Bijlage 2 - Toelichting - gele versie def bestemmingsplan Veerweg-Vondellaan Papendrecht.pdf
Tekst van het document
Het plangebied is momenteel in zijn geheel verhard, met uitzondering van een kleine groenstrook in het westen van het plangebied à circa 140 m². De planlocatie is bebouwd met bedrijfsbebouwing, een tankstation en voor het overige met oppervlakteverharding (klinkers en stoeptegels) . Ten noorden van het plangebied is het Vondelpark gesitueerd. Dit park bevat oppervlaktewater rondom de Bethlehemkerk. Dit oppervlaktewater is verbonden met een A-waterloop. Ten oosten van de planlocatie is een B-waterloop aanwezig evenwijdig aan de Veerweg. Toekomstige situatie In dit geval voorziet het planvoornemen in de realisatie van een appartementengebouw met inpandige en omliggende parkeervoorzieningen. Het parkeren rondom het gebouw wordt onderbroken door een ontworpen hagenstructuur en verrijkt met bomen voor een groen karakter van de openbare ruimte. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, adviseert het waterschap dat hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. In dit geval neemt het verhard oppervlakte niet toe vanwege dit planvoornemen. Door het groen rondom het parkeerterrein neemt het aandeel groen (onverhard) toe. Er wordt een lange strook groen toegevoegd tot aan de bestaande groenstrook in het westen, zoals op navolgende afbeelding is weergegeven.
Deze strook gaat mogelijk dienen als wadi, waarbij hier ter plaatse regenbuien van 20 mm kunnen worden vastgehouden conform het Gemeentelijk Rioleringsplan. Door de aanleg van meer onverharde terreinen is er sprake van een positief effect op de lokale waterhuishouding, ten opzichte van de huidige situatie. Dit is klimaatadaptieve verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De hemelwaterriolering wordt verplicht aangeboden aan de gemeente Papendrecht. Deze zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel.
32
14. Bovenaanzicht is een indicatie van de toekomstige situatie
4.3. Natuur 4.3.1. Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Hierbij staat de Wet natuurbescherming in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Ten behoeve van dit planvoornemen is een quickscan flora & fauna uitgevoerd om na te gaan of het bouwplan mogelijk negatieve invloed heeft op flora & fauna en om te onderzoeken of kan worden voldaan aan de Wet natuurbescherming. Daarna is een nader onderzoek uitgevoerd naar huismussen en vleermuizen. Beide rapportages zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.3.2. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch op circa 4,3 km afstand 33
van het plangebied. Dit natuurgebied is tevens stikstofgevoelig. Het plangebied ligt niet in een gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland of een belangrijk weidevogelgebied of stiltegebied. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied - zijnde de BenedenMerwede is gelegen op circa 900 m ten zuiden van het plangebied.
15. Omliggende natuurgebieden (grijs = NNN, groen = Natura 2000, plangebied = rood omlijnd)
Gelet op de aard en omvang van dit project, waarbij maximaal 89 wooneenheden in de vorm van een appartementengebouw worden gerealiseerd in een bestaande woonbuurt in stedelijk gebied, zijn als gevolg van dit project geen significant negatieve effecten te verwachten ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland gebied of het Natura 2000-gebied. Met een stikstofdepositieberekening met de laatste versie van AERIUS is aangetoond dat geen sprake is van stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Biesbosch. De rapportage van deze berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.3.3. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen
34
geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Het aanwezige woonhuis is voorzien van een pannendak en is geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor de huismus. Op verschillende plaatsen bevinden zich openingen in het dak die toegang kunnen bieden aan vaste verblijfplaatsen van deze soort. Om deze reden is er nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er geen vaste verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn en dat er geen huismussen zijn waargenomen. Gezien het vorenstaande zullen de voorgenomen plannen geen nadelige effecten hebben op huismussen. Er zijn geen andere vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nesten verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels.
Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen In het aanwezige woonhuis zijn openingen aangetroffen die geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Hierdoor is aanvullend onderzoek uitgevoerd in de vorm van vijf veldbezoeken. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 van het Netwerk Groene Bureaus van de Zoogdierenvereniging. Hieruit is gebleken dat er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied wordt gefoerageerd door de gewone dwergvleermuis. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, de omliggende tuinen zijn geschikter als foerageergebied en worden ook als zodanig gebruikt.
