A11. 20210511 VNG, Wegwijzer gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid en VNG Model Huisvestingsverordening.pdf
Tekst van het document
Deze doelgroep kan de gemeente selecteren op basis van de BRP-registratie door te kijken naar verhuisbewegingen uit het verleden (specifiek de verhuizingen vanuit een woonwagen naar een stenen woning). Het geniet daarbij de voorkeur om daarbij zo ver als mogelijk naar het verleden te kijken in de gemeentelijke BRP-registratie. De praktijk leert overigens dat het lastig is om adresgegevens van deze groep te achterhalen, zeker als het gaat om mensen die naar een andere gemeente zijn vertrokken. Een
32
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
alternatieve manier om deze groep te bereiken is door gebruik te maken van het netwerk van de betrokken woonwagenbewoners. Kent men familieleden of vrienden die graag zouden terugkeren naar een woonwagenlocatie en probeer deze mensen te benaderen. Reden te meer om een vertegenwoordiging vanuit de lokale woonwagenbewoners te betrekken bij het opzetten van het behoeftenonderzoek. 2 Opzet vragenlijst Voor het opstellen van woningbehoeftenenquête bestaat geen standaardmodel. In de basis is het wel wenselijk dat elke gemeente een zoveel mogelijk vergelijkbare set vragen in een enquête aan de beoogde respondenten voorlegt. Op die manier is het veel eenvoudiger om uitkomsten tussen verschillende gemeenten met elkaar te vergelijken. De essentiële vragen Om tot een goede respons te komen is het advies om de vragenlijst zo beknopt mogelijk te houden en alleen de essentiële vragen te stellen: Tabel 4.1: Essentiele vragen om te stellen in de woningbehoeftenenquête, gericht aan woonwagenbewoners (uitgesplitst naar doelgroep). Hoofdbewoners Waar woont men nu?
Inwonende familieleden
Spijtoptanten
X
Is men in het verleden verhuisd vanuit een woonwagenlocatie?
X
Zo ja: wat was de reden voor het vertrek?
X
Wil men binnen de komende vijf jaar verhuizen?
X
X
X
Waar wil men naartoe verhuizen?
X
X
X
Zoekt men een woonwagen of is een ‘stenen woning’ ook een optie?
X
X
X
Zoekt men huur- of koopstandplaats?
X
X
X
Zoekt met huur- of koopwoonwagen?
X
X
X
Heeft men interesse om de huidige standplaats te kopen?
X
De ervaring leert dat hoe langer de vragenlijst is, hoe groter het aantal respondenten dat voortijdig stopt met het invullen van de vragenlijst of de vragenlijst onvolledig invult.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
33
Eventueel verdiepende vragen, mits goed geïntroduceerd Idealiter zouden gemeenten de vragenlijst uitbreiden met meer vragen, om bijvoorbeeld meer te weten te komen over de gewenste woonkwaliteit voor woonwagenbewoners, zowel qua woonwagen als woonomgeving. In beginsel is het advies om de vragenlijst toch te beperken tot de essentiële vragen. Verdere verdiepende vragen blijven nog steeds relevant, maar komen hoogstwaarschijnlijk beter tot hun recht in het vervolgproces, als betrokken partijen gezamenlijk gaan kijken hoe de behoefte aan standplaatsen en woonwagens concreet ingevuld gaat worden. Op die manier kan in gezamenlijkheid worden gekeken wat aanvullende wensen van woonwagenbewoners zijn en in hoeverre het mogelijk is om tegemoet te komen aan deze wensen, gelet op de planologische en financiële randvoorwaarden. Mocht er een sterke wens zijn om verdiepende vragen (buiten de eerdergenoemde essentiële vragen) al in het woningbehoeftenonderzoek aan de brede groep respondenten voor te leggen, dan is het noodzakelijk om de opzet en het doel van de vragenlijst goed toe te lichten richting woonwagenbewoners. Daarbij kan gedacht worden aan: 1. Een centrale bijeenkomst (voorafgaand aan de veldwerkperiode) waarin de opzet van het onderzoek en de vragenlijst wordt gepresenteerd aan bewoners. 2.
Persoonlijke begeleiding bij het invullen van de vragenlijst, voor wie daar behoefte aan heeft. 3. Het persoonlijk bezorgen en naderhand ophalen van de ingevulde vragenlijst. Deze contactmomenten kunnen worden gebruikt om nogmaals kort toe te lichten waarom het van belang is om de vragenlijst volledig in te vullen en waarop men dan moet letten. Als de gemeente zorgt voor een goede introductie en communicatie gedurende de veldwerkperiode, dan is het mogelijk om de volgende verdiepende vragen toe te voegen aan de enquête: • Behoefte aan aparte berging? • Voorkeur m.b.t. sanitaire voorzieningen; douche, toilet, wastafel (in woonwagen of aparte berging)? • Voorkeur m.b.t. wasvoorzieningen; wasmachine / wasdroger (in woonwagen of aparte berging)? • Voorkeur m.b.t. technische voorzieningen; verwarming meterkast (in woonwagen of berging)? • Gewenst aantal slaapkamers • Slaapkamers op begane grond of op verdieping? • Gewenste grootte van de standplaats (m²) • Gewenste grootte van woonwagenlocatie (aantal standplaatsen) • Behoefte aan werkruimte bij standplaats (bijvoorbeeld van belang bij aanwezigheid kermisexploitanten) • Behoefte aan trekkersplaatsen • Behoefte aan het wonen in een toercaravan • Wensen met betrekking tot openbare ruimte (speelplek voor kinderen, ontmoetingsplekken)
34
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
De bereidheid om een uitgebreide vragenlijst (dus essentiële vragen en verdiepende vragen) in te vullen (en daarmee de kans op een goede respons op een uitgebreide enquête) kan lokaal sterk verschillen. Dit hangt onder andere af van de inzet op het vlak van communicatie van gemeenten en de ondersteuning daarbij door een lokale of bovenlokale woonwagenbelangenorganisatie, maar ook van de mate waarin sommige kwalitatieve woonwensen spelen op een woonwagenlocatie. Het is daarom van belang om de voor- en nadelen van de beoogde lengte van de vragenlijst met de betrokken partijen van tevoren goed voor te bespreken. 3 Veldwerkmethodiek Bij de behoeftepeiling is het van belang dat iedereen de kans en mogelijkheid wordt geboden om deel te nemen aan het onderzoek. Dit kan onder andere door een gecombineerde veldwerkmethode waarbij respondenten de mogelijkheid krijgen om de enquête online of schriftelijk in te vullen. Aanvullend kan ervoor worden gekozen om enquêtes af te nemen door middel van huisbezoeken.
Dit biedt gelijk de mogelijkheid om een meer kwalitatieve duiding te kunnen geven en antwoord te krijgen op vragen als: waar loopt men tegen aan, of welke specifieke vragen leven er? Het is belangrijk om het onderzoek goed aan te kondigen aan de beoogde respondenten, bijvoorbeeld via een uitnodigingsbrief aan huis of de inzet van social media (diverse landelijke en lokale woonwagenorganisaties hebben hiermee een groot bereik). Hierbij moet voor bewoners goed duidelijk worden waarom het ook voor hen belangrijk is om de enquête in te vullen. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen die gedurende lange tijd in een illegale situatie (bijvoorbeeld een stacaravan op een andere plek dan een reguliere standplaats) op een woonwagenlocatie wonen. Door nu deel te nemen aan de enquête neemt de kans toe dat er in de toekomst meer (legale) standplaatsen worden gerealiseerd, waar zij aanspraak op kunnen maken. Daarnaast moet duidelijk zijn hoe en tot wanneer men de gelegenheid heeft om de enquête in te vullen. Naast deze uitnodigingsbrief kan de respons op de enquête middels de eerdergenoemde mogelijkheden bij stap 2 (bijeenkomst, persoonlijke begeleiding bij het invullen, persoonlijk brengen en ophalen van enquêtes) verder verhoogd worden. Alternatief voor enquête: groepsgesprek Het komt voor dat het aantal standplaatsen in een gemeente zeer beperkt is, bijvoorbeeld minder dan tien plaatsen.
