CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20260625 Verslag Oordeelsvorming

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 17 september 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen verslag van oordeelsvormende raad van 25 juni 20268.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE OORDEELSVORMENDE VERGADERING d.d. 25 juni (aanvang 20.300 uur) Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op w ww. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw T.C. van Es, voorzitter; De heer A. Blom (PVV), de heer s. Visser (PVV), de heer D. Stouthart (VVD), de heer M. Aarnoudse (VVD), de heer R. Lammers (OP), de heer J.G.S. van der Tak (OP), de heer J. Mulder (CDA), mevrouw M. Minasian (CDA), mevrouw C.W. Libert-Boogaard (PRO) (tot 21.50 uur), de heer P.C. Grimmius (PRO)(vanaf 21.50 uur), mevrouw D. van Gerven (PRO), de heer N. van Heteren (D66), de heer A.J. Boersma (SGP), de heer L. Donk (SGP), de heer L. van Houtert (50Plus), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer M. Verhoeven (CU), de heer A. Tieleman (PAB) en mevrouw A. van Gent (PAB). Mevrouw M.J.M. van Driel, burgemeester; De heer J.L. van Erk, portefeuillehouder; De heer J.W. van der Borg, portefeuillehouder. Mevrouw C. Madern, griffier; De heer H. Sepers, plv. griffier; Jeanine Nieuwstraten, notulist. 01. Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. 02. Vaststellen agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 03. Mededelingen. Er zijn verder mededelingen. 04. Vaststellen verslag 18 juni 2026. Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld. 05. Vragenkwartier. Er zijn geen vragen. 06.

Ingekomen stukken. De commissie adviseert aansluitend de onderhavige stukken door te leiden naar de gemeenteraad. 1 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 07. Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers. 08. Nieuw SROI-beleid en pilots 2026/2028. Mevrouw LIBERT vindt het positief dat er gewerkt wordt aan beleid waarin SROI niet alleen een administratieve verplichting is, maar daadwerkelijk bijdraagt aan maatschappelijke doelen zoals bestaanszekerheid, inclusie en duurzaamheid. Zij vraagt waarom het na de evaluatie in 2024 zo lang heeft geduurd voordat er nu een plan ligt. Ook waardeert zij dat er aandacht is voor nuggers (niet- uitkeringsgerechtigden) en vraagt zij hoe het college deze groep, omdat deze doelgroep in het verleden minder werd bereikt, actief wil benaderen. Daarnaast vraagt zij welke doelgroep prioriteit krijgt: mensen in de bijstand of nuggers. Hoewel het financieel logisch lijkt om mensen met een uitkering voorrang te geven, vindt mevrouw LIBERT dat beide groepen even belangrijk zijn. Voor haar fractie staat duurzame zelfredzaamheid en structurele uitstroom naar werk centraal. Verder zegt zij dat re-integratie en SROI volgens de Participatiewet geen reguliere banen mogen verdringen. Zij roept ambtenaren op hier goed op te letten.

Ze merkt op dat nog niet duidelijk is hoe er gestuurd wordt op het hoofddoel, namelijk het begeleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar werk. Alleen via een brief sturen vindt zij onvoldoende, dit moet eerst duidelijk uitgewerkt zijn voordat de pilot start. Mevrouw LIBERT vindt het positief dat duurzaam verantwoorde inkoop is opgenomen, maar zegt dat het hoofddoel -het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt- leidend moet blijven. Ze wil voorkomen dat bedrijven hun verplichtingen afkopen door alleen voor de makkelijkste opties te kiezen en pleit daarom voor een menukaart die inzet op een combinatie van mogelijkheden i.p.v. keuzes die elkaar uitsluiten. Tot slot geeft zij aan dat er goede ambities liggen en dat deze tot mooie initiatieven kunnen leiden, mits er voldoende wordt gestuurd en bijgestuurd. Haar fractie steunt het nieuwe beleidskader, de menukaart en het convenant Social Return on Investment. Ook kan zij instemmen met de pilot, onder voorwaarde dat er voldoende tussentijdse evaluatiemomenten zijn en dat actief wordt gemonitord op het creëren van extra banen en werkervaringsplekken. De heer BLOM geeft aan dat in de stukken meerdere keren een maatschappelijke waarde van 33 miljoen wordt genoemd en vraagt hoe deze exact wordt berekend.

Het komt op hem nogal cosmetisch en mathematisch over en hij vraagt wat de achterliggende spelregels en businessregels hiervoor zijn. Daarnaast vraagt hij hoe voorkomen kan worden dat ondernemers kiezen voor i.p.v. het creëren van werkplekken. Hij merkt op dat er veel werkgevers zijn die geen geschikte werkplekken kunnen bieden en benadrukt dat het belangrijk is om vanuit de sociale rol te kijken hoe dit maximaal gestimuleerd kan worden. M.b.t. de pilot vraagt de heer BLOM welke criteria worden gehanteerd om te bepalen 2 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 wanneer de pilot geslaagd is. Ook vraagt hij wanneer het go/no-go moment plaatsvindt om te besluiten of er wel of niet wordt doorgegaan, en met wie en onder wiens regie dat besluit wordt genomen. Tot slot vraagt de heer BLOM waarom wordt voorgesteld het beleid ongewijzigd vast te stellen. Dit wekt volgens hem de indruk dat er mogelijk iets in verborgen zit en hij vraagt om een nadere toelichting hierop. De heer DONK geeft aan dat hij onlangs met zijn campagnecommissie heeft gegeten bij pannenkoekenrestaurant Fritella, waar mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werken. Hij zegt dat zij daar vriendelijk zijn bediend en dat dit wat hem betreft een goed voorbeeld is van hoe SROI in de praktijk kan werken.

Voor de SGP-fractie is het belangrijk dat de gemeente ondernemers stimuleert om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Dit moet eenvoudiger worden, zodat ook zij kunnen meedoen in de samenleving. Volgens de heer DONK kan het nieuwe SROI-beleid hieraan bijdragen, omdat in het voorstel staat dat ondernemers meer toegevoegde waarde ervaren en minder administratieve verplichtingen krijgen. Hij geeft verder aan signalen te horen van ondernemers dat de begeleiding vanuit de sociale dienst soms als een keurslijf wordt ervaren. Daardoor kiezen bedrijven er soms voor om met andere gemeenten samen te werken, wat hij een gemiste kans vindt. Ook zegt hij dat de samenwerking met de sociale dienst niet altijd optimaal verloopt en dat wisselende contactpersonen als belemmerend worden ervaren. Hij vraagt of de wethouder deze signalen herkent en wat eraan gedaan wordt om dit te verbeteren. Verder vraagt de heer DONK of de wethouder van mening is dat Papendrecht SROI voldoende stimuleert en hoe het staat met de bekendheid van regelingen en subsidies onder lokale ondernemers. Tot slot geeft hij aan dat het verbeteren van de dienstverlening en informatievoorziening richting ondernemers kan bijdragen aan een win-winsituatie voor bedrijven, maatschappelijke organisaties en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Het voorstel kan daarom rekenen op de steun van de SGP-fractie. De heer VAN DER TAK geeft aan dat zijn fractie positief is over het beleid. Hij merkt op dat er al veel is gezegd over monitoring en dat dit in de praktijk vaak lastig blijkt. Volgens hem wordt beleid aan de voorkant vastgesteld, maar wordt tussentijds soms onvoldoende geëvalueerd of blijkt later dat het niet goed werkt. Hij geeft daarom mee dat tussentijdse monitoring van groot belang blijft. Daarnaast wijst hij, met het oog op de komende bespreking van de perspectiefnota, erop dat er al vooruitlopend daarop dekking wordt gezocht binnen de taakmutatie maatschappelijke ondersteuning. Hij merkt op dat deze dekking ook voorkomt in de ombuigvoorstellen en vraagt hoe andere fracties hiertegen aankijken: of dit al vóór vaststelling van de perspectiefnota wenselijk is, of juist daarna. Verder vraagt hij het college hoe zij hiertegen aankijken, gezien 3 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 het feit dat de taakmutatie 200.000 euro bedraagt en in de ombuigcatalogus 40.000 euro hiervan ingezet zou kunnen worden. Tegelijk is er ongeveer 13.000 euro nodig om de pilot te bekostigen, waardoor er minder ruimte overblijft voor andere financiële opgaven.

Tot slot vraagt de heer VAN DER TAK hoe het komt dat de stukken al van eind januari dateren, terwijl de raad deze nu pas behandelt en de inwerkingtreding voorzien is voor eind van het tweede kwartaal. De heer VAN HETEREN geeft aan dat de D66-fractie de meerwaarde ziet van Social Return on Investment (SROI) en het belangrijk vindt dat grote aanbestedingen ook maatschappelijke impact opleveren. Hij zegt dat de uitbreiding van de menukaart enerzijds positief kan zijn, omdat dit bedrijven kan stimuleren om sneller te investeren in de samenleving. Tegelijkertijd ziet hij dat er een breed palet aan mogelijkheden ontstaat en dat dit ook zorgen oproept. Hij vraagt zich af of alle investeringen uiteindelijk bijdragen aan de gewenste maatschappelijke impact, of dat bedrijven de makkelijkste route kiezen waardoor het doel voorbijgeschoten wordt. Hij vraagt het college welke afwegingen hierin worden gemaakt en hoe wordt voorkomen dat de pilot het doel voorbijschiet. Daarnaast geeft de heer VAN HETEREN aan dat het voor zijn fractie lastig is om prioriteiten te stellen binnen de menukaart, omdat deze breed is en veel mogelijkheden biedt. Volgens hem is het afhankelijk van de specifieke aanbesteding welke keuzes passend zijn. T.a.v. de perspectiefnota merkt hij op dat de vraag van de OP-fractie terecht is.

Hij geeft aan dat zijn fractie het ook ziet als een investering: hoewel er aan de voorkant kosten zijn, kan dit juist leiden tot maatschappelijk rendement en mogelijk lagere kosten in het sociaal domein op de langere termijn. Hij geeft aan dat dit rendement naar verwachting groter is dan de initiële investering. Tot slot geeft de heer VAN HETEREN aan dat nog bekeken moet worden of deze post onderdeel is van het oorspronkelijke ombuigingsvoorstel en of deze daar mogelijk uit gehaald moet worden. De heer TIELEMAN zegt dat zijn fractie het een positief uitgangspunt vindt dat gemeentelijke opdrachten niet alleen gaan over het leveren van diensten of producten, maar ook bijdragen aan kansen voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Hij zegt dat hij bekend is met SROI en hier in de praktijk ook mee werkt. Daarbij vindt hij het belangrijk om te kijken naar wat SROI daadwerkelijk oplevert. Omdat het een contractuele verplichting is voor leveranciers, is het volgens de heer TIELEMAN van belang om inzicht te hebben in de resultaten die worden verwacht en behaald. Hij noemt daarbij concreet het aantal mensen dat daadwerkelijk participeert, aan het werk gaat, een stageplek krijgt of een leerplek kan volgen, omdat dat het doel van SROI is.

Daarnaast benadrukt hij dat het belangrijk is om te controleren of de gemaakte afspraken ook daadwerkelijk worden nagekomen, juist omdat het om contractuele verplichtingen gaat. Hij geeft aan dat SROI, wanneer het goed wordt toegepast, 4 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 een waardevolle bijdrage kan leveren aan participatie, werkgelegenheid en een inclusieve samenleving. Zijn fractie ziet daarom uit naar de beantwoording van de vragen over de verwachtingen en resultaten. Tot slot vraagt de heer TIELEMAN wat SROI concreet oplevert voor Papendrecht. Omdat het om centrale inkoop gaat, wil hij weten hoe de verdeling is en in hoeverre Papendrechtse inwoners daadwerkelijk profiteren van de kansen die hierdoor ontstaan. Mevrouw MINASIAN geeft aan dat haar fractie met gemengde gevoelens naar het voorstel heeft gekeken. De eerste reactie was kritisch, omdat het opnieuw extra aandacht, inzet en mogelijk geld vraagt voor de GR Sociaal, terwijl de raad tegelijkertijd spreekt over een stevige taakstelling voor diezelfde organisatie. Zij benadrukt echter dat, wanneer alleen naar dat financiële aspect wordt gekeken, het onderwerp tekort wordt gedaan. Volgens mevrouw MINASIAN gaat het uiteindelijk om mensen die moeite hebben om mee te komen, onzeker zijn over hun bestaanszekerheid en niet vanzelfsprekend hun plek vinden op de arbeidsmarkt en in de samenleving.

Zij geeft aan dat SROI voor deze groep bedoeld is: niet als administratieve verplichting, maar om mensen weer perspectief te bieden en mee te laten doen in de samenleving. Zij zegt dat dit aansluit bij de waarden van het CDA, zoals menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid en omzien naar elkaar. De regionale Smart Delta- Drechtsteden verwoordt dat mooi met ‘niet vinken maar vonken’. Tot slot geeft mevrouw MINASIAN aan dat de CDA-fractie de tweejarige pilot wil steunen, wel met een kritische blik op de uitvoering, kosten en resultaten. Daarbij benadrukt zij dat de waarde van dit beleid niet alleen in geld is uit te drukken, maar juist ook in kansen, waardigheid en betrokkenheid. Mevrouw STIGTER geeft aan dat zij het nieuwe SROI-beleid heeft gelezen, maar eerst niet begreep wat het precies inhoudt. Zij zegt dat het gaat om sociaal effectief investeren, gericht op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zodat zij weer mee kunnen doen in de samenleving. Zij benadrukt dat het daarbij niet alleen gaat om betaald werk of het uitstromen uit een uitkering, maar ook om een waardevol bestaan, zoals dagbesteding en zingeving. Het gaat er volgens mevrouw STIGTER om dat mensen mee tellen en van betekenis zijn in de samenleving. Net als andere fracties merkt zij op dat het beleid erg breed is opgezet.

Zij vraagt zich af of de doelen niet scherper geformuleerd hadden kunnen worden, zodat duidelijker wordt waar de focus de komende 2 jaar op ligt. Volgens haar zou een gerichtere aanpak effectiever zijn, zeker gezien de beperkte capaciteit. Daarnaast vindt mevrouw STIGTER het belangrijk dat er goed geëvalueerd wordt. Hoewel evaluatie vaker wordt genoemd, benadrukt zij dat dit beter mogelijk is wanneer de doelen concreter zijn vastgesteld. Zij verwijst daarbij ook naar informatie van de GR Sociaal en geeft aan dat zij dit graag duidelijker terugziet in het beleid. Vervolgens vraagt zij naar het genoemde bedrag van 33 5 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 miljoen, omdat niet duidelijk is hoe dit tot stand is gekomen. Tot slot geeft zij aan dat haar fractie het nuttig vindt om als Papendrecht mee te doen en te investeren in mensen en de samenleving. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN ERK merkt op dat hij halverwege de woordvoering is binnengekomen en mogelijk niet alle vragen heeft meegekregen. Hij zegt dat in het nieuwe beleid het uitgangspunt ‘niet vinken maar vonken’ centraal staat, oftewel ondernemen met impact. Het bestaande SROI-beleid wordt vernieuwd en verbreed, maar de basis blijft het begeleiden van mensen uit de doelgroep van de participatiewet naar werk en uitstroom uit de uitkering.

Dit is volgens hem ook expliciet benoemd in de bijbehorende conceptbrief. De wethouder geeft aan dat de menukaart ondernemers meer flexibiliteit biedt en beter aansluit op de arbeidsmarkt. Voor de pilot wordt uitgegaan van een gemeentelijke bijdrage van ca. 2 keer 12.000 euro in de komende 2 jaar. De dekking komt uit de reserve taakmutaties, waarin middelen beschikbaar zijn voor innovatie en transformatie in het sociaal domein. Dit wordt na besluitvorming verder verwerkt in de reguliere P&C-cyclus. M.b.t. de vragen over monitoring geeft hij aan dat dit een belangrijk aandachtspunt is. Omdat het om een pilot gaat, moet goed gevolgd en geëvalueerd worden of het beleid werkt en of de gewenste resultaten worden behaald. Hij zegt toe dit ook bestuurlijk onder de aandacht te brengen binnen de GR Sociaal, zodat evaluatiemomenten goed worden ingebouwd. T.a.v. de berekening van de maatschappelijke waarde van ca. 33 miljoen euro zegt de wethouder dat dit gebaseerd is op het totale beïnvloedbare inkoopvolume van de deelnemende gemeenten. Over dit bedrag wordt een percentage SROI berekend, wat leidt tot de genoemde waarde. Hij geeft aan dat een nadere, technische toelichting hierop schriftelijk zal worden aangeleverd. M.b.t. de tijd tussen de evaluatie en het voorstel geeft hij aan dat de evaluatie medio 2025 is vastgesteld en dat het voorstel daarna is uitgewerkt.

Door de verkiezingen heeft het proces vertraging opgelopen, maar de beoogde ingangsdatum ligt rond half juli. M.b.t. de vraag over nuggers (niet uitkeringsgerechtigden) geeft de wethouder aan dat er geen prioriteit is tussen nuggers en bijstandsgerechtigden. Beide groepen zijn belangrijk en nuggers vormen een onbenut arbeidspotentieel. Zij kunnen zich melden bij het werkcentrum of via lokale signalen worden doorgeleid. Op de vraag hoe wordt gestuurd op het creëren van werkplekken in plaats van donaties geeft hij aan dat dit in overleg gebeurt en dat in de brief aandacht wordt gevraagd voor duidelijke criteria en een go/no-go moment. Tot slot zegt de wethouder dat wordt gevraagd het beleid ongewijzigd vast te stellen omdat het om een regionaal kader gaat, waarbij uniformiteit tussen gemeenten van belang is, zeker in een pilotfase. Ook geeft hij aan dat signalen over knelpunten in de 6 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 begeleiding bij de sociale dienst bekend zijn en dat hier al stappen in worden gezet om dit te verbeteren. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE Mevrouw LIBERT vraagt nogmaals naar de tijd tussen de evaluatie in 2024 en het moment waarop het plan nu voorligt. De VOORZITTER vraagt haar vervolgens of zij van plan is om een amendement op de brief in te dienen. Mevrouw LIBERT geeft aan dat zij dit zal overwegen.

De heer DONK vraagt of de wethouder de signalen herkent van ondernemers over de samenwerking met de sociale dienst Drechtsteden en de regio. De heer TIELEMAN merkt op dat het waardevol zou zijn als bij de evaluatie concreet inzicht wordt gegeven in de resultaten. Hij noemt daarbij specifiek het aantal mensen dat daadwerkelijk is geholpen, zowel binnen de Drechtsteden als voor Papendrecht afzonderlijk. Volgens hem bieden dergelijke cijfers meer inzicht in de effectiviteit van het beleid. TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN ERK geeft m.b.t. de tijd tussen de evaluatie en het voorstel aan dat de evaluatie medio 2025 is vastgesteld en dat het voorstel daarna is uitgewerkt en in februari naar de gemeente is gestuurd. Door de verkiezingen is er vertraging ontstaan, waardoor vaststelling nu voorzien is op 15 juli, mits de processen goed verlopen. T.a.v. het ongewijzigd vaststellen van het beleid geeft wethouder VAN ERK aan dat het woord ‘moeten’ mogelijk te zwaar is, maar dat het gaat om een gezamenlijk regionaal kader. In de pilotfase is het volgens hem belangrijk om met alle gemeenten vanuit hetzelfde uitgangspunt en met dezelfde menukaart te werken, zodat de uitvoering werkbaar blijft en de resultaten goed gevolgd en geëvalueerd kunnen worden. Daarbij blijft er ruimte voor de raad om via de brief accenten mee te geven.

In reactie op de vraag van de heer Donk geeft wethouder VAN ERK aan dat hij deze signalen niet direct uit eigen praktijk heeft ontvangen, maar wel herkent uit stukken en bestuurlijke gesprekken. Daaruit bleek dat het eerdere systeem als te massief en te veel als een keurslijf werd ervaren en onvoldoende aansloot bij de wensen van ondernemers. De verbreding van het beleid komt volgens hem dan ook voort uit de behoefte om meer flexibiliteit te bieden. Tot slot gaat wethouder VAN ERK in op de vraag van de heer Tieleman over inzicht in resultaten. Hij zegt dat het belangrijk is om bij de evaluatie niet alleen algemeen te rapporteren, maar juist concreet te maken wat het oplevert. Daarbij noemt hij het aantal mensen dat aan werk is geholpen of op andere manieren heeft kunnen participeren, en dat deze resultaten zo concreet 7 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 en meetbaar mogelijk moeten worden teruggekoppeld, ook specifiek voor Papendrecht. De VOORZITTER concludeert dat de wethouder eerder heeft toegezegd om binnen de GR Sociaal aandacht te vragen voor een goede inbedding van de evaluatie. Zij vult aan dat daarbij nu ook expliciet is aangegeven dat deze evaluatie concreet en meetbaar moet zijn. Daarnaast merkt zij op dat nog schriftelijke beantwoording volgt op technische vragen, met name over de berekening van de 33 miljoen.

Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken (in principe) als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. (Mocht de PRO-fractie -binnen 5 dagen- een amendement indienen worden de stukken doorgeleid als bespreekstuk.) (Schorsing 21.15 – 21.30 uur) 09. Subsidieplafonds 2027. Mevrouw STIGTER zegt dat het goed is dat het subsidieplafond 2027 wordt vastgesteld, omdat veel activiteiten en doelen zonder subsidies niet gerealiseerd kunnen worden. Haar fractie heeft nagedacht over wat men in Papendrecht wil bevorderen, zoals het versterken van het welzijn en de samenleving. Volgens haar is zichtbaar dat veel subsidies hier ook daadwerkelijk op gericht zijn, wat zij positief vindt. Tegelijkertijd vraagt zij aandacht voor de effectiviteit van de besteding van deze middelen. Zij vraagt hoe wordt gekeken naar de resultaten van subsidies en of zichtbaar wordt wat het oplevert. Daarbij noemt zij de ontwikkelingen in het sociaal domein en de jeugdzorg, waar vaker wordt ingezet op groepsaanbod in plaats van individuele trajecten, en vraagt zij of dit ook terug te zien is in de subsidieverdeling. Daarnaast vraagt mevrouw STIGTER of het college nog steeds actief kijkt naar landelijke en Europese subsidies die kunnen bijdragen aan het versterken van de samenleving. Verder benadrukt ze dat de samenleving niet zonder subsidies en vrijwilligers kan.

Zij spreekt waardering uit voor initiatieven vanuit de samenleving, zoals het beschikbaar stellen van een koele plek in de kerk tijdens deze warme dagen. Volgens haar zijn dit waardevolle bijdragen met grote impact. Tot slot geeft mevrouw STIGTER aan dat haar fractie kan instemmen met het voorstel om het subsidieplafond te verhogen en vast te stellen. De heer MULDER zegt dat de CDA-fractie tevreden is met de voorgestelde subsidieplafonds en dat men hiermee kan instemmen. 8 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 De heer VAN HETEREN geeft aan dat de D66-fractie het voorstel ziet als een logisch en juridisch vervolg op eerdere keuzes van de raad en het college. Het betreft volgens hem vooral een indexatie, waar zijn fractie op zichzelf mee kan instemmen. Tegelijkertijd plaatst hij een politieke kanttekening. Hij wijst erop dat incidentele middelen voor Sterk Papendrecht opnieuw structureel onderdeel worden van de subsidieplafonds. In een tijd waarin financiële middelen schaars zijn, vindt zijn fractie dat kritisch gekeken moet worden naar de financiering, uitvoering en effectiviteit van Sterk Papendrecht. Verder benadrukt hij dat structurele financiering niet betekent dat de organisatie of werkwijze buiten discussie staat.

Hij geeft aan dat bij de behandeling van de perspectiefnota en begroting nadrukkelijk politieke keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van middelen. Tot slot geeft de heer VAN HETEREN aan dat de D66-fractie andere partijen oproept om hier met een open en kritische blik naar te kijken en kondigt hij aan dat de fractie met initiatieven zal komen om binnen dit onderwerp financiële ruimte te zoeken. Mevrouw VAN GERVEN zegt dat haar fractie kennis heeft genomen van de nieuwe subsidieplafonds en, net als het CDA, weinig opmerkingen heeft over de concrete bedragen voor dit jaar. Zij plaatst echter wel een principiële kanttekening bij de manier waarop de plafonds worden berekend. Volgens haar worden de plafonds gebaseerd op de uitgaven van het voorgaande jaar, wat in de praktijk kan leiden tot krapte. Zij geeft aan dat dit systeem ervoor zorgt dat bestaande subsidies worden doorgezet, maar dat het tegelijkertijd kan leiden tot een situatie waarin nieuwe aanvragen moeilijker worden ingediend of zelfs worden ontmoedigd. Zij verwijst daarbij ook naar eerdere discussies en sluit zich aan bij kritiek die al langer bestaat op deze systematiek. Zij geeft aan dat, wanneer in een jaar minder aanvragen worden gedaan, dit direct effect heeft op het plafond van het daaropvolgende jaar.

Hierdoor kan volgens haar een neerwaartse spiraal ontstaan, waarbij de beschikbare middelen structureel lager worden en de krapte blijft bestaan. Daarnaast merkt zij op dat de indexatiepercentages de afgelopen jaren zijn veranderd. Waar deze eerder rond de 7% lagen, zijn ze nu gebaseerd op cijfers van het Centraal Planbureau en liggen ze lager, terwijl de inflatie volgens haar door blijft stijgen. Hierdoor groeien de plafonds minder snel dan de kosten, wat extra druk oplevert. Zij geeft aan dat het positief is dat er op dit moment nog geen nieuwe aanvragers zijn afgewezen, maar wijst erop dat de plafonds openbaar zijn en dat organisaties mogelijk afzien van aanvragen als zij verwachten dat er geen ruimte is. Tegelijkertijd waarschuwt zij dat bestaande aanvragers mogelijk te gemakkelijk middelen blijven ontvangen. Mevrouw VAN GERVEN pleit er daarom voor om het systeem toegankelijker te maken voor nieuwe aanvragers en kritischer te kijken naar de besteding van bestaande middelen. Zij zegt dat haar fractie overweegt een motie in te dienen om de systematiek te herzien, waarbij de plafonds worden gebaseerd op de plafonds van het 9 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 voorgaande jaar in plaats van de daadwerkelijke uitgaven. Volgens haar kan daarmee worden voorkomen dat plafonds sterk dalen na een jaar met minder aanvragen en dat langdurige krapte ontstaat.

De heer VAN DER TAK zegt dat zijn fractie begrijpt dat het subsidieplafond tijdig moet worden vastgesteld, zodat organisaties duidelijkheid hebben en subsidie kunnen aanvragen. Tegelijkertijd is men kritisch op het moment van vaststellen, omdat de besluitvorming plaatsvindt vóór de behandeling van de perspectiefnota. Hij zegt dat het logischer kan zijn om het subsidieplafond daarna vast te stellen, zodat een integrale afweging kan worden gemaakt. Hij overweegt daarom bij de raadsvergadering van 2 juli voor te stellen dit agendapunt uit te stellen. De heer BLOM geeft aan dat de PVV-fractie in algemene zin kan instemmen met de voorgestelde verhoging van de subsidieplafonds. Wel vraagt hij hoeveel ruimte er overblijft voor nieuwe initiatieven en of er al initiatieven bekend zijn die nog geen subsidie ontvangen. Daarnaast vraagt hij hoe nieuwe initiatieven in de komende jaren een plek kunnen krijgen binnen de beschikbare middelen. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG gaat in op de vraag van mevrouw Stigter hoe men omgaat met effectiviteit. Hij geeft aan dat hier op 2 manieren naar wordt gekeken. Enerzijds wordt onderzocht of in subsidieregelingen meer aandacht kan komen voor effectiviteit. Anderzijds vindt er al interne beoordeling plaats bij subsidieaanvragen en is er via accounthouders regelmatig contact met subsidiepartners.

Indien nodig gaat hij zelf in gesprek met organisaties om verbeteringen aan te brengen. Op de vraag over landelijke en Europese subsidies geeft wethouder VