CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting.pdf

Gemeenteraad Papendrecht 3 november 2022, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 12: Vaststelling bestemmingsplan Oosteind 72 - Voorstel16.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Omdat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van dergelijke dichtheden, is een berekening niet benodigd. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 25 meter vanuit de kade en reikt niet tot het plangebied. Een verantwoording, waarbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, is op grond van het Bevt wel benodigd, omdat het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen reikt tot het plangebied. Voor de verantwoording hoeft enkel rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Spoorlijn Betuweroute Ten noorden van het plangebied loopt de ‘Betuweroute’. Deze spoorlijn kent een invloedsgebied van het groepsrisico van > 4 kilometer. Het plangebied ligt hierbinnen. Gezien de ruime afstand van het plangebied tot aan deze spoorlijn (circa 700 meter) is een berekening niet noodzakelijk. Wel moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Bevi-inrichtingen Du Pont en Chemours Het plangebied is gelegen buiten de PR10-6 contour van de Bevi-inrichtingen Du Pont en Chemours. Derhalve kan gesteld worden dat het plan niet significant zal bijdragen aan het groepsrisico. Het uitvoeren van een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Volledigheidshalve dient in de verantwoording groepsrisico wel rekening gehouden te worden met het toxisch scenario van een incident bij Du Pont en Chemours.

Lpg-tankstation De Ketel, Ketelweg 91 Vanwege de verkoop van lpg gelden voor het plaatsgebonden risico de volgende afstandscriteria:  35 m gemeten vanaf het lpg-vulpunt;  25 m gemeten vanaf het lpg-reservoir;  15 m gemeten vanaf de lpg-afleverzuil. Het plangebied is gelegen buiten deze afstanden. Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van de lpg-inrichting. Het lpg-tankstation vormt zodoende geen belemmering.

Hoofdstuk 4

29

Aardgasleidingen Ten noorden en oosten van het plangebied lopen aardgasleidingen. Deze leidingen kennen een 1%letaliteitsafstand van 150 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 80 meter. De daadwerkelijke afstand is groter dan 500 meter. De aardgasleidingen vormen zodoende geen belemmering. 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Voor de A15, de Beneden Merwede, de Betuweroute en de Bevi-inrichtingen Du Pont en Chemours dient in de verantwoording van het groepsrisico een beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. Voor het nabijgelegen bestemmingsplan ‘Zeven bouwkavels Tiendzone’ (d.d. 15 juni 2017) is reeds onderzoek uitgevoerd naar drie risicobronnen (A15, Beneden Merwede en Du Pont en Chemours)2. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in het kader van dat bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling van één woning binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen zal leiden tot een zeer minimale toename van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de bijlagen. Verantwoording Betuweroute In bovengenoemde verantwoording groepsrisico wordt niet ingegaan op de Betuweroute. Aanvullend wordt daarom hieronder ingegaan op de verantwoording groepsrisico voor de Betuweroute.

Scenario Door een incident op de Betuweroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Bestrijdbaarheid Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Zelfredzaamheid Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof.

Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de weersomstandigheden en de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een toxisch incident is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien geen safe-haven realiseerbaar is, dient bij een toxische wolk gevlucht te worden haaks op de wolk.

2

Memo Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht (projectnr. 20130566-068). Agel adviseurs, 21 juli 2015.

Hoofdstuk 4

30

Een maatregel die de zelfredzaamheid verder vergroot, betreft risicocommunicatie om het risicobewustzijn te vergroten. Advies Veiligheidsregio bouwkavels Tiendzone De VRZHZ adviseerde eerder naar aanleiding het advies over ‘zeven bouwkavels Tiendzone’ dat de nieuwe woning voorzien dient te zijn van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: 'Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.' Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020), zo adviseerde VRZHZ. Advies Veiligheidsregio voorliggend plan De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft ook geadviseerd naar aanleiding van voorliggend plan. De VRZHZ kan zich vinden in het eerder gegeven advies (hierboven beschreven). 4.8.4 Conclusie Rekening houdend met bovenstaande adviezen worden geen belemmeringen verwacht vanuit het aspect ‘externe veiligheid’.