In dat geval weegt de inzet voor het uitvoeren van een enquête meestal niet op tegen de verwachte respons. Een groepsgesprek kan in zo’n situatie wellicht meer inzicht in de lokale vraag bieden. Bewoners kunnen in dit gesprek aangeven welke kwalitatieve woonwensen zij hebben en of zij inwonende familieleden hebben die op zoek zijn naar een standplaats of spijtoptanten kennen die terug willen keren. Dit gesprek biedt gelijk de mogelijkheid om huidige aandachtspunten te signaleren en bewoners mee te nemen in het vervolgproces.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
35
Publiceer de resultaten Als de enquête en andere analyses (wachtlijstanalyse, groepsgesprek, etc.) zijn uitgevoerd, dienen de resultaten te worden gepubliceerd en vervolgens openbaar gemaakt. Bij voorkeur worden de resultaten nader toegelicht aan de direct betrokkenen, zoals de gemeenteraad, woningcorporatie(s) en woonwagenbewoners. In ieder geval dienen alle betrokkenen inzicht te krijgen in de resultaten van het behoeftenonderzoek. Overeenstemming over de toekomstige woonopgave op basis van de behoefte (of dat nu uitbreiding, stabilisatie of afname is) vormt de basis om tot woonwagen- en standplaatsenbeleid te komen waar iedereen zich in kan vinden. Bij het publiceren van de resultaten is het van belang om goed na te gaan of de resultaten privacygevoelige informatie bevatten. Hierbij gaat het er vooral om of informatie tot op persoons- of adresniveau herleidbaar is in het betreffende onderzoek. Omdat woonwagenonderzoek betrekking heeft op een specifieke woningbehoefte (en daarmee een relatief kleine doelgroep) kan analyse van woonwensen die betrekking hebben op een woonwagenlocatie soms al tot op persoonsniveau herleidbaar zijn. Dat geldt met name als het een kleine woonwagenlocatie van slechts enkele standplaatsen betreft.
Als dat het geval is zal de gemeente expliciet toestemming moeten vragen aan de betreffende respondent om onderzoeksresultaten op dit detailniveau te publiceren. 4.5 Stap 5: Woonwagen- en standplaatsenbeleid ontwerpen Nu er een actueel inzicht in de te verwachten vraag naar standplaatsen en woonwagens is, is het zaak om scherp te krijgen in hoeverre en hoe in deze behoeften kan worden voorzien. Hiervoor zal de gemeente aan de slag moeten, samen met betrokken partijen (zoals woningcorporaties, woonwagenbewoners) om het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid te ontwerpen. Welke aspecten moet een plek krijgen in het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid? Er bestaat geen vast kader dat leidend is wat betreft het gemeentelijk woonbeleid (bijvoorbeeld de woonvisie). Wel geldt dat indien de gemeente een maatschappelijke taak voorziet voor de woningcorporatie, dit in het gemeentelijk woonbeleid moet worden beschreven (waarbij sprake moet zijn van een goede onderbouwing van de volkshuisvestelijke opgave). Dat geldt dus ook voor de opgave met betrekking tot het afstemmen van vraag en aanbod naar standplaatsen en woonwagens. 1 Confrontatie behoefte met aanbod Leg de geïnventariseerde behoefte aan standplaatsen en woonwagens vast in het gemeentelijk woonbeleid.
Hierbij gaat het in ieder geval om de kwantitatieve vraag; hoeveel standplaatsen zijn er in de komende jaren nodig en hoe ziet de kwalitatieve vraag er in grote lijnen uit? Hierbij is in ieder geval van belang om te weten wat de opgave is voor de sociale huursector en welk deel van de behoefte gericht is op de particuliere sector. De vraag kan worden afgezet tegen het huidige aanbod, zodat helder is in
36
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
hoeverre het aanbod aan standplaatsen moet veranderen ten opzichte van de huidige situatie om in de woonbehoefte te voorzien. 2 Rollen en verantwoordelijkheden per partij Leg in hoofdlijnen vast wat de verantwoordelijkheden zijn van de betrokken partijen bij de uitvoering van het woonwagen- en standplaatsenbeleid. Kern daarbij is dat de woningcorporatie(s) verantwoordelijk dient te zijn voor het bieden van voldoende standplaatsen en woonwagens voor de woonwagenbewoners die qua inkomen tot de primaire doelgroep van de woningcorporaties behoren. Daarnaast moet duidelijk zijn welke maatregelen worden getroffen om in voldoende standplaatsen voor andere (hogere) inkomensgroepen te voorzien en wat daarbij de rol van de gemeente is. Overige kaders voor woonwagen- en standplaatsenbeleid Zeker als het gemeentelijk beleid voor standplaatsen en woonwagens wordt opgenomen in de gemeentelijke woonvisie volstaat vaak het benoemen van bovengenoemde hoofdpunten van het beleid. Woonwagen- en standplaatsenbeleid heeft betrekking op een zeer specifieke woningbehoefte van een relatief kleine doelgroep binnen de gemeente. Het vergt doorgaans de nodige uitwerking om alle beleidsregels rondom beheer, aanleg nieuwe standplaatsen, technische vereisten aan woonwagens, toewijzing standplaatsen, et cetera toe te lichten.
Een verdere uitwerking kan daarom opgenomen worden in een bijlage van de woonvisie of een separaat beleidsplan dat zich specifiek richt op het gemeentelijk standplaatsen en woonwagen- en standplaatsenbeleid. In zo’n separate beleidsvisie is meer ruimte om nader in te gaan op gemeentelijke kaders ten behoeve van het voorzien in de behoefte aan standplaatsen en woonwagens. Aspecten die daarin kunnen worden opgenomen zijn: • Randvoorwaarden met betrekking tot de locaties voor uitbreiding van het aantal standplaatsen (met name de ligging binnen de gemeente; bij bestaande woonwagenlocaties, binnen bestaand stedelijk gebied, etc.); • Randvoorwaarden met betrekking tot de kwaliteit van toe te voegen woonwagens (energiezuinigheid, duurzame energieopwekking, houtskeletbouw, plaatsing van aparte of inpandige berging); • Rollen en verantwoordelijkheden met betrekking tot het onderhoud en beheer van woonwagens, standplaatsen en openbare ruimte; • Uitgangspunten met betrekking tot het toewijzen van vrijgekomen huurstandplaatsen; • Uitgangspunten met betrekking tot behoud van koopstandplaatsen voor de doelgroep woonwagenbewoners op het moment dat deze beschikbaar komen.
4.6 Prestatieafspraken sociale huursector De gemeente zal in haar woonbeleid (ook ten aanzien van woonwagens en standplaatsen) aangeven welke opgave zij voorziet voor de sociale huursector (met name de actieve woningcorporaties), bijvoorbeeld als het aankomt op het ontwikkelen van nieuwe standplaatsen, maar ook het beheer en onderhoud van standplaatsen. De exacte bijdrage van de corporatie aan het woonwagen- en standplaatsenbeleid komt in samenwerking tussen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
37
corporatie, huurdersorganisatie(s) en gemeente tot stand. Daartoe doet de corporatie jaarlijks een voorstel van haar bijdrage aan de gemeente: het activiteitenoverzicht. In de financiële onderbouwing bij dit overzicht, laat de corporatie zien welke investeringsruimte er is om aan het lokale volkshuisvestingsbeleid, waaronder het woonwagen- en standplaatsenbeleid, te voldoen. De geboden bijdrage van de woningcorporatie dient naar redelijkheid te zijn: de investeringen dienen in verhouding te staan tot het vermogen van de corporatie en tot de volkshuisvestelijke doelstellingen in de gemeente. Aandachtspunten bij het opstellen van woonwagen- en standplaatsenbeleid Bij het ontwikkelen van woonwagen- en standplaatsenbeleid is het belangrijk om als gemeente alert te zijn op enkele veel voorkomende aandachtspunten waardoor het opstellen van beleid, maar met name de latere uitvoering van beleidsregels spaak kan lopen: 1 Leg een concrete, realistische doelstelling vast Het CRvdM heeft in diverse zaken uitspraak gedaan dat de wachttijd voor een standplaats ongeveer hetzelfde dient te zijn als de wachttijd voor een sociale huurwoning. In de basis is deze referentie een goed uitgangspunt voor de wachttijd voor een standplaats.
Maar in de huidige situatie waarin de meeste gemeenten te maken hebben met een tekort aan standplaatsen, is deze norm voor de wachttijd niet van vandaag op morgen te bewerkstelligen. Het realiseren van nieuwe standplaatsen kost tijd (zoeken van uitbreidingsplekken, afspraken maken met betrokken partijen, tegemoetkomen aan woonwensen van woonwagenbewoners). Het is daarom zaak om woonwagenbewoners een reëel, maar ook haalbaar uitzicht te bieden om een passende woonplek. Op basis van de geïnventariseerde behoefte en ruimtelijke uitbreidingsmogelijkheden moet een gemeente aangeven hoeveel plaatsen op welke termijn gerealiseerd kunnen worden. Dit kan betekenen dat in woningmarktgebieden met grote schaarste en beperkte fysieke mogelijkheden dit langer duurt dan in gebieden met minder schaarste en meer ruimtelijke mogelijkheden (zie ook paragraaf 4.7: woonwagens versus andere woningbouwopgaven). Tegelijkertijd zullen partijen (met name gemeente en corporaties een concrete norm voor de wachttijd voor een standplaats moeten zoeken die past bij de lokale situatie. De vraag is of de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning een reële vergelijking is voor de wachttijd voor een doorgaans zeer specifiek product als een standplaats.
De gemiddelde mutatiegraad van een standplaats (waar men voor zeer lange tijd, soms wel hun hele leven blijft wonen) ligt aanzienlijk lager dan bij een gemiddelde sociale huurwoning. Dat geldt helemaal als het een gemeente of regio betreft met een zeer ontspannen sociale huurmarkt (bijvoorbeeld in krimpgebieden), waardoor de wachttijd zeer kort is. In woningmarktregio’s met een grote vraagdruk (en waar de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning langer is dan gemiddeld) kan de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning juist wel een goed referentiepunt voor de wachttijd voor een standplaats vormen. In ieder geval is het belangrijk om samen met woonwagenbewoners en woningcorporatie een reële norm voor het inlopen van het bestaande tekort en de referentie voor de
38
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
wachttijd te bepalen. Uitgangspunt daarbij is wel dat woonwagenbewoners binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats. Wat gemeente en corporaties hieronder verstaan en hoe zij dat willen bereiken, moet in gezamenlijkheid met de woonwagenbewoners besproken worden. Mogelijke alternatieven als kwantitatieve norm voor ‘het binnen een afzienbare tijd kans maken op een standplaats’: • Vergelijk de beoogde wachttijd voor een standplaats met een ander woonproduct met een vergelijkbare mutatie- en reactiegraad (bijvoorbeeld een grondgebonden nultredenwoning of een eengezinswoning in een gewilde buurt), nader te bepalen aan de hand van de kenmerken van de woningmarkt in de betreffende gemeente / regio • Stel de opgave voor standplaatsen gelijk aan het inlopen van het woningtekort in de regionale woningmarkt. Als een gemeente zich ten doel heeft gesteld om het woningtekort in de reguliere woningmarkt terug te dringen van 3% naar 2%, zou dit in vergelijkbare orde van grootte toegepast kunnen worden bij het terugbrengen van het tekort aan standplaatsen. 2 Open dialoog over kwalitatieve wensen versus de realisatietermijn Om het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid in overeenstemming te brengen met het mensenrechtelijk kader moeten gemeenten voldoende recht doen aan de specifieke woonwagencultuur.
Eerder in deze Wegwijzer zijn daarbij diverse belangrijke aspecten van deze cultuur genoemd, zoals de trekvrijheid, de belangrijke rol van familiebanden en het wonen in een woonwagen. Bij een behoeftenonderzoek kunnen de specifieke woonwensen verder inzichtelijk worden gemaakt. Vervolgens is het bij het opstellen van beleid en de realisatie daarvan zaak om met elkaar te bespreken hoe cruciaal de benoemde woonwensen zijn. Hoe meer specifieke woonwensen worden aangegeven, hoe meer praktische bezwaren bij de realisatie van extra standplaatsen kunnen optreden. Zo hebben de meeste woonwagenbewoners een nadrukkelijke voorkeur voor een woonwagen van houtskeletbouw. Gemeenten en corporaties zijn vaak kritisch over de levensduur van houtskeletbouw, wat de financiële haalbaarheid van woonwagens van houtskeletbouw lastiger zou maken (al wordt de levensduur van een nieuwe woonwagen steeds langer en ligt deze heden ten dage op ongeveer 50 jaar). Een andere woonwens is het bij elkaar wonen met een familie op een woonwagenlocatie. Vaak zal dat mogelijk zijn als er uitbreidingsmogelijkheden op bestaande locaties zijn, maar soms is die ruimte er niet en zal een nieuwe locatie op een andere plek in de gemeente gerealiseerd moeten worden waardoor soms leden van verschillende families op een woonwagenlocatie kunnen komen te wonen.
Mits er een deugdelijk planologisch onderzoek aan ten grondslag ligt, is een gemeente niet verplicht om een woonwagenlocatie aan te bieden die uit voldoende standplaatsen bestaat om de gehele familie te huisvesten, als deze planologische ruimte niet voorhanden is.56 In ieder geval is het
56
College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2018-71.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
39
belangrijk dat woonwagenbewoners betrokken worden in de dialoog en dat er rekening wordt gehouden met hun woonbehoeften. Zij moeten niet gedwongen worden tot een keuze voor een woonvorm die niet past bij hun wooncultuur.57 Belangrijk voor gemeenten en corporaties in deze discussie is om in het oog te houden dat de woonvorm, familieverbanden en trekvrijheid de fundamentele onderdelen vormen van het woonwagenleven (zie paragraaf 2.2). Om te voldoen aan het mensenrechtelijk kader moet dit woonwagenleven mogelijk gemaakt worden (en blijven). Wel dient voor hen duidelijk gemaakt te worden wat het eventueel bijstellen van kwalitatieve woonwensen betekent voor de termijn waarop standplaatsen of woonwagens gerealiseerd kunnen worden (hoelang duurt realisatie als standplaatsen en woonwagens aan alle woonwensen moeten voldoen en hoelang duurt realisatie als woonwensen worden bijgesteld)? 4.7 Dilemma: Woonwagens versus andere woningbouwopgaven Het hiervoor geschetste stappenplan lijkt op papier eenvoudig. Voer een woningbehoeftenonderzoek uit en breng aan de hand van de onderzoeksresultaten het aanbod aan standplaatsen in overeenstemming met de vraag. De praktijk is echter vaak complex. Naast de woningbouwopgave voor woonwagenbewoners zijn er nog tal van andere woningbouwopgaven waar gemeenten voor staan.
In de afgelopen jaren is het woningtekort in Nederland opgelopen tot 4,2%.58 Om dit woningtekort in te lopen moeten er tot 2030 ongeveer 845.000 woningen worden toegevoegd (ruim 84.000 woningen per jaar). Een dergelijke nieuwbouwproductie is in de afgelopen jaren nog niet gehaald. Ruimtelijke ontwikkelingen en financiële haalbaarheid Gemeenten spelen bij het invullen van de woningbouwopgave in op verschillende maatschappelijke opgaven. In deze Wegwijzer ligt het accent logischerwijs bij woonwagens. Vanwege de schaarste op de woningmarkt gaat het ook om betaalbare huur- en koopwoningen voor starters en middeninkomens. Daarnaast ligt er een grote opgave om het woningaanbod voor bijzondere doelgroepen te vergroten (zoals de uitstroom vanuit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang, arbeidsmigranten, spoedzoekers). Ook deze doelgroepen hebben vooral behoefte aan betaalbare huisvesting. Al deze opgaven zetten het verdienvermogen bij locatieontwikkeling onder druk, zeker ook door gestegen bouwkosten. Gemeenten geven op verschillende manieren invulling aan deze maatschappelijke woningbouwopgave, waaronder dus ook de realisatie van standplaatsen: • Op eigen grond kan de gemeente in de exploitatie relatief eenvoudig deze maatschappelijke opgaven een plek geven. Dit gaat dan ten koste van de verdiencapaciteit van de gemeente; en komt daarmee ten laste van de gemeentebegroting.
