CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting en Regels NL.IMRO.0590 Bestemmingsplan Oosteind 84-3001.pdf

Commissie Ruimte Papendrecht 16 juni 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 11: Bestemmingsplan 'Oosteind 84 te Papendrecht' - Voorstel22.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Lpg-tankstation De Ketel, Ketelweg 91 Vanwege de verkoop van lpg gelden voor het plaatsgebonden risico de volgende afstandscriteria:  35 m gemeten vanaf het lpg-vulpunt;  25 m gemeten vanaf het lpg-reservoir;  15 m gemeten vanaf de lpg-afleverzuil. Het plangebied is gelegen buiten deze afstanden. Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van de lpg-inrichting. Het lpg-tankstation vormt zodoende geen belemmering.

Hoofdstuk 4

27

Aardgasleidingen Ten noorden en oosten van het plangebied lopen aardgasleidingen. Deze leidingen kennen een 1%letaliteitsafstand van 150 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 80 meter. De daadwerkelijke afstand is groter dan 500 meter. De aardgasleidingen vormen zodoende geen belemmering. 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Voor de A15, de Beneden Merwede, de Betuweroute en de Bevi-inrichtingen Du Pont en Chemours dient in de verantwoording van het groepsrisico een beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. Voor het nabijgelegen bestemmingsplan ‘Zeven bouwkavels Tiendzone’ (d.d. 15 juni 2017) is reeds onderzoek uitgevoerd naar drie risicobronnen (A15, Beneden Merwede en Du Pont en Chemours)2. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in het kader van dat bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling van één woning binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen zal leiden tot een zeer minimale toename van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar bijlage 7. Verantwoording Betuweroute In bovengenoemde verantwoording groepsrisico wordt niet ingegaan op de Betuweroute. Aanvullend wordt daarom hieronder ingegaan op de verantwoording groepsrisico voor de Betuweroute.

Scenario Door een incident op de Betuweroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Bestrijdbaarheid Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Zelfredzaamheid Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof.

Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de weersomstandigheden en de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een toxisch incident is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien geen safe-haven realiseerbaar is, dient bij een toxische wolk gevlucht te worden haaks op de wolk. Een maatregel die de zelfredzaamheid verder vergroot, betreft risicocommunicatie om het risicobewustzijn te vergroten. 2

Memo Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht (projectnr. 20130566-068). Agel adviseurs, 21 juli 2015.

Hoofdstuk 4

28

Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) kan zich vinden in paragraaf 4.8 en de 'Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht' in bijlage 7. De VRZHZ adviseert de woning te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: 'Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.' Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). 4.8.4 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.9 Natuur 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

Hoofdstuk 4

29

1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied, d.d. 8 oktober 2020.

In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht

Hoofdstuk 4

30

nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.3: Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen

Het Alblasserbos (Natuurnetwerk Nederland) ligt circa 1,0 km ten noorden van het plangebied. Tabel 4.4: Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanbevelingen Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nesten verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen.

Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort.

Hoofdstuk 4

31

Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Biesbosch”, bevindt zich op circa 2,4 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Volgens het door de OZHZ gehanteerde Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie (versie 5.1, 27 januari 2021) hoeft bij de bouw van 1 woning op een grotere afstand dan 2100 meter (stedelijk gebied) tot Natura 2000 geen rekening te worden gehouden met stikstofdepositie.

4.9.3 Conclusie Ecologie vormt geen belemmering voor het in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte initiatief.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Er is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek inclusief PFOA uitgevoerd voor het plangebied, d.d. 19 oktober 2020. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is in eerste instantie geconcludeerd dat de onderzoekslocatie, met betrekking tot de standaard parameters, onderzocht dient te worden volgens