Tevens zijn er geen significante vliegroutes aangetroffen.. Gezien het vorenstaande zullen de voorgenomen plannen geen nadelige effecten hebben op vleermuizen.
35
Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 4.3.4. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.5. Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soortgroep; • binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van huismussen aangetroffen, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort; • een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft; • na een stikstofdepositie onderzoek is gebleken dat dit project geen stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebieden.
36
4.4. Verkeer en parkeren 4.4.1. Verkeer De Veerweg is een belangrijke gebiedsontsluitende weg voor Papendrecht. De Vondellaan is een buurtontsluitende weg. Deze takt aan op de Veerweg. Door de aanwezigheid van deze twee wegen direct bij het plangebied is sprake van een goede bereikbaarheid. Het fietspad langs de Veerweg maakt aan de parkzijde een wat vreemde oversteek bij de Vondellaan. Fietsers steken schuin over en komen samen met auto’s op een ventweg terecht. Dat zorgt voor een erg onoverzichtelijk kruispunt. Bij de ontwikkeling van dit planvoornemen wordt dit knelpunt opgelost. Dat betekent dat fietsers een rechte oversteek zullen krijgen en dat autoverkeer niet langer vanaf de Vondellaan de ventweg op kan rijden. Dat biedt ook ruimte om de groenstructuur langs de Veerweg te versterken, wat belangrijk is om het profiel te versterken van deze belangrijke groene laan in de groenstructuur. Op navolgende afbeelding 16 is dit weergegeven. De parkeergarage in de plint van het gebouw wordt ontsloten via de Coornhertstraat. In de openbare ruimte worden parkeerplaatsen gerealiseerd die bereikbaar zijn via de aanliggende wegen Vondellaan, Coornhertstraat en de ventweg van de Veerweg. Wat betreft verkeersgeneratie en -veiligheid met betrekking tot de beoogde parkeeroplossing is er een verkeersonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage onderdeel uit van deze toelichting.
De nieuwbouwwoningen genereren uiteindelijk 541 motorvoertuigbewegingen op een weekdagetmaal. De huidige situatie genereert 358 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Dit resulteert uiteindelijk in een toename van 183 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Omgerekend is dit een toename van ca. 2 motorvoertuigbewegingen per 5 minuten tijdens de twee maatgevende momenten op een dag (ochtend- en avondspits). Verkeerskundig gezien is een dergelijke toename van het aantal motorvoertuig-bewegingen verwaarloosbaar. Met de Wegenscan en de NEN 2443:2013 is geanalyseerd of de parkeervakken en de parkeerwegbreedte voldoen aan de gestelde inrichtingseisen en of de haaksparkeervakken vanuit verkeersveiligheidsoogpunt eigenlijk wel wenselijk zijn. Vanuit de inrichtingseisen zoals gesteld in de NEN-norm voldoen de parkeervakken en de parkeerwegbreedte. Vanuit verkeersveiligheidsoogpunt zijn de haaksparkeervakken liever niet wenselijk. Om de verkeersveiligheid op de Vondellaan in de toekomst te blijven waarborgen wordt geadviseerd de Vondellaan te verbreden naar 6,5 meter. Vanuit verkeersveiligheidsoogpunt is dit wenselijk om de parkeermanoeuvres goed uit te kunnen voeren. Naast het verbreden van de Vondellaan is het advies een optische versmalling toe te passen. Dit kan door aan beide kanten van de weg rabatstroken van 0,3 tot 0,4 meter in het ontwerp mee te nemen.
De verbreding van de Vondellaan naar 6,5 meter en het toepassen van optische versmalling zijn als maatregelen meegenomen in het ontwerp (zie afbeelding 16). 37
4.4.2. Parkeren Beleid Op 6 februari 2018 is het parkeerbeleid door de gemeenteraad vastgesteld, genaamd ‘Parkeernormennota Papendrecht 2018’. De gemeente Papendrecht wil de vraag naar parkeergelegenheid op zodanige wijze faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte blijft behouden. In de kern is de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Het streven zal altijd zijn om de initiatiefnemer parkeren op eigen terrein te laten realiseren. Indien dit niet mogelijk is wordt gekeken naar andere parkeermogelijkheden. Doel van deze nota is om de parkeernormen vast te stellen, op basis van de kencijfers (met publicatienummer 317) van het CROW. Bij het bepalen van de parkeernormen zijn er drie aspecten van belang: de stedelijkheidsgraad, de gebiedstypering (ligging) en de hoogte van de parkeernorm binnen de bandbreedte. Beoordeling plan Auto Met het planvoornemen worden 51 dure koopappartementen en 38 middeldure koopappartementen voorzien. Hiertoe wordt alle bebouwing in het plangebied gesloopt en wordt de bedrijfsfunctie gewijzigd naar woonfunctie. Dit betreft één functie, waardoor van dubbelgebruik binnen het plangebied geen sprake is. In de huidige situatie is eveneens geen sprake van dubbelgebruik binnen het plangebied.
