A19. 20210205 VNG, Nazending voor Buitengewone ALV 12 februari 2021.pdf
Tekst van het document
In de huidige bestuurspraktijk staat deze autonome taakuitoefening echter onder zware druk vanwege de aanzienlijke financiële tekorten die voortvloeien uit recente decentralisatie-operaties. Onder verwijzing naar de autonomie van gemeenten en provincies is de afgelopen decennia geregeld gesteld dat er sprake is van gelijkwaardigheid tussen de verschillende overheden, of zelfs dat de gemeenten gezien kunnen worden als ‘eerste overheid’. Van gelijkwaardigheid is in de praktijk echter geen sprake, niet in het minst omdat de bevoegdheid om wetten te maken uitsluitend bij de centrale overheid berust. Dat geldt evenzeer het primaat om tot overdracht van taken of bevoegdheden over te gaan. In plaats van het benadrukken van gelijkwaardigheid tussen bestuurslagen dient veeleer het evenwicht in de bestuurlijke verhoudingen te worden benadrukt. Daarmee wordt bedoeld dat elke bestuurslaag de ruimte moet krijgen om zijn eigen rol te vervullen. De verschillende bestuurslagen dienen elkaar hierin aan te vullen en te versterken. Bij de Minister van Binnenlandse Zaken berust als eerste de verantwoordelijkheid om dit evenwicht te bewaken en te bewaren. Binnen de Rijksoverheid impliceert dit dat deze minister ook aandacht heeft voor het optreden van diverse vakdepartementen, die geregeld op eigen initiatief voor allerlei taken specifieke afspraken maken met decentrale overheden.
In de huidige wetgeving is al voorzien dat de minister van BZK beschikt over de mogelijkheid tot interventie (‘bedenkingen uiten’) in de richting van andere ministeries ten aanzien van rijksbeleid dat decentrale overheden raakt, ‘ook als de materie inhoudelijk niet onder zijn verantwoordelijkheid valt’. In de praktijk heeft de minister daar in de afgelopen jaren geen gebruik van gemaakt. De voorgestelde Wet op het decentraal bestuur voorziet er vooraleerst in om de genoemde regieen toetsingsbevoegdheid, zoals genoemd in artikel 116 van de Gemeentewet, te versterken. De systeemverantwoordelijkheid van de minister van BZK voor het functioneren van het openbaar bestuur moet niet alleen worden versterkt binnen de Rijksoverheid. Tussen decentrale overheden onderling bestaan grote verschillen in omvang en bestuurskracht, die gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van de gedecentraliseerde taken. Bij decentralisaties moet daar meer rekening worden gehouden. Omdat de gemeenten zelf niet geneigd zijn om aparte afspraken te maken voor verschillende categorieën gemeenten, moet de minister van BZK als stelselverantwoordelijke voor het openbaar bestuur de consequenties van voorgenomen decentralisaties voor bijvoorbeeld kleinere gemeenten nadrukkelijker onderzoeken en de plannen daarop aanpassen, bijvoorbeeld door taakdifferentiatie mogelijk te maken.
Verder geldt dat decentralisaties de belangen van overheden raken. Dat kan belangenconflicten met zich meebrengen, zeker gezien de niet gelijkwaardige verhoudingen tussen het Rijk en de medeoverheden. Om dergelijke conflicten tijdig en zonder al te veel relationele en publicitaire schade op te lossen, dient een onafhankelijke interbestuurlijke geschillenbeslechting in het leven worden geroepen, die bindende uitspraken kan doen over de oplossing in een conflict en waarbij ook de koepels partij kunnen zijn. Gedurende het conflict bij de onafhankelijke interbestuurlijke geschillenbeslechting in behandeling is, kan er wel voorbereiding zijn voor de taakwijziging, maar geen daadwerkelijke taakoverdracht naar de decentrale overheid.
