CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting.pdf

Commissie Ruimte Papendrecht 19 oktober 2022, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 11: Vaststelling bestemmingsplan Oosteind 72 te Papendrecht - Voorstel16.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Oosteind 72 te Papendrecht Gemeente Papendrecht Vastgesteld

Bestemmingsplan Oosteind 72 te Papendrecht Gemeente Papendrecht Vastgesteld

Rapportnummer:

P04347_7

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0590.BPOosteind72-3001

Datum:

5 september 2022

Opdrachtgever:

Particulier

Projectteam BRO:

WdR, LvK

Concept:

juni 2021

Voorontwerp:

oktober 2021, december 2021, maart 2022

Ontwerp:

juli 2022

Vaststelling:

3 november 2022

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend plan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 7

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

7 8 8

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

11 11 13 16 17

4.MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer en parkeren 4.3 Geluid

21 21 21 21

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Luchtkwaliteit

21 23 23 24

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Bedrijven en milieuzonering

24 24 24 25

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Geur agrarisch

25 25 26 26

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Externe veiligheid

26 27 27 27 27

Inhoudsopgave

1

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico 4.8.4 Conclusie 4.9 Natuur

27 28 30 31 31

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Bodem

31 32 34 34

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water

34 35 37 38

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie

38 39 41 41

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Cultuurhistorie

41 41 43 43

4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling

43 43 44 44

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Systematiek 5.3 Toelichting op de regels

45 45 45 45

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

48 48

6.1.1 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 49

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure 6.2.3 Beroep / hoger beroep

Inhoudsopgave

49 49 49

2

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologisch onderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Verkennend en nader bodemonderzoek Bijlage 6: Onderbouwing wateraspect Bijlage 7: Besluit college B&W

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens aan het Oosteind 72, op het kadastrale perceel C 2738, gelegen tussen Oosteind 74 en 70, één woning te realiseren. De bouw van de nieuwe woning is op basis van de geldende beheersverordening niet mogelijk. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingplan nodig. Hiervoor wordt een uitgebreide planologische procedure gevolgd.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel gelegen tussen Oosteind 70 en 74, kadastraal bekend als gemeente Papendrecht, sectie C, nummer 2738. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 760 m2. Het perceel ligt momenteel grotendeels braak, met uitzondering van 2 op het achterterrein gelegen lage bouwwerken. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een watergang aan de noordkant van de Tiendweg-Oost, aan de zuidzijde door het dijklint Oosteind en aan de oost- en westzijde door percelen met woon- en tuinbestemmingen. Aan de zuidzijde van de het dijklint ligt het bedrijventerrein Oosteind. In figuur 1.1 is de globale ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving weergegeven. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)

Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend plan Voor het plangebied geldt de Reparatie Beheersverordening Papendrecht, vastgesteld op 1 juli 2021. De gronden van het plangebied hebben binnen de beheersverordening de bestemming ‘Tuin - 1’, ‘Water’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. De bestemmingen ‘Water’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ worden middels onderhavig bestemmingsplan niet gewijzigd. Daarnaast zijn de gronden voorzien van de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ en deels van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor ‘Tuin – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor (volks)tuinen en hierop mogen enkel erfafscheidingen en bouwwerken passend binnen de aard van de bestemming gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 2 meter. De bouw van de woning is niet mogelijk binnen de bestemming ‘Tuin - 1’. Een uitsnede van de beheersverordening is afgebeeld in figuur 1.3.

Figuur 1.3 Uitsnede vigerende beheersverordening ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting bestaat uit een planbeschrijving met bijlagen waarin relevante onderzoeksresultaten zijn opgenomen. Uit de toelichting volgt daarbij dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’. Dit hoofdstuk gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en directe omgeving. Daarnaast worden de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt op een rij gezet. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond.

