doordat de Drechtsteden een deel van de maandelijkse premie betalen aan VGZ kan de premie voor de deelnemers relatief laag worden gehouden. De tarieven voor de deelnemers in 2022 bedragen: Gemeentepolis Drechtsteden 2021 VGZ Gemeentepakket Compact VGZ Gemeentepakket Compleet VGZ Gemeentepakket Compleet + €0,- eigen risico

Premie (incl. gemeentelijke bijdrage)

Gemeentelijke bijdrage

€ 128,79

€ 13,50

€ 153,40

€ 13,50

€ 169,30

€ 27,00

11

Gemeentepakket Compact: Dit pakket is voor inwoners die weinig zorg verbruiken. Dit pakket biedt onder andere vergoeding voor tandarts, fysiotherapie, brillen en lezen. Gemeentepakket Compleet: Dit pakket is voor inwoners die veel zorg verbruiken. Dit pakket biedt dezelfde vergoeding als Gemeentepakket Compact + onder andere vergoeding voor orthodontie, extra fysiotherapie, en eigen bijdrage Wmo. Gemeentepakket Compleet + €0,- eigen risico: Dit pakket is voor inwoners die veel zorg verbruiken en meestal het volledig eigen risico gebruiken. Dit pakket biedt dezelfde vergoeding als Gemeentepakket Compleet + het eigen risico is meeverzekerd. De Drechtsteden hebben voor de Gemeentepolis Drechtsteden met VGZ een lopend contract tot en met 31 december 2023. Er is geen verlengingsoptie meer, wat impliceert dat – indien men in 2024 en later nog een gemeentepolis wil kunnen aanbieden – in het vierde kwartaal van 2022 een begin moet worden gemaakt met een nieuwe aanbesteding. Keuzemogelijkheden Binnen het lopende contract is nog een beperkt aantal keuzemogelijkheden voor het jaar 2023 om te sturen op de uitgaven. Daarbij wordt de speelruimte wel beperkt door de contractvoorwaarden. Te verreikende individuele aanpassingen – die een (te) grote invloed hebben op het bereik en de afname – kunnen leiden tot het beëindigen van het contract door VGZ, ten nadele van alle gemeenten.

De volgende keuzemogelijkheden staan nog voor gemeentelijk maatwerk open: 1. Het aanbieden van één of meerdere gemeentepakketten 2. De hoogte van de eigen bijdrage gemeenten 3. De hoogte van de inkomensgrens 4. Wel of geen vermogenstoets Voor het jaar 2024 staan ook de volgende keuzemogelijkheden open: 1. Het wel of niet aanbieden van een Gemeentepolis 2. Eén of meerdere verzekeraars als aanbieders Huidige aantallen en uitgaven per gemeente De aantallen per gemeente kunnen door VGZ niet geleverd worden. De 'totaal' cijfers bij de polissen zijn van Q1 2021, nadat de jaarlijkse mogelijkheid te wisselen van zorgverzekering is verstreken. 2021 Aantal Aantal polissen Aantal polissen Aantal Totaal bedrag polissen Compleet Compleet + ER polissen in € Compact totaal Alblasserdam 162.318 Dordrecht 1.185.444 Hardinxveld-G 126.111 H-I-Ambacht 177.457 Papendrecht 255.625 Sliedrecht 259.242 Zwijndrecht 396.545 TOTAAL 905 2.878 6.067 9850 2.562.742 NB De collectieve zorgverzekering minima wordt gefinancierd vanuit twee budgetten. Het Gemeentepakket Compact en het Gemeentepakket Compleet worden gefinancierd vanuit het budget minimabeleid. Het Gemeentepakket Compleet + €0,- eigen risico wordt gefinancierd vanuit het voormalige Wtcg/CER-budget. Wtcg staat voor 'Wet Tegemoetkoming Chronisch zieken en gehandicapten' en CER voor 'Regeling Compensatie Eigen Risico'.

Van oorsprong waren de Wtcg en de CER landelijke compensatieregelingen voor chronisch zieken en gehandicapten. Met de decentralisaties 2015 werden de Wtcg en de CER afgeschaft. Ter compensatie ontvingen gemeenten budget en de bevoegdheid om een nieuwe eigen compensatieregeling in te richten. Dit kon onder het regime van de Wmo 2015 of de Participatiewet. Ter voorkoming van veel duur maatwerk onder het regime van de Wmo (dat een groot deel van het budget zou opslokken) is in veel gemeenten, waaronder de Drechtsteden, gekozen voor het aanbieden van een voordelige collectieve zorgverzekering - met de optie van het meeverzekeren van het eigen risico - onder het regime van de Participatiewet.

12

Het SMS-kinderfonds (subsidie Leergeld/Dordtpas) Wettelijk kader Bovenwettelijk. Bevoegdheid Op grond van artikel 14 lid 2 onderdeel c GRS is het DB bevoegd om subsidies vast te stellen en verlenen voor alle aan de GRS gedelegeerde, gemandateerde en opgedragen taken. Doel en korte schets huidig beleidskader SMS staat voor School Muziek Sport. Het doel van het SMS-kinderfonds is sociale uitsluiting van kinderen van minima te voorkomen. Dit wordt bereikt door kinderen in staat te stellen deel te nemen aan activiteiten die hun maatschappelijke participatie kunnen bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan een sportclub, vereniging en kunstzinnige vorming. De uitvoering is belegd bij de Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtstedengemeenten). Het beleidskader (hoogte, voorwaarden, doelgroep, etc.) is opgenomen in paragraaf 2 van de Beleidsregels Minimabeleid. De bijdrage is bedoeld voor huishoudens met kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar met een inkomen niet hoger dan 140 procent van het Wettelijk sociaal minimum (WSM). Het vermogen wordt niet getoetst. Voor scholieren op de basisschool geldt een maximaal bedrag van 275 euro per jaar per kind en voor middelbare scholieren of leerlingen aan het MBO/HBO is dit bedrag 790 euro. De noodzakelijk geachte voorzieningen kunnen in natura verstrekt worden.

Ze worden dan direct aan bijvoorbeeld de vereniging (contributie) uitbetaald. Daarnaast kunnen tegoedbonnen worden verstrekt voor de aanschaf van de noodzakelijke school-, muziek- of sportspullen die bij bepaalde, vooraf gecontracteerde winkels opgehaald kunnen worden. Het is ook mogelijk om een activiteit of benodigd materiaal zelf te betalen en de kosten achteraf bij Leergeld te declareren. In de gemeente Dordrecht ontvangen de kinderen het budget van het SMS-Kinderfonds op hun Dordtpas. Ze kunnen de Dordtpas als een soort pinpas gebruiken. Keuzemogelijkheden 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Doel bestedingen Hoogte bedragen per jaar per kind Inkomensgrenzen Invoeren vermogensgrenzen Vorm van verstrekking (passysteem/methodiek Leergeld/combinatie) Aanbieder

Huidige aantallen en uitgaven per gemeente 2021 Aantal kinderen Alblasserdam 147 Dordrecht 3.003 Hardinxveld-G 125 H-I-Ambacht 320 Papendrecht 395 Sliedrecht 312 Zwijndrecht 960 TOTAAL (PO 3.064+VO 2.198) 5.262 PO=primair onderwijs / VO= voortgezet onderwijs

Toegekende bedragen 46.639 861.968 43.464 128.824 146.014 111.032 349.758 (PO 601.987+VO 1.085.709) 1.687.699

13

Het fonds voor urgente noden (subsidie Stichting Urgente Noden) Wettelijk kader Bovenwettelijk. Bevoegdheid Op grond van artikel 14 lid 2 onderdeel c GRS is het DB bevoegd om subsidies vast te stellen en verlenen voor alle aan de GRS gedelegeerde, gemandateerde en opgedragen taken. Doel en korte schets huidig beleidskader Het regionaal fonds voor urgente noden (Stichting Urgente Noden Drechtsteden – SUN Drechtsteden) bestaat sinds 29 oktober 2015. Het is opgericht op initiatief van de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en met financiële steun van het Ministerie van Sociale Zaken en Fonds DBL uit Rotterdam. SUN Drechtsteden biedt hulp in individuele noodsituaties waar vanuit het reguliere aanbod op dat moment geen adequate oplossingen voorhanden zijn. Het doel is maatschappelijk ongewenste situaties te voorkomen en nood te ledigen. In paragraaf 3 van de Beleidsregels Minimabeleid wordt het doel van SUN en de subsidieverstrekking benoemd. Hiertoe voert SUN Drechtsteden de leefgeldregeling en het Noodfonds uit:  de leefgeldregeling is bedoeld voor acute tekorten of gebrek aan voeding of andere primaire levensbehoeften en bedraagt maximaal €100;  vanuit het Noodfonds worden giften verstrekt voor acute en noodzakelijke kosten waar geen voorliggende voorziening (veelal de bijzondere bijstand of de zorgverzekering) in voorziet.

