Bijlage 3 D17. 20230704 RIB Stand van zaken implementatie Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
weken. Dit betekent dat er feitelijk moet worden uitgegaan van een behandeltermijn van slechts acht weken. Hierop is uw vergadercyclus op dit moment niet toegerust. Ook niet wanneer er sprake is van verlenging met zes weken. Hierover dienen dus nog nadere afspraken met u te worden gemaakt. Er zijn slechts enkele uitzonderingen op de beslistermijn van acht weken mogelijk. Het bevoegd gezag kan Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij besluit van toepassing verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (de afhandelingstermijn wordt dan 26 weken): a. als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en b. waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Daarnaast stelt de wetgever verplicht dat de uitgebreide procedure van toepassing is voor die gevallen die zijn genoemd in artikel 10.24 van het omgevingsbesluit. Denk hierbij aan een Natura 2000-activiteit; een ippc- installatie; een Seveso-inrichting etc. Voorafgaand aan het nemen van het besluit op verlenging ingevolge Afdeling 3.4 Awb dient het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
Het is juridisch niet noodzakelijk dat aanvrager instemt met het volgen van de uitgebreide procedure. Uit voorgaande blijkt duidelijk dat een besluit om de Afdeling 3.4 Awb niet lichtvoetig kan worden genomen en dat alles erop is gericht een aanvraag binnen acht weken moet worden afgehandeld. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de lex silencio positivo in het omgevingsrecht. Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2024 niet langer een vergunning van rechtswege ontstaat wanneer een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. Het wegvallen van de lex silencio positivo laat onverlet dat het bestuursorgaan een inspanningsverplichting heeft om tijdig te beslissen op aanvragen. In gevallen waarin het een bestuursorgaan vervolgens niet lukt om op tijd een besluit te nemen, kan een initiatiefnemer wel gebruik maken van de regeling dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (na een schriftelijke ingebrekestelling gaat het bestuursorgaan dwangsommen verbeuren en de initiatiefnemer kan naar de bestuursrechter stappen om besluitvorming af te dwingen). Er zijn gemeenten waarbij de raad in de begroting een bedrag heeft opgenomen voor die gevallen waarin de gemeenteraad niet tijdig kan adviseren als gevolg van de vergadercyclus. De keuze of u hiertoe bereid bent, is uiteraard aan uw raad.
Gelukkig betekent voorgaande niet dat we bij alle aanvragen kampen met het probleem omtrent de beslistermijn. De wetgever geeft aan dat de gemeente moet proberen in een zo vroeg mogelijk stadium met initiatiefnemer in overleg te treden over het initiatief. Hiertoe wordt door de ambtelijke organisatie een intake- en omgevingstafel ingericht. Bij de intaketafel wordt dan getoetst aan de omgevingsvisie of het initiatief wenselijk is en aan de omgevingstafel wordt met alle interne- en externe specialisten, in overleg met de initiatiefnemer, beoordeeld of het initiatief ook haalbaar is. Dit alles is geen wettelijk voorgeschreven proces waardoor er ook geen formele beslistermijnen gelden. Dit betekent ook dat wij in die fase al naar u toe willen komen voor die initiatieven waarvoor u heeft aangegeven dat er bindend advies van uw raad nodig is. Maar ook daar moeten dus nog werkafspraken over worden gemaakt tussen uw raad en ons college. Maar omdat vooroverleg niet verplicht is, kan een aanvrager er ook voor kiezen om direct een aanvraag in te dienen zonder vooroverleg. In dat geval is de beslistermijn van acht weken onverkort van toepassing. Diverse verordeningen moeten worden vastgesteld De Omgevingswet zorgt ervoor dat een aantal verordeningen (opnieuw) moeten worden vastgesteld voor 1 januari 2024.
Zo moeten de legesverordening, de erfgoedverordening, de verordening nadeelcompensatie en de APV worden vastgesteld. Behalve voor de verordening nadeelcompensatie betreffen de overige verordeningen vooral technische aanpassingen. Wellicht kan met uw worden afgesproken dat deze verordeningen niet langs de oordeelsvormde raad behoeven indien het raadsvoorstel wordt voorzien van een technische uitleg.
6