4.9 Natuur 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Hoofdstuk 4

31

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2 Onderzoek Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Biesbosch”, bevindt zich op circa 2,3 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft

Hoofdstuk 4

32

dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de beperkte ontwikkeling en de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde. Eventuele relevante stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/j) van het project zou namelijk alleen tijdens de aanlegfase kunnen plaatsvinden. Aangezien recent in werking getreden wetgeving (Wet Stikstofreductie en natuurherstel) regelt dat voor tijdelijke deposities vanwege de bouwfase geen vergunning vanuit de Wet Natuurbescherming nodig is, is een berekening voor de stikstofdepositie voor de aanlegfase niet langer benodigd. Voor de gebruiksfase zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten. Hierdoor is een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 645 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast.

Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming In bovenstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

33

Tabel 4.3 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Algemeen

Potentieel

Sprake van

aanwezig

overtreding

Ja

Te voorkomen

Broedv ogels

Jaarrond

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Plangebied buiten broedseizoen

Globale broedseizoen loopt van maart

bouwrijp maken of controle vooraf

tot half augustus

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de

beschermd VerbliVleer-

jfplaatsen

muizen

Foerageerhabitat Vliegroutes

Grondgebonden zoogdieren

egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

4.9.3 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd (welke globaal gezien van half maart tot en met augustus loopt), en een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten (zowel binnen als buiten het broedseizoen);  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en

Hoofdstuk 4

34

moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.10.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging voor een deel van de gronden in het plangebied, van tuingronden naar wonen. Daarmee is er sprake van een gevoeliger functie. Derhalve is een verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest door Bodex Milieu uitgevoerd voor de planlocatie. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies toegelicht. De situatietekening met boorlocaties is weergegeven in figuur 4.2. Verkennend bodemonderzoek Bovengrond Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de met sporen baksteenhoudende bovengrond ter plaatse van boring B06 sprake is van een sterke verontreiniging (overschrijding van de interventiewaarde) van de parameter PAK. PCB, zink, koper, nikkel, cadmium, kwik, lood en minerale olie zijn licht verhoogd (overschrijding achtergrondwaarde) aangetoond.

In de zwak puinhoudende bovengrond achter het schuurtje (MM03) is een matige verontreiniging met zink aangetoond. PCB, koper, cadmium, kwik, lood en PAK zijn licht verhoogd aangetoond. In de zintuiglijk schone bovengrond is zink ten hoogste in een matige verontreiniging (MM01) aangetoond. PCB, koper, cadmium, kwik, lood, PAK zijn licht verhoogd aangetoond. Ondergrond Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de zintuiglijk schone ondergrond (MM04) de parameters koper en zink ten hoogste licht verhoogd zijn aangetoond. Asbest Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een matige verontreiniging met asbest in de inspoelzone achter het schuurtje. Grondwater Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het grondwatermonster PB01-1-1, een lichte verontreiniging (overschrijding streefwaarde) met barium is aangetoond. Aanvullend bodemonderzoek Op basis van bovenstaande resultaten is aanbevolen een aanvullend onderzoek uit te voeren om de sterke verontreiniging met PAK (boring B06) zowel horizontaal als verticaal af te bakenen. Ook is aanbevolen om de matige verontreinigingen met zink (mengmonsters MM01 en M03) aanvullend te onderzoeken middels een separate analyse van deelmonsters op zink. Tot slot wordt een aanvullend onderzoek naar eventuele respirabele vezels zinvol geacht.

De resultaten van het aanvullend bodemonderzoek zijn onderstaand beschreven. Geconcludeerd kan worden dat in de bovengrond van de locatie sprake is van een verhoogd gehalte PFOS en PFOA. Op basis van het gehalte PFOA wordt de bodem in het generieke kader als (elders)