Aanvragen voor leefgeldregeling en noodfonds kunnen worden gedaan door professionals en vrijwillige organisaties. SUN Drechtsteden ontvangt een jaarlijkse subsidie voor de uitvoeringskosten (rond €60.000 op jaarbasis) van de beide regelingen op basis van de subsidieverordening Drechtsteden. Daarnaast ontvangen zij voor de uitoefening van het noodfonds donaties vanuit private fondsen. Momenteel is ook een Sociaal Leenfonds (uitgevoerd door SUN Drechtsteden) in oprichting, dit is een fonds dat renteloze leningen verstrekt voor kleine schulden, bedoeld om problematische schulden te voorkomen. Alleenstaanden kunnen lenen tot € 1.750, meerpersoonshuishoudens tot € 2.500. Voor de uitvoering wordt onder andere nauw samengewerkt met Schuldhulpmaatje, Humanitas en overige vrijwillige schuldhulporganisaties binnen de Drechtsteden. Voor dit Sociaal Leenfonds zal SUN Drechtsteden een aanvullende subsidie ontvangen voor de (extra) uitvoeringskosten van het leenfonds. Bovendien stort de SDD het startkapitaal voor het leenfonds ter waarde van €50.000. Het sociaal leenfonds valt niet onder het minimabeleid, maar conform het eerder regionaal vastgestelde beleid Schuldhulpverlening (2021-2024). Keuzemogelijkheden 1. Wel of geen subsidie verlenen voor uitvoeringskosten van SUN Drechtsteden Huidige aantallen en uitgaven 2021 Alblasserdam Dordrecht Hardinxveld-G H-I-Ambacht Papendrecht Sliedrecht

Aantal klanten 8 179 6 10 26 26

Toegekende bedragen (private fondsen) 4.570 52.045 1.709 3.292 12.625 10.985

14

Zwijndrecht TOTAAL

31 286

6.165 91.392

Regeling Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang Wettelijk kader Artikel 1.13 van de Wet kinderopvang (Wko) Bevoegdheid (artikel 4 lid 1 jo. artikel 5 lid 1 GRS) Nadere regels: AB GR Sociaal Beleidsregels/uitvoeringsrichtlijnen: DB GR Sociaal Doel en korte schets huidig beleidskader Het Dagelijks Bestuur verstrekt voor bepaalde doelgroepen een tegemoetkoming in aanvulling op de kinderopvangtoeslag. De huidige 'Regeling tegemoetkoming eigen bijdrage Kinderopvang Drechtsteden' is per 1 januari 2020 in werking getreden. De tegemoetkoming is bedoeld voor huishoudens met een laag inkomen (tot 110% WSM) en een beperkt vermogen (alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010). Indien er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag bestaat er ook geen recht op een tegemoetkoming. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus ook niet voor de tegemoetkoming. De tegemoetkoming kan met zes maanden terugwerkende kracht worden toegekend. Gemeenten mogen op grond van de Wko tot 100% van de kosten voor kinderopvang vergoeden. Op grond van de huidige regeling wordt de gehele eigen bijdrage vergoed (96% door Belastingdienst via de Kinderopvangtoeslag; 4% door de SDD). Tot 1 januari 2020 werd de helft (2%) van de eigen bijdrage vergoed.

De SDD vergoedt niet het deel van de eigen bijdrage dat wordt veroorzaakt doordat het uurtarief van de kinderopvang hoger is dan het maximumuurtarief dat bij de kinderopvangtoeslag wordt gehanteerd. Doordat de volledige eigen bijdrage wordt vergoed is het beleid efficiënter uitvoerbaar en verminderen de administratieve lasten voor zowel de klant als de kinderopvangorganisaties (klanten ontvangen geen factuur meer van de kinderopvang en de tegemoetkoming wordt direct aan de kinderopvang overgemaakt). Daarnaast wordt een belemmering om aan het werk te gaan weggenomen. Immers, voor de klant betekent de eigen bijdrage soms dat het niet of nauwelijks loont om te gaan werken. Voor de SDD gaat het om relatief kleine bedragen. Keuzemogelijkheden (primair en secundair) 1. 2. 3. 4. 5.