Vanuit de verschillende van invloed zijnde omgevingsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, past binnen een goed woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 760 m² en is in gebruik als tuin. Op het perceel staan twee lage bouwwerken/schuurtjes. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Tiendweg-Oost met noordelijk van de weg een A-watergang, aan de zuidzijde door het dijklint Oosteind en aan de oost- en westzijde door woningen. Ten zuiden van het dijklint Oosteind liggen de industrieterreinen De Staart (aan de overzijde van de rivier) en Oosteind. Het plangebied ligt aan een historische dijk. Het dijklint is hier ruim opgezet zodat het een landelijk karakter heeft. De maaiveldhoogte bedraagt ter plaatse van de weg Oosteind circa 3,8 meter +NAP en loopt af in de richting van de noordelijk gelegen Tiendweg Oost met een hoogte van ongeveer -1,4 meter NAP.

2.2 Toekomstige situatie De gewenste ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. De woning komt aan de dijk te liggen te liggen en is opgebouwd uit meerdere bouwlagen met kap. Het hoofdvolume is gelegen ter hoogte van het dijklint. De gemeente Papendrecht heeft aangegeven dat het landelijke karakter van het dijklint behouden moet blijven. Het dijklint is hier ruimer opgezet dan in de buurt van het centrum van Papendrecht, zodat het een landelijk karakter heeft. Dat betekent dat bij de bouw van een woning genoeg ruimte moet blijven voor groen, dat zowel vanaf de dijk als vanaf de Tiendweg Oost beleefbaar is. Dit is meegenomen in het ontwerp. Binnen de Dijkvisie Papendrecht is een belangrijk criterium dat een dijkhuis aan de dijk staat, op kruinhoogte van de dijk, en reageert op het hoogteverschil. Dit criterium is meegenomen in het ontwerp. Voor woningen aan de dijk geldt dat ze een eenvoudige rechthoekige plattegrond hebben en een eenduidige hoofdmassa. Dit is het geval. Verder is vertikaliteit in de gevels belangrijk en materialisatie die past bij een dijk- of schuurhuis. Deze elementen zijn duidelijk aanwezig, zoals te zien in figuur 2.2. Daarbij is het plan op bovenstaande punten ook stedenbouwkundig akkoord bevonden. In figuur 2.1 is de verkaveling weergegeven.

Hierin is zowel de bebouwing als overige toekomstige verharding (terras, paden, en dergelijke) weergegeven. Ter plaatse van de parkeerplaatsen kan gekozen worden voor halfverharding (bijvoorbeeld grind) om het verhard oppervlak te beperken.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.1: Verkaveling

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.2: Verkaveling en gevelaanzichten Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012, staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. De 13 nationale belangen zijn: 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. In dit kader blijft het Rijk gebiedsgerichte afspraken maken met de stedelijke regio's over de programmering van verstedelijking (woningbouw), zowel kwantitatief als kwalitatief. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor duurzame energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4.

Efficiënt gebruik van de ondergrond. De bodemgesteldheid en (grond)water zijn van grote invloed op de eisen aan bovengrondse functies. Daarom doet het Rijk richtinggevende uitspraken over de gebruiksmogelijkheden van een beperkt aantal locaties. 5. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen. 7. Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen. 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten 12. Ruimte voor militaire activiteiten. 13. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Doorwerking plangebied Het toestaan van de woning op een locatie binnen de kern heeft geen nationaal belang en het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

11

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied.

In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een tweetal opeenvolgende treden (de “ladder voor duurzame verstedelijking”): 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten; 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 1, blijkt dat sprake is van een behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.

Hoofdstuk 3

12

Doorwerking plangebied Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van één woning mogelijk en wordt daarmee niet beschouwd als stedelijke ontwikkeling waarvoor de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden doorlopen. Derhalve worden vanuit het rijksbeleid geen belemmeringen voorzien ten aanzien van de planvorming.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 april 2019 is het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland in werking getreden. Het omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie Zuid-Holland (vastgesteld 20 februari 2019, in werking per 20 april 2019) Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen:  een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur;  de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing;  een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;  de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke hoofdstructuur In de ruimtelijke hoofdstructuur is het plangebied gelegen in de stedelijke agglomeratie Drechtsteden. Voor dit gebied streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied ligt tevens binnen de hoogstedelijke zone rond de lijn Leiden – Dordrecht, die zich kenmerkt door een goede connectiviteit, hoogwaardige stedelijke voorzieningen en een internationaal onderscheidende kennisinfrastructuur van universiteiten, kennis- en onderzoeksinstellingen en science parken.