Hoofdstuk 4

35

niet toepasbaar beoordeeld. Binnen het gebiedsspecifieke kader van de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid is het wellicht wel mogelijk de gronden te herbruiken. In het aanvullend onderzochte asbestmonster is 0,22 mg/kg.ds aan losse (respirabele) vezels aangetoond. Er zijn ten aanzien van de parameter asbest derhalve geen directe risico’s aangezien het maximaal gehalte aan losse vezels van 10 mg/kg.ds ruimschoots wordt onderschreden. De uitsplitsing van de matig verhoogde zink-monsters heeft uitgewezen dat er ter plaatse van boring B05 sprake is van een sterke verontreiniging met zink. Aanbevolen wordt om ter plaatse van boring B05 een nader onderzoek naar zink in de (boven)grond uit te voeren. Daarbij wordt tevens aanbevolen om ter plaatse van boring B06 een nader onderzoek naar PAK in de bovengrond uit te voeren. Nader bodemonderzoek De aanleiding voor het nader bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten uit het verkennend en aanvullend onderzoek, waarbij respectievelijk in boring B06 een sterke verontreiniging met PAK, en in boring B05 een sterke verontreiniging met zink is aangetoond. Het doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de omvang van de aangetoonde sterke verontreinigingen. Dit om vast te kunnen stellen of conform de Wbb sprake is van ‘een geval van ernstige bodemverontreiniging’, als bedoeld in artikel 29, eerste lid van de Wbb.

De resultaten zijn onderstaand beschreven. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend en nader bodemonderzoek kan gesteld worden dat er ter plaatse van het Oosteind 72 te Papendrecht sprake is van een verontreiniging met zink in gehalten boven de interventiewaarde. In eerste instantie zou op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek ook een sterke verontreiniging met PAK (B06) kunnen worden verwacht, echter is deze verontreiniging in het nader onderzoek niet teruggevonden. De aangetoonde verontreiniging met zink is zeer vermoedelijk een restverontreiniging (of hangt althans samen met de eerdere verontreiniging) van het verontreinigingsgeval dat op het perceel van Oosteind nummer 74 is aangetoond. De sterke verontreiniging met zink is aangetoond over een oppervlakte van circa 50 m² (zie contour in bijlage 3) en bevindt zich in de bovengrond tot circa 0,50 m-mv.. De omvang van de sterke verontreiniging wordt daarmee gesteld op circa 25 m³. Omdat de verontreiniging op onderhavig perceel onderdeel uit maakt van een eerder geval van verontreiniging dat in oorspronkelijke grootte meer den 25 m³ in omvang was, dient ook deze (rest)verontreiniging, indien wordt gekozen voor sanering, binnen het Wbb-traject (Melding BUS of saneringsplan) te worden gesaneerd.

Hoofdstuk 4

36

Figuur 4.2 Situatietekening met boorlocaties

4.10.3 Conclusie Op basis van het nader bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er plaatselijk een klein vlak is dat is verontreinigd met zink. De aangetoonde gehaltes liggen weliswaar boven de saneringsnorm, maar aangezien het vlak buiten de bebouwingscontouren is gelegen wordt sanering als niet noodzakelijk gezien. Advies omgevingsdienst De omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid neemt bovenstaande conclusie niet geheel over. Er wordt gesteld dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met zink en een tweetal aspecten (te weten de toetsing aan polychloorbifenylen (PCB) en de eventuele aanwezigheid van PCB ter plaatse van de druppelzones onder asbestdaken) niet afdoende is beschreven. De omgevingsdienst stelt dan ook dat voorafgaand aan de herontwikkeling van deze locatie voornoemde verontreinigingen met PCB nader dienen te worden onderzocht. Mogelijk volgt daaruit dat de verontreiniging dient te worden gesaneerd. De locatie zal, zonder het uitvoeren van het nader onderzoek naar PCB, gesaneerd worden. De initiatiefnemer zal hier te zijner tijd in overleg met Bodex een plan van aanpak voor opstellen. Tevens wordt in de regels geborgd dat een omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien voldoende is aangetoond dat de bodem van voldoende kwaliteit is om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

Hoofdstuk 4

37

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is tevens een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Dit Waterplan is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de in de nabije toekomst in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft recent het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken.

Verbinden. Vergroenen.’ vastgesteld. Voor het bestuur van Waterschap Rivierenland is het waterbeheerprogramma belangrijk om te kunnen sturen en om de koers te bepalen. Het programma geeft ook richting aan de interne organisatie voor de werkzaamheden voor de komende jaren. Ook voor externe partijen is het waterbeheerprogramma van belang. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater.