Wel/niet behouden tegemoetkoming Hoogte tegemoetkoming Inkomensgrenzen Vermogensgrenzen Terugwerkende kracht aanvragen

Huidige aantallen en uitgaven per gemeente De uitgaven van de Regeling tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang waren in 2021 in totaal €5.697, aan circa 30-35 klanten. Exacte aantallen per gemeente volgen nog.

15

Bijlage Keuzemogelijkheden en huidig beleidskader

Het persoonlijk minimabudget 6. Bepaling van de definitie laag inkomen 7. Bepaling van de referteperiode (= definitie langdurig) 8. Differentiatie naar huishoudtype

9. De hoogte van de toeslag

10. De nadere regels ten aanzien van de doelgroep

nu: 110% WSM = alleenstaande (ouder) € 1.201; gehuwden € 1.716 nu: 12 maanden nu: enkel differentiatie alleenstaand en gehuwd/samenwonend. Geen differentiatie t.a.v. kinderen. nu: 35% WSM - Alleenstaande: 385 euro per jaar - Gehuwd/samenwonend: 550 euro per jaar - Alleenstaande inrichting: 125 euro per jaar - Gehuwd/samenwonend: 190 euro per jaar nu: geen recht: - uitzicht op inkomensverbetering en onvoldoende inspanningen om tot inkomensverbetering te komen - studenten - voorbereidende zelfstandig ondernemers - statushouder tijdens referteperiode in COA

De bijzondere bijstand 1. Inkomensgrenzen 2. Vermogensgrenzen 3. Draagkrachtpercentages 4. Terugwerkende kracht aanvragen 5. Vorm van bijstand: lening of gift 6. Hoogte richtprijzen

nu: 110% WSM = alleenstaande (ouder) € 1.201; gehuwden € 1.716 nu: alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 14 nu: 35% van ‘meerinkomen’; 100% van ‘meervermogen’ nu: 6 maanden nu: leenbijstand o.a. voor duurzame gebruiksgoederen nu: eigen prijzenlijst (geen indexatie)

De collectieve zorgverzekering voor minima 5. Het aanbieden van één of meerdere gemeentepakketten

6. De hoogte van de eigen bijdrage gemeenten 7. De hoogte van de inkomensgrens

14

nu: 3 pakketten: - VGZ Gemeentepakket Compact - VGZ Gemeentepakket Compleet - VGZ Gemeentepakket Compleet + €0,- eigen risico nu: € 13,50, € 13,50, € 27,00 nu: 130% (bruto) wettelijk minimumloon = €2.421,90 per maand, inclusief vakantiegeld

Het vermogen zoals omschreven in artikel 34 Participatiewet. De bedragen gelden per 1 januari tot 1 juli 2022.

16

8. Wel of geen vermogenstoets 3. Het wel of niet aanbieden van een Gemeentepolis 4. Eén of meerdere verzekeraars als aanbieders

nu: geen nu: wel nu: 1 aanbieder (VGZ)

Het SMS-kinderfonds (subsidie Leergeld/Dordtpas) 7. Doel bestedingen 8. Hoogte bedragen per jaar per kind

9. Inkomensgrenzen 10. Invoeren vermogensgrenzen 11. Vorm van verstrekking (passysteem/methodiek Leergeld/combinatie)

Nu: School, Muziek, Sport. Sociale uitsluiting van kinderen van minima te voorkomen nu: - PO: € 275 per jaar - VO/MBO/HBO: € 790 per jaar nu: 140% WSM = alleenstaande (ouder) € 1.528,39; gehuwden € 2.183,41 nu: geen nu: Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtsteden)

Het fonds voor urgente noden (subsidie Stichting Urgente Noden) 1. Wel of geen subsidie verlenen voor uitvoeringskosten van SUN Drechtsteden

nu: wel

Regeling Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang 2. Wel/niet behouden tegemoetkoming 3. Hoogte tegemoetkoming 4. Inkomensgrenzen 5. Vermogensgrenzen 6. Terugwerkende kracht aanvragen

nu: de eigen bijdrage t.h.v. 4% totale kosten kinderopvang conform maximumuurtarief nu: 110% WSM = alleenstaande (ouder) € 1.201; gehuwden € 1.71615 nu: alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 16 nu: 6 maanden

15

De bedragen gelden van 1 januari tot 1 juli 2022.

16

Het vermogen zoals omschreven in artikel 34 Participatiewet. De bedragen gelden van 1 januari tot 1 juli 2022.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/560/documents/9686