Versterk de uitvoeringskracht van decentrale overheden Een belangrijke reden waarom decentrale overheden niet optimaal uitvoering kunnen geven aan de aan hun toevertrouwde taken is dat er onvoldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
9
uitvoering van deze taken. In het verleden was het vrijwel vanzelfsprekend dat voorafgaand aan de overdracht van de middelen die door het Rijk aan een te decentraliseren taak werden besteed, een efficiencykorting werd toegepast. In het huidige tijdgewricht is ondertussen gebleken dat deze praktijk leidt tot het feitelijke bankroet van gemeenten. Dit gaat direct ten koste van de beoogde uitvoeringskracht. Daarom dient er nu ook nadrukkelijk aandacht te komen voor het versterken van de huidige financiële positie van decentrale overheden. Bovendien wordt in de 21ste eeuw informatie, en de deling daarvan tussen betrokken overheden, van steeds groter belang. Naast voldoende middelen moet er daarom ook getoetst worden of decentrale overheden over de voor de uitvoering van hun taak noodzakelijke informatie kunnen beschikken. Eveneens moet er aandacht voor zijn dat ze in staat worden gesteld om tijdig de daarvoor noodzakelijke systemen betrouwbaar in te richten. In de Wet op het decentraal bestuur en het daarbij behorende Beleidskader wordt vastgelegd dat voorafgaand aan de overdracht toetsing op de uitvoerbaarheid moet plaatsvinden, maar in de praktijk gebeurt dit zelden of nooit. Een belangrijk aandachtspunt in de uitvoerbaarheid betreft ook de kwestie of de betrokken overheden wel toegang hebben tot de voor de uitvoering relevante informatie.
Behalve het herbevestigen en versterken van deze afspraak uit de huidige wetgeving is er de mogelijkheid om vast te leggen dat na de invoering wordt onderzocht of er ingrepen nodig zijn, bijvoorbeeld wat de beschikbare financiële middelen betreft. In ieder geval dient de vanzelfsprekendheid van ‘efficiencykortingen’ te verdwijnen. Voortaan moet bij decentralisatie van taken de minister van BZK in overleg met de medeoverheden een reële vergoeding van de onkosten beschikbaar stellen voor de gemeenten of provincies. Door een aanpassing van de Financiële-verhoudingswet kan worden voorzien in een onafhankelijke beoordeling van de kosten die nodig zijn voor over te dragen taken. Tevens is het geboden om bij taakoverheveling een Transitiefonds in te stellen met het oog op frictiekosten. In dat verband kan ook de mogelijkheid aan de orde komen dat gemeenten of provincies via ‘eigen’ belastingen zelf in de kosten kunnen voorzien. De Afdeling Bestuursgeschillen van de Raad van State kan hierin een adviserende rol spelen. Voorts dienen vergoedingen in het kader van autonome taken of medebewindstaken met grote beleidsvrijheid zoveel als mogelijk via de algemene uitkering te worden vergoed. Dat impliceert dat het gebruik van specifieke decentralisatie-uitkeringen zoveel mogelijk moet worden vermeden. Het uitgangspunt moet hier zijn: vrij besteedbaar waar het kan, geoormerkt waar het moet.
Als laatste geldt dat bij verplicht regionaal bestuur de financiering van het Rijk naar de gemeenten gaat en van de gemeenten vervolgens naar de betreffende regio.
Versterk de dienstbaarheid aan de burgers De Wet op het decentraal bestuur heeft als oogmerk om de verhoudingen tussen bestuurslagen te versterken. Dat is geen doel op zich. Uiteindelijk wordt hiermee gestreefd naar een beter functionerende overheid, waarvan de dienstbaarheid door de overheid aan de inwoners profiteert. Juist nu is het belang daarvan gebleken, nu de overheid vanwege de COVID19-pandemie, diep ingrijpt in het leven van alle inwoners. In de Toeslagenaffaire is bovendien gebleken dat ook de overheid feilbaar kan zijn. Door de verhoudingen tussen overheden te verhelderen en de verantwoordelijkheden van elke bestuurslaag te versterken, neemt de mogelijkheid dat overheden elkaar op ieders verantwoordelijkheid aanspreken en waar nodig corrigeren eveneens toe.
Specificeer beleidscriteria voor de toedeling van taken en bevoegdheden aan decentrale overheden De praktijk van de toedeling van taken en bevoegdheden aan decentrale overheden kenmerkt zich door een sterk opportunistisch karakter. Initiatieven tot decentralisatie komen niet zelden voort uit de behoefte om op rijksniveau ervaren financiële of uitvoeringsproblemen op te lossen door deze taken simpelweg over te dragen aan andere overheden. Concrete afspraken daarover komen meestal tot stand tijdens de onderhandelingen bij kabinetsformaties. Dergelijke besprekingen worden veelal gedreven door een zekere mate van politiek opportunisme, zonder reële inbreng en betrokkenheid van de decentrale overheden. Uit de literatuur over decentralisaties zijn de nodige (zorgvuldigheids-)principes af te leiden, waar bij
10
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
overdracht van taken en bevoegdheden aan decentrale overheden recht aan moet worden gedaan. Verschillende van deze principes worden in de voorgestelde wet op het decentraal bestuur aangezet door een motiveringsplicht op te nemen waarom bij taaktoedeling voor het ene bestuurslichaam wordt gekozen en niet voor een ander. De minister van BZK wordt in dit verband de beoordelende en toetsende autoriteit. Voor taaktoedelingen aan bestuurslichamen die een algemene en rechtstreekse verkiezing kennen, wordt maatgevend dat er voldoende beleidsvrijheid wordt gerealiseerd. Als de rijksoverheid landelijke eisen wil stellen en de uitvoering (inclusief verschillen daarin) niet aan gemeenten of provincies wil overlaten, is het verstandig bij de overdracht van taken na te denken over deconcentratie als alternatief voor decentralisatie. Bovendien moet de invloed van decentrale overheden op regeerakkoorden worden verbeterd. In ieder geval kunnen gemeenten, provincies en waterschappen aan de vooravond van de kabinetsformatie in het openbaar zichtbaar maken wat ze nodig hebben om aanstaande decentralisaties te doen slagen, om zo te voorkomen dat in de formatie onrealistische afspraken worden gemaakt.
Door een door de regering vast te stellen Beleidskader decentraal bestuur − zoals voorzien in de Wet op het decentraal bestuur − kunnen de regie en de ordening van het decentraal bestuur aanzienlijk worden verbeterd. Het ontwerp voor dit Beleidskader wordt vervaardigd door de minister van BZK − in afstemming met de koepels − en het bevat criteria voor taaktoedeling, een typologie van de afzonderlijke decentrale bestuurslichamen en de koers waarin het decentraal bestuur zich zou moeten bewegen. Ter uitwerking van de normen uit de Wet op het decentraal bevat het Beleidskader tevens waarborgen voor een versterking van de decentrale autonomie, betere financiële arrangementen voor het medebewind en de daarbij horende beleidsvrijheid.
Laat de verantwoordelijkheid voor de gedecentraliseerde taken bij de direct betrokken overheden Bij de uitvoering van (al dan niet gedecentraliseerde) taken door provincies, gemeenten en waterschappen, komt het geregeld voor dat de centrale overheid, daartoe niet zelden opgeroepen door de Tweede Kamer, zich alsnog mengt in de uitvoering van het beleid. Onder meer vinden de regering of de Tweede Kamer het onwenselijk als er tussen gemeenten of regio’s verschillen ontstaan in de uitvoering. De inmenging krijgt gestalte in de vorm van het stellen van kwaliteitscriteria, de inzet van toezichtsinstrumenten of in afspraken binnen bestuursakkoorden. Dergelijke ontwikkelingen tasten de eigen verantwoordelijkheid van decentrale besturen en de nagestreefde lokale inbedding en lokale beleidskeuzen van deze taken aan. Een duidelijk uitgangspunt is en blijft daarom dat het Rijk zich niet bemoeit met de wijze van uitvoering van de gedecentraliseerde taken. Decentrale besturen zijn geen uitvoeringskantoren van het Rijk. Wel kan het Rijk informatie inwinnen over de wijze waarop decentrale besturen de taken uitvoeren en interbestuurlijk toezicht houden. Interbestuurlijk toezicht mag er echter niet toe leiden dat het Rijk via de achterdeur zich alsnog met de uitvoering gaat bemoeien.