In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem. Het maatregelenpakket uit het waterplan is in 2018 afgerond. Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving hebben geen plannen plaatsgevonden. Vanuit de gemeente Papendrecht wordt bij nieuwbouw van de particulier verwacht, dat hij 20 mm hemelwater op eigen terrein verwerkt. Indien dit redelijkerwijs niet van hem gevraagd kan worden, kan de particulier zijn hemelwater aanbieden aan de gemeente. Dit hemelwater moet gescheiden zijn van het huishoudelijk afvalwater. Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk, dan kan de particulier het hemelwater, bij voorkeur bovengronds, aanbieden aan de gemeente in de openbare ruimte. Wanneer

Hoofdstuk 4

38

volop oppervlaktewater aanwezig is, is het niet doelmatig een inzamelriool voor het hemelwater aan te leggen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Een eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (dossiercode 20201015-924514). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Bij het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. 4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. Voor de gehele onderbouwing wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies toegelicht. Op de locatie van de toekomstige woning is reeds voldoende drooglegging aanwezig doordat de woning op de aflopende helling van de dijk wordt gebouwd.

De berging komt op het laag gelegen noordelijke deel van het perceel en heeft momenteel een drooglegging van 0,8 meter. Geadviseerd wordt om het plangebied hier op te hogen met circa 50 centimeter om waterschade te vermijden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd worden. De afvalwaterhoeveelheid van 1 vrijstaande woning bedraagt circa 0,03 m 3/u. De afvoer kan derhalve naar verwachting op het bestaande stelsel aangesloten worden. Voor de aansluiting dient te zijner tijd een vergunning bij de gemeente Papendrecht aangevraagd te worden. Door de nieuwbouw neemt het verhard oppervlak toe. Het hemelwater wordt separaat gehouden. Op basis van het geldende gemeentelijk beleid gaat de voorkeur (in de mate van het mogelijke) uit naar 20 mm hemelwaterverwerking op eigen terrein. In onderstaande tabel is een overzicht van de huidige en toekomstige verharde oppervlakken op basis van de concepttekening opgenomen (zie ook figuur 2.1). Hierbij is tevens rekening gehouden met een verharde oprit. Tabel 4.4 Toekomstig verhard oppervlak

Uit de tabel is af te leiden dat door het voorgenomen bouwplan het verhard oppervlak toeneemt met circa 400 m2. Bij waterschap Rivierenland kan een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht verkregen worden. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Zo wordt voorkomen dat individuele

Hoofdstuk 4

39

bewoners moeten compenseren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, etc. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel noodzakelijk. Het waterschap adviseert om gezien de langgerektheid van het perceel om uit te gaan van een toekomstige verharding van 499 m2 in plaats van de bepaalde 400 m 2. Dit komt overeen met een maximale verharding van 65% van het perceel van ca. 760 m 2. De gemeente Papendrecht stelt tevens eisen bij een verhardingstoename (20 mm op eigen terrein). Conform het gemeentelijk beleid bedraagt de benodigde totale hemelwatercompensatie dan ca. 10,0 m3. Indien de initiatiefnemer in het verleden reeds een vrijstelling vanuit het waterschap verkregen heeft, dan dient er op het perceel meer water geborgen te worden. Gezien de huidig onverharde kavel is dit laatste naar verwachting niet van toepassing en dient dus een voorziening van ca. 10 m 3 op het perceel ingepast te worden. Vanwege de hoge grondwaterstanden in het noordelijke deel van het plangebied is het niet mogelijk om hemelwater ondergronds te bergen. Ter plaatse wordt dus bij voorkeur een bovengrondse hemelwaterretentie ingepast. Ter plaatse is voldoende ruimte aanwezig voor deze hemelwaterretentie.