Hoofdstuk 3

13

Ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving:  naar een klimaatbestendige delta;  naar een nieuwe economie: the next level;  naar een levendige meerkernige metropool;  energievernieuwing;  best bereikbare provincie;  gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Beschrijving van de Omgevingskwaliteit van Zuid-Holland Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ verstaat de provincie 'het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepaalt. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.  Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.  Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks.

De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Beleidskeuzes De provincie heeft twaalf provinciale ’Opgaven Omgevingskwaliteit’ gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening.

Hoofdstuk 3

14

Voor Wonen is de opgave het 'Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen'. Deze opgave is erop gericht dat de woonbehoeften van verschillende doelgroepen kunnen worden gerealiseerd, zowel wat betreft de beschikbaarheid van passende woningen als de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan o.a. over 'Verstedelijking en wonen". Beleidskeuze provincie: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stadsen dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland.

Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Voor een Zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied is de opgave de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan onder meer over ‘Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied’. Beleidskeuze provincie: In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder.

Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies, voor in ieder geval wonen en kantoren, af met andere gemeenten in de regio. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. De provincie laat die keus aan hen. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken.

Hoofdstuk 3

15

Doorwerking plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling wordt één woning ingepast in bestaand stedelijk gebied. De woning past in schaal en aard binnen de bebouwing van het dijklint. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarom bij aan de opgaven voor wonen en een zorgvuldig ruimtegebruik.

3.3 Regionaal beleid Woonvisie 2017‐2031 'Goed wonen in de Drechtsteden: Eind 2017 is de regionale Woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden vastgesteld. In deze visie worden op grond van verschillende onderzoeken de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgaven benoemd. De Drechtstedengemeenten hebben in de regionale woonvisie twintig afspraken gemaakt. In hoofdlijn gaat het om de volgende uitgangspunten:  we bouwen 10.000 woningen voor de autonome huishoudensgroei;  we bouwen 15.000 woningen voor de groeiopgave;  we zetten in op de groei van het duurdere segment;  we kiezen voor de sociale huurwoningvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid;  we ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren;  we realiseren onderscheidende woonmilieus;  in 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal;  we werken samen met betrokken partners aan het duurzaam huisvesten van kwetsbare huishoudens. Papendrechts woonplan 2020-2030, vastgesteld op 11 juli 2019: Met het Papendrechts woonplan 2020-2030 geeft Papendrecht uitvoering aan de Regionale woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden en daarmee ook aan de Groeiagenda – goed leven in de Drechtsteden.

Hiervoor zijn de volgende strategische uitgangspunten gekozen:  wij realiseren voldoende woningen om de autonome huishoudensgroei op te kunnen vangen;  wij realiseren woningen om een bijdrage te leveren aan de regionale groeiagenda;  toevoeging van de woningvoorraad vindt vooral plaats in het duurdere segment;  het nieuwbouwprogramma stimuleert doorstroming, zodat in de bestaande woningvoorraad woningen vrijkomen voor starters, huishoudens met een laag inkomen en beginnende doorstromers;  wij staan open voor experimentele bouwinitiatieven voor starters en bijzondere woonvragen. De experimenten zijn beperkt in opzet en ruimtebeslag;  initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoningvoorraad ondersteunen wij actief;  nieuwe woningen zijn duurzaam en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving;  wij streven naar duurzame huisvesting van kwetsbare groepen;  wij houden de leefbaarheid in de Papendrechtse wijken op peil en zullen deze waar mogelijk verbeteren. Doorwerking plangebied Met de voorgestane ontwikkeling wordt één woning aan de dijk gerealiseerd. Het gaat hier om een woning in een onderscheidend woonmilieu. Daarnaast krijgt de woning een karakteristiek exterieur, wat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Hoofdstuk 3