Bovendien is het de vraag of het ruimtelijk en maatschappelijk wenselijk is om alle specifieke doelgroepen te positioneren op gemeentegrond, mede vanuit het
57 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2018-9. 58 Staat van de Woningmarkt, Ministerie van Binnenlandse Zaken (2020).
40
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
•
•
oogpunt van een inclusieve ontwikkeling van wijken. Dit vraagt een nadrukkelijke samenwerking met grondzaken en ook richting gemeenteraad het scherp in beeld brengen van de financiële consequenties van keuzes. Op grond van derden waar nog bestemmingswijziging naar wonen of woonwagens nodig is, kan de gemeente via anterieure overeenkomsten (privaatrechtelijk) met de grondeigenaar afspraken maken over het te realiseren programma. Bij het sluiten van deze overeenkomsten wordt in onderhandelingen gezocht naar een optimalisatie van gemeentelijke (maatschappelijke) belangen en de rendementseisen van de grondeigenaar. De gemeente kan dit in de basis niet afdwingen. Indien de gemeente overvraagt, komt de gewenste ontwikkeling in het geheel niet van de grond. Het vraagt onderhandelingsvaardigheden, waarin de gemeente duidelijk moet aangeven welke belangen zij wil dienen. Het werken met Omgevingstafels vanuit de Omgevingswet biedt een transparante werkwijze om deze onderhandelingen vorm en inhoud te geven. Bij gronden waar reeds bestemmingen vastliggen, is sturing gedurende de looptijd van het bestemmingsplan niet of nauwelijks aan de orde.
Vervolgens moet de locatieontwikkeling (op eigen grond of grond van derden) in bestemmingsplannen (vanaf 2022 in het omgevingsplan, zie paragraaf 3.4) vastgelegd worden. Algemeen geldt dat de gemeente bij de vaststelling van bestemmingsplannen een ruime beleidsvrijheid heeft. Dat is beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en gebruiksmogelijkheden in een gebied te reguleren. Dat kan voor zover de gemeente dit uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig vindt. Het is wel belangrijk om deze afweging goed te onderbouwen, gebaseerd op ruimtelijke motieven. Beperkte fysieke mogelijkheden Bij deze ruimtelijke afweging geldt dat veel gemeenten beperkte fysieke mogelijkheden hebben om deze grote woningbouwopgave te realiseren. Vooral in stedelijke gemeenten en in de Randstad is de fysieke ruimte schaars, terwijl de woningbehoefte daar het grootst is. Het is een feit dat de gemiddelde standplaats een aanzienlijk groter kaveloppervlak heeft dan de gemiddelde betaalbare huurwoning59. Veel standplaatsen hebben een oppervlakte van ongeveer 250 tot 300 m², het gemiddelde kaveloppervlak van een tussenwoning is ongeveer 130 m² en van een appartement 75 m². Daar komt bij dat de doelgroep woonwagenbewoners in Nederland, vergeleken bij de groep reguliere woningzoekenden, relatief beperkt is; in totaal tussen de 30.000 tot 60.000 woonwagenbewoners.
Een mogelijkheid om het ruimtebeslag voor (nieuwe) woonwagens te beperken is om de maximale bebouwingshoogte te verruimen. Regelmatig komt het voor dat woonwagens slechts uit een bouwlaag bestaan. Dat komt omdat woonwagenbewoners daar meestal
59 Het verschil in kaveloppervlak kent meerdere redenen. De meeste woonwagens hebben slechts een bouwlaag, waardoor meer ruimte nodig is voor dezelfde gebruiksruimte. Daarnaast gaat een deel van het kaveloppervlak op aan (1) de benodigde draairuimte voor de plaatsing van de woonwagen en (2) brandgangen (Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland, Team Woonwagen Belangen Nederland).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
41
zelf een duidelijke voorkeur voor hebben, maar ook omdat het bestemmingsplan niet altijd ruimte biedt voor meerdere bouwlagen. Toch komt het voor dat woonwagenbewoners ook kiezen voor een woonwagen met een extra verdieping voor het slaapvertrek. Door dit via het bestemmingsplan technisch toe te staan, kan ruimte bespaard worden, waardoor er mogelijk meer standplaatsen op dezelfde locatie te realiseren zijn.60 Anderzijds geven bouwbedrijven aan dat de bouw en plaatsing van een tweelaagse woonwagen aanzienlijk duurder is dan een woonwagen bestaande uit een bouwlaag. Dit heeft te maken met het feit dat een woonwagen van meerdere bouwlagen voor een groot deel op locatie moet worden gebouwd, in tegenstelling tot woonwagens van een bouwlaag. Mogelijk dat met de verdere ontwikkeling van modulaire bouw een woonwagen van meerdere bouwlagen in de toekomst financieel interessanter wordt. Gemeente: keuzes maken op basis van goede ruimtelijke ordening Veel gemeenten zitten daarom met de vraag hoe de woningbouwopgave voor woonwagenbewoners ingevuld kan worden, gelet op de relatief kleine doelgroep in combinatie met het grote ruimtebeslag en de vele andere woningbouwopgaven die in de gemeente spelen. Het is aan gemeenten om een goede afweging te maken tussen al die verschillende woningbouwopgaven.
Algemeen geldt, dat de gemeente bij de vaststelling van bestemmingsplannen een ruime beleidsvrijheid heeft. Dat kan voor zover de gemeente dit uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig vindt. Het is wel belangrijk om deze afweging goed te onderbouwen. De afwegingen hierin zullen per gemeente en regio zeer verschillend zijn, afhankelijk van de omvang van de woningbehoefte, de woningschaarste bij verschillende doelgroepen en ruimtelijke mogelijkheden. Dit kan dus betekenen dat de gemeente en / of corporatie niet binnen afzienbare tijd de volledige behoefte die uit een onderzoek naar voren is gekomen kan invullen met nieuwe standplaatsen. Maar beperkte fysieke mogelijkheden, de beperkte omvang van de doelgroep woonwagenbewoners en een omvangrijke reguliere woningbouwopgave mogen echter geen vrijbrief voor een gemeente zijn om de uitbreidingsopgave voor standplaatsen volledig naast zich neer te leggen. Zeker niet als het een gemeente betreft waar lange tijd geen standplaatsen zijn gerealiseerd (of deze zelfs in aantal zijn verminderd).
Een gemeente zal in haar woonwagen- en standplaatsenbeleid daarom een goede onderbouwing moeten geven van de beoogde uitbreidingsopgave voor de volgende jaren, waarom eventueel wordt afgeweken van het invullen van de totale geïnventariseerde behoefte en welke vervolgstappen worden gezet om (op termijn) alsnog invulling te geven aan de behoefte (realisatie op langere termijn, verkennen ruimtelijke mogelijkheden regiogemeenten, mogelijkheden externe financiële ondersteuning verkennen, etc.).
60 Of dit in de praktijk mogelijk is hangt ook af van andere factoren, zoals de brandveiligheid, inrichting van de openbare ruimte en ligging van andere standplaatsen.
42
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5 Uitvoering beleid 5.1 Toewijzing van standplaatsen Het toewijzen van vrijkomende standplaatsen kan op verschillende manieren georganiseerd worden, afhankelijk van de lokale situatie. Per situatie verschilt de mate van sturing die een gemeente hieraan kan geven: Huurstandplaatsen
Koopstandplaatsen
huisvestingsverordening huisvestingsverordening aanwezig niet aanwezig Gemeente legt regels voor toewijzing in huisvestingsverordening vast
Woningcorporatie legt eventuele voorrangsregels in eigen woonruimteverdeelsysteem vast
Particuliere eigenaar is zelf verantwoordelijk
1 Toewijzing huurstandplaatsen op basis van huisvestingsverordening De gemeente kan de meeste sturing in de toewijzing van standplaatsen geven als men hierover regels wil vastleggen in de huisvestingsverordening. Veel gemeenten (maar zeker niet alle!) beschikken over een huisvestingsverordening. De mogelijkheid om zo’n verordening op te stellen komt voort uit de Huisvestingswet 2014 (zie paragraaf 3.2). Als er sprake is van schaarste aan sociale huur, kan de gemeente regels stellen voor de verdeling van standplaatsen en woonwagens. In dat geval moet de gemeente eerst deze schaarste en risico van verdringing aantonen. Het behoeftenonderzoek kan hiervoor als basis dienen. Als schaarste is aangetoond en de gemeente kiest voor het vaststellen van een verordening, kan zij hierin het volgende regelen: • Voor welke woonwagens de verordening geldt: advies is om dit voor alle huurstandplaatsen en huurwoonwagens te laten gelden. Dit kan het best in regionaal verband geregeld worden, zodat woonwagenzoekenden een breder zoekgebied hebben. Hun slaagkansen nemen hierdoor toe. Het is makkelijker om naar familieverbanden toe te wijzen. Bovendien zorgt dit daarmee voor een effectievere verdeling van woonwagens. • Wie voor deze woonwagens in aanmerking komen: daarbij gaat het om het goed afbakenen van de doelgroep.
Aspecten die hierbij een rol spelen zijn de inkomensgrenzen die voor sociale huurwoonwagens gelden61, maar vooral ook wie tot de doelgroep woonwagenbewoners hoort. Advies hierin is om het afstammingsbeginsel te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om mensen die op dit moment op een woonwagenlocatie wonen, maar ook om de mensen die in het verleden op een standplaats
61 Hierbij moet worden aangesloten bij de toewijzingseisen uit de Woningwet (vanaf 1 januari 2021 minimaal 92,5% aan de doelgroep van de woningcorporaties, tenzij prestatieafspraken zijn gemaakt om dit te verlagen naar minimaal 85%).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
43
•
•
woonden en momenteel in een stenen woning wonen (spijtoptanten). Bijhouden register van standplaatszoekenden: mensen die in aanmerking willen komen voor een standplaats moeten zich inschrijven. Hiervoor kan de gemeente zelf een inschrijfregister bijhouden. Dit kan ook door de corporaties worden gedaan, samen met alle andere woningzoekenden. Inschrijfregisters zijn snel gedateerd, omdat mensen zich uit voorzorg inschrijven of vergeten zich uit te schrijven. Om het register enigszins actueel te houden kan de gemeente overwegen om jaarlijks een herinschrijving verplicht te stellen tegen betaling van beperkte administratiekosten. Daarmee houdt het register zeggingskracht. Verdelen en toewijzen van standplaatsen: standplaatsen die vrijkomen worden toegewezen aan mensen die als standplaatszoekende staan ingeschreven. Daarbij kunnen volgordecriteria worden gesteld voor een eerlijke verdeling. • Dan gaat het bijvoorbeeld om inschrijfduur of woonduur. Leeftijd kan niet leidend zijn om zo leeftijdsdiscriminatie te voorkomen. Bij de volgordecriteria is het van belang om het afstammingsbeginsel mee te nemen. Te denken is aan de keuze om (bij gelijke inschrijfduur) voorrang te geven aan mensen met een afstammingsbeginsel.62 Hoe groter het tekort aan standplaatsen in een gemeente, hoe belangrijker het is om vrijkomende standplaatsen toe te wijzen op basis van het afstammingsbeginsel.
• Het kan ook door coöptatie, wat betekent dat de andere bewoners op een woonwagenlocatie samen zorgen voor de volgordebepaling. Hiermee wordt makkelijker recht gedaan aan het wonen in familieverband en aan het afstammingsbeginsel. Gemeenten moeten er echter op bedacht zijn dat het risico bestaat dat mensen worden uitgesloten. De volgordecriteria geven mensen ook zekerheid en opgebouwde rechten. Het is niet voor niets dat mensen zich tijdig inschrijven. Verandering van volgordecriteria past dan ook nauw. Je komt aan de opgebouwde rechten van standplaatszoekenden. Bij een dergelijke verandering is het belangrijk om rekening te houden met gerechtvaardigde verwachtingen, opgebouwde rechten en deze rechten voor een bepaalde periode mee te nemen; bijvoorbeeld een periode die redelijkerwijs aansluit bij de inschrijftijd die nodig is om een woonwagen in een gemeente te bemachtigen. In het verleden kwam het voor dat woonwagenbewoners met behoefte aan een standplaats zich desalniettemin niet op de inschrijflijst bij gemeente of corporatie inschreven, omdat in de betreffende gemeente een uitsterfbeleid werd gehanteerd. Ook deze woonwagenbewoners zullen zich moeten inschrijven en inschrijftijd opbouwen.
Het is in de praktijk nagenoeg onmogelijk om sommige woonwagenbewoners een voorrangspositie op de inschrijflijst te bieden en anderen niet aan de hand van keuzes en afwegingen die woningzoekenden hebben gemaakt om zich wel of niet in te schrijven en de invloed van gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid uit het verleden.
62 In lijn met EHRM zou het afstammingsbeginsel gebruikt kunnen worden als een handvat bij de invulling van voldoende en voortdurende band hebben met bepaalde standplaats, en dat om die reden voorrang wordt gegeven aan deze personen binnen de groep woonwagenbewoners.
44
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
•
Huisvestingsvergunning: toewijzing van een standplaats op basis van een huisvestingsverordening kan alleen door middel van een huisvestingsvergunning. Bij sociale huurstandplaatsen moet daarbij wel de inkomenstoets gedaan worden, ten behoeve van passend toewijzen en toewijzen aan de doelgroep. Wanneer er een standplaats vrijkomt zoekt de eigenaar (meestal een corporatie of de gemeente) een nieuwe huurder. De gemeente kan – in geval van schaarste – huurstandplaatsen onder de werking van de huisvestingsverordening brengen. Dan mag een standplaats alleen worden verhuurd aan een huishouden dat een huisvestingsvergunning heeft. Tegelijk met deze Wegwijzer wordt een hoofdstuk over toewijzing van standplaatsen aan de modelhuisvestingsverordening toegevoegd. In dat model wordt uitgegaan van een gemeentelijke registratie van standplaatszoekenden. De geregistreerde standplaatszoekenden worden geattendeerd op een vrijkomende standplaats. De gemeente kiest op basis van de vastgelegde urgenties en voorrangsregels wie de huisvestingsvergunning krijgt. Vervolgens sluit de eigenaar een huurovereenkomst met de woonwagenbewoner.
De eigenaar kan – binnen de kaders van het woningwaarderingsstelsel – een differentiatie in de huurprijs aanbrengen: een sociale huurprijs voor een huishouden dat tot de doelgroep van de woningcorporaties behoort of een marktconforme (hogere) huurprijs voor een huishouden dat daar niet toe behoort. De eigenaar geeft gelijk met de melding van een vrijkomende standplaats aan de gemeente door welke huurprijs of huurprijzen van toepassing zijn. Daarnaast zijn er twee mogelijkheden voor de plaatsing van een woonwagen. Indien de bewoner een eigen wagen plaatst, sluit hij een opstalovereenkomst met de eigenaar. Indien de bewoner gebruik wil maken van een huurwoonwagen, kan de eigenaar (indien de bewoner voor een huurwagen in aanmerking komt) een huurwagen beschikbaar stellen. Hiervoor wordt eveneens een huurcontract gesloten.
Toepassing afstammingsbeginsel Met de intrekking van de Woonwagenwet is enkele jaren nadien ook het afstammingsbeginsel komen te vervallen.63 Dit betekende in de praktijk dat de toewijzing van standplaatsen bij veel gemeenten in de jaren daarna vaak via de reguliere toewijzingscriteria verliep. Als gevolg van de uitspraken van het EHRM en het uitkomen van het Beleidskader houden gemeenten en corporaties de laatste jaren steeds meer rekening met het afstammingsbeginsel alsmede het leven in familieverband bij de toewijzing. Het Beleidskader geeft hierover aan: Toewijzing standplaatsen en/of woonwagens (Beleidskader) Het is te overwegen om voorrang te verlenen aan (in volgorde): volwassen kinderen (op volgorde van leeftijd) van dezelfde locatie die nog bij hun ouders wonen en eerstegraads familieleden van bewoners van de locatie. Bij de toewijzing kan overwogen worden een ingestelde bewonerscommissie te laten adviseren.
63 Tot 1 januari 2003 is het afstammingsbeginsel nog opgenomen in de Huisvestingswet om woonwagenbewoners voorrang te geven bij het toewijzen van standplaats.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
45
Het afstammingsbeginsel is daardoor bij veel gemeenten en corporaties geherintroduceerd. Dit houdt in dat bij toewijzing van vrijgekomen standplaatsen voorrang wordt gegeven aan de eerste graads- (ouders, kinderen) en tweedegraadsfamilieleden (broers, zussen, kleinkinderen, grootouders) van woonwagenbewoners. In veel gevallen dienen beoogde huurders van een standplaats de afstamming van woonwagenbewoners aan te tonen middels een uittreksel bevolkingsregister met woongeschiedenis en geboorteakte. Het komt voor dat een woonwagenbewoner gaat samenwonen met een niet-woonwagenbewoner (burgers) in een woonwagen. Echter, op het moment dat er onverhoopt een einde aan het samenwonen komt, kan de partner (die voor het samenwonen in een stenen woning woonde) niet zonder meer aanspraak maken op voorrang voor een nieuwe standplaats op basis van het afstammingsbeginsel. Dat kan als de partner voorouders had die van generatie op generatie wel in een woonwagen woonden. Als dat niet het geval is, behoort een partner die voorheen samenwoonde met een woonwagenbewoner dus niet tot de doelgroep woonwagenbewoners.64 Wel zal hier ook de gezinssituatie in ogenschouw genomen moeten worden (zijn er bijvoorbeeld kinderen in het spel, waar de partner dichtbij in de buurt wil wonen?).
Diverse gemeenten hebben in hun huisvestingsverordening opgenomen dat ook mensen zonder aantoonbare connectie met het woonwagenleven kunnen reageren op vrijkomende standplaatsen. Daarbij geldt doorgaans dat aan deze doelgroep pas een standplaats wordt toegewezen als mensen die tot de woonwagendoelgroep behoren geen interesse hebben. In de praktijk is het de vraag in hoeverre deze situatie zich veel zal voordoen. De vraag naar standplaats onder woonwagenbewoners is doorgaans groot, terwijl reguliere woningzoekenden voornamelijk op zoek zijn naar een stenen woning. Toch bestaat de kans dat incidenteel een niet-woonwagenbewoner een standplaats krijgt aangeboden. In dat geval is het goed om als corporatie eerst een intakegesprek met een potentiële huurder te hebben; past hij of zij op deze woonplek? Daarnaast kan nagedacht worden om in zo’n situatie een tijdelijk huurcontract (van bijvoorbeeld 1 of 2 jaar af te geven) aan een niet-woonwagenbewoner. Na deze periode kan bezien worden of er inmiddels wel behoefte is aan een standplaats onder de doelgroep woonwagenbewoners. Op die manier kan voorkomen worden dat een standplaats voor langere tijd leeg blijft, terwijl er wel (onder meerdere doelgroepen) behoefte naar woonruimte is.
Bindingseisen Het uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat in de basis iedereen in Nederland het recht heeft om zich te kunnen vestigen waar hij/zij dat wil (vrije vestiging). Gemeenten kunnen in een huisvestingsverordening slechts in beperkte mate bindingseisen opnemen voor mensen met maatschappelijke en/of economische binding (maximaal 50% van de toe te wijzen woningen) aan een woonplaats of gemeente. Het bij voorrang toewijzen van woonruimte aan mensen met maatschappelijke en/of economische binding mag er bovendien niet toe leiden dat mensen die geen lokale binding hebben, geen kans meer op woonruimte in een gemeente hebben. Voor het toewijzen van standplaatsen kan het principe van vrije vestiging op gespannen voet staan met het rechtdoen aan de
64 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2016-22.
46
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
familiebanden. Immers: als gevolg van de vrije vestiging kan bij het toewijzen van een standplaats maar beperkt voorrang worden gegeven aan een familielid op de betreffende woonwagenlocatie. In de praktijk wordt hiermee door gemeenten en woningcorporaties verschillend omgegaan. Sommige gemeenten hanteren enkel toewijzingscriteria voor standplaatsen die betrekking hebben op de familiebanden. Maar er zijn ook voorbeelden waarbij voorrangscriteria zijn opgenomen over de herkomstgemeente van een beoogde huurder. Positie van spijtoptanten bij toewijzing De omstandigheden waardoor spijtoptanten in het verleden naar een ‘stenen woning’ zijn verhuisd, kunnen sterk verschillen. Sommige mensen zijn vrijwillig vertrokken, sommigen hadden geen andere optie, omdat het aantal standplaatsen werd afgebouwd. Het komt ook voor dat mensen in het verleden een vertrekpremie hebben ontvangen ter compensatie van de verhuizing. Het is niet mogelijk om deze mensen bij voorbaat een bepaalde periode uit te sluiten van inschrijving op een standplaats. De omstandigheden waardoor in het verleden een vertrekpremie werd afgegeven spelen hierin een cruciale rol. Als een woonwagenbewoner destijds aantoonbaar niet uit vrije wil is vertrokken van een woonwagenlocatie (ook al heeft men een vertrekpremie ontvangen), dan zou (tijdelijke) uitsluiting van inschrijving in strijd zijn met de mensenrechten.
Als een gemeente ten tijde van de vertrekpremie bijvoorbeeld een strikt afbouwbeleid hanteerde, is het redelijk om deze spijtoptanten ondanks een ontvangen vertrekpremie, de gelegenheid te geven zich in te schrijven op een standplaats, zonder daarmee de ontvangen vertrekpremie een rol te laten spelen bij de voorrangscriteria bij toewijzing. Praktijkvoorbeelden: toewijzingscriteria standplaatsen: Huisvestingsverordening Regio Utrecht (2019) Voor het toewijzen van een standplaats of andere woonruimte op een woonwagenlocatie hanteert de gemeente een wachtlijst, gebaseerd op een woongroepmodel met voordrachtregeling. Deze wachtlijst wordt beheerd door een van de woningcorporaties. Voor de toewijzing geldt de volgende rangvolgorde: 1. kinderen of kleinkinderen van degene die de plaats huurde voordat deze leeg kwam; 2. woningzoekende die een standplaats huurt op de betreffende woonwagenlocatie en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie, onder voorwaarde dat de eigen standplaats vrijkomt; 3. een kind, inwonend bij familie in de eerste graad op de locatie waar een standplaats vrijkomt; 4. woningzoekende die in de afgelopen tien jaar minimaal zes jaar aaneengesloten op de locatie heeft gewoond; 5. woningzoekende die in de afgelopen tien jaar minimaal zes jaar aaneengesloten op een woonwagenlocatie elders in Nederland heeft gewoond; 6.
overige woningzoekenden. Op basis van inschrijfduur op de wachtlijst; Vervolgens adviseert een adviescommissie van bewoners van de betreffende woonwagenlocatie de woningcorporatie/beheerder over de toewijzing. Bij dit advies wordt de bovengenoemde
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
47
rangvolgorde aangehouden. Burgemeester en wethouders behouden het recht om in te grijpen in het toewijzingsproces of af te wijken van deze regeling. In dat geval dient het college woningcorporatie / beheerder om advies te vragen. Huisvestingsverordening Amsterdam (2020) Burgemeester en wethouders houden een register bij van standplaatszoekenden. Bij toewijzing van een te verhuren standplaats wordt de rangorde als volgt bepaald: 1. de woningzoekende die een standplaats huurt en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie. Voorwaarde is dat de standplaats van waar men vertrekt, vrijkomt. 2. urgente woningzoekenden: a. woningzoekende die een standplaats huurt en deze moet ontruimen vanwege opheffing of verkleining van die locatie. b. woningzoekenden die moeten verhuizen buiten hun eigen schuld om. c. woningzoekende die behoort tot de traditionele doelgroep en van wie de sociale omstandigheden van zodanig ernstige aard zijn, dat verhuizing van de huidige standplaats/ woning naar een (andere) standplaats geboden is. 3. kind dat bij familie in de eerste graad woont op de locatie in Amsterdam waar de standplaats vrijkomt. 4. woningzoekende die elders in de gemeente een standplaats huurt en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op een andere locatie. Voorwaarde is dat de standplaats van waar men vertrekt, vrijkomt. 5.
kind dat woont bij familie in de eerste graad op een andere locatie in Amsterdam. 6. woningzoekende die in Amsterdam in een woonwagen heeft gewoond, maar die graag weer op een standplaats wil wonen. Voorwaarde is dat men niet langer dan 3 jaar geleden is weggegaan van een woonwagenlocatie. 7. overige woningzoekenden: degene die niet tot bovenstaande categorieën behoren en ingeschreven staan op de wachtlijst. Beleidsregels toewijzing woonwagenstandplaatsen Rijssen-Holten (2020) Om in aanmerking te komen voor een standplaats dient men ingeschreven te staan in het belangstellingsregister; Vrijkomende standplaatsen worden toegewezen aan de hand van de volgende voorrangsregels en volgorde: 1. woonwagenbewoner(s) die op een woonwagenlocatie in Rijssen-Holten woont dan wel wonen, in het bezit is/zijn van een huurcontract en de standplaats moet ontruimen vanwege opheffing of verkleining van die locatie; 2. jongeren van 18 tot 30 jaar die nog bij hun ouders in de woonwagen op de woonwagenlocatie in Rijssen-Holten wonen; 3. eerste- en tweedegraads bloedverwanten van de zittende huurder(s) die ten tijde van het beschikbaar komen van de standplaats al ten minste zes jaar op de betreffende locatie woont 4. voormalige bewoner die ten tijde van het beschikbaar komen van de standplaats niet (meer) op de betreffende locatie verblijft, echter daar in het verleden wel heeft gewoond; 5.
overige, nu in een woning wonende, woonwagenbewoners in Rijssen-Holten, die voor een standplaats in aanmerking komen; 6. overige belangstellenden voor een woonwagenstandplaats 7. bij gelijke geschiktheid vindt toewijzing in eerste instantie plaats op basis van datum inschrijving. Is de datum van inschrijving gelijk dan toewijzing op basis van loting. De gemeente Rijssen-Holten kan in gevallen, waarin deze beleidsregels naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leiden, ten gunste van een belanghebbende van deze beleidsregels afwijken.
48
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2 Toewijzing van huurstandplaatsen zonder huisvestingsverordening Als er geen huisvestingsverordening is, maar er zijn wel huurstandplaatsen aanwezig in de betreffende gemeente, dan is het toewijzen van standplaatsen een verantwoordelijkheid van de eigenaar, meestal de woningcorporatie. Veel woningcorporaties hebben in zo’n situatie zelf regels opgesteld voor de toewijzing van vrijkomende standplaatsen. Voorwaarde daarbij is dat corporaties zich houden aan de wettelijke toewijzingsregels met betrekking tot inkomenseisen uit de Woningwet. Er mogen daarnaast voorrangsregels gesteld worden ten aanzien van woonwagenbewoners die afkomstig zijn van de woonwagenlocatie of de gemeente waar de standplaats beschikbaar komt, zolang hierdoor geen verdringing van overige woningzoekenden ontstaat. Praktijkvoorbeelden: toewijzingscriteria standplaatsen (zonder huisvestingsverordening): Toewijzingsregels Woonwagenbeleid Wonen Limburg (2019) 1. volwassen eerstegraads familieleden van bewoners (kinderen of ouders) van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 2. volwassen tweedegraads familieleden van bewoners (bv. broers of zussen) van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 3.
woningzoekenden die wel voldoen aan het afstammingsbeginsel, geen familie zijn van bewoners van de locatie waar de standplaats en/of woonwagen vrijkomt, maar wel inwoner van de betreffende gemeente op volgorde van leeftijd (van oud naar jong). 4. overige woningzoekenden aan de beurt op volgorde van het aanbodmodel (inschrijfduur).
Huurstandplaats en eigen wagen Het voorgaande gaat uit van de relatief eenvoudige situatie waarin sprake is van een huurstandplaats en huurwoonwagen, of een koopstandplaats met koopwoonwagen. Op veel plekken in Nederland bestaat de situatie waarin een koopwoonwagen op een huurstandplaats is gevestigd. In dat geval kan een vrijkomende huurstandplaats alsnog volgens de gebruikelijke (beleids)regels worden toegewezen. De verantwoordelijkheid voor het overnemen van de koopwoonwagen is een verantwoordelijkheid van de persoon die de standplaats krijgt toegewezen. Dit vraagt vaak enige onderhandeling over de prijs. Er zijn situaties bekend waarin gemeente of woningcorporatie de woonwagen bij het opzeggen van de standplaats opkoopt en dan standplaats en woonwagen samen opnieuw verhuurt. De praktische uitwerking van deze optie vergt wel de nodige aandacht. De corporatie (of eventueel de gemeente) zal hiervoor investeringsruimte moeten reserveren. De hoogte hiervan is afhankelijk van de conditie van de woonwagen. Ook zal gekeken moeten worden of de huidige woonwagen voldoet aan alle bouwtechnische en brandveiligheidsvoorschriften en of de plaatsing conform het bestemmingsplan is. Bovendien kan de omzetting van een koop- naar een huurwoonwagen alleen met instemming van de woonwagenbewoner.
Als de nieuwe bewoner een voorkeur heeft voor een koopwagen moet hij/zij in de gelegenheid gesteld worden om een woonwagen te kopen. De aankoop van de woonwagen zelf (en het beheer) is dan de verantwoordelijkheid van de nieuwe bewoner.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
49
Het komt ook voor dat woonwagenbewoners zelf de wens hebben om een bestaande huurwoonwagen te kopen van de verhuurder (bijvoorbeeld de gemeente of woningcorporatie). De verhuurder kan (maar is niet verplicht) hieraan mee te werken, op voorwaarde dat hij daarbij geen onderscheid maakt op basis van ras (bijvoorbeeld als wel in alle omstandigheden aan verkoop van reguliere huurwoningen zou worden meegewerkt en niet bij de verkoop van woonwagens).65 3 Toewijzing koopstandplaatsen Indien er in een gemeente sprake is van vrijkomende koopstandplaatsen is het aan de eigenaar van de standplaats zelf om dit te organiseren. Een huisvestingsverordening is hierop dus niet van toepassing. De standplaats is immers eigendom van de huidige bewoner en hij /zij kan in de basis zelf bepalen aan wie men de standplaats wil verkopen. Hier zit echter een risico aan waardoor veel gemeenten terughoudend zijn om koopstandplaatsen te ontwikkelen. De verkopende partij kan ervoor kiezen om de standplaats te verkopen aan de hoogste bieder, ook als dat geen familielid is of zelfs geen woonwagenbewoner. Zo kan een langjarige inzet om extra standplaatsen te creëren voor de doelgroep woonwagenbewoners in korte tijd weer teniet worden gedaan. Alleen koopstandplaatsen; nog steeds huisvestingstaak gemeente In diverse gemeenten zijn er enkel koopstandplaatsen en -woonwagens aanwezig.