Het type is afhankelijk van de eigen voorkeur en wens tot inrichting van het perceel. De eenvoudigste opzet is dat het hemelwater verwerkt wordt in een greppeltje op het perceel. Verder kan ook (de combinatie met) waterpasserende bestrating of groene parkeerplaatsen overwogen worden. De afmetingen van de voorziening zijn afhankelijk van de diepte en taludhelling. Bij boven normatieve buien zal de greppel overlopen en zal het water oppervlakkig naar het noordelijk gelegen oppervlaktewater afstromen (zoals bestaand). Er komt een afrit naar beneden (circa 45 meter) van circa 3 meter breed waarvan de helft uit grind bestaat en de andere helft (oprit naar boven) uit straatstenen. Waar niet gebouwd wordt, komen fruitbomen, kippenhok en gras. Ter plaatse is dus voldoende ruimte om het regenwater op te vangen. De lokale infiltratiesnelheid is niet bekend. Bij de aanleg van een absolute hemelwatervoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren of bodemverbetering toe te passen naar de zeer goed doorlatende ondergrond. Gezien de ligging wordt een (bovengrondse) noodoverlaat naar het noordelijke oppervlaktewater geadviseerd. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar een laagte of groen op eigen perceel en niet naar de omliggende bebouwing of percelen.

Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten is er geen (grond)wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Bij de verdere planuitwerking dienen de toekomstige DWA- en HWA-stelsels/voorzieningen concreet opgenomen te worden. Het definitief type hemelwatervoorziening is momenteel nog niet bepaald. Bij het definitieve bouwplan voorafgaand aan de omgevingsvergunning zal een herberekening plaatsvinden van het uiteindelijk aanwezig verhard oppervlak en de benodigde waterberging. Wanneer een bronnering noodzakelijk is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in of nabij een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd te worden middels het Omgevingsloket.

Hoofdstuk 4

40

4.11.3 Conclusie Rekening houdend met bovenstaande wordt verwacht dat er geen belemmering bestaat voor het plan vanuit het aspect ‘water’. Wel dient een aantal van de bovengenoemde zaken (toekomstige DWA- en HWA-stelsels/voorzieningen, definitief type hemelwater, uiteindelijke berekening verhard oppervlak en benodigde waterberging) nader uitgezocht en/of bepaald te worden. Ook dienen er geen uitlogende materialen gebruikt te worden en wordt in de regels geborgd dat niet meer dan 65% van het perceel verhard mag worden, om te voorkomen dat er alsnog wateroverlast bestaat. Deze 65% correspondeert met een toekomstige verharding van 499 m 2, zoals hierboven beschreven.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek De gemeente Papendrecht beschikt over een eigen Archeologische Verwachtingskaart en een Archeologische Beleidsadvieskaart. Op de Verwachtingskaart staat aangegeven wat de archeologische verwachting is voor het plangebied. Het plangebied is op de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht gelegen op twee verschillende beleidsgebieden.

Het noordelijke deel is gelegen in ‘Komgebied’ met een middelhoge verwachting, het zuidelijke deel is gelegen in ‘Middeleeuwse dijk’ met een middelhoge verwachting. Voor beide gebieden geldt een onderzoeksgrens bij verstoringen groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld.

Hoofdstuk 4

41

Figuur 4.3: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht

Aangezien het perceel circa 760 m 2 oppervlak beslaat, en de bestemming wordt gewijzigd van ‘tuin’ naar ‘wonen’, dient er rekening te worden gehouden met de planologische mogelijkheden. Desondanks dat de grondroeringen van onderhavige ontwikkeling de 500 m 2 niet zullen overschrijden wordt een archeologisch onderzoek wel noodzakelijk geacht door de gemeente. Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd door Aeres Milieu en is opgenomen in de bijlagen. De belangrijkste conclusies zijn onderstaand beschreven. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt duidelijk dat het plangebied in een dynamisch gebied ligt. In de ondergrond van het plangebied worden er afzettingen van het estuarium van de Oude Rijn en een gestapeld landschap verwacht. Het plangebied ligt op een middelhoge oeverwal, direct aan de huidige loop van de Rijn. De top van de afzettingen uit het Weichselien bevindt zich op circa 12 – 15 meter -NAP. Vanwege de diepe ligging is er geen tot onvoldoende informatie voorhanden over dit landschap. Op basis hiervan kan er geen nader gespecificeerde archeologische verwachting voor de periode laat-paleolithicum gegeven worden. Door de stijging van de relatieve zeespiegel werd de omgeving van het plangebied slecht bewoonbaar in het mesolithicum. Alleen op zandige oeverwallen van getijdengeulen kan sprake zijn geweest van gunstige bewoningsomstandigheden.