16

3.4 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Papendrecht De Omgevingsvisie Papendrecht, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2021, beschrijft strategische ambities en doelen voor de leefomgeving voor de lange termijn en dient daarmee als kapstok voor beleidsdocumenten, programma’s en projecten in de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 2 Identiteit van Papendrecht wordt de ligging aan de rivier als kernkwaliteit benoemd. Papendrecht is van oorsprong ontstaan als dijkdorp met bebouwing langs het water. Vandaag de dag is het historische dijklint nog steeds zichtbaar. Het functioneert als cultuurhistorische ruggengraat en is een belangrijk beeldbepalend element voor Papendrecht. In hoofdstuk 3 kiest de gemeente voor een duurzame koers, een gemeente die investeert in een gezonde en veilige leefomgeving met oog voor de benodigde klimaatadaptatie en energietransitie. Klimaatadaptatie biedt kansen om de leefomgeving te verbeteren, de betrokkenheid van de Papendrechters bij hun leefomgeving te vergroten, de biodiversiteit en ecologie te versterken en de waterbeleving te vergroten. De gemeente wil daarin het voorbeeld geven en inwoners en bedrijven ertoe aanzetten om aanwezige verharding in tuinen en op dakvlakken zo veel mogelijk om te zetten naar groen en water, het liefst in combinatie met zonnepanelen en zonnecollectoren.

Dat zorgt voor een hoger waterbergend vermogen, het draagt bij aan de hittevermindering bij extreem warm weer en biedt kansen voor het vergroten van de biodiversiteit. Hemelwater moet bij voorkeur worden verwerkt op de plek waar het valt. Ook is een kwalitatief en duurzaam afvalwatersysteem van belang. Bij renovatie en nieuwbouw wil de gemeente meer rekening houden met het vergroten van de natuurwaarden in woon- en werkgebieden. Denk hierbij aan neststenen en -kasten voor vogels en vleesmuizen, insectenhotels, groene daken en gevels, bloemrijke boomspiegels, ecologische oevers en groene kademuren. Hoofdstuk 4 'Prettig wonen' beschrijft de ontwikkeling van de woningvoorraad: 'In de nabije toekomst (2030) wordt er voor Papendrecht een bevolkingskrimp verwacht. Tegelijkertijd daalt de gemiddelde woningbezetting, waardoor er ondanks de krimp woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Naar verwachting zullen er voor 2030 minimaal 460 woningen moeten worden gebouwd. Daarbovenop willen we in het kader van de regionale Groeiagenda voor 2030 200 extra woningen bouwen om bij te dragen aan de versterking van sociaaleconomische positie van de Drechtsteden. Deze bijdrage kan ook de omvang van de verwachte bevolkingskrimp dempen.

Nieuwbouwlocaties zoeken we binnen de bestaande grenzen van Papendrecht.' Hoofdstuk 6 'Sterke verblijfskwaliteit' zegt over herontwikkelingen aan de dijk: ‘Bij toekomstige (her)ontwikkelingen van de dijk kiezen we daarom bewust voor het behouden, versterken en vernieuwen van de ruimtelijke kwaliteit langs de dijken en oevers zodat de rivier en het dijklint beter beleefbaar, herkenbaar en bereikbaar worden. Bij vernieuwing is de randvoorwaarde dat deze past binnen het historische karakter van het dijklint'. De Omgevingsvisie krijgt een vertaling naar het omgevingsplan. Hiertoe bevat hoofdstuk 8.2 'Activiteitenoverzicht' concrete activiteiten met het oog op de verblijfskwaliteit, economische vitaliteit, infrastructuur, milieubelastende activiteiten en bouwen, slopen en aanleg in en van de fysieke leefomgeving. Elke activiteit bevat een korte toelichting en een richtinggevende uitspraak voor het omgevingsplan. Hoofdstuk 8.7 bevat een richtinggevende uitspraak over Bouwen in het dijklint: 'Om het dijklint te ontwikkelen in lijn met de Dijkvisie, is een vertaling hiervan naar het omgevingsplan nodig, gecombineerd