De minister van BZK moet collega-ministers erop aanspreken als zij te veel op de stoel van het provincie- of gemeentebestuur gaan zitten of anderszins hun instrumenten ‘misbruiken’ om inbreuk te maken op de decentrale beleidsvrijheid. De minister van BZK kan de Afdeling Bestuursgeschillen om advies vragen in deze.
Versterk de positie van de decentrale volksvertegenwoordiging Een specificatie van de taaktoedeling aan decentrale overheden reikt verder dan louter het bepalen onder welke voorwaarden en uitgangspunten de overdracht aan een decentrale overheid plaatsvindt. In de huidige praktijk gebeurt dit momenteel vrijwel zonder inspraak en betrokkenheid van de decentrale volksvertegenwoordigingen; gemeenteraden, provinciale staten of het algemeen bestuur van waterschappen. Al met al is er (te) weinig aandacht voor de vraag of de algemene besturen van decentrale overheden bij taakoverdracht hun daarmee toenemende verantwoordelijkheden wel waar kunnen maken. Zowel de rijksoverheid, de betrokken koepelorganisaties en belangenorganisaties van diverse groepen decentrale bestuurders zijn momenteel actief met scholings- en ondersteuningsprogramma’s van volksvertegenwoordigers. Toch is onmiskenbaar dat deze volksvertegenwoordigers zich steeds zwaarder belast voelen. Zij worstelen met de sterk toegenomen maatschappelijke verantwoordelijkheid op diverse beleidsterreinen, de ervaren noodzaak om hun sturende en controlerende taken daarbij waar te maken en de beperkingen die deze vormen van lekenbestuur nu eenmaal met zich meebrengen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
11
Onder het versterken van het toezicht op de taaktoedeling valt daarom ook gedegen aandacht voor de effecten van de toenemende verantwoordelijkheid van decentrale overheden voor de positie en betrokkenheid van de volksvertegenwoordigers in kwestie. Er dient gerichte aandacht te zijn voor het toerusten van decentrale volksvertegenwoordigers om hun verantwoordelijkheden waar te maken.
Moderniseer de interbestuurlijke, regionale samenwerking Al decennialang spelen interbestuurlijke samenwerkingsverbanden een belangrijke rol in de uitvoering van overheidsbeleid. Aanvankelijk was het uitgangspunt dat betrekkelijk beleidsarme taken en voorzieningen in regionale samenwerking tot uitvoering konden worden gebracht. Min of meer werd daarbij voor lief genomen dat de uitvoering daarmee gedeeltelijk buiten de politieke democratie van provincie en gemeente werd geplaatst. In de huidige praktijk blijkt dat allerlei meer beleidsvolle taken eveneens in regionaal verband worden ingevuld, soms zelfs omdat dit door de rijksoverheid verplicht wordt gesteld. Bovendien geven verschillende vermeend ‘beleidsarme’ taken toch geregeld aanleiding tot veel politieke betrokkenheid, zoals tijdens de Coronacrisis blijkt met betrekking tot het functioneren van de veiligheidsregio’s. Een fundamentele bezinning op de aard en reikwijdte van het regionale bestuur is opportuun en urgent. De aansturing en het functioneren van regionale vormen van samenwerking worden keer op keer als belangrijke, en tegelijkertijd ingewikkelde uitdagingen ervaren door besturen van zowel gemeenten als provincies.
Lastige aspecten daarbij zijn de afwezigheid van een direct-democratisch legitimatie, moeizame vormen van sturing, controle en verantwoording, een aanzienlijke versnippering, zeer uiteenlopende procedures van totstandkoming, sterke financiële aansprakelijkheden − en daarmee risico’s − bij de samenwerkende overheden.
12
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl februari 2021
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERL AND GEMEENTEN, PROVINCIES EN WATERSCHAPPEN GAAN SAMEN GEBIEDSGERICHT MET HET RIJK AAN DE SLAG MET DE OPGAVEN KLIMAAT, ECONOMISCH HERSTEL EN HET WONINGTEKORT.
