A24. 20241209 VNG ledenbrief Nieuw model Verordening Jeugdhulp.pdf
Tekst van het document
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
15/22
Eerste lid: Het eerste lid bevat een informatieplicht van het college. Daarmee wordt beoogd om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Hoe zorgvuldiger wordt omgegaan met deze plicht, des te eenvoudiger is het om daar in een later stadium (van misbruik of oneigenlijk gebruik) de jeugdige of ouder op aan te spreken. Goed foldermateriaal en een website die up-to-date zijn kunnen hier, naast voorlichting tijdens het gesprek, een goede bijdrage aan leveren. Uiteraard is het ook belangrijk dat de besluiten leesbaar zijn en duidelijk aangeven wat de rechten en plichten zijn van de jeugdige en zijn ouders danwel wettelijk vertegenwoordiger. Artikel 23. Niet meewerken ouder(s) Dit facultatief op te nemen artikel geeft het college de bevoegdheid om de verstrekking van een individuele voorziening te heroverwegen als ouders niet rneewerken aan de ingezette jeugdhulp of een onderzoek daarnaar. In die situatie kan de jeugdhulp niet (langer) doelmatig worden ingezet. Betoogd kan worden dat de voorziening in die situatie niet effectief is. Bij deze bepaling geldt het voorbehoud dat deze niet door de rechter is getoetst. Artikel 24.
Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering Tweede lid, onderdeel g: Hier moet het aantal weken wordert ingevuld dat een jeugdige maximaal in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw kan verblijven zonder aanspraak op een pgb te verliezen. Derde en vierde lid: Hier dient de termijn nog ingevuld te worden. Hierbij dient rekenschap gegeven te worden van het feit dat het een 'kan-bepaling' is. Het college is dus niet verplicht om na het verlopen van de termijn de beslissing tot verlening van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb in te trekken. Het college kan desgewenst het hierbij te hanteren afwegingskader neerleggen in een beleidsregel. Hierin kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de situatie dat een pgb is verstrekt dat niet binnen de gestelde termijn is aangewend door overmacht. Het ligt voor de hand dat in beide onderdelen dezelfde periode wordt bepaald. Als voorbeeld wordt gegeven een periode van zes maanden. Viifde lid: Er wordt in het vijfde lid een terugvorderingsgrondslag toegevoegd. Deze grondslag is (anders dan Wmo 2015) niet opgenomen in de wet zelf.
Dit maakt het van belang om deze grondslag op te nemen de verordening.24 Zevende lid: Uit artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet volgt dat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) een betaling uit het pgb geheel of gedeeltelijk kan beëindigen, weigeren of opschorten als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, van de wet, de SVB daarom verzoekt. Met overname van dit artikel wordt deze mogelijkheid verwezenlijkt. Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb's Eerste lid: Anders dan de Wmo 2015 bevat de wet geen bepaling over de aanwijzing van toezichthouders. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de toelichting bij de Nota van Wijziging bijvoorbeeld de
24
CRvB 20 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:223.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
16/22
medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd.25 Deze grondslag wordt in de verordening gecreëerd. Tweede lid: Er wordt onderscheid gemaakt tussen een recht- en doelmatigheidsonderzoek naar zorg in natura en pgb's. Onderzoek naar de recht- en doelmatigheid van een individuele voorziening moet binnen de kaders van paragraaf 6a en paragraaf 6b Regeling Jeugdwet plaatsvinden. Dit specifieke kader geldt niet direct voor recht- en doelmatigheidsonderzoeken van pgb's. Om die reden wordt in het tweede lid het onderzoek naar de recht- en doelmatigheid van individuele voorzieningen afzonderlijk geregeld. Derde lid: Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Door opname van artikel 25, derde lid wordt een extra instrument gecreëerd om hier goed naar te kunnen kijken.
Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb's worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.26 Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Deze bepaling bevat diverse overige maatregelen die het college — in aanvulling op de hiervoor geregelde bevoegdheden — kan nemen ter voorkomen van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik. Derde lid: Gemeenten kunnen ervoor kiezen een meldpunt in te richten waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld. Gemeenteraden kunnen in de verordening de colleges opdracht geven om dit meldpunt in te richten. Het facultatieve derde lid voorziet hier in. HOOFDSTUK 7.
AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Algemeen In dit hoofdstuk worden in de verordening zoveel als mogelijk uitgangspunten geformuleerd voor een afbakening van de verplichtingen van de gemeenten op grond van de wet ten opzichte van aanspraken van jeugdigen en hun ouders op grond van andere wet- en regelgeving. Deze uitgangspunten sluiten aan op de afbakening die is opgenomen in de wet zelf (artikel 1.2, van de wet). Als de verordening méér omvat dan op basis van de wet noodzakelijk is, creëert de gemeente daarmee voorzieningen die voorbijgaan aan de hier beschreven wettelijke afbakening. Bij wijze van voorbeeld: als de gemeente in haar verordening opneemt dat zij per definitie hulphonden als voorziening inzet, waarvan nu nog niet zeker is dat deze ook werkelijk een voorziening jeugdhulp kUnnen zijn, dan creëert zij die voorziening zelf en kunnen jeugdigen er aanspraak op maken als zij voldoen aan in de verordening genoemde voorwaarden.
25 26
Kamerstukken II, 2013/14, 33 684, nr. 11, p17. CRvB 24 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:448.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
17/22
Artikel 27. Voorliggende voorzieningen Dit artikel bevat een algemene afbakeningsbepaling die regelt dat er geen aanspraak bestaat op jeugdhulp als er voorliggende voorzieningen zijn op basis van de Wlz, Zorgverzekeringswet, Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen, Wmo 2015 of andere wettelijke bepalingen. Het artikel sluit aan bij artikel 1.2, van de wet. Vierde lid: In het vierde, facultatieve lid wordt de optie meegegeven dat bij een verwijzing naar de Wlz cliëntondersteuning wordt ingeschakeld. Deze cliëntondersteuner kan ouders ondersteunen in het acceptatieproces dat ouders vaak doormaken. Een aanvraag Wlz confronteert hen met het idee dat er (mogelijk) geen ontwikkeling meer verwacht wordt.27 Dit is een beleidsmatige keuze van de raad. Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning De verordening Jeugdwet moet - op grond van artikel 2.9 (aanhef en onder b) van de wet — ook regelen op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
De opdracht aan het college om voor die afstemming zorg te dragen en de normen waaraan uitvoering van die opdracht moet voldoen staan beschreven in artikel 28 van de modelverordening.28 Artikel 28 van de modelverordening voorziet daartoe in een afstemmingsbepaling, die beoogt te voorkomen dat jeugdigen in een gat vallen als en voor zover aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. De gemeente moet dit voorkomen door ondersteuning te bieden aan de jeugdige en diens ouder(s) met het oog op het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) en/of bij behoud van de continuiteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Op grond van artikel 2.11, tweede lid, van de wet moeten gemeenten, met het oog op gevallen waarin de uitvoering van de wet ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door aanbieders gebeurt, bij verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel ofjeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.
Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Tevens moeten de gemeenten zich bij de inkoop van de hulp ervan vergewissen dat de instelling in staat is om de hulpverlening conform de wettelijke kwaliteitseisen uit te voeren. Een kostendekkende prijs is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. Het is aan gemeenten en instellingen om daar met elkaar afspraken over te maken, zodat instellingen in staat zijn op duurzame wijze hulp van goede kwaliteit te leveren.