Hoofdstuk 3

17

met een actualisering van het Welstandsbeleid. We stimuleren huidige eigenaren van het dijklint om kwalitatieve verbeteringen te realiseren.' Doorwerking plangebied Met de voorgestane ontwikkeling wordt één woning in een rustige groene omgeving mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling voegt zich in de landschappelijke structuur van de Tiendzone en het dijklint Oosteind. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de omgevingsvisie Papendrecht. Dijkvisie Papendrecht De dijkvisie voor Papendrecht is op 12 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De visie is opgesteld voor het behoud van het dijklint. Daartoe zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:  Papendrecht is een dijkdorp, de dijk is een bebouwd lint;  het dijklint wordt gekenmerkt door variatie;  de dijk is een woon‐ en werkgebied;  aan het dijklint moeten echte dijkwoningen worden gebouwd. Wel is een eigentijdse vertaling mogelijk van de dijkkarakteristiek;  het dijklint is het visitekaartje van Papendrecht: herkenbaar als dijk en doorgaand lint;  het dijklint heeft een informele verkeersfunctie;  het dijklint verbindt Papendrecht met de rivier;  het dijklint is beleefbaar als historisch landschap in de gemeente. In de dijkvisie zijn deze punten vertaald in een visie op de openbare ruimte en op de bebouwing aan het dijklint.

Voor de bebouwing zijn tien karakteristieken beschreven die als leidraad dienen bij verbouw en nieuwbouw op of aan het dijklint. Zie ook onderstaande figuur.

Figuur 3.1. Tien karakteristieken op het dijklint

Hoofdstuk 3

18

Doorwerking plangebied Het ontwerp voldoet aan de criteria zoals opgenomen in de Dijkvisie Papendrecht. Hieronder worden de criteria en de invulling hiervan in het ontwerp toegelicht: 1) Het dijkhuis reageert op het hoogteverschil; Het hoofdgebouw komt te bestaan uit een dijkhuis met een tweelaags volume met dwarskap aan de achterkant, hetgeen een ruimtelijk onderscheid tussen woning en aanbouw betreft. 2) De gevel is verticaal ingedeeld; De gevels zijn traditioneel ontworpen en sluiten aan bij de karakteristiek van het dijklint. Daarbij is de woonruimte op de dijk georiënteerd. 3) Het dijkprofiel is altijd herkenbaar; Het dijkprofiel blijft zichtbaar. 4) Ieder pand is anders; Het nieuw te realiseren pand is vrijstaand en pandsgewijs ontwikkeld. Het ontwerp voldoet. 5) Tussen de bebouwing zijn doorkijkjes; Er wordt rekening gehouden met het behouden van doorkijkjes naar het achterland. Het ontwerp voldoet aan dit criterium. 6) De voorgevelrooilijnen verspringen; Voldoet. 7) Bebouwing aan de dijk is kleinschalig; Door de ruimtelijke opdeling van het pand in volumes oogt het pand kleinschalig. 8) Aan de dijk wordt gewoond en gewerkt; Het pand zal in gebruik worden genomen als woning. 9) (Groene) erfinrichting draagt bij aan een landschappelijk dijklint; Er is voldoende ruimte voor een groene erfinrichting ter plaatse van de ontwikkeling.

Het achtererf wordt voorzien van plek voor parkeren, waardoor dit ruimte vrijhoudt op het dijklint. 10) Stoepen en stegen zijn de basis voor uitbreidingen; Niet van toepassing. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Dijkvisie Papendrecht. Welstandsnota Papendrecht 2012 De welstandnota Papendrecht 2012 omschrijft het toe te passen kader voor de welstandstoets bij bouwplannen. Volgens de Woningwet moet een plan voldoen aan redelijke eisen van welstand, aan algemene welstandscriteria. Deze eisen gelden voor het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. Zo zijn bouwdelen in het zicht belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. De gemeente hanteert beoordelingskaders, waarin deze aspecten zijn verwerkt. Daarbij wordt onder meer de invloed van een plan op het straatbeeld en het aanzien van de gemeente als geheel gewogen. Voor een dakkapel aan de achterkant van een woningrij gelden heel andere criteria dan voor een ingrijpende verbouwing van een monumentale kerk of een nieuw te bouwen winkel in het centrum. Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente worden er meer aspecten betrokken bij de beoordeling en wordt er zorgvuldiger gewogen.

