CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20260917 Verslag Beeldvorming

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 1 oktober 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen verslag van 17 september 20262.626 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

7 alinea's met “beeldvorming”: 1 2 4 6 8 11 13

Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE BEELDVORMENDE VERGADERING d.d. 17 september 2026 (aanvang 20.15 uur). Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op w ww. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw S.J.A. Verdoorn – De Lang, voorzitter; De heer A. Blom (PVV), mevrouw L. Rozendaal – Mampaey (PVV), de heer J. Kwakernaat (VVD), de heer D. Hedayati Sohani (VVD), de heer J. Mulder (CDA), mevrouw M.H. Minasian (CDA), de heer P.C. Grimmius (PRO), mevrouw D. van Gerven (PRO), de heer R. van Hal (D66), de heer A.J. Boersma (SGP), de heer W. Goudriaan (SGP), de heer L. van Houtert (50PLUS), mevrouw E. Anggrainnie-Van Prehn (50PLUS), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer A. Tieleman (PAB), mevrouw A. van Gent (PAB) en mevrouw H.C.T.J. Hoekstra (Fractie Hoekstra). De heer W. Stapel, eigenaar adviesbureau Fonk, inzake agendapunt 04. De heer S. van Die, portefeuillehouder; De heer C.A. van der Duijn Schouten, portefeuillehouder. De heer H. Sepers (plv. griffier); Mevrouw C. Dorn, griffiemedewerkster; Jeanine Nieuwstraten, notulist. 01. Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. 02. Vaststellen agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 03. Vaststellen verslag 10 september 2026. Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld. 04.

Presentatie Papendrechtse Investeringsmonitor (PIM) – beleidsmatig en financieel kader voor investeringen. De heer TIELEMAN vraagt hoe de afschrijvingen worden bepaald, waarop de heer STAPEL aangeeft dat de afschrijvingstermijnen voor investeringsgoederen zijn vastgelegd in de gemeentelijke Nota Waarderen en afschrijven vaste activa. Deze kaders worden door de gemeenteraad vastgesteld, waardoor de raad ook bevoegd is om afschrijvingstermijnen aan te passen. Daarbij wordt wel gekeken naar richtlijnen uit het BBV en naar de werkwijze van andere gemeenten, maar 1 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 het staat gemeenten vrij hiervan af te wijken. Hierbij merkt hij op dat verschillen tussen gemeenten gebruikelijk zijn. Zo hanteren sommige gemeenten voor gebouwen een afschrijvingstermijn van 40 jaar en andere van 60 jaar. Deze verschillen hangen onder meer samen met de lokale situatie, de samenstelling van de gemeente en de inrichting van de infrastructuur. De heer BLOM merkt op dat men vanuit de auditcommissie heeft gevraagd aandacht te besteden aan het slimmer afschrijven en vraagt of de heer Stapel daar nog op terug komt, waarop deze aangeeft dat er kritisch is gekeken naar onder meer de afschrijvingstermijnen. Hij zegt dat tegenwoordig vaak duurzamer wordt gebouwd en gebouwen daardoor langer meegaan dan voorheen.

Als voorbeeld noemt hij voertuigen, die in het verleden in 4 jaar werden afgeschreven, terwijl zij doorgaans langer in gebruik blijven. In de nieuwe nota worden de afschrijvingstermijnen daarom opnieuw beoordeeld. Ook wordt gekeken naar de toepassing van restwaardes als een meer doelmatige wijze van afschrijven. Hierop zal hij later in de presentatie nader ingegaan. De heer BLOM vraagt wanneer men de nieuwe nota kan verwachten, waarop de heer STAPEL aangeeft dat hij dat het voornemen is deze gelijktijdig met de beleidsnota investeringen (PIM) aan de raad aan te bieden, zodat beide documenten in samenhang kunnen worden behandeld en afgewogen. De heer MULDER vraagt naar het onderscheid tussen vervangingsinvesteringen en nieuwe investeringen. Hij wil weten wanneer sprake is van vervanging en wanneer van een nieuwe investering, bv. bij de aanleg van een nieuwe school of de vervanging van een bestaande weg. De heer STAPEL legt uit dat vervangingsinvesteringen betrekking hebben op het vervangen van bestaande voorzieningen op basis van de middelen die daarvoor gedurende de levensduur zijn gereserveerd. Wanneer bij vervanging sprake is van een hogere ambitie of uitbreiding, bv. een bredere weg met extra voorzieningen zoals een fietspad, wordt het deel dat gelijkstaat aan de oorspronkelijke voorziening als vervangingsinvestering beschouwd.

De extra kosten die voortvloeien uit de uitbreiding of kwaliteitsverbetering worden aangemerkt als nieuw beleid of een nieuwe investering. Beide financieringsbronnen kunnen daarbij worden gecombineerd. Na realisatie wordt de investering opgenomen in de reguliere cyclus voor toekomstige vervanging. De heer BLOM vraagt hoe wordt omgegaan met herwaardering van gemeentelijke bezittingen, zoals panden en gronden, waarvan de marktwaarde in de loop der tijd stijgt. Hij wil weten of dergelijke waardestijgingen worden meegenomen bij het bepalen van restwaardes of afschrijvingstermijnen. 2 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 De heer STAPEL antwoordt dat herwaardering van activa niet is toegestaan om meer financiële ruimte in de begroting te creëren. Volgens de BBV-regels kan een gestegen marktwaarde van bv. een pand niet worden gebruikt om de boekwaarde aan te passen en daarmee de afschrijvingslasten te beïnvloeden. Bij nieuwe investeringen wordt uitgegaan van de op dat moment geldende boekwaarde van het betreffende kapitaalgoed. Het verhogen van de boekwaarde van bestaande activa om deze vervolgens over een andere termijn af te schrijven, is boekhoudkundig niet toegestaan. Hierdoor worden waardestijgingen van gemeentelijke bezittingen niet ingezet om de begroting te verruimen.

De heer VAN HOUTERT vraagt hoe afschrijvingen zich verhouden tot de financiering van investeringen. Hij merkt op dat investeringen samenhangen met zowel aflossing als rente en vraagt of afschrijvingen feitelijk leiden tot jaarlijkse schuldafbouw of dat middelen worden gereserveerd om later de investering te kunnen vervangen. De heer STAPEL legt uit dat afschrijvingen en rentekosten samen de jaarlijkse lasten van activa vormen, maar dat deze losstaan van de wijze waarop de investering wordt gefinancierd. Bij een investering, bv. in een weg, worden afschrijvingslasten verantwoord omdat het bezit jaarlijks in waarde afneemt. De financiering daarvan vindt echter meestal plaats via grotere gemeentelijke leningen en niet via een afzonderlijke lening per investering. De kosten van rente en financiering worden binnen de treasury functie verantwoord. In de jaarrekening zijn daarom enerzijds de afschrijvingslasten zichtbaar als kosten van het gebruik van het actief en anderzijds de rentekosten die samenhangen met de aangetrokken leningen. Deze twee onderdelen staan financieel gezien los van elkaar. De heer VAN HOUTERT vraagt of afschrijvingen en financiering 1 op 1 aan elkaar gekoppeld zijn, of dat investeringen worden verwerkt binnen een bredere financiële systematiek waarbij de lasten toenemen wanneer extra investeringen worden gedaan.

De heer STAPEL antwoordt dat afschrijvingen en leningen niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In sommige gevallen kan worden gekozen voor projectfinanciering, waarbij specifiek voor een investering een lening wordt afgesloten, maar ook dan lopen de lening en de afschrijvingslasten afzonderlijk van elkaar. Ter verduidelijking vergelijkt hij dit met een woning en een hypotheek: de kosten voor onderhoud en investeringen in de woning, zoals het periodiek schilderen van kozijnen, staan los van de hypotheekschuld. Op dezelfde manier worden afschrijvingen op gemeentelijke investeringen afzonderlijk behandeld van de financiering daarvan. Hierdoor leidt een uitbreiding van investeringen tot hogere lasten, maar niet via een directe koppeling tussen afschrijving en lening. 3 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 De heer MULDER vraagt of de heroverweging van afschrijvingstermijnen en restwaardes uitsluitend wordt ingegeven door financiële druk en de behoefte om kosten te verlagen, of dat er ook andere motieven zijn. De heer STAPEL antwoordt dat circulariteit en duurzaamheid juist de belangrijkste drijfveren vormen. Hij licht toe dat materialen uit gebouwen in toenemende mate kunnen worden hergebruikt, terwijl grondstoffen schaarser worden.

Door bij de bouw en sloop van gebouwen rekening te houden met hergebruik van materialen, kan een restwaarde ontstaan die voorheen vaak ontbrak. Deze ontwikkeling wordt volgens hem vooral gestimuleerd vanuit de bouwsector en niet primair vanuit een financieel perspectief. Als voorbeeld noemt hij dat circulair hergebruikt hout soms aantrekkelijker kan zijn dan nieuw materiaal. Verder geeft hij aan dat inmiddels landelijke methoden beschikbaar zijn om restwaardes bij circulair bouwen beter te bepalen. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om bij specifieke projecten voorzichtig rekening te houden met restwaarde. Hij merkt echter op dat gemeenten hier terughoudend mee moeten omgaan en dat het niet de bedoeling is om standaard restwaardes toe te passen. De nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen in de herziening van de Nota Waarderen en afschrijven, waarbij de raad wordt geïnformeerd over de mogelijkheden zonder dat hierover al een definitieve keuze wordt voorgesteld. De heer BLOM vraagt hoe de raad inzicht krijgt in de informatie uit de PIM en hoe deze voor raadsleden zichtbaar en toegankelijk wordt gemaakt. De heer STAPEL zegt dat vanuit FONK wordt geadviseerd om de PIM onderdeel te maken van de Perspectiefnota. Hierdoor kan de raad aan de voorkant een integrale afweging maken over de investeringen die voor het komende jaar worden voorzien.

De PIM moet daarbij een expliciet besluitvormingsmoment bieden, waarna de investeringen verder worden uitgewerkt in de begroting. Naar aanleiding hiervan vraagt de heer BLOM (de zittende raad) hoe investeringsbesluiten in het verleden werden behandeld en of deze onderwerpen destijds niet al zichtbaar werden gemaakt en besproken in de raad. Mevrouw STIGTER zegt dat de financiële cijfers wel onderdeel waren van de Perspectiefnota, maar dat daarin minder duidelijk zichtbaar was welk deel betrekking had op investeringen en welk deel op afschrijvingen. De raad stelde de Perspectiefnota vast, maar beschikte niet over een afzonderlijk en helder overzicht van de investeringen. De heer STAPEL geeft aan de uitdaging te zien om deze informatie voortaan duidelijker en inzichtelijker aan de raad te presenteren. De heer VAN HOUTERT informeert naar het begrip restwaarde en hergebruik van materialen en vraagt hoe dit zich verhoudt tot de afschrijvingstermijn van een gebouw of parkeergarage. Hij vraagt of er niet automatisch een restwaarde ontstaat wanneer een object bijvoorbeeld 60 jaar meegaat, maar in 40 jaar wordt afgeschreven, en of dit financiële ruimte oplevert. De heer STAPEL zegt dat 4 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 restwaarde in dit verband een boekhoudkundig begrip is.

Het gaat om de waarde die een object aan het einde van de economische levensduur mogelijk nog vertegenwoordigt, bijvoorbeeld vanwege herbruikbare materialen. Daarbij maakt hij onderscheid tussen de marktwaarde van een object en de boekwaarde. De afschrijving is bedoeld om de gebruikskosten van een investering gedurende de levensduur gelijkmatig over de jaren te verdelen. Gemeenten gingen er traditioneel vaak vanuit dat activa aan het einde van de afschrijving geen waarde meer hadden, terwijl tegenwoordig steeds meer aandacht bestaat voor hergebruik van materialen en mogelijke restwaarde. N.a.v. een vervolgvraag van de heer VAN HOUTERT merkt de heer STAPEL op dat het vervroegd afschrijven van een object geen financieel voordeel oplevert. Wanneer een object dat 60 jaar meegaat in 40 jaar wordt afgeschreven, stijgen juist de jaarlijkse lasten. Daarom is het volgens hem belangrijk dat de afschrijvingstermijn zo goed mogelijk aansluit bij de werkelijke levensduur van het object. Als een gebouw naar verwachting 40 jaar meegaat, is het onverstandig om het over 60 jaar af te schrijven, omdat dan nog boekwaarde resteert op het moment dat opnieuw moet worden geïnvesteerd. De heer VAN HOUTERT concludeert dat het verkorten van de afschrijvingstermijn geen voordeel oplevert.

De heer STAPEL zegt dat het uitgangspunt moet zijn om per object zorgvuldig te bepalen wat de werkelijke levensduur is en vervolgens te beoordelen of aan het einde van die levensduur een reële restwaarde kan worden toegekend binnen de geldende boekhoudkundige regels. De heer MULDER vraagt op welke manier de rentelasten worden meegenomen bij investeringsafwegingen. Hij merkt op dat de actuele rente grotendeels bekend is en vraagt welke rol deze factor speelt binnen het proces van de kapitaallasten. De heer STAPEL antwoordt dat de rente die wordt toegerekend aan kapitaallasten jaarlijks wordt bepaald op basis van de bestaande leningenportefeuille van de gemeente. Daarbij wordt bekeken hoe de rente op de leningen zich verhoudt tot de gehanteerde rekenrente. De hoogte van deze rekenrente kan jaarlijks worden aangepast en is afhankelijk van de samenstelling en rentelasten van de leningenportefeuille. Hierdoor lag de rekenrente in perioden met hogere marktrentes hoger dan in de huidige situatie, waarin de rente doorgaans lager is. Op een vervolgvraag van de heer MULDER over de rol van de PIM bij dit onderwerp merkt de heer STAPEL op dat de PIM niet zozeer naar de rente kijkt, maar wel naar de schuldquote van de gemeente. Deze wordt betrokken bij de afweging of nieuwe investeringen financieel verantwoord zijn.

Wanneer de schuldquote een vooraf vastgestelde grens nadert, kan dat aanleiding zijn om investeringen te faseren of uit te stellen. Daarbij speelt ook het overleg met de provinciale toezichthouder een rol om te beoordelen wat financieel verantwoord en toegestaan is. 5 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 Mevrouw HOEKSTRA vraagt welke rol de heer Stapel heeft bij de PIM en of hij vooral adviseert of ook verantwoordelijk is voor de uitvoering. De heer STAPEL zegt dat de adviezen samen met de organisatie worden opgesteld. De invoering van de PIM gebeurt door de organisatie zelf, waarbij medewerkers actief worden betrokken. Zijn rol is vooral adviserend en ondersteunend. Hij vindt het belangrijk dat de werkwijze wordt gedragen door de organisatie, het college en de raad. Daarom wordt stap voor stap gewerkt aan een praktische methode die door alle betrokkenen gebruikt kan worden. De heer BLOM vraagt of deze werkwijze ook wordt toegepast binnen de gemeenschappelijke regelingen waarmee de gemeente samenwerkt, zodat investeringen daar op dezelfde manier inzichtelijk worden. De heer STAPEL weet niet of de PIM of een vergelijkbare methode binnen de gemeenschappelijke regelingen wordt gebruikt. Daarop merkt BLOM op dat hij hierin een uitdaging ziet voor de wethouder om hiervoor aandacht te vragen.

Mevrouw VAN DER DUSSEN, controller van de gemeente Papendrecht, geeft aan dat de gemeenschappelijke regelingen niet zoveel investeringen schijnen te hebben. (De heer BLOM zegt dat hij daarover dan nog wat huiswerk heeft te doen.) De heer BLOM vraagt of in de voorgestelde aanpak ook invulling wordt gegeven aan een eerdere aanbeveling van de raad om verder vooruit te kijken dan de gebruikelijke periode van 4 jaar, zodat de financiële effecten op langere termijn beter inzichtelijk worden. De heer STAPEL bevestigt dat dit onderdeel uitmaakt van de PIM-systematiek. Naast de reguliere planning wordt gewerkt met een Lange Termijn Investeringsplanning (LTIP) en een Middellange Termijn Investeringsplanning (MTIP). Deze instrumenten helpen de organisatie om investeringen niet alleen voor de komende 4 jaar, maar ook voor een periode tot 10 jaar vooruit inzichtelijk te maken. Beheersplannen kijken in sommige gevallen zelfs nog verder vooruit. Volgens de heer STAPEL maakt deze langetermijn- benadering het mogelijk om toekomstige investeringspieken en -dalen tijdig te signaleren en beter te spreiden. De heer MULDER vraagt de heer Stapel hoe groot hij de opbrengsten, afgezet tegen de kosten, inschat van de inzet van FONK voor de gemeente. De heer STAPEL geeft aan dat hij daar geen concreet antwoord op kan geven.

Wel ziet hij de Papendrechtse Investeringsmonitor (PIM als een waardevol instrument. Op basis van eerdere ervaringen, onder meer bij de gemeente Rotterdam, verwacht hij dat de PIM meer inzicht en betere afwegingen rond investeringen mogelijk maakt. Volgens hem is de PIM niet bedoeld om ambities af te remmen, maar om ervoor te zorgen dat ambities op een verantwoorde manier kunnen worden gerealiseerd. Hij benadrukt dat er binnen de organisatie voldoende ambities zijn, maar dat tegelijkertijd scherpe keuzes nodig zijn om financieel gezond te blijven. 6 Besluitenlijst Beeldvorming van 17 september 2026 Hij hoopt dat de PIM zal bijdragen aan meer overzicht en betere besluitvorming over investeringen binnen de gemeente. De heer BLOM vraagt of andere Drechtstedengemeenten al ervaring hebben met een vergelijkbaar systeem als de PIM, zodat van hun ervaringen kan worden geleerd. De heer STAPEL antwoordt dat de aanpak die in Papendrecht is ontwikkeld inmiddels ook wordt toegepast in Dordrecht. Daar is in juni gestart met een vergelijkbaar traject, dat volgens hem positief is ontvangen. De gemeente bevindt zich echter nog in de beginfase van de implementatie en werkt momenteel aan de verdere uitwerking. Op dit moment ligt het voorstel daar ter bespreking bij de collegeconferentie. Niets meer aan de orde zijnde dankt de VOORZITTER de heer Stapel en sluit zij dit agendapunt. 05. Sluiting.

Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 21.12 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 2026. De heer H. Sepers Mevrouw S.J.A. Verdoorn – De Lang (plv. griffier) (voorzitter) 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1396/documents/18680