Hoofdstuk 4

32

de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Na het aantreffen van bijmengingen in de grond is opgeschaald naar onderzoeksstrategie “verdacht heterogeen verontreinigd” (VED-HE). De locatie wordt verder verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met PFAS/PFOA. De locatie wordt daarom separaat op deze stoffen onderzocht volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een homogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HO). De bodem is plaatselijk tot maximaal 1,0 m -mv matig puinhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Standaard parameters De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, nikkel, lood, zink, PCB, PAK, minerale olie en molybdeen. Ter plaatse van mengmonster MM02 werd een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Na uitsplitsing van dit mengmonster werden in de separate monsters enkel nog lichte verontreinigingen met PAK aangetoond. De oorspronkelijke sterke verontreiniging met PAK wordt gezien als een ‘uitbijter’. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht, heterogeen verontreinigd" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem volgen géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. In het grondwater is weliswaar een matige verontreiniging met barium aangetoond, maar deze stof komt vaak in verhoogde concentraties voor in het grondwater en behoeft geen verder onderzoek. PFAS De analyseresultaten zijn getoetst aan de toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem boven grondwaterniveau zoals opgenomen in het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond bij MM06 gehaltes aan PFOA zijn aangetoond die zich boven de toepassingsnorm in de functieklasse ‘Industrie’ bevinden. Het indicatief eindoordeel is nooit toepasbaar. Hierbij moet worden gemeld dat binnen het gebied waar de onderzoekslocatie ligt op de toepassingskaart (Zone B: Pluimzone), de toegestane concentratie PFOA in de toe te passen grond op 0 – 10 μg/kg. De aangetoonde concentratie PFOA in MM06 (9,8 μg/kg) ligt dus binnen de gestelde marge voor dit gebied.

Uit de analyseresultaten van MM05 blijkt dat er sprake is van PFAS waarden boven de achtergrondwaarde, maar niet boven de functieklasse ‘Wonen/Industrie’. Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” voldoet de onderzochte bovengrond met betrekking tot de parametergroep PFAS op indicatieve basis aan de toepassingsnorm in de functieklasse ‘Wonen’. Voor wat betreft grondwater, zijn er op dit moment (nog) geen eenduidige toetsingswaarden voorhanden. Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater een verhoogde concentratie van PFOA aanwezig is. Deze verhoogde concentratie (1,0 μg/L) ligt boven de grens voor “direct gebruik grondwater als drinkwater”, maar onder de grenswaarde voor de categorie “wonen met moestuin”. De aangetoonde gehalten, PFOA en PFOA/PFOS uit MM05 en MM06, respectievelijk, liggen beneden de door het RIVM opgestelde humane en ecologische risicogrenzen. Hierdoor zullen bij ongewijzigd gebruik van de onderzoekslocatie de aangetoonde gehalten niet tot gebruiksbeperkingen leiden.

Hoofdstuk 4

33

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie met betrekking tot PFAS als "Verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een homogene verontreiniging op schaal van monsterneming" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, aanvaard. Gelet op de aard, mate en beschreven risico’s van de verontreiniging, alsmede in het kader van de voorgenomen verkoop van de onderzoekslocatie, bestaat er vooralsnog géén reden voor een nader onderzoek. Asbest Econsultancy adviseert in verband met het aantreffen van puin(resten) om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707te laten uitvoeren. Dit verkennend bodemonderzoek asbest in bodem zou zich richten op de aangetroffen matige bijmengingen met puin in boringen 01, 03 en 04. Verkennend onderzoek asbest in bodem en puin Er is door Econsultancy een verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd, d.d. 17 november 2020. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest geconstateerd.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Er bestaan volgens Econsultancy dan ook géén milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. 4.10.3 Conclusie De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de ontwikkeling van dit plan.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is tevens een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Dit Waterplan is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de in de nabije toekomst in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil

Hoofdstuk 4

34

doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft met ingang van 27 november 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021: Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid vastgesteld. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben.

De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater. In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem. Het maatregelenpakket uit het waterplan is in 2018 afgerond. Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving hebben geen plannen plaatsgevonden. Vanuit de gemeente Papendrecht wordt bij nieuwbouw van de particulier verwacht, dat hij 20 mm hemelwater op eigen terrein verwerkt. Indien dit redelijkerwijs niet van hem gevraagd kan worden, kan de particulier zijn hemelwater aanbieden aan de gemeente. Dit hemelwater moet gescheiden zijn van het huishoudelijk afvalwater. Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk, dan kan de particulier het hemelwater, bij voorkeur bovengronds, aanbieden aan de gemeente in de openbare ruimte. Wanneer volop oppervlaktewater aanwezig is, is het niet doelmatig een inzamelriool voor het hemelwater aan te leggen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water.

De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Een eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (dossiercode 20201015-924514). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Bij het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. 4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect opgesteld, d.d. 15 oktober 2020. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.