27 'Beleidsnotitie: Visie en aanbevelingen over reikwijdte Jeugdwet en begrenzing inzet gespecialiseerde jeugdhulp in Noordoost Brabant', versie 8 december 2020, Regionaal Beleidsteam Jeugdhulp, Regio Noordoost-Brabant, te raadplegen via de site van de Regionale lnkooporganisatie Zorg: https://www.rioz.nl/sites/default/files/202207/Beleidsnotitie%20beorenzinc%20cespecialiseerde%20ieuodhulp%20december%202020.pdf 28 Er zijn ook gemeenten die de afstemming per wet — gedetailleerd — hebben geregeld.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
18/22
Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet regelt de wijze waarop de verhouding tussen prijs en kwaliteit in de verordening moet worden geborgd. Deze bepaling is, op grond van het Besluit van 11 maart 2024 tot wijziging van het Besluit Jeugdwet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, houdende regels ter bevordering van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van de door gemeenten te bekostigen preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, alsmede enige technische wijzigingen (hierna: AMvB Reële prijzen Jeugdwet, Stb. 2024, 69), met ingang van 1 juli 2024 van kracht. De gemeenteraad dient deze kostprijselementen — al dan niet in verder door de raad uitgewerkte vorm29 - in zijn verordening te op te nemen. Vervolgens moet het college ervoor zorgen dat de prijzen voor de te betalen zorg met behulp van deze kostprijselementen worden bepaald. Voorts is voorzien in een verplichting tot indexatie. Het model voorziet in de verplichte elementen en laat ruimte om eigen elementen toe te voegen. Voor het geval de gemeente besluit om eigen elementen toe te voegen is ook een facultatieve bijzin in de modeltoelichting opgenomen. HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 30. Klachtregeling Deze bepaling is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp in de wet en de Awb.
Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in deze verordening meer volledig beeld willen schetsen van de rechten van de jeugdige en zijn ouders. Gemeenten kunnen overwegen om specifieke deskundigheid rondom de wet te organiseren in het gemeentelijke klachtloket. Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Een regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Het is niet uitgesloten dat gemeenten voor adviesraden een afzonderlijke regeling hebben. Die gemeenten kunnen lid 3 benutten om dan via de nadere regels te verwijzen naar die afzonderlijke regeling. Hoofdstuk 10. Slotbepalingen Artikel 32. Evaluatie Deze bepaling is als facultatief aangemerkt, omdat de wet hiertoe niet verplicht. Het is aan de raad om te bepalen of zij een evaluatie van de werking van de verordening in de praktijk wenst, en waarop deze dan dient te zien. Hierbij kan gedacht worden aan het aantal jeugdigen datjeugdhulp ontvangt, uitgesplitst naar het type voorziening en de (gemiddelde) kosten. Ook kan informatie worden verzameld over het aantal verwijzingen en de verhouding tussen verstrekking in zorg in natura en in de vorm van een pgb. Artikel ??. Hardheidsclausule In verschillende bestaande Verordeningen jeugdhulp is een hardheidsclausule opgenomen.
Dit geeft het college, de mogelijkheid om in onvoorziene gevallen ten voordele voor jeugdigen en ouders van de verordening af te wijken. De oude Model Verordening jeugdhulp uit april 2019 bevatte geen hardheidsclausule en ook in deze modelverordening is bewust geen hardheidsclausule opgenomen.
29 Daartoe kan volgens de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit gebruik worden gemaakt van de inhoud van paragraaf 2.4 van de (concept) nota van toelichting en van de 'Handreiking inzicht in tarieven; Handreiking voor het goede gesprek tijdens contractering', behorende bij het Convenant bevorderen continuiteit jeugdhulp. Deze handreiking is te raadplegen via de site van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2021/07/01/handreikinginzicht-in-tarieven.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
19/22
Van een hardheidsclausule wordt alleen gebruik gemaakt wanneer de ruimte voor maatwerk niet op een andere wijze in de regeling kan worden geboden. Bepalingen waarin discretionaire bevoegdheden en/of beoordelingsruimte aan het college zijn toegekend kunnen in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot op de individuele situatie toegesneden besluitvorming. Bij het maken van de afweging om wel of geen hardheidsclausule op te nemen in de Verordening Jeugdhulp kan het volgende betrokken worden. Kwalitatief goede regelgeving waarborgt onder alle omstandigheden dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van toepassing van de verordening niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Waar nodig moet de verordening voorzien in voldoende mogelijkheden om het bestuursorgaan in staat te stellen een besluit met onevenredige hardheid in een concreet geval te voorkomen, bijvoorbeeld door zorgvuldige feitengaring en weging. Een hardheidsclausule is geen oplossing voor slecht doordachte regelgeving. In de model verordening zijn op diverse plekken uitgangspunten geformuleerd die bijdragen aan een afbakening van de jeugdhulpplicht. Dat is een bewust en, met het oog op de doelstellingen zoals verwoord in de Hervormingsagenda Jeugd, noodzakelijke keuze.