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERL AND
Jan van Zanen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Rogier van der Sande Unie van Waterschappen
Theo Bovens
Interprovinciaal Overleg
INTRODUCTIE We leven in een land met complexe opgaven, zoals het herstellen van de economie na corona, de enorme vraag naar woningen en de energietransitie en klimaatadaptatie. De decentrale overheden werken als één overheid voor onze inwoners. Voor hun welvaart, hun welzijn en hun gezondheid. We doen dat met de samenleving, zodat we de kracht van de regio, van wijken en dorpen benutten.
Samenhang van de opgaven De grote maatschappelijke opgaven landen in de gebieden, steden en dorpen. Daar komen wonen, economie en energie samen. De energieopgave legt met zonneparken en windmolens een claim op dezelfde schaarse ruimte als de woningbouwopgave en klimaatadaptatie. Slim binnenstedelijk bouwen gaat hand in hand met het versterken van de lokale economie en het aanpassen aan klimaatverandering. Met het verduurzamen van woningen en gebouwen stimuleren we de economie. De leefomgeving is voor inwoners één geheel: fysiek, economisch én sociaal. De grote opgaven zijn niet aan te pakken als losstaande thema’s. Opgaven van wonen, economie en klimaat zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar en met de opgaven rond digitalisering, bereikbaarheid,
01
energie, water, stikstof, natuur, landbouw, leefbaarheid, cultuur, participatie. Uiteindelijk gaat het om brede welvaart. Gemeenten, provincies en waterschappen willen de uitdagingen daarom in samenhang aanpakken. Dat kan alleen door een gebiedsgerichte vertaling naar de concrete omstandigheden in regio’s, steden en dorpen. De komende vier jaar willen wij onze aanpak verder versterken. Alleen zo kunnen we concrete resultaten boeken. Dat is wat wij goed doen en waar we verder in willen investeren. We zien graag dat de rijksoverheid daarin meegaat. Dat vraagt van het rijk meer samenhang en regie tussen de departementen, participeren in gebiedsgerichte oplossingen én volwassen interbestuurlijke verhoudingen. Hierbij horen ook betere financiële spelregels. Adequate financiering voor bestaande en nieuwe taken en respect voor de eigen belastinggebieden van de decentrale overheden. Dit zijn voor ons diamantharde voorwaarden. Zonder afdoende financiële afspraken kunnen de decentrale overheden niet bijdragen aan de ambities van het volgende kabinet. Als decentrale overheden staan we voor uitvoeringskracht. Niet gescheiden, maar integraal. Niet alleen, maar samen. Ook met de rijksoverheid en met het nieuwe kabinet!
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
02
WONEN LEEFOMGEVING
KLIMAAT ENERGIE
Wij zetten ons in om 1.000.000 woningen te
aanpak voor de transitie van de landbouw, het
Wij zetten ons in voor de uitvoering van de
aardgasvrije wijken. We gaan door met het
bouwen voor 2030. Naast aandacht voor de
terugdringen van de stikstofdepositie en het
gemaakte afspraken uit het Klimaatakkoord.
uitvoeren van de gemaakte afspraken uit het
leefomgeving is leefbaarheid belangrijk in de
herstel van natuur.
En
Klimaatakkoord.
aanbouw en verbouw van wijken. Waarbij water en
willen
die
verbinden
met
de
opgaven
waaraan Nederland zich kan committeren voor
gebiedsontwikkeling weg te nemen. Door het
demografische ontwikkelingen en veranderende
investeringsvermogen
wooneisen en -behoeften. We
stimuleren een
te
versterken
vlotte doorstroming in de huur- en koopsector.
in
infrastructuur
is
te geven voor een goed werkende regionale
Woningen
zijn
Het kabinet kan helpen door een nationaal kader
te
te bieden en ondersteuning en bevoegdheden
investeren
bereikbaarheid.
Het
belangrijk dat de woningbouwimpuls en het
uitvoering. Door in lijn met het ROB-onderzoek
Volkshuisvestingsfonds
worden
naar de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord
Nieuwe wijken zijn bereikbaar en beschikken
gemaakt en de verhuurdersverheffing wordt
voor decentrale overheden voldoende financieel
over
afgeschaft.
te ondersteunen bij de RES en de aanpak van
voorzieningen.