Echter wegens het ontbreken van informatie over de intactheid en bodemopbouw van dit landschap is kan hier ook geen nader gespecificeerde archeologische verwachting voor de periode gegeven worden. De omgeving van het plangebied bestond tijdens het laat-neolithicum en de bronstijd uit een veenlandschap. Dit landschap bestaat uit een nat milieu en vormt geen gunstige plek voor bewoning. Op basis hiervan geldt er een lage verwachting voor de periode neolithicum tot en met bronstijd. Ten westen en oosten van het plangebied ligt de stroomgordel van Papendrecht, die actief was van de ijzertijd tot in de Romeinse tijd. Het plangebied ligt naar verwachting in het komgebied van de stroomgordel van Papendrecht en is daarom minder geschikt voor bewoning. Op basis hiervan geldt er een lage verwachting voor de periode ijzertijd tot en met vroege middeleeuwen.

Hoofdstuk 4

42

Het plangebied ligt aan de bedijkte weg Oosteind en maakt deel uit van het historische bebouwingslint van Papendrecht-Oosteind. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dan ook dat een nagenoeg aaneengesloten bebouwingslint aanwezig is. Ook in het zuidelijke deel van het plangebied is begin 19e eeuw een woonhuis aanwezig. Gezien de ligging aan het historische bewoningslint is het goed mogelijk dat het woonhuis uit begin 19e eeuw verder in de tijd teruggaat of voorgangers heeft dat tot de (late) middeleeuwen teruggaat. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Verkennend veldonderzoek Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de natuurlijke afzettingen vooral zijn gevormd in een komgebied van de stroomgordel van Papendrecht. In het zuidelijk deel is de bodem tot op relatief grote diepte verstoord. Om deze redenen wordt de archeologische verwachting voor de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen was deze al laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Papendrecht), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. 4.12.3 Conclusie Vooralsnog wordt verwacht dat het aspect ‘archeologie’ niet voor belemmeringen zorgt. Het bevoegd gezag dient over het bovenstaande uitspraak te doen.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook zijn er geen overige waardevolle gebouwen aanwezig. De omgeving van het plangebied heeft met name een landschappelijke waarde. Nauw verwant hieraan zijn de cultuurhistorische waarden. Het overgrote deel van het dijklint is op de kaart van de provinciale Cultuurhistorische atlas aangeduid als een historisch landschappelijke lijn met hoge waarde. Het gedeelte van het dijklint ten oosten van de Merwedebrug is aangeduid als een nederzetting met hoge waarde.

In de Dijkvisie voor Papendrecht, op 12 december

Hoofdstuk 4

43

2013 vastgesteld door de gemeenteraad, zijn tien karakteristieken beschreven die als leidraad dienen bij verbouw en nieuwbouw op of aan het dijklint. De cultuurhistorische waarden worden in acht genomen bij de voorgestane ontwikkeling. Zie ook paragraaf 3.4. Dit gebeurt met name door het vastleggen van de locatie van de woning en het maximale bouwvolume. Er is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen waarbinnen het hoofdgebouw moet worden gebouwd en ook zijn de maximale gooten bouwhoogte geregeld. 4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.14 Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Volgens de Raad van State (uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bouw van één woning kan m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Concrete omstandigheid in dit geval is de ontwikkeling van één woning in een gebied dat grotendeels is ontwikkeld als woongebied. Daar komt bij dat er naast deze woning geen andere voorzieningen worden aangelegd. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied. Dit maakt dat de bouw van één woning aan het Oosteind te Papendrecht niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Conclusie De bouw van één woning aan het Oosteind in Papendrecht is, gelet op de omstandigheden in dit geval, niet te beschouwen is als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarom hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 4

44

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het voorontwerp bestemmingsplan ‘Dijklint’ van de gemeente Papendrecht. In onderstaande paragraaf zullen de regels nader worden uiteengezet.