Sommige van deze bepalingen zijn facultatief opgenomen of bieden de optie om het college meer of minder ruimte te geven om van deze uitgangspunten af te wijken. Naarmate het college door de gemeenteraad minder ruimte heeft voor een afwijking van deze uitgangspunten (zoals bijvoorbeeld een beperking van de maximale duur en frequentie) neemt het belang bij een hardheidsclausule in de verordening toe, opdat er in uitzonderlijke gevallen ruimte is voor het leveren van noodzakelijk maatwerk. In artikel 2, derde lid van de modelverordening wordt bijvoorbeeld gesproken van "in beginsel". Daarmee is al voorzien in ruimte voor een afgewogen afwijking ten aanzien van de maximale duur en omvang van de voorziening en is een hardheidsclausule hier overbodig. Dit bewust kiezen van bepalingen ten aanzien waarvan afwijking in bijzondere situaties gewenst is (in dit voorbeeld wel met betrekking tot de behandelduur, maar niet waar het gaat om de verstrekbare voorzieningen), verdient de voorkeur boven een algemene hardheidsclausule.3° Het opnemen van een hardheidsclausule verhoudt zich slecht tot de kaderstellende functie van regelgeving, wat de verordening is.
Aan het opnemen van hardheidsclausules in regelgeving kleven ook praktische bezwaren: de ervaring leert dat dergelijke clausules conflictopwekkend kunnen zijn, omdat belanghebbenden geneigd kunnen zijn om hun situatie als 'zeer bijzonder' te kwalificeren. Het opnemen van een hardheidsclausule kan leiden tot ongerechtvaardigde beroepen daarop, terwijl inwilliging daarvan slechts in zeer beperkte mate aangewezen is. Het leidt daarmee tot valse verwachtingen bij burgers. Het zorgt ook voor hogere uitvoeringslasten omdat in elk individueel besluit voldoende inzichtelijk moet worden gemotiveerd hoe het college tot het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule is gekomen. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt welke belangen bij het al dan niet toepassing geven aan de hardheidsclausule zijn betrokken, hoe het college deze belangen heeft afgewogen en hoe deze belangenafweging tot een toekenning of afwijzing heeft geleid.31 Het kan ook leiden tot willekeur. De rechtspraak van de CRvB verlangt dat de normstelling (althans de hoofdrichting van de normstelling) in de verordening zelf wordt vastgelegd door de gemeenteraad. Dit mag niet
3° Zie voor de risico's verbonden aan een algemene hardheidsclausule bijvoorbeeld een uitspraak
van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de rechtbank op grond van een algemene hardheidsclausule een hulphond toekent op grond van de Wmo 2015 (Rb. Zeeland-West-Brabant 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7368). 31 Rb. Den Haag 30 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4999, rov. 7.3; en zie bijvoorbeeld ook: Rb. Noord-Holland 26 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:7447, rov. 19.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
20/22
gedelegeerd worden aan het college.32 De gedachte is dat de democratisch gekozen volksvertegenwoordigers op transparante wijze de kaders bepalen en niet het college of uitvoerende ambtenaren. Een hardheidsclausule geeft het college ruimte om van die normstelling af te wijken. Dat kan vragen oproepen over de kwaliteit van de normstelling door de raad en hoe serieus men die moet nemen. Het belangrijkste is echter dat het haaks staat op de intentie van de wetgever, zoals ook overgenomen door de CRvB, om met de verordening rechtszekerheid te bieden aan burgers. Dit pleit voor het niet (opnieuw) opnemen van een hardheidsclausule in de verordening jeugdhulp. Dit neemt niet weg dat de bestuursrechter tegenwoordig ook (gemeentelijke) regelgeving indringender, exceptief toetst aan het evenredigheidsvereiste van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Als een bepaling uit de verordening jeugdhulp in een specifiek geval door onvoorziene, bijzondere omstandigheden onvoldoende ruimte biedt voor besluitvorming met een niet onevenredige uitkomst, kan de bestuursrechter uitspreken dat die bepaling in dat geval buiten toepassing moet blijven, of mogelijk zelfs onverbindend is.
De mogelijkheid om in exceptionele individuele gevallen van de regelgeving af te wijken, voorkomt discussies bij de rechter over de rechtmatigheid van (onderdelen van) de regeling zelf (bijvoorbeeld vanwege strijd met het evenredigheidsvereiste). In de hardheidsclausule kan tot uitdrukking worden gebracht dat gebruik van de hardheidsclausule alleen in (zeer) bijzondere gevallen in beeld komt en (dus gesteld zou kunnen worden dat het) geen afbreuk doet aan de door de gemeenteraad in de verordening vastgelegde normstelling. Het advies blijft echter om geen hardheidsclausule op te nemen. Gemeenten kunnen van bovenstaand advies afwijken en toch een hardheidsclausule opnemen. Deze hardheidsclausule wordt dan geplaatst in de slotbepalingen tussen de evaluatiebepaling en het overgangsrecht. In dat geval zou een hardheidsclausule en de daarbij behorende toelichting als volgt kunnen luiden.
Daarbij is het genoemde voorbeeld doel of strekking overgenomen uit de considerans bij de wet (waarbij dit in de considerans bij de wet overigens primair tot de verantwoordelijkheid van de ouders wordt gerekend): Artikel ?? Hardheidsclausule Het college kan artikel [...(eventueel: artikel ..., ...e lid,)] buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van [doel of strekking van de regeling (het gezond en veilig opgroeien van een jeugdige)] leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Met als toelichting: Artikel ?? Hardheidsclausu!e De hardheidsclausule maakt het mogelijk voor het college om een ander besluit te nemen dan volgt uit artikel [...(eventueel: artikel ...e lid,)] met het oog op [doe! of strekking van de regeling (het gezond en veilig opgroeien van een jeugdige)]. Het moet gaan om een zeer bijzondere situatie waarin het onverkort toepassen van het hiervoor genoemde artikel een bedreiging vormt voor [doel of strekking van de regeling (het gezond en veilig opgroeien van een jeugdige)] die op geen andere manier kan worden weggenomen en leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Dat kan aan de orde zijn als bijvoorbeeld vaststaat dat een bepaalde voorziening die geen deel uitmaakt van het aanbod aan voorzieningen tóch in het individuele geval nodig is en daarvoor geen alternatief bestaat dat wel tot het voorzieningenpakket behoort of aan de gesteld kaders in deze verordening voldoet.
'Ook anderszins is met een eventuele uitwerking in nadere regels of beleidsregels geen sprake van een uitwerking in de Verordening van de gronden en criteria als bedoeld in artikel 2.9, aanhef en onderdeel a, van de Jw' (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096); en 'Een opdracht in de verordening van de gemeenteraad aan het college tot nadere regelstelling op dit vlak volstaat niet' (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097). 32
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
21/22
Artikel 33. Overgangsrecht, intrekking oude verordening In deze bepaling moet de oude titel van de ingetrokken verordening worden vermeld. Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit. In dat geval ligt voor de hand dat wordt uitgegaan van de nieuwe verordening.33
33
W. Konijnenbelt, 100 ldeeën voor de gemeentelijke regelgever (4e dr. 2023), p. 28, 69 e.v.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
22/22
cJ
Model Verordening jeugdhulp (nieuw model, 3 december 2024 Leeswijzer modelbepalingen - [...] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel "en" of "of' geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een "." of een "," als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg wordt opgenomen in de implementatiehandleiding.
Verordening van de raad van [gemeente] houdende bepalingen over Jeugdhulp [eventueel jaartal] (Verordening jeugdhulp [naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]: gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 [en 8.1.1, derde lid,] van de Jeugdwet: gezien het advies van [naam commissie]; besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp [naam gemeente en eventueel jaartal]. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; - budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; - budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente]; - hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; - individuele voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; - iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden
en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet; - overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; - wet: Jeugdwet.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
vng.nl
•
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: a. [...]; b. [...]; c. [. .]. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. [...]; b. [...]; c. [...]. 3. De volgende individuele voorzieningen hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie: a. [voorziening]: maximaal [periode] en maximaal [...] maal per [tijdseenheid]; b. [voorziening]: maximaal [periode] en maximaal [...] maal per [tijdseenheid]; c. [...]. 4. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. doelgroepen; b. activiteiten; c. doorlooptijd; d. intensiteit; e. kwaliteit; f. beoogd resultaat; en g. vermelding productcode iJw. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. [3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.] 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht. 3.
Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 8 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/43
4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. 5. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen [(tien)] weken na ontvangst van de aanvraag. 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen [(4)] weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk[, maar uiterlijk binnen [(zes)] weken,] een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
[In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.] 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende [(twee)] weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; b.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1'. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; d. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/43
e. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c.
op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel 7. ldentificatie 1.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1. van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, Ill, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel 8. Verslag 1.Binnen [...] werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek.
Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd. 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 4. Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/43
•
1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan [wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024 zoals deze luidden op 1 januari 2024 OF gelden de volgende uitgangspunten: [...]]. 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde 'erkend' in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); [d. [-.1.] [7. ln situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 8.
Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.] Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/43
kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c. wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet. waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan [(3)] maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien; en [g. [..-1.]
Artikel 11. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. [Hierbij wordt jaantall keer brengen en halen rijden per week in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s).] 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. 4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. [5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.] Artikel 12. Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. [2.
Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs [naam] op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling [versie] van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.] [Artikel 13. Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a. beeldende therapie; b. danstherapie; c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; en g. speltherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die (ben erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6/43
een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht]. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het [Sociaal Wijkteam OF CJG OF [...]] moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5. Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van [een regiebehandelaar OF een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapiel 6. Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is [aantal] uren op jaarbasis. [Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.
OF Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.] [Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.] Artikel 15. lnhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening [1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.] 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking [tevens] in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c.
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking [tevens] in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. [4. Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 8, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.] HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel 16. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in [volgens een door het college ter beschikking gesteld format]. In het pgb-plan is opgenomen:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7/43
a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is; b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; g. de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 17 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren: en [h. ~...~.] 2. Het college verstrekt een pgb als: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b.
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 17 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 19 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder: of [e. [...).] 4.
Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. Artikel 17. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse[ of Friese] taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te co0rdineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i.in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren: en
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
8/43
j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder[, tenzij Ihiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugcligel]; b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: 1°. schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse[ of Friese] taal in woord en geschrift; 8°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; of [...]. Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp. Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie[. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis]; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse[ of Friese] taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; g. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
9/43
h. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kinderrnishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; i.meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; j. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en k. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 18, eerste en tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; b. werkt op basis van een hulpverleningsplan; c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; d. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en e. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel 20. Hoogte pgb 1.
De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt [(minimaal 100)]% van het wettelijke minimumloon. 3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a. de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t — 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b. het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. [5.
Het tarief voorjeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.] 6. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. [7. Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.] Artikel 21. Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; [f. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;] [g. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);] [h. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;] en
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
10/43