Bijlage 2. Bodemregels - wijzigingen t.o.v. Ontwerp.pdf
Tekst van het document
Afdeling 11.2 Bodem Paragraaf 11.2.1 Algemene bepalingen bodem Artikel 11.1 Oogmerken bodem De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen; en e. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Toelichti ng
Dit artikel geeft aan welk oogmerk, oftewel aan welk(e) doel(en) de regels voor de activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten bijdragen. Achter het oogmerk zit een afweging tussen het zoveel mogelijk hergebruiken van primaire grondstoffen en het beschermen van de bodemkwaliteit op gebiedsniveau. Bij duurzaam bodembeheer wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem (onevenredig) te schaden.
Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.42 [maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging]. Toelichti ng
Dit artikel geeft aan dat maatwerk mogelijk is op de regels in dit hoofdstuk. In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel.
Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Er is een locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' met daarbinnen 'bodemkwaliteitsklassen' en 'toepassingszones' voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem en voor het afwijken via een maatwerkvoorschrift van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Toelichting Toelichti ng
In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 44 om specifiek te zijn). Het bodembeheergebied betreft hier de 10 gemeenten van Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten zijn te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart.
Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. landbouw/natuur; b. wonen; en c. industrie. Toelichti ng
In het omgevingsplan moet de gemeente de landbodem van het grondgebied indelen in bodemfunctieklassen. De landbodem wordt ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening
gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 55 om specifiek te zijn). De bodemfunctiekaart is te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart.
Paragraaf 11.2.2 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Deze paragraaf gaat over de activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem’. Toelichti ng
Dit artikel geeft aan over welke activiteit de regels in deze paragraaf gaan.
Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1 [oogmerken bodem], gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 11.1.
Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden thermisch gereinigde grond toe te passen. Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning thermisch gereinigde grond toe te passen. Toelichti ng
Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van thermische gereinigde grond een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen. Uitleg artikel Dit artikel voorziet in een verbod op het toepassen van thermisch gereinigde grond. Deze 'gereinigde' grond is op dit moment in opspraak en veroorzaakt bij onzorgvuldige toepassing milieuschade. Er is gekozen voor een verbod, omdat een melding onvoldoende reguleert. Reikwijdte en werking Het verbod is van toepassing op het toepassen van thermisch gereinigde grond en niet op andere grond of baggerspecie. Een kanttekening bij dit verbod is dat van een verbod in principe afgeweken kan worden met een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA). Hierbij is voldoende mogelijkheid tot regulatie. Bij vergunningverlening moet de aanvrager rekening houden met het volgende: Maatregelen ter voorkoming milieuschade: 1. Thermisch gereinigde grond wordt toegepast zodanig dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan buiten gebruik stellen van het werk, boven de grondwaterstand ligt én onder gesloten verharding. 2. Het werk waarin thermisch gereinigde grond wordt toegepast dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond. 3. Thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2.
Bij de aanvraag van de BOPA is de volgende informatie in ieder geval vereist: a. een planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de grond wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond;
b. indien de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van het productcertificaat hierin verwerkt; c. de kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting PHbuffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie zijn beschreven/verwerkt; d. een schriftelijke instemming met de uiteindelijke eigenaar; e. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand; f. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar; g. tekeningen van de toepassingslocatie en dwarsdoorsnedes van de toepassing; en h. een schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen.
Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid, kritische parameters van deze bouwstof en indien relevant de eisen van het productcertificaat; d. de ligging en de omvang van de toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een identificatie en een beschrijving van kritische aspecten en hoe hier de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ingevuld, waaronder in ieder geval grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting, PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie; f. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving wordt voorkomen in de vorm van stofvorming en ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang, als dit vrijkomt uit het materiaal, wordt voorkomen; g.
een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast; h. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar. Toelichti ng
De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag. In lid a en b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de thermisch gereinigde grond voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren. Met de gegevens gevraagd in lid c kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In lid d wordt gevraagd om de ligging, omvang en locatietekeningen van het toe te passen materiaal. Op basis hiervan bijvoorbeeld worden beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte. Daarnaast kan de ligging op basis hiervan ook worden geregistreerd. Aan de hand van de leden e, f en g kan beoordeeld worden of het materiaal in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf nagedacht is over de invulling van de zorgplicht
tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact materiaal met water en beïnvloedding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt. Op basis van de in lid h en il opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater. De leden j, k en l geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving. Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld
Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de toepassing past bij de functie van de locatie; f. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; g. de thermisch gereinigde grond: 1. zodanig wordt toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater; en 2.
wordt toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen;
h. de bovenafdichting waaronder de thermisch gereinigde grond wordt toegepast binnen 1 jaar na toepassing wordt aangebracht; en i. de thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2. Toelichti ng
Een omgevingsvergunning wordt verleend als de toepassing past bij de functie van een locatie en omgeving en als in voldoende mate rekening wordt gehouden met de zorgplicht. Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van thermisch gereinigde grond. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de toe te passen grond gecontroleerd. Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de indieningsvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.
Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van thermisch gereinigde grond gevolgen kan hebben voor watersystemen. In lid e, f en i wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuurgebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden dat dan de aanwezigheid van de grond herkend wordt. In lid g en h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen.
Getoetst wordt of de grond boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn. Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen. Buiten de scope van de beoordeling van de omgevingsvergunning vallen mogelijk andere van toepassing zijnde regelgeving, zoals bijvoorbeeld regels, zoals artikel 3.41 ZHOV ten aanzien van grondwaterbeschermingsgebieden (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Op basis van deze regelgeving kan het verplicht zijn om een omgevingsvergunning bij (Omgevingsdienst Haaglanden namens) de provincie aan te vragen.
Artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Toelichti ng
Uitleg artikel In dit artikel staat dat in gebieden die volgens de bodemfunctiekaart de functieklasse Landbouw/natuur of Wonen hebben, geen grond of baggerspecie mag worden toegepast met meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Dit in tegenstelling tot de in het
Besluit activiteiten leefomgeving genoemde 20 gewichtsprocent in artikel 4.1271 lid 1 onder a. Alleen bij een partijkeuring wordt het percentage bodemvreemd materiaal daadwerkelijk aangegeven bij de keuring door de veldwerker. Dit is niet zo bij (water)bodemonderzoeken. Dit is ook niet in het protocol hiervoor vastgelegd (protocol 2001). Hier wordt praktisch mee omgegaan. Matig, sterk of uiterst steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als meer dan 5%. Sporen en licht steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als minder dan 5%. Reikwijdte Dit artikel is van toepassing op grond en baggerspecie die wordt toegepast in gebieden met de functie landbouw/natuur of wonen.
Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.11.1. Tabel 11.11.1: afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones
pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9
Alle zones
Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride
Alle zones
Maximaal 920 mg/kg droge stof barium
Wonen
Maximaal 90 mg/kg droge stof lood
Volks-/Moestuin
Maximaal 50 mg/kg droge stof lood
Asbestgevoelige locatie
Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte)
2. Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en c. voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.11.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Tabel 11.11.2: afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Wonen Toelichti ng
Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel Uitleg artikel Lid 1 In dit artikel wordt bij lid 1 aangegeven welke kwaliteitseisen strenger zijn in dit beheergebied dan de landelijke regels (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem die zowel uit het beheergebied afkomstig is als van elders komt. PH (zuurgraad): Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied moet de pHwaarde van de toe te passen grond of bagger tussen de 5 en 9 liggen. Grond met andere pHwaarden zijn niet toegestaan. In ons beheergebied komt over het algemeen een pH van tussen de 5 en 9 voor, dit sluit aan bij het natuurlijke ecologische systeem. Vreemde gronden (zure gronden of antropogene gronden) worden weleens aangeboden, maar zijn vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk, de toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten.
Chloride: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied mag de grond of bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het toepassen van zilte of zoute gronden is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna in ons gebied. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Er is wel maatwerk (maatwerkbesluit) mogelijk voor bijzondere situaties. Barium: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied geldt een maximale waarde van 920 mg/kg droge stof (standaard bodem). Voor barium is geen toetsingswaarde opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit bij indeling van grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse. In ons beheergebied komen van nature gehalten tot de voormalige interventiewaarde van 920 mg/kg droge stof voor. Barium wordt standaard meegenomen in de analyse van de grond of baggerspecie en kan ook een antropogene verontreiniging zijn. Het gehalte barium boven de voormalige interventiewaarde kan duiden op een sterke antropogene verontreiniging. Hergebruik van grond met een sterke verontreiniging wordt hiermee uitgesloten.
Lood: In gebieden met de functie wonen geldt voor lood een maximale waarde van 90 mg/kg droge stof (standaard bodem) en voor volks- en moestuinen (loodgevoelige locatie) een maximale waarde van 50 mg/kg droge stof (standaard bodem). Deze ten opzichte van het landelijke beleid (Regeling bodemkwaliteit) strengere waarden vloeien voort uit het provinciale handelingskader voor lood (2020) dat is opgesteld naar aanleiding van advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De waarden sluiten gezondheidsrisico's uit en bij deze waarden is de bodem duurzaam geschikt voor de beoogde bodemfunctie. Asbest: Op asbestgevoelige locaties geldt voor asbest een maximale waarde van 10 mg/kg droge stof (gewogen gehalte). Dit verkleint de kans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal in opgebrachte grond. Asbestgevoelige locaties zijn openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volks- en moestuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken. Lid 2 In dit artikel wordt in lid 2 aangegeven welke kwaliteitseisen soepeler zijn in dit beheergebied dan de landelijke eisen (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Met het versoepelen van de kwaliteitseisen zorgen we ervoor dat meer grond en baggerspecie kan worden hergebruikt, zonder dat de risico’s voor de gezondheid of de bodemkwaliteit toenemen.
Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem afkomstig uit ons beheergebied. Grond die van elders komt dient aan de landelijke eisen te voldoen. Nikkel: Voor toepassen van grond of baggerspecie in een gebied met gebruiksfunctie landbouw/natuur en wonen geldt een maximaal gehalte nikkel van 56 mg/kg droge stof (standaard bodem). In ons beheergebied komen gehalten voor tot 56 mg/kg droge stof. Dit is de P95 (95ste percentiel) van ons beheergebied. Deze waarden leiden niet tot gezondheidsrisico's. Reikwijdte De kwaliteitseisen ten aanzien van pH, barium, chloride, lood en asbest gelden voor alle grond of baggerspecie die in het beheergebied wordt toegepast. De soepele kwaliteitseisen ten aanzien van nikkel geldt voor grond die vrijkomt en wordt toegepast binnen het beheergebied.
Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.12.1. Tabel 11.12.1: afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones
Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond. Toelichti
Bij verspreiden van baggerspecie in het beheergebied mag de bagger niet zilt of zout zijn. Van
ng
zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het verspreiden van zilte of zoute bagger in zoetwatersystemen is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna. Omdat bagger ook van nature (door kwel) zilt of zout kan zijn, wordt wel toegestaan dat de bagger nabij de locatie van vrijkomen op de kant wordt gezet of op locaties wordt verspreid waar tevens sprake is van nature zilte/zoute omstandigheden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de zorgplicht.
Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor De Volgerlanden te Hendrik-Ido-Ambacht Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie; a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'herkomstgebied en toepassingsgebied De Volgerlanden'; c. voor de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.13.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast; en d. voor de optelsom van de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) voldoet aan maximaal 1 mg/kg droge stof (standaardbodem). Tabel 11.13.1: Afwijkende kwaliteitseisen Volgerlanden Zones
Individuele stof
Wonen
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof) 0,04
Wonen
0,1
Heptachloor
Wonen
0,1
Alfa-endosulfan
Wonen
0,5
Alfa - HCH
Wonen
0,5
Beta – HCH
Wonen
0,5
Gamma - HCH
Wonen
0,027
Hexachloor-benzeen
Wonen
1
DDD (som)
Wonen
1
DDE (som)
Wonen
1
DDT (som)
Wonen
0,14
Drins (som 3)
Wonen
0,1
Heptachloorepoxide (som)
Wonen
0,1
Chloordaan (som)
Toelichti ng
PCB (som 7)
Uitleg artikel In de grond van De Volgerlanden worden regelmatig lage gehalten aan bestrijdingsmiddelen aangetroffen die hergebruik op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit binnen De Volgerlanden formeel in de weg staan. De oorzaak van de bestrijdingsmiddelen in de grond is het langjarige gebruik van het gebied als tuinbouwgrond. In dit artikel wordt het reeds sinds 1999 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen, waarmee, op aanvaardbare wijze, hergebruik van deze grond binnen De Volgerlanden als gebiedseigen grond kan worden gerealiseerd. In onderdeel a staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden. In onderdeel c staan de kwaliteitseisen die gelden voor de individuele bestrijdingsmiddelen (organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB)) en in onderdeel d staat dat de dat de som van deze bestrijdingsmiddelen maximaal 1 mg/kg droge stof (standaardbodem) mag bedragen.
Reikwijdte De verruimde kwaliteitseisen ten aanzien van OCB en PCB gelden voor grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden.
Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur. 2. Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant. Toelichti ng
Uitleg artikel De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt o.a. uit beleid van de provincie Zuid-Holland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Er zijn aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. Wegbermen betreffen 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen". Om het milieu te beschermen is in dit artikel opgenomen dat alleen grond van de kwaliteitsklasse wonen of schoner (landbouw/natuur) mag worden toegepast in wegbermen. Reikwijdte Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie vanuit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie van uit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het is niet van toepassing op grootschalige toepassingen. Bij tijdelijke uitname van grond gelden de regels uit paragraaf 3.2.21 (Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteit leefomgeving.
Artikel 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen 1. Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: [a.] afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerreinen met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en [b.] de grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. 2. Het eerste lid is niet van toepassing binnen voor DE LOCATIE 'Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom'. Toelichti ng
De grond die op een industrie- of bedrijventerrein van groter dan 2 hectare mag worden toegepast mag van de kwaliteit industrie (en schoner) zijn. Met deze regel wordt niet gekeken naar de bestaande bodemkwaliteit, maar alleen naar de gebruiksfunctie van de locatie. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor hergebruik van de grond, zonder dat hierdoor risico’s voor de gezondheid of de bodemkwaliteit ontstaan (lid 1). Dit beleid is overgenomen uit de bodembeheernota van 2010. In lid 2 zijn uitzonderingen aangegeven. Dit betreft het Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom. In afdeling 29.1 is de aanwijzing van eventuele andere locaties gedelegeerd aan het college. Dit zijn locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft. Reikwijdte Dit betreft alleen grond uit het beheergebied die wordt toegepast in het beheergebied op een industrie- of bedrijventerreinen, met uitzondering van terreinen waar de gemeente andere ambities heeft ten aanzien van de bodemkwaliteit.
Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS
Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (peren polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en c. voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.16.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Tabel 11.16.1: afwijkende kwaliteitseisen zone B Zones
Stof
Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)
Landbouw/ natuur
PFOA
0,0023
PFOS
0,0024
Volks-/moestuin
PFOA
0,0023
PFOS
0,0024
Toelichti ng
Uitleg artikel
In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig is. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021). Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1. Figuur 1: PFAS zonekaart Zuid-Holland Zuid
- - - - . - - - - Grondwaterbeschermingsgebieden (inclusief strategische reserve) In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse Oomgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten. Dit resulteert samengevat in het volgende overzicht van lokale en landelijke normen (weergegeven in µg/kg in plaats van in het artikel in mg/kg) voor hergebruik van PFAS-houdende grond:
Tabel 1: Toepassen grond/baggerspecie Zone A – conform landelijk beleid
Tabel 2: Toepassen grond/baggerspecie Zone B – lokaal beleid
Kanttekening De kwaliteitseisen in dit artikel bieden voor grond uit zone B onvoldoende hergebruiksruimte. Dit is niet met een algemeen geldend artikel op te lossen. Met maatwerk kan wel ruimte worden geboden waar dit verantwoord is. In zone B kan daarom, onder voorwaarden, ruimte worden geboden voor maatwerk voor grond met hogere hergebruiksnormen. Per locatie kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd. Het beleid is verder uitgewerkt in het beleidsstuk “hergebruik PFAS houdende grond en bagger Zuid-Holland Zuid”. Deze staat op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Reikwijdte De in dit artikel opgenomen Lokale Maximale Waarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast in zone B. Het betreft niet het verspreiden van baggerspecie (en weilanddepots voor baggerspecie). Voor de overige PFAS zijn geen Lokale Maximale Waarden opgesteld, maar is het landelijke beleid geldig. Ter plaatse van puntbronnen (bijvoorbeeld plaatsen waar met blusschuim is gewerkt) kunnen sterk verhoogde gehalten aan PFAS voorkomen in de bodem. Dit artikel geldt
alleen voor grond met verhoogde gehalten als gevolg van de regionale diffuse verontreiniging met PFOA. Ook bij perceelsmatching zijn verhoogde gehalten als gevolg van puntbronnen in zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem uitgesloten van de toets. Puntbronnen vallen onder andere regelgeving, zoals het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.
Artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie 1. Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, als bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, als bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater. Toelichti ng
Uitleg artikel In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat een milieuverklaring voor bodemkwaliteit niet enkel mag bestaan uit een verklaring op grond van de bodemkwaliteitskaart, maar dat de kwaliteit tevens tenminste moet zijn bevestigd met een verkennend bodemonderzoek. Een milieuverklaring voor de bodemkwaliteit kan bestaan uit een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. Deze kan niet bestaan uit enkel een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. In het tweede lid staat aangegeven dat dit alleen kan als sprake is van een onverdachte locatie en dat het verkennend bodemonderzoek moet voldoen aan de NEN5725 en NEN5740. Indien uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit slechter is dan wat de bodemkwaliteitskaart aangeeft, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Ook als de locatie verdacht is, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Een onderzoek conform NEN5740 betreft ook grondwateronderzoek. Omdat het om toepassen van grond of baggerspecie gaat, hoeft de kwaliteit van het grondwater niet te worden onderzocht. Dit is dan ook uitgesloten in het derde lid van dit artikel.
Reikwijdte Door dit artikel wordt het niet toegestaan om enkel op grond van de bodemkwaliteitskaart grondverzet te plegen. De grond moet tenminste zijn onderzocht met een verkennend bodemonderzoek. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een gemiddelde bodemkwaliteit, dit betekent dat de kwaliteit van een vrijkomende partij grond slechter kan zijn dan de kaart aangeeft. Daarom is specifiek bodemonderzoek naar de te verplaatsen partij grond nodig. In de praktijk is grond die vrijkomt meestal al onderzocht en vindt grondverzet plaats op basis van een partijkeuring of een representatief verkennend bodemonderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart.
Artikel 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie [1.] Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet is niet van toepassing. [2.] In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder d c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.17 [maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie] als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; [b.] een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en [c.] een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring.
1.[3.] In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie. Toelichti ng
Uitleg artikel Als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassing van grond of baggerspecie staat in lid 1 dat bij het toepassen van grond of baggerspecie van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur tevens een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt. In artikel 4.1267, tweede lid, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat dit niet hoeft. Maar met dit artikel wordt de uitzondering buiten werking gesteld en moet dit dus wel. Zonder dit rapport kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren. In lid 2 van dit artikel wordt aangegeven dat het verkennend bodemonderzoek uit het vorige artikel ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moet worden verstrekt. Verder staat in het tweede lid dat naast een milieuverklaring bodemkwaliteit ook de hieraan ten grondslag liggende rapporten moeten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Zonder deze rapporten kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren. In het derde lid wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten worden verstrekt.
De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals het percentage bodemvreemd materiaal en of de grond van een saneringslocatie komt. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken. Reikwijdte Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook de hierboven vermelde gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover deze van toepassing zijn en moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.
Paragraaf 11.2.3 Toepassen van bouwstoffen Artikel 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit ‘toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem’. Toelichti ng
Uitleg artikel Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.
Artikel 11.20 Oogmerken toepassen van bouwstoffen De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1 [oogmerken bodem], gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van bouwstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Toelichti ng
Zie de toelichting bij artikel 11.1 [oogmerken bodem].
Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteit leefomgeving, verboden AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken bestaan toe te passen. Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken
Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, toe te passen. Toelichti ng
Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, specifiek de bouwstoffen AVI-bodemassen, metaalslakken, immobilisaten en grondstabilisatie of een bouwstof met 20% gewichtsprocent aan één van deze vier bouwstoffen een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen.
Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.125 8 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. de RD-coördinaten van de ontvangende landbodem; d. de ligging, de omvang en de dimensionering van de functionele toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een onderbouwing van de toepassingshoogte na zetting van het werk ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); f. de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; g. de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 Bal, in het kader waarvan de AVI-bodemassen, grondstabilisatie, immobilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, worden toegepast; h.
een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, die de kwaliteit duidt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid en kritische parameters van deze bouwstof; i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van stofvorming wordt voorkomen en, indien de bouwstof met een toepassingseis gericht op het voorkomen van permanent in contact komen van de bouwstof met hemel-, grond- en oppervlaktewater wordt geleverd, ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal wordt voorkomen; m. bij het toepassen van immobilisaten: een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; n.
bij het toepassen van immobilisaten: de hoeveelheid bindmiddelen en de exacte beschrijving en receptuur van het type immobilisaat die in totaal voor de immobilisatie of stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; o. een beschrijving van de voorzieningen en de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden.
Toelichti ng
De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door bevoegd gezag. In lid a en b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de bouwstof voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren. Lid c en d betreffen de locatie van de toepassing. Deze zijn nodig om de locatie te registreren. En te toetsen of de toepassing past bij de functie van de locatie en niet in een waterwingebied ligt. Op basis van de in lid e opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater. Een onderbouwing kan bestaan uit bijvoorbeeld een zettingsberekening in combinatie met grondwaterpeilingen. In lid f wordt gevraagd om de hoeveelheid van toe te passen materiaal. Eerder in b werd ook al de omvang gevraagd, deze zouden in overeenstemming met elkaar moeten zijn.
Daarnaast kan op basis hiervan ook worden beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte. Met de gegevens gevraagd in lid g en h kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De leden i, j en k geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving. Aan de hand van de leden l, m, n en o kan beoordeeld worden of de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf is nagedacht over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact bouwstof met water en beïnvloedding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt.
Indien sprake is van immobilisaat is ook van belang: o het type materiaal (inclusief de dikte en het moment van aanbrengen) wat gebruikt gaat worden om de uitdroging, slijtage en erosie van het immobilisaat te voorkomen tijdens het uithardingsproces; o een beschrijving en visualisatie van hoe de randen en taluds van de definitieve toepassing worden afgewerkt; o een beschrijving van alle uit te voeren metingen en werkwijzen met betrekking tot de vereiste controles van de verdichtingsgraad van de ondergrond en het aan te brengen immobilisaat (verwijzing naar RAW bepalingen is onvoldoende). Daarnaast ook een beschrijving wat de minimale druksterkte (in Mpa) moet zijn van het aangebracht immobilisaat voordat dit immobilisaat wordt betreden met
hei/funderingsmachines. Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld.
Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.22, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de locatie van de toepassing zich niet in een waterwingebied bevindt, tenzij het de uitvoering van taken betreft door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet; f. de toepassing past bij de functie van de locatie; g. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; h.
de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan: 1. zodanig worden toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater; en 2. worden toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; i. indien de bouwstoffen met aanvullende toepassingseisen (zogenaamde ‘wenken’ voor de toepasser) worden geleverd, wordt voldaan aan de aanvullende toepassingseisen; j. beschreven is welke voorzieningen of maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in de aanlegfase en in de gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; en k. de toepassing in de aanlegfase en gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Toelichti ng
In deze beoordelingsregel is bepaald wanneer het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verleent. Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van bouwstoffen. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de bouwstof
gecontroleerd. Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de indieningsvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader. Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van deze bouwstoffen gevolgen kan hebben voor watersystemen. Ook lid e is overgenomen uit de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 3.103 (aanwijzing verboden gevallen)). Het is volgens de verordening verboden om in een waterwingebied de activiteit toepassen van een bouwstof te verrichten. In artikel 3.18, tweede lid, van de ZHOV is bepaald dat afdeling 3.3 van de ZHOV niet geldt voor de uitvoering van taken door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet. Met waterwingebied wordt bedoeld een waterwingebied zoals blijkt uit de geometrische begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden die is vastgelegd in bijlage II van de ZHOV. In lid f wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past.
De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad, parkeerplaats of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Meest gewenste toepassingslocaties zijn in weg- en waterbouwkundige werken als aanvul-, ophoog- en funderingsmateriaal en als steunlaagmateriaal op stortplaatsen. Lid g: Herkenbaar en beheersbaar door voldoende schaalgrootte: hiermee wordt bedoeld dat als er in de grond wordt gegraven waar deze bouwstof is toegepast, dat je herkent dat er een bouwstof aanwezig is in de grond. Toepassing in grootschalige werken verdient milieuhygiënisch en beheersmatig gezien de voorkeur. De omvang (schaalgrootte) is van belang voor de levensduur van de toepassing, waarbij de bouwstof niet doorgraven mag worden, goed aanwijsbaar/terug vindbaar en goed terug neembaar moet zijn. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden, de aanwezigheid van een bouwstof herkent wordt.
Bij een grootschalige toepassing kun je denken aan bijvoorbeeld toepassing over een oppervlakte van 1000 m2 of omvang van 5000 m3. In lid g wordt gesproken over voldoende, omdat hier geen exact getal aan te verbinden is. Zo kan bijvoorbeeld een toepassing onder een loods met een oppervlakte van 5001000 m2 ook herkenbaar en beheersbaar zijn. In lid h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen. Getoetst wordt of de bouwstof boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen.
Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn. De gesloten verharding is rekkelijk maar hangt ook af van de functie, locatie en soort toepassing en onder welke condities de bouwstof wordt toegepast. Lid i: Ook kunnen voorzieningen of maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de bouwstof in de aanlegfase en gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden. Bij het verlenen van een vergunning wordt afgewogen of voldoende rekening wordt gehouden met de effecten van de toepassing op mens en milieu (nadere invulling van de zorgplicht). Lid j: Als randvoorwaarde bij het verlenen van een vergunning geldt altijd dat de veiligheid, gezondheid en milieu niet geschaad mogen worden. Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen.
Paragraaf 11.2.4 Opslaan van grond en baggerspecie Artikel 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit ‘op de landbodem opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie’. Toelichti ng