Uit de gemeentelijke parkeernota en de op 7 april 2020 door B&W vastgestelde 'Kaders voor herontwikkeling locatie Veerweg-Vondellaan' volgt dat de volgende parkeernormen gelden voor de beoogde woningen (inclusief bezoekers): • Koop, etage, duur: 1,6 pp • Koop, etage, midden 1,5 pp Uitgaande van de parkeernorm zijn er respectievelijk minimaal (1,6x51=82 + 1,5x38=57) 139 parkeerplaatsen benodigd.
38
16. Situatietekening parkeerterrein en inpandige parkeergarage
Binnen het plangebied worden in de gebouwde parkeervoorziening in de plint van het gebouw 75 parkeerplaatsen voorzien. Daarnaast zijn er rondom het gebouw (binnen het plangebied) 64 parkeerplaatsen beschikbaar in de toekomstige situatie. Hiervan zijn er 6 aanwezig aan de ventweg Veerweg, 14 parkeerplaatsen langs de Vondellaan, 9 parkeerplaatsen langs de Coornhertstraat en 35 parkeerplaatsen op het aan te leggen parkeerterrein. De donkergrijze parkeervakken zijn openbaar. De parkeerplaatsen zijn aan de zijkant en voor het gebouw voorzien. Hiermee wordt aan de Parkeernormennota Papendrecht 2018 voldaan. De parkeernorm is in de regels van dit bestemmingsplan geregeld. Sinds 10 maart 2020 geldt op grond van het Bouwbesluit de eis dat bij nieuwe woongebouwen met meer dan 10 parkeervakken op hetzelfde terrein voor elk parkeervak, dat aan een woning wordt toegekend, leidinginfrastructuur (loze leidingen) wordt aangelegd voor de aanleg van laadpunten. Fiets Bij het bepalen van de behoefte aan fietsparkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouwing of functiewijziging wordt eveneens uitgegaan van 'parkeernormen'. De parkeernormen voor 39
fietsen zijn gebaseerd op de Publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW 317, Oktober 2012". Voor appartementen met fietsenberging dient deze ruimte te bieden aan minimaal 2 plekken per woning. Voor een appartement zonder fietsenberging is dit 0,5 - 1 plaats per woning t.b.v. een buurtstalling met fietstrommels. Uitgaande van deze fietsparkeernorm moeten de maximaal 89 bergingen bij de woonappartementen ruimte bieden aan minimaal 178 fietsen (2 per berging). Op de eerste verdieping worden 89 bergingen gerealiseerd waarin minimaal 2 fietsen kunnen worden gestald. Aan de fietsparkeernorm kan worden voldaan.
4.5. Kabels en leidingen Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels en leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
4.6. Bodem- en grondwaterkwaliteit Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een bodemonderzoek conform NEN5740 plaats te vinden. Met dit verkennend onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. In dit geval is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit verkennend en nader bodemonderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten.
Verkennend en nader bodemonderzoek Op basis van het verkennend en nadere bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: - door het langdurig gebruik van het terrein als garagebedrijf en tankstation zijn diverse delen van het terrein verdacht voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging; - de grond en het grondwater is ter plaatse slechts licht verontreinigd met olieproducten; - de bovengrond bevat op twee plaatsen bijmenging met kolengruis of baksteen; - asbestverdachte bijmengingen zijn in de bodem niet aangetroffen; - de bovengrond bevat op twee plaatsen matig tot sterk verhoogde gehalten zink en/of lood; - in de grond zijn verder licht verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie, PCB’s en PAK gemeten; - de omvang van de grondverontreiniging met lood en zink is vastgesteld. Er blijkt sprake van een niet-ernstige bodemverontreiniging met zink en lood.