Hoofdstuk 4

35

Het perceel is momenteel grotendeels onbebouwd en groen ingericht. Waar de toekomstige woning gepland is, is reeds voldoende drooglegging aanwezig met een maaiveldhoogte van ca. -0,7 meter NAP. Geadviseerd wordt om de toekomstige woning ca. 20 centimeter boven het maaiveld aan te leggen zodat afstromend water oppervlakkig in (noord)westelijke richting van de woning wegstroomt waardoor geen wateroverlast bij de woning te verwachten is. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. De afvalwaterhoeveelheid van 1 vrijstaande woning bedraagt ca. 0,03 m³/u). De afvoer kan derhalve naar verwachting op het bestaande stelsel westelijk van het perceel aangesloten worden. Voor de aansluiting dient te zijner tijd een vergunning bij de gemeente Papendrecht aangevraagd te worden. Bij de bouw zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Door de nieuwbouw neemt het verhard oppervlak toe. Het hemelwater wordt separaat gehouden. Op basis van het geldende gemeentelijk beleid gaat de voorkeur (in de mate van het mogelijke) uit naar 20 mm hemelwaterverwerking op eigen terrein. In onderstaande tabel is een overzicht van de huidige en toekomstige verharde oppervlakken op basis van de concepttekening opgenomen. Hierbij is tevens rekening gehouden met een verharde oprit. Tabel 4.5 Overzicht toe- en afname verhard oppervlak binnen plangebied

Uit de tabel is af te leiden dat door het planvoornemen het totaal verhard oppervlak met ca. 245 m² toeneemt tegenover de voormalige situatie. Bij waterschap Rivierenland kan een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht verkregen worden. De afdeling Vergunningen van het waterschap toetst of de initiatiefnemer nog niet eerder gebruik gemaakt heeft van deze vrijstelling. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel noodzakelijk. De gemeente Papendrecht stelt tevens eisen bij een verhardingstoename (20 mm op eigen terrein). Afhankelijk van de uiteindelijke voorkeur en wens tot inrichting van het perceel zijn ter plaatse beperkte mogelijkheden voor hemelwaterretentie toepasbaar om te komen tot een duurzame, klimaatbestendige herontwikkeling. Voor het perceel met hogere grondwaterstanden zijn dit de aanleg van waterpasserende of groene parkeerplaatsen of de aanleg van een verlaagde tuin/infiltratiekom of greppel in de tuin. Opzet is dat het hemelwater verwerkt wordt in een greppel op het perceel. Deze dient ca. 5 m³ hemelwater te verwerken voor de totale verhardingstoename.

Dit kan en zal eenvoudig verwerkt kunnen worden op eigen terrein. Bij boven normatieve buien zal de greppel overlopen en zal het water oppervlakkig naar het noordelijke oppervlaktewater afstromen.

Hoofdstuk 4

36

De lokale infiltratiesnelheid is niet bekend. Bij de aanleg van een absolute hemelwatervoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren of bodemverbetering toe te passen naar de zeer goed doorlatende ondergrond. Gezien de ligging wordt een (bovengrondse) noodoverlaat naar het noordelijke oppervlaktewater geadviseerd. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar een laagte of groen op eigen perceel en niet naar de omliggende bebouwing of percelen. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten is er geen (grond)wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Bij de verdere planuitwerking dienen de toekomstige DWA- en HWA-stelsels/voorzieningen concreet opgenomen te worden. Het definitief type hemelwatervoorziening is momenteel nog niet bepaald. Bij het definitieve bouwplan voorafgaand aan de omgevingsvergunning zal een herberekening plaatsvinden van het uiteindelijk aanwezig verhard oppervlak en de benodigde waterberging. Een hiervoor geschikte hemelwatervoorziening zal naar verwachting onder het binnenterrein aangelegd worden waar voldoende ruimte aanwezig is om de toename aan verharding te compenseren. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek De gemeente Papendrecht beschikt over een eigen Archeologische Verwachtingskaart en een Archeologische Beleidsadvieskaart. Op de Verwachtingskaart staat aangegeven wat de archeologische verwachting is voor het plangebied. Het plangebied is op de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht gelegen op twee verschillende beleidsgebieden.

Het noordelijke deel is gelegen in ‘Komgebied’ met een middelhoge verwachting, het zuidelijke deel is gelegen in ‘Middeleeuwse dijk’ met een middelhoge verwachting. Voor beide gebieden geldt een onderzoeksgrens bij verstoringen groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld.