De
zodat
en
de duur van de transitie, langer dan de duur van
woningmarkt
mensen er hun hele leven kunnen blijven wonen. moderne
toekomstbestendig,
gelijktijdig
decentrale
structureel
stabiliteit
efficiënter en beter betaalbaar.
voor een woningaanbod dat meebeweegt met
en
wel
en continuïteit van het rijksbeleid. Een koers
Het kabinet kan helpen door barrières bij de
vraagt
van klimaatadaptatie. Zo wordt de oplossing
bodem leidend zijn voor de inrichting. We zorgen
van
Dat
één regeerperiode.
overheden zijn aan zet voor een gebiedsgerichte
03
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
04
GEDEELDE VERANTWOORDELIJKHEID
ECONOMISCH HERSTEL Wij zetten ons in om de regionale investeringen
Het kabinet kan helpen door de economische
Het oplossen van de maatschappelijke opgaven
De afgelopen jaren leerden ons dat de grote
naar voren te halen en de transitieopgaven
opgaven te verbinden met de opgaven van
van nu vormt de motivatie voor het werk van
maatschappelijke opgaven alleen samen met
te versnellen. Om zo het economisch herstel
klimaat en wonen, zodat de arbeidsmarkt als
gemeenten, provincies en waterschappen in
de samenleving kunnen worden opgelost. Dat
aan te jagen. De economische impact van de
economische motor kan draaien. De sociale en
de komende kabinetsperiode. Als we goede
we het als overheid niet alleen kunnen en dat
coronapandemie is fors. Het herstel biedt kansen
economische doelen moeten worden gekoppeld
afspraken kunnen maken over ieders rol en
alle overheidslagen vanuit hun eigen taken en
om de ambities op het gebied van duurzaamheid
om perspectief te bieden voor stad en platteland.
bijdrage willen wij verantwoordelijkheid nemen
bevoegdheden moeten bijdragen. Omdat ieder
en de circulaire economie te realiseren.
Haagse
dit
voor concrete resultaten in de opgaven. We willen
gebied verschillend is hebben we een decentrale
ondersteunen als ze hiermee verbonden worden.
met het kabinet kijken hoe we ter ondersteuning
aanpak
van die opgavegerichte aanpak onze digitale
gebieden en op nationale schaal te kijken hoe
agenda kunnen versnellen.
we de kracht van iedere regio kunnen inzetten.
en
Europese
fondsen
kunnen
nodig.
Door
in
gebieden,
tussen
Zo kan elk gebied groeien in brede welvaart en tegelijkertijd bijdragen aan de oplossing van de opgaven op nationaal niveau.
05
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
06
NIEUWE AFSPRAKEN We willen met het nieuwe kabinet concrete en
Daarom stellen we als gezamenlijke decentrale
verbindende afspraken maken.
overheden drie diamantharde voorwaarden aan afspraken voor de nieuwe kabinetsperiode:
We zetten ons in voor een interbestuurlijke aanpak met resultaat. We willen dat doen
•
financiële
middelen
en
een
toereikend eigen belastinggebied,
als
één overheid: gebiedsgericht en samen met de
voldoende
•
gelijkwaardigheid
in
interbestuurlijke
verhoudingen,
inwoners van Nederland. • Daar is wel iets voor nodig. De afgelopen
aandacht voor de uitvoerbaarheid van nieuwe taken en afspraken.
jaren hebben ons geleerd dat een gezamenlijke aanpak niet vanzelf tot succes leidt. We hebben
We wensen dat de rijksoverheid meebeweegt
in
in het verbinden van opgaven door een meer
interbestuurlijke
samenwerking
scherpe
kaders nodig, een helder mandaat, een goede
ontkokerde werkwijze.
democratische borging en voldoende financiële Gemeenten, provincies en waterschappen willen
middelen.
met het rijk en het nieuwe kabinet met en midden Deze
succesvoorwaarden
zijn
de
afgelopen
periode onder druk komen te staan, onder meer door de financiële problemen in het sociaal domein en door de uitholling van de motorrijtuigenbelasting.
07
KRACHTIG GROEN HERSTEL VAN NEDERLAND
in de samenleving, als één overheid bouwen aan een sterker Nederland!