40
Het volgende wordt aanbevolen: - sanering van de sterke verontreiniging met lood en zink met een verontreinigd oppervlakte van circa 10 m² bij herontwikkeling van het terrein; - uitvoering eindsituatie en/of afperkend bodemonderzoek ter plaatse van het pompeiland na buiten gebruik stelling van het tankstation. Wanneer grond van het perceel wordt afgevoerd om elders te worden gebruikt, dan dient in principe op de af te voeren partij grond een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Bij de realisatie wordt een eindsituatie en/of afperkend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het dan voormalige pompeiland. Tevens wordt de geconstateerde lood en zink verontreiniging gesaneerd. Wat betreft het aspect bodem is het bestemmingsplan uitvoerbaar.
4.7. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai De appartementen zijn gelegen binnen de zone van de Veerweg. Daarnaast ligt het bouwplan binnen de invloedsfeer van enkele 30 km/uur wegen, namelijk de Vondellaan, de Rozenstraat, de Constantijn Huygenslaan, de Scheidingslaan, de Muilwijckstraat, de Marnixstraat, de Pieter Langendijkstraat en de Gerrit van Dalenstraat. Hierdoor is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om te bepalen wat de geluidsbelasting is ter plaatse van de te realiseren appartementen vanwege het wegverkeer op de in de omgeving gelegen wegen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege zowel de Veerweg als de Vondellaan, na aftrek van 5 dB op grond van artikel 110 Wet geluidhinder, hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De geluidsbelasting deze wegen ligt wel lager dan de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde van 63 dB Lden.
Er dienen voor de Veerweg hogere grenswaarden aangevraagd te worden bij het college van B&W. Voor de Vondellaan hoeven geen hogere grenswaarden aangevraagd te worden omdat dit een 30 km/uur-weg betreft. Bij de meeste woningen is reeds sprake van een geluidluwe gevel of buitenruimte. Bij de woningen waar in de huidige situatie nog geen sprake is van een geluidluwe gevel (of buitenruimte) zal een afsluitbaar balkon (loggia) of ten minste akoestisch vergelijkbare maatregelen gerealiseerd worden. Er dient in het kader van het Bouwbesluit nog een onderzoek plaats te vinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek dient 41
uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wetgeluidhinder. Tevens is de weerkaatsing van het geluid van de Veerweg en de N3 tegen de gevel van het woningbouwplan aan de Veerwegzijde onderzocht. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Hierin wordt ingegaan op het effect van eventuele reflectie door de komst van het woningbouwplan. De situatie zonder en met woningbouwplan zijn doorgerekend. Ter plaatse van de beschouwde woningen is sprake van een toename van de geluidbelastingen vanwege de reflectie door het woningbouwplan van: • maximaal 0,1 dB bij beschouwing van alle wegen gezamenlijk; • maximaal 0,6 dB voor de maatgevende weg (Scheidingslaan). Er is geen sprake van een significante toename. Industrie en spoorweglawaai Het plangebied is gelegen buiten geluidszones van gezoneerde industrieterreinen en spoorwegen. Derhalve hoeft met deze geluidbron geen rekening te worden gehouden. Conclusie Voor wegverkeerslawaai dient het bevoegd gezag hogere grenswaarden vast te stellen. De aspecten industrie- en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor dit plan.
4.8. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet 42
meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art.
3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
17. Worst-case berekening bijdrage van extra verkeer op luchtkwaliteit 43
Beoordeling plan Het planvoornemen ziet op de realisatie van 89 appartementen. Op basis van het voorgaande kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat direct ten zuiden van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de Veerweg - zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.
De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden 44
verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Beoordeling plan In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere niet-woonfuncties. Dit betreffen onder andere de winkelfuncties aan de Constantijn Huygenslaan en Coornhertstraat, zoals een voedselbank, een vuurwerkverkoopwinkel, een meubelzaak en een apotheek. Ook is er een kantoorgebouw aanwezig aan de Veerweg, direct grenzend aan het plangebied. Vanwege de aanwezigheid van meerdere bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, is het plangebied aan te duiden als ‘gemengd gebied’. De oorspronkelijke richtafstanden worden daarom verminderd met één afstandsstap. Hierna is ingegaan op de verschillende nietwoonfuncties in de directe omgeving. Kantoorgebouw Veerweg Op het adres Veerweg 165 is een kantoorgebouw gesitueerd. Voor kantoorgebouwen geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter (na verlaging met één afstandsstap). Het kantoorgebouw grenst aan het plangebied. Gezien bovenstaande kan worden voldaan aan de richtafstanden. Bedrijven Coornhertstraat 2 tot en met 8 en Constantijn Huygenslaan 41 De bedrijven die op deze adressen zijn gevestigd hebben planologisch gezien de bestemming Bedrijf. Hier zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan.
Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Het plangebied is gesitueerd op een afstand vanaf 11 meter. Aan de richtafstand kan dus worden voldaan. In de huidige situatie zijn er de huidige bedrijven gevestigd: Coornhertstraat 2 Groenten en Fruithandel J. Verhey Coornhertstraat 4 Stichting Voedselbank Papendrecht Coornhertstraat 6 niet bekend (was een bouwmarkt) Coornhertstraat 8 Korteland Vuurwerk Constantijn Huygenslaan 41 Apotheek Papendrecht Centrum Bovenstaande bedrijven zijn allemaal detailhandel bedrijven (met uitzondering van de apotheek). Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter. Deze richtafstand geldt ook voor de apotheek. Voor de vuurwerkwinkel geldt het Vuurwerkbesluit. In Bijlage III, onderdeel B, onder 1.2a is opgenomen dat bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, een afstand van 8 meter in acht genomen moet tussen (beperkt) kwetsbare objecten en de bewaarplaats. Hieraan wordt voldaan. Bedrijfsverzamelgebouw Coornhertstraat 10-16 en Constantijn Huygenslaan 43 In dit gebouw zijn meerdere bedrijven gevestigd. Dit betreffen hoofdzakelijk kleine dienstverlenende bedrijven. Planologisch zijn hier bedrijven tot en met milieucategorie 2 45
toegestaan. Dit betekent dat er een richtafstand geldt van 10 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 55 meter, waardoor kan worden geconcludeerd dat aan de richtafstanden kan worden voldaan. Conclusie Er kan worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van de beoogde woningbouw. Anderzijds brengt het planvoornemen geen belemmering teweeg voor de niet-woonfuncties, omdat deze functies niet in de bedrijfsvoering worden gehinderd. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.10. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen.
46
18. Uitsnede Professionele Risicokaart (plangebied rood omcirkeld)
Beoordeling plan Het invloedsgebied van de N3 (wegvak Z115) is maximaal 880 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1,3 km afstand van de N3. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de vaarweg Beneden Merwede/Noord. Het invloedsgebied bedraagt 1.070 meter en de afstand bedraagt circa 1.000 meter. Hierdoor is hierna een beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 van het Bevt opgenomen. Voor het overige zijn er geen risicobronnen van invloed op het planvoornemen. Beperkte verantwoording groepsrisico Bij het scenario van een BLEVE (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) zijn personen binnen 150 meter onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Het plangebied ligt op voldoende afstand waardoor schuilen hier een beste advies is, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien dit niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Er zijn voldoende mogelijkheden om in tegenstrijdige richting van het incident te vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden, is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. De (regionale) brandweer kan in het geval van een calamiteit met toxische gassen het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem activeren (WAS: de sirenes) om de bevolking te alarmeren om te gaan schuilen. Uit een overzicht van de WAS-dekking in de gemeente Papendrecht valt op te maken dat het WAS-systeem voor het plangebied dekkend is. 47
Met betrekking tot zelfredzaamheid speelt risicocommunicatie een belangrijke rol. Risicocommunicatie is het voorlichten van mensen over de risico's die gelopen worden, en welke handelingspatronen (vluchten of schuilen) daarbij het meest gewenst zijn. Het opstellen van een risicocommunicatieplan op objectniveau is daar een goed voorbeeld van. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Met in achtneming van de omschreven situatie en maatregelen wordt het restrisico acceptabel geacht. Advies VRZHZ Op 7 juni 2021 heeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) advies uitgebracht m.b.t. dit bestemmingsplan. De VRZHZ stemt in met de uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in deze paragraaf. Daarnaast zijn de volgende adviezen gegeven: • De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.
• Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). • De VRZHZ wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. • Het team Veilig bouwen en gebruiken binnen de VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor deze woongebouwen, in het kader van het aantal geplande woonlagen en verminderd zelfredzame personen zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen. • Daarnaast zijn adviezen gegeven t.a.v. brandveiligheid omtrent elektrische fietsen en auto’s. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde realisatie van maximaal 89 wooneenheden.