Hoofdstuk 4

37

Figuur 4.2: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht

Er zullen geen verstoringen in de grond plaatsvinden groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld, zodat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. In de regels is een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ opgenomen ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op deze wijze worden de archeologische waarden afdoende beschermd. 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook zijn er geen overige waardevolle gebouwen aanwezig. De omgeving van het plangebied heeft met name een landschappelijke waarde. Nauw verwant hieraan zijn de cultuurhistorische waarden. Het overgrote deel van het

Hoofdstuk 4

38

dijklint is op de kaart van de provinciale Cultuurhistorische atlas aangeduid als een historisch landschappelijke lijn met hoge waarde. Het gedeelte van het dijklint ten oosten van de Merwedebrug is aangeduid als een nederzetting met hoge waarde. In de Dijkvisie voor Papendrecht, op 12 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad, zijn tien karakteristieken beschreven die als leidraad dienen bij verbouw en nieuwbouw op of aan het dijklint. De cultuurhistorische waarden worden in acht genomen bij de voorgestane ontwikkeling. Zie ook paragraaf 3.4. 4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.14 Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Volgens de Raad van State (uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bouw van één woning kan m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Concrete omstandigheden in dit geval zijn de ontwikkeling van één woning in een gebied dat grotendeels is ontwikkeld als woongebied. Daar komt bij dat er naast deze woning geen andere voorzieningen worden aangelegd. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied. Dit maakt dat de bouw van één woning aan het Oosteind te Papendrecht niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Conclusie De bouw van één woning aan het Oosteind in Papendrecht is, gelet op de omstandigheden in dit geval, niet te beschouwen is als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarom hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 4

39

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het voorontwerp bestemmingsplan ‘Dijklint’ van de gemeente Papendrecht. In onderstaande paragraaf zullen de regels nader worden uiteengezet.

5.3 Toelichting op de regels Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Hoofdstuk 5

40

Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan en overige regelgeving. Verkeer ‐ Verblijfsgebied Bij 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' gaat het om wegen en gebieden met verblijfsfunctie en erftoegangswegen. Ook parkeerplaatsen, speelvoorzieningen, fiets‐ en voetpaden en groenvoorzieningen worden met dit artikel mogelijk gemaakt. Op deze gronden mogen alleen kleine gebouwtjes ten behoeve van de bestemming (voorzieningen van openbaar nut) en andere bouwwerken worden gebouwd. Water Aan de noordzijde van het plangebied loopt een deel van de watergang. Aan deze gronden is de bestemming ‘water’ toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, bermen, taluds en kademuren en groenvoorzieningen.

Tevens is het toegestaan in deze bestemming om bruggen, duikers en andere waterhuishoudkundige voorzieningen te realiseren. De toegestane bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de waterbeheersing. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen. Onder voorwaarden is bij deze bestemming de uitoefening van aan huis gebonden beroepen, bedrijfsmatige activiteiten en webshops toegestaan. Voor de uitoefening van een bed & breakfast is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Binnen het plangebied is één vrijstaande woning toegestaan. Het hoofdgebouw moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken zijn buiten het bouwvlak toegestaan, met een maximale oppervlakte van 100 m 2. De maximale bouw- en goothoogte van de woning is op de verbeelding aangeduid. Erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 meter. Voor de voorgevelrooilijn mag de erfafscheiding niet hoger zijn dan 1 meter. Waarde ‐ Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Deze regels die binnen deze bestemming gelden, hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een inpassingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het

Hoofdstuk 5

41

opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel wordt ingegaan op bouwregels die algemeen gelden, zoals overschrijding van bouwgrenzen, boomgeleidingsconstructies en de bouwhoogte van andere bouwwerken met dak als daar in de bestemmingsregels niets over is vastgelegd. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Dit artikel bevat ook een regel over het parkeren. Algemene aanduidingsregels Het plangebied is gelegen binnen een ‘geluidzone – industrie’. Ter plaatse van deze geluidszone zijn alleen geluidgevoelige objecten als woningen toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning kan gelet op de conclusie in paragraaf 4.3.2 (industrielawaai) worden verleend, waarmee de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is gegarandeerd. Algemene afwijkingsregels Door middel van de 'Algemene afwijkingsregels' kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor onder andere geringe overschrijding van bepaalde bouwvoorschriften, bouwwerken van openbaar nut, straatmeubilair enzovoort. Deze bevoegdheid vergroot de flexibiliteit van het plan.