Dit betekent echter niet dat de betreffende gemeente daarmee het voorzien in de woonwagenbehoefte geheel aan de vrije sector kan overlaten. Ook in deze situatie heeft de gemeente een positieve verplichting om goede voorwaarden te scheppen zodat woningzoekenden binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats. Daarvoor moeten woningzoekenden hun behoefte voor een standplaats kenbaar kunnen maken en moet de wachttijd enigszins te vergelijken zijn met de wachttijd voor een sociale huurwoning (of een logische afgeleide daarvan; zie paragraaf 4.6).66 4 Toewijzing nieuwe woonwagens De toewijzing van nieuwe standplaatsen / woonwagens kan grotendeels op dezelfde wijze verlopen als vrijkomende bestaande standplaatsen, zowel bij huur als koop. Toewijzing kan plaatsvinden op het moment dat de woonwagens gereed zijn, of eerder op het moment dat deze in ontwikkeling komen. Het laatste heeft de voorkeur, zodat er een directe relatie is tussen realisatie en afname. Dit vraagt ook potentieel minder voorinvesteringen. 5.2 Beheer woonwagens, standplaatsen en openbare ruimte De verantwoordelijkheid voor het onderhoud en beheer van woonwagens en standplaatsen ligt primair bij de eigenaren. Vaak is dit een woningcorporatie of de eigenaar-bewoner. In sommige gevallen is de gemeente nog eigenaar van woonwagens en/of
65 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummer 2019-11. 66 College voor de Rechten van de Mens: oordeelnummers 2018-90 en 2020-108.
50
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
standplaatsen. Daarnaast hebben verschillende gemeenten en corporaties het beheer overgedragen aan een beheerorganisatie. Herkenbaar en zichtbaar contactpersoon Al te vaak is de ervaring van woonwagenbewoners dat de gemeente alleen in beeld komt als het om handhaving gaat. In deze verschillende eigendoms- en beheersituaties blijft het ook belangrijk dat er vanuit de gemeente zowel ambtelijk als bestuurlijk een contactpersoon voor woonwagenbewoners is. Essentieel voor deze contactpersonen is herkenbaarheid en aanspreekbaarheid. Een reden te meer om deze functie niet uit te besteden. Alleen door zichtbaar aanwezig te zijn kan vertrouwen gewonnen worden en ontstaat een volwassen relatie tussen gemeente en woonwagenbewoners. Dit komt het beheer van woonwagenlocaties ten goede. Ervaringen van gemeenten en woonwagenbewoners zijn hierbij wel dat deze functie bepaalde competenties van de beoogde contactpersoon vraagt: • Directheid en duidelijkheid in de communicatie richting woonwagenbewoners: ja is ja en nee is nee. • Leg mondeling gemaakte afspraken vast; bijvoorbeeld door een schriftelijke of mailbevestiging aan de contactpersoon vanuit de woonwagenbewoners. • Iemand die de verbinding zoekt: voorkomen van wij – zij verhouding. • Wees bewust van de woordkeuze: door een deel van de woonwagenbewoners worden termen als ‘zigeuners’ en ‘kamp’ niet op prijs gesteld.
• Onderhoud het netwerk met woonwagenbewoners: treed niet alleen in contact als er een directe aanleiding is. Ook vanuit het college van B&W is het waardevol een contactpersoon (wethouder) aan te wijzen. Dit is niet de burgemeester, omdat hij/zij in de eerste plaats verantwoordelijk is voor openbare orde en veiligheid. De contactpersonen gaan vooral over dagelijks (normaal) beheer. Deze directe lijnen zorgen ervoor dat zaken snel afgehandeld kunnen worden. Rollen moeten hierbij duidelijk gescheiden zijn. De contactpersonen werken in het algemeen belang voor een goed woon- en leefklimaat op de woonwagenlocaties. Daarbij hebben zij geen handhavingsrol. Wel is het hun verantwoordelijkheid signalen op te kunnen vangen en naar bevinding van zaken daarbij te kunnen handelen. Essentieel is dat ongewenste situaties worden gesignaleerd en ook meteen aangepakt worden. Ook als alle standplaatsen in bezit zijn van de woningcorporatie is het van belang dat er een contactpersoon is binnen de gemeente. In die situatie blijft de gemeente deels verantwoordelijk voor het onderhoud van woonwagenlocaties, namelijk de openbare ruimte. De rol van beheerorganisaties In verschillende gemeenten is het beheer en onderhoud van standplaatsen en woonwagens uitbesteed aan een beheerorganisatie.
Dit gebeurt bijvoorbeeld als gemeenten en/ of woningcorporaties zelf onvoldoende capaciteit in huis hebben om zelf het beheer en onderhoud uit te voeren. Het vergt namelijk enige specifieke vaardigheden en kennis om het beheer goed uit te voeren. Een gespecialiseerde beheerorganisatie kan in zulke situaties de aandacht geven aan passend beheer. Het komt ook voor dat een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
51
beheerorganisatie is ingeschakeld omdat de relaties tussen gemeenten en bewoners teveel verstoord zijn. In den lande zijn goede en minder goede ervaringen met de inzet van beheerorganisaties. Woonwagenbewoners geven soms aan dat met de uitbesteding aan beheerorganisaties het directe contact met de gemeente en/of corporatie zo bewust wordt afgeschermd, terwijl dat rechtstreekse contact met deze partijen wel noodzakelijk is. Ook zijn beheerorganisaties volgens woonwagenbewoners in het verleden soms betrokken geweest bij handhavingsacties, waarbij het niet altijd enkel reguliere onderhouds- en beheertaken betrof. Gemeenten en woningcorporaties dienen daarom een eventuele uitbesteding van het beheer aan een beheerorganisaties zeer zorgvuldig af te wegen en dit ook te bespreken met een vertegenwoordiging van de woonwagenbewoners (al blijft de eigenaar van de standplaatsen, hetzij de gemeente of corporatie, eindverantwoordelijk voor de keuze om al dan niet een beheerorganisatie in te schakelen). Bij een selectie van mogelijke beheerorganisaties is het raadzaam om ervaringen over de betreffende beheerorganisatie bij andere gemeenten, woningcorporaties en woonwagenbewoners in te winnen.
Bovendien is het van belang om ook bij uitbesteding van het beheer een direct aanspreekpunt binnen de gemeente te behouden en betrokken te blijven bij de gang van zaken rondom het beheer van woonwagenlocaties. Bij het opstellen van het contract met de beheerorganisatie is het wenselijk om afspraken te maken over het contact met de woonwagenbewoners en periodieke klanttevredenheidsmetingen. En ook organisatie op locatie Niet alleen vanuit de gemeente is een vaste contactpersoon waardevol, ook vanuit de verschillende woonwagenlocaties. Bijvoorbeeld door het oprichten van een bewonerscommissie of huurdersbelangenvereniging (op grond van de Wet overleg huurders verhuurder, kort aangeduid als overlegwet). Het is zinvol om hierbij ook de inbreng van eigenaren van woonwagens een plek te geven. Hiermee kan bovendien een stem verkregen worden in de prestatieafspraken tussen gemeente, corporatie en huurdersvertegenwoordiging. Meestal zal dat indirect zijn door als bewonerscommissie van een woonwagenlocatie via de huurdersvereniging het belang van de bewoners voor het voetlicht te brengen. Deze verdeling past ook binnen de ordening van de Overlegwet. Het houdt bovendien ook het toch vaak al complexe proces van het maken van prestatieafspraken overzichtelijk. Dit helpt bij snelle en effectieve communicatie tussen gemeente en woonwagenbewoners.
De gemeentelijk contactpersoon kan helpen bij het vormgeven aan deze vertegenwoordiging vanuit de verschillende locaties.
52
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Praktijkvoorbeelden: Organiseren van lokale woonwagenbelangen: Woonwagenbelangen Amsterdam: netwerkorganisatie met aanspreekpunt op elke woonwagenlocatie in de gemeente De verenging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland heeft ook in 2009 het initiatief genomen om tot een belangenorganisatie van woonwagenbewoners in Amsterdam (Woonwagenbelangen Amsterdam) te komen. Woonwagenbelangen Amsterdam vormt nu een netwerkorganisatie met een aanspreekpunt op elke woonwagenlocatie in de gemeente. De belangenorganisatie heeft haar standpunten op papier gezet en treedt periodiek in overleg met de gemeente. Zo heeft Woonwagenbelangen Amsterdam onder andere meebeslist over de opzet van het woonbehoeftenonderzoek – van de opzet van de vragenlijst tot de keuze voor het onderzoeksbureau. Ook praat Woonwagenbelangen Amsterdam mee over het gemeentelijke beleidsstuk over woonwagenbeleid, dat begin 2020 is gepubliceerd.