4.11. Windhinder In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. 48
In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de activiteit (doorlopen, slenteren of langdurig zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat. Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Voor het beoordelen ervan worden de gradaties gevaarlijk, beperkt risico en geen gevaar/voldoet gebruikt. Voor dit bestemmingsplan is een kwalitatief windonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten. Het windonderzoek is op het plan van figuur 19 gebaseerd. Inmiddels is het plan nader uitgewerkt en is de boom en daksparing komen te vervallen, zie figuur 8 op blad 12. Dit heeft verder geen enkele invloed op het uitgevoerde windonderzoek. Op navolgende afbeelding is de inschatting van de kans op windhinder visueel weergegeven. Met grijs is de nieuwbouw weergegeven.
Met groen het gemeenschappelijk terras op de plint. De zwarte driehoekjes geven de toegangen tot het gebouw weer. De lichte kans op windhinder is met geel weergegeven.
19. Kans op windhinder op maaiveld (geel = lichte kans op windhinder)
Gezien de oriëntatie van het gebouw en de overheersende windrichting vanuit het zuidwesten is er op de noordwesthoek en de zuidoosthoek een lichte kans op windhinder. Deze gebieden zijn bedoeld voor de activiteit ‘doorlopen’. Het windklimaat is dus goed. De twee toegangen liggen aan de noordelijke gevel en zijn daarmee goed beschut tegen wind vanuit het zuidwesten. De toegangen hebben dus een goed windklimaat.
49
Het gemeenschappelijk terras op de plint heeft over het algemeen een goed windklimaat. Nabij de hoekpunten is de windsnelheid iets hoger. Dit effect zal alleen nabij de rand merkbaar zijn. Alleen langs de rand zal het windklimaat minder goed zijn. Ons advies is om eventuele zitbankjes niet langs deze rand te plaatsen, maar juist wat verder van de rand af. Uitkomst is dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat er geen onevenredige windhinder of windgevaar ontstaat.
4.12. Bezonning Er gelden geen wettelijke normen voor bezonning van woningen. De gemeente Papendrecht hanteert de door TNO gestelde normen welke zijn afgeleid van de Engelse wetgeving. De normen die door TNO zijn opgesteld luiden als volgt: -
-
Minimumnorm: er is sprake van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari-21 oktober (gedurende 8 maanden) in de woonkamer. Streefnorm: er is sprake van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 januari-21 november (gedurende 10 maanden) in de woonkamer.
Voor de bezonning van tuinen zijn geen normen door TNO opgesteld. Omdat met name de schaduw van de voorgestelde (nieuwe) bebouwing op de omringende tuinen bepalend is voor de kwaliteit van de woonomgevingsbeleving, is ervoor gekozen de volgende norm hiervoor te hanteren: Tuinen: Op 21 maart (en 23 september) minimaal vijf uren zon op een strook grond (terras) van 16 m² direct achter de woning tussen 7.40 uur en 17.40 uur. Ten behoeve van dit project is een bezonningsstudie uitgevoerd om na te gaan of er nadelige gevolgen zijn voor omwonenden. De bezonningsstudie is opgenomen in bijlage 11 bij deze toelichting. De resultaten van de bezonningsstudie laten zien dat voor een aantal percelen sprake zal zijn van een toename van schaduwwerking als gevolg van het plan. Ook blijkt uit de bezonningsstudie dat wordt voldaan aan de normen die Papendrecht stelt ten aanzien van schaduwwerking.
4.13. M.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. 50
In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.plicht: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De activiteit komt voor in kolom 3 als onderdeel D 11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). Vanwege de aard en omvang van het project is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit is gebleken dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
51
Hoofdstuk 5.
Juridische planbeschrijving
5.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Veerweg-Vondellaan’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Veerweg-Vondellaan’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0590.Vondellaan-3001.
5.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
5.3. Toelichting op de regels 5.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen, overeenkomend met ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’ (0107-2021). Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 5.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Artikel 3 Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen t.b.v. de openbare ruimte, zoals de erftoegangswegen, paden, straatmeubilair, nutsvoorzieningen en afvalinzamelingsvoorzieningen.
52
Artikel 4 Wonen - 3 De bestemming Wonen - 3 is opgenomen voor de bouw van maximaal 89 woonappartementen in een gebouw met een maximum bouwhoogte van 35 en 23 meter. Het gebouw moet worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak. De bestemming staat de bouw van gestapelde hoofdgebouwen toe evenals bijhorende bouwwerken en andere bouwwerken zonder dak. Artikel 5 Waarde - Archeologie Om de archeologische waarden en verwachtingen veilig te stellen, is deze dubbelbestemming opgenomen conform de Beleidsnota Archeologie (2012) en de Archeologische verwachtings- en beleidskaart. 5.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 5.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.
53
Hoofdstuk 6.
Uitvoerbaarheid
6.1. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht bij een procedure waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.12 Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld doordat een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer. In artikel 3.1.6 sub i van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. Het is niet toegestaan om de gronden te gebruiken voor de appartementen als vanwege kosten de realisatie onmogelijk is. De realisatie van het bouwplan komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Er zijn geen gemeentelijke investeringen mee gemoeid. Dit is vastgelegd in de getekende anterieure overeenkomst. Het kostenverhaal is hierin geregeld. De kosten zijn hierdoor anderszins verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
Bij de verlening van de vergunning besluit het bevoegd gezag geen exploitatieplan vast te stellen zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, omdat de plankosten anderszins verzekerd zijn. De initiatiefnemers kunnen de kosten voor de ontwikkeling dragen. Het plan wordt gerealiseerd op gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente. De kosten en baten van de ontwikkeling passen binnen het kader van de wettelijke grondexploitatie doordat de hogere kosten van de gemeente door middel van de anterieure overeenkomst verhaald worden. Een planschadeovereenkomst maakt deel uit van de anterieure overeenkomst.
6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan de provincie, de veiligheidsregio, Oasen en het waterschap. Het advies van de veiligheidsregio d.d. 7 juni 2021 is in paragraaf 4.10 beschreven. Het advies van waterschap Rivierenland d.d. 18 juni 2021 betrof vragen over klimaatadaptatie, hoe het hemelwaterbeleid
54
wordt toegepast op de locatie en hoe het hemelwater wordt afgevoerd. Deze punten zijn meegenomen in paragraaf 4.2.2. Oasen had geen opmerkingen (d.d. 11 juni 2021). Tijdens het vooroverleg is het onderhavige bestemmingsplan ter advisering bij de Natuur- en Vogelwacht Alblasserwaard (NVWA) neergelegd. Op 21 mei 2021 heeft de NVWA naar aanleiding daarvan schriftelijk adviezen gegeven. Op 11 juni 2021 zijn deze adviezen telefonisch besproken en is de heer den Ouden aangeboden ten tijde van de inrichting van de groenvoorziening mee te denken aan een concrete invulling daarvan. Doelstelling daarbij is om de biodiversiteit daar waar mogelijk te vergroten ten opzichte van de huidige situatie. 6.2.2. Samenspraak Op 30 oktober 2020 zijn direct omwonenden per brief geïnformeerd dat er van 31 oktober 2020 tot 6 november 2020 in de etalage op locatie planinformatie zou worden aangeplakt. Naar aanleiding hiervan zijn diverse e-mails met vragen ontvangen en beantwoord. De betreffende vragen gingen met name om bezonning en schaduwwerking. Zoals in hoofdstuk 4 van deze toelichting is toegelicht kan worden voldaan aan wet- en regelgeving. Op 12 oktober 2021 is door de gemeente Papendrecht en de initiatiefnemers een inloopavond georganiseerd voor omwonenden, omdat er veel vragen waren die betrekking hadden op o.a. bezonning en privacy.
De verslaglegging van deze avond is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 6.2.3. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie op de gemeentepagina, het Gemeenteblad en in de Staatscourant. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar via de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar op het gemeentehuis. Er zijn zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn diverse aanpassingen doorgevoerd in de toelichting en regels van het bestemmingsplan. De zienswijzen zijn gebundeld en van repliek voorzien in een ‘Nota van zienswijzen’. Deze nota is als bijlage bij het raadsbesluit gevoegd.
55
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6 . Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9. Bijlage 10. Bijlage 11. Bijlage 12. Bijlage 13.
56
Kaders voor herontwikkeling Archeologisch vooronderzoek Stikstofdepositie berekening Quickscan flora & fauna Nader onderzoek vleermuizen Verkeersonderzoek Veerweg Verkennend en nader bodemonderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Akoestisch onderzoek (Effect reflectie woningbouwplan) Kwalitatief windonderzoek Bezonningsstudie Vormvrije m.e.r.-beoordeling Verslag inloopavond 12 oktober 2021