Overige regels In de 'Overige regels' is een verwijzing naar andere wettelijke regelingen opgenomen. Ook bevat dit artikel een voorrangsregeling voor de in het bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen. Tenslotte is een dynamische verwijzing opgenomen naar de Bomenverordening Papendrecht 2017. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

42

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a.

het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen c. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. Het kostenverhaal is geregeld via een anterieure overeenkomst. De anterieure overeenkomst is gepubliceerd in het Gemeentenieuws op 16 december 2020.

Hoofdstuk 6

43

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 3 maart 2021 is via het 'E-formulier aanbieden ruimtelijke plannen' de uitkomst verkregen dat het voorontwerpplan niet aan de Provincie Zuid-Holland hoeft te worden toegezonden. Het voorontwerpplan is op 3 maart 2021 toegezonden aan de volgende instanties, met het verzoek om uiterlijk 31 maart 2021 te reageren:  Waterschap Rivierenland;  Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid  Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid  Gasunie  Oasen  Stedin  Tennet Het Waterschap Rivierenland verzoekt in het wateradvies d.d.

15 maart 2021 om in de toelichting in hoofdstuk 4.11 Water toe te voegen dat bij de bouw geen gebruik gemaakt zal worden van uitlogende materialen. Verder constateert het waterschap dat op pagina 36 van de toelichting staat dat bij boven normatieve buien de greppel zal overlopen en het water oppervlakkig naar het noordelijke oppervlaktewater zal afstromen. Aangezien tussen de greppel en de watergang een openbare weg ligt, adviseert het waterschap om na te gaan of dit een wenselijke situatie is. De Veiligheidsregio ZHZ stelt in de reactie van 15 maart vast dat het VRZHZ-advies op het conceptvoorontwerpbestemmingsplan correct is verwerkt in het voorontwerpbestemmingsplan en dat er voor de VRZHZ geen noodzaak is om een aanvullend advies af te geven. Gasunie heeft blijkens de reactie van 3 maart 2021 vastgesteld dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding van de Gasunie valt en dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Stedin geeft in de reactie van 3 maart 2021 aan dat het plan geen aanleiding geeft tot opmerkingen. Tennet geeft in de reactie van 8 maart 2021 aan dat Tennet binnen de grenzen van het plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Oasen heeft laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot een reactie.

Van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid is geen reactie ontvangen.

Hoofdstuk 6

44

Het voorontwerpplan is ook toegezonden aan de Natuur- en Vogelwacht "De Alblasserwaard". De NVWA geeft in haar reactie d.d. 4 maart 2021 aan dat het plan interessant kan zijn voor het inbouwen van neststenen voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Ook kan de aanleg van een Wadi of een Paddenpoel(gekoppeld aan de waterafvoer van het dak) interessant zijn. De adviseur natuurtuinen biedt aan om met de bewoners in gesprek te gaan over de inrichting van de tuin. Het advies en het aanbod is aan de initiatiefnemers van het plan doorgegeven. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 8 april 2021 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 6.2.3 Beroep / hoger beroep Het bestemmingsplan wordt na vaststelling voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 6

45

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Concept Besluit Hogere waarden Wet geluidhinder Bijlage 3: Quickscan Flora en fauna Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Verkennend onderzoek asbest in bodem en puin Bijlage 6: Onderbouwing wateraspect Bijlage 7: Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht

Regels

Oosteind 84 te Papendrecht

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

12

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen Waarde - Archeologie

12 13 14 17

Hoofdstuk 3

Algemene regels

20

Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

20 21 23 25 26 27

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

28

Artikel 13 Artikel 14

Overgangsrecht Slotregel

28 29

Bijlagen bij regels

31

Bijlage 1

32

2

Archeologische Beleidsadvieskaart

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

Regels

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

bestemmingsplan

het bestemmingsplan 'Oosteind 84 te Papendrecht' van de gemeente Papendrecht met identificatienummer NL.IMRO.0590.BpOosteind84-3001 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.2

aanbouw:

een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt. Een aanbouw wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk. 1.3

aan huis gebonden beroep of bedrijf:

het door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, dan wel het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.4

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6

achtererfgebied:

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 1.7

achterpad:

het pad aan de achterzijde van een woning dat bij de oorspronkelijke bouw bij de woning aanwezig was. 1.8

ander bouwwerk:

bouwwerk geen gebouw zijnde. Een ander bouwwerk met dak wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk.

4

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

1.9

archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning op grond van de Monumentenwet 1988 dan wel op grond van de Erfgoedwet beschikt. 1.10

archeologische waarde:

vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde, met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context; 1.11

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.12

bebouwingspercentage:

het oppervlak dat maximaal mag worden bebouwd met bouwwerken, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het perceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 1.13

bed & breakfast:

een aan de woning ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, echter zonder dat anderszins sprake is van horeca. Onder Bed & Breakfast vallen in ieder geval niet overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur. 1.14

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak. 1.15

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16

bevoegd gezag:

het bevoegd gezag in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Als hoofdregel is dit het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht. 1.17

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.18

bijgebouw:

een vrijstaand gebouw dat functioneel en architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw waar het bij hoort. Een bijgebouw bij een woning is ondergeschikt aan de woonfunctie, bijvoorbeeld een garage of berging. Een bijgebouw wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk.

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

5

1.19

boomgeleidingsconstructie:

een bouwwerk ten dienste van de geleiding van de groeirichting van bomen. 1.20

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.21

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.22

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap, met een hoogte van minimaal 2.40 meter. 1.23

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25

bruto-vloeroppervlak:

de vloeroppervlakte van de ruimte(n) van een gebouw gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen. 1.26

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel moet ook verstaan worden commerciële dienstverlening zoals schoenmakers en vergelijkbare bedrijven. 1.27

erf:

al dan niet bebouwd perceel exclusief hoofdgebouw, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover de beheersverordening die inrichting niet verbiedt. 1.28

erfafscheiding:

bouwwerk ten behoeve van de afbakening van een erf.

6

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

1.29

erftoegangsweg:

een weg met een verblijfsfunctie, bestemd voor het toegankelijk maken van percelen en die gekenmerkt wordt door het ontbreken van rijbaanscheiding en een scheiding van snel- en langzaam verkeer. 1.30

garage(box):

een stallingsruimte hoofdzakelijk bedoeld voor het stallen van een auto, motor of ander vervoermiddel op het maaiveld (niet onder de grond), alsmede een berg- en/of bewaarplaats voor niet bedrijfsmatige opslag van particuliere goederen. 1.31

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32

hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Het hoofdgebouw bij de woonbestemmingen is aangegeven door middel van een bouwvlak. 1.33

kampeermiddel:

een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan; enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.34

kunstwerk:

een dragende bouwconstructie in weg, spoorlijn of watergang, waaronder begrepen zijn viaducten, bruggen, tunnels, duikers, alsmede hiermee vergelijkbare bouwwerken. 1.35

luifel:

een niet zelfstandig dragende horizontale overbouwing, welke slechts bestaat uit een constructie tegen weersinvloeden tegen de muur van een gebouw aangebracht meestal boven een deur, raampartij of gehele pui. Een luifel wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk. 1.36

nutsvoorzieningen:

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de warmte-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, bemalingsinstallaties, gemalen, bluswatervoorzieningen en zendmasten.

Bestemmingsplan "Oosteind 84 te Papendrecht" (vastgesteld)

7

1.37

openbaar toegankelijk gebied:

een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is. 1.38

overkapping:

een op de grond staand bouwwerk geen gebouw zijnde van één bouwlaag, voorzien van een gesloten dak zonder wanden. Een overkapping wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk. 1.39

peil:

a. voor hoofdgebouwen waarvan de voorgevel direct grenst aan een weg of een dijk, waarbij een afstand van maximaal 10 meter uit de as van de dijk is inbegrepen: de door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders vastgestelde hoogte van de weg of dijk ter plaatse van de voorgevel; b. voor hoofdgebouwen waarvan de voorgevel op meer dan 10 meter uit de as van de dijk grenst: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; c. voor hoofdgebouwen waarvan de voorgevel niet direct aan een weg grenst: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de voorgevel; d. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.40

perceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.41

perceelsgrens:

een grens van een perceel. 1.42

seksinrichting:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin bedrijfsmatig handelingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden tevens begrepen: een seksbioscoop: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin filmvoorstellingen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven; een seksautomatenhal: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en liveshows van erotische en/of pornografische aard worden gegeven; een sekswinkel: een ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van seksartikelen. 1.43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/266/documents/5624