Hoofdstuk 3

19

Doorwerking plangebied Voor het plangebied gelden de beoordelingskaders ‘Landelijk dijklint’. Het landelijke dijklint is een bijzonder welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het lint en het bewaren van de eenvoud in de hoofdmassa’s en het kleurgebruik. De beoordelingskaders worden in acht genomen met onderhavig bestemmingsplan. Toetsing aan deze kaders heeft reeds plaatsgevonden. De welstandscommissie is in principe akkoord met de hoofdopzet van het bouwplan. Stedelijk Waterplan 2007-2015 De gemeente Papendrecht en het waterschap Rivierenland hebben samen het Waterplan Papendrecht opgesteld. Dit plan vormt de basis voor het Stedelijk Waterplan 2007-2015 dat op 10 december 2009 door de raad is vastgesteld. In het Waterplan is de stedelijke wateropgave als volgt benoemd: 'Het watersysteem voldoet aan de norm voor wateroverlast. Bij extreme neerslagsituaties (een keer in de 100 jaar) en rekening houdend met toekomstige klimaatontwikkelingen (10% extra neerslag) treedt geen peilstijging boven het maaiveld op. Bij uitbreiding van verhard oppervlak wordt compenserende waterberging gerealiseerd. Bij grotere plannen gebeurt dit bij voorkeur binnen het plan zelf.

Bij kleinere plannen gaat de voorkeur uit naar uitbreiding van het watersysteem, aansluitend aan het bestaande watersysteem, al dan niet in combinatie met andere (compensatie) projecten. De gemeente coördineert de gezamenlijke uitbreiding van het watersysteem. Met behulp van een hydraulisch watersysteemmodel is het watersysteem van Papendrecht getoetst aan de normen die Waterschap Rivierenland aan het watersysteem stelt. Er zijn berekeningen uitgevoerd voor normale en extreme weersomstandigheden (1x per 10 jaar en 1x per 100 jaar). Hierbij is aangenomen dat door klimaatveranderingen de buien 10% meer neerslag brengen als in de huidige situatie.' Doorwerking plangebied In paragraaf 4.11 wordt een onderbouwing gegeven van het wateraspect.

Hoofdstuk 3

20

4.

MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of er sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat en hiermee of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.2 Verkeer en parkeren Verkeer Het perceel mag slechts één inrit hebben. Deze zal logischerwijs aan het Oosteind komen te liggen gezien hier de woning zelf aan zal liggen. Daarbij kan het Oosteind de belasting ook makkelijker verwerken dan de Tiendweg-Oost, gelegen aan de achterzijde van het perceel. Gezien de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen dat door de realisatie van één woning ontstaat, zijn er voor wat betreft verkeer geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Parkeren De gemeente Papendrecht heeft een parkeernormennota vastgesteld (d.d. 6 februari 2018) waarin is vastgelegd dat het een ‘sterk stedelijke’ gemeente betreft en dat de locatie in het gebied ‘rest bebouwde kom’ is gelegen. Op basis van deze gegevens geldt er een parkeernorm van 1,7 – 2,5 parkeerplaatsen voor onderhavige ontwikkeling. In de regels is een dynamische verwijzing opgenomen waardoor het voldoen aan het parkeerbeleid verplicht wordt gesteld.

4.3 Geluid 4.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

Hoofdstuk 4

21

Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 4.2: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffingswaarde

Artikel

Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Industrielawaai Zonering van een industrieterrein volgens de Wet geluidhinder is het ruimtelijke scheiden van (grote) lawaaimakers en geluidsgevoelige objecten. Deze scheiding ontstaat door het vaststellen van een zone rondom het industrieterrein waarin het toelaten van geluidsgevoelige objecten enkel onder voorwaarden mogelijk is. In onderdeel D van Bijlage I Bor is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Volgens art. 40 Wgh moet tegelijk met het ontstaan van een industrieterrein een zone rond het industrieterrein vastgelegd worden. Daarbij geldt volgens hetzelfde art. 40 Wgh (en art. 53 voor bestaande zones) dat buiten de zone de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Buiten de zone gelden er geen beperkingen voor (geluidsgevoelige) bestemmingen. Binnen de zone zijn er wel beperkingen voor het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen. Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Door een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen. Deze verhoging is

Hoofdstuk 4

22

mogelijk tot een maximale ontheffingswaarde. Deze maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie (zoals nieuwe of bestaande woningen). 4.3.2 Onderzoek Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai is door Kragten uitgevoerd in verband met het nieuwbouwplan op de locatie Oosteind 72 te Papendrecht. Voor het gehele onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. De belangrijkste conclusies worden hieronder toegelicht. In het kader van de te doorlopen ruimtelijke procedure is conform het gestelde in de Wet geluidhinder een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. Wet geluidhinder Uit de rekenresultaten volgt dat de voorkeurswaarde (48 dB) voor het wegverkeerslawaai uit de Wet geluidhinder niet wordt overschreden. Uit de rekenresultaten volgt dat de voorkeurswaarde (50 dB(A)) voor industrielawaai uit de Wet geluidhinder voor de industrieterreinen De Staart en Oosteind wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde (55 dB(A)) wordt gerespecteerd.

Geluidbeleid gemeente Papendrecht Nieuwbouw is alleen mogelijk indien door het bevoegd gezag, de gemeente Papendrecht, hogere grenswaarden vastgesteld worden voor de gezoneerde industrieterreinen De Staart en Oosteind. Op grond van het gemeentelijk geluidbeleid kan een onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te verminderen voor kleinschalige ontwikkelingssituaties achterwege blijven. De beoogde ontwikkeling van één woning valt daardoor onder ‘kleinschalig’. Bij kleinschalige ontwikkellocaties met een cumulatieve geluidbelasting LCUM* hoger dan of gelijk aan 54 dB en ten hoogste 64 dB, waarvan in deze situatie sprake is (LCUM* bedraagt maximaal 58 dB), stelt de gemeente alleen hogere waarden vast indien een geluidluwe gevel aanwezig is. In onderhavige situatie beschikt de woning over een geluidluwe gevel. Ook bij de toetsing aan de grenswaarden binnen de geluidgevoelige bestemmingen op grond van het Bouwbesluit is de cumulatieve geluidbelasting het uitgangspunt. De grenswaarde voor het geluidniveau binnen de woning bedraagt 33 dB. Uitgaande van de minimaal vereiste geluidwering van de gevel van 20 dB dient voor de geveldelen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel te worden uitgevoerd om aan te tonen dat wordt voldaan aan het vereiste binnenniveau.

4.3.3 Conclusie Een hogere waardenprocedure is separaat doorlopen. Tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan is een ontwerp besluit hogere waarden ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingebracht over dit ontwerp besluit, zodat het besluit hogere waarden ongewijzigd is vastgesteld. Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Hoofdstuk 4

23

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.4.2 Onderzoek Regeling NIBM De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling (één woning) valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). De onderhavige ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling. Achtergrondconcentraties Om te bepalen of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit, kan gekeken worden naar de achtergrondconcentraties van stikstof en fijnstof met behulp van de NSL-monitoringstool. Uit de tool kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde toetspunten (aan de Ketelweg te Papendrecht) de concentratie NO 2 neerkomt op circa 22-23 ug/m³ en de concentratie PM10 op circa 20-21 ug/m³. Hiermee liggen de waarden dan ook ruim onder de gestelde normen (beide 40 ug/m³).

De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de gewenste woning. 4.4.3 Conclusie Wat betreft de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte initiatief.

Hoofdstuk 4

24

4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Invloed omgeving op initiatief De percelen aan de oost-, west- en noordzijde van het plangebied hebben de bestemming ‘Wonen – 2’. Op basis van deze bestemming zijn aan huis verbonden beroepen (inclusief webshops) toegestaan. Op het perceel direct ten westen van het plangebied bevindt zich het bedrijf ‘East End Engineering’.

Dit is een ingenieursbedrijf in technisch advies en ontwerp. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de exacte werkzaamheden van dit bedrijf (d.d. 8 juni 2022) door een toezichthouder van de gemeente Papendrecht. Tijdens dit bezoek is geconstateerd dat er binnen het bedrijf printplaten worden gemaakt en dat er zaag- en soldeerwerkzaamheden worden verricht. Er is geconstateerd dat geen sprake is van geur- en geluidhinder. Indien er wel hinder wordt ervaren door de omgeving kan de eigenaar van het bedrijf eenvoudig fysieke aanpassingen maken (het verplaatsen van de afzuiginstallatie) om deze hinder te elimineren. Het woon- en leefklimaat op het perceel Oosteind 72 kan als aanvaardbaar worden geacht. 1

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

25

Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein ‘Oosteind’. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone m.b.t. industrielawaai van dit bedrijventerrein. Om aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen is dan ook een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Hiervoor verwijzen we naar paragraaf 4.3. Daarnaast is ook het aspect ‘geur agrarisch’ en ‘gevaar’ beschouwd. Hiervoor wordt respectievelijk verwezen naar paragraaf 4.6 en 4.8. Tot slot dient het aspect ‘geur industrie’ te worden beschouwd. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Oosteind’ zijn direct ten zuiden van het plangebied categorie 2 bedrijven toegestaan. Aangezien ter plaatse van de planlocatie sprake is van een gemengd gebied kan een richtafstand van 10 meter worden aangehouden. Het plangebied ligt op circa 9 meter van het bedrijventerrein. Gelet op het (bijna) voldoen aan de richtafstand kan worden gesteld dat een goed woon- en leefklimaat voldoende is verzekerd. Dit ook gezien er andere woningen op dezelfde afstand van het bedrijventerrein liggen. Bedrijven op het terrein dienen ook rekening te houden met deze woningen. Invloed initiatief op omgeving Met dit initiatief wordt één woning mogelijk gemaakt.

Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies en hebben daarom ook geen milieucategorie of aan te houden richtafstand. Het initiatief heeft dan ook geen invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies in de omgeving. De realisatie van woningen kan daarnaast zorgen voor beperkingen van de bedrijfsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving. In dit geval bevindt deze bedrijvigheid zich aan de zuidzijde van het plangebied. Er is onderzoek gedaan naar industrielawaai (zie paragraaf 4.3). De bedrijven aan de Oosteind behoren ook tot het gezoneerde bedrijventerrein. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Geur agrarisch 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

Hoofdstuk 4

26

4.6.2 Onderzoek In en nabij het plangebied bevinden zich geen belemmerende veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geurbelastende werking. Dit onderdeel is dan ook niet van belang. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologisch relevant zijn. Er zijn uit dit oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisering van de woning.

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio.

Hoofdstuk 4

27

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.8.2 Onderzoek Eventuele externe veiligheidsrisico’s kunnen worden achterhaald met behulp van de Risicokaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied en haar omgeving zijn opgenomen in figuur 4.1.

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied in paars

Binnen het plangebied worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Woningen zijn kwetsbare objecten waardoor getoetst is aan het Bevi, het Bevb en het Bevt. In de directe omgeving van het plangebied komen meerdere risicobronnen voor. Het gaat om:  transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A15;  transport van gevaarlijke stoffen over de N3 (A15 – Burg. Keijzerweg);  transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede;  transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Betuweroute;  aardgastransportleidingen;  LPG-tankstation De Ketel, Ketelweg 91;  BEVI-inrichting Du Pont de Nemours BV, Baanhoekweg 22;  enkele niet-BEVI-inrichtingen, Rietgorsweg 1 en Baanhoek 186.

Hoofdstuk 4

28

Transport van gevaarlijke stoffen over de A15 en N3 Het plangebied is gelegen op een afstand van ruim 600 meter van de A15 en op ruim 1 kilometer van de N3. Over de A15 en N3 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A15 heeft ter hoogte van het plangebied een veiligheidszone van 46 meter, gemeten vanaf het midden van de weg en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de buitenste rijstrook. Deze contouren reiken niet tot het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de A15 en de N3, behoeft het groepsrisico op basis van het Bevt niet berekend te worden. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische gassen. Er dient in de verantwoording van het groepsrisico een beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. Transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede Over de Beneden Merwede, gelegen op ten minste 650 meter van het plangebied, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Basisnet Water is de Beneden Merwede een zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartweg). Voor deze classificatie geldt dat de PR 10-6 contour niet verder reikt dan de oever en dat een groepsrisicoberekening alleen benodigd is indien sprake is van hoge personendichtheden (meer dan 1.500 personen per hectare).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/556/documents/9451