5.3 Toelichting op de regels Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Hoofdstuk 5

45

Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan en overige regelgeving. Verkeer ‐ Verblijfsgebied Bij 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' gaat het om wegen en gebieden met verblijfsfunctie en erftoegangswegen. Ook parkeerplaatsen, speelvoorzieningen, fiets‐ en voetpaden en groenvoorzieningen worden met dit artikel mogelijk gemaakt. Op deze gronden mogen alleen kleine gebouwtjes ten behoeve van de bestemming (voorzieningen van openbaar nut) en andere bouwwerken worden gebouwd. Water Aan de noordzijde van het plangebied loopt een (heel klein) deel van de watergang. Aan deze gronden is de bestemming ‘water’ toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, bermen, taluds en kademuren en groenvoorzieningen.

Tevens is het toegestaan in deze bestemming om bruggen, duikers en andere waterhuishoudkundige voorzieningen te realiseren. De toegestane bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de waterbeheersing. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen. Onder voorwaarden is bij deze bestemming de uitoefening van aan huis gebonden beroepen, bedrijfsmatige activiteiten en webshops toegestaan. Voor de uitoefening van een bed & breakfast is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Binnen het plangebied is één vrijstaande woning toegestaan. Het hoofdgebouw moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken zijn buiten het bouwvlak toegestaan, met een maximale oppervlakte van 100 m 2. De maximale bouw- en goothoogte van de woning is op de verbeelding aangeduid. Erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 meter. Voor de voorgevelrooilijn mag de erfafscheiding niet hoger zijn dan 1 meter. Waarde ‐ Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Deze regels die binnen deze bestemming gelden, hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een inpassingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het

Hoofdstuk 5

46

opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel wordt ingegaan op bouwregels die algemeen gelden, zoals overschrijding van bouwgrenzen, boomgeleidingsconstructies en de bouwhoogte van andere bouwwerken met dak als daar in de bestemmingsregels niets over is vastgelegd. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Dit artikel bevat ook een regel over het parkeren. Algemene aanduidingsregels Het plangebied is gelegen binnen een ‘geluidzone – industrie’. Ter plaatse van deze geluidszone zijn alleen geluidgevoelige objecten als woningen toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning kan gelet op de conclusie in paragraaf 4.3.2 (industrielawaai) worden verleend, waarmee de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is gegarandeerd. Algemene afwijkingsregels Door middel van de 'Algemene afwijkingsregels' kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor onder andere geringe overschrijding van bepaalde bouwvoorschriften, bouwwerken van openbaar nut, straatmeubilair enzovoort. Deze bevoegdheid vergroot de flexibiliteit van het plan.

Overige regels In de 'Overige regels' is een verwijzing naar andere wettelijke regelingen opgenomen. Ook bevat dit artikel een voorrangsregeling voor de in het bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen. Tenslotte is een dynamische verwijzing opgenomen naar de Bomenverordening Papendrecht 2017. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

47

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a.

het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen c. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. Het kostenverhaal is geregeld via een anterieure overeenkomst.

Hoofdstuk 6

48

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is voorgedragen aan de vooroverlegpartners, te weten het waterschap Rivierenland, de provincie Zuid-Holland en de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Het waterschap gaf te kennen een wijziging op de verbeelding doorgevoerd te willen hebben en een maximaal verhardingspercentage opgenomen te willen hebben. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd. De veiligheidsregio heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in paragraaf 4.8 ‘Externe veiligheid’.

Ook de provincie heeft aangegeven akkoord te zijn, aangezien het plan niet in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beoordelingskader. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp bestemmingsplan vanaf 14 juli 2022 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld. 6.2.3 Beroep / hoger beroep Het bestemmingsplan wordt na vaststelling voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan beroep ingesteld worden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voorwaarde hiervoor is dat wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste (dit houdt in dat een appellant in een (hoger)beroepsprocedure alleen met succes een beroep kan doen op een norm, als deze norm bedoeld is om zijn of haar belangen te beschermen). Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 6

49

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologisch onderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Verkennend en nader bodemonderzoek Bijlage 6: Onderbouwing wateraspect Bijlage 7: Besluit college B&W

Regels

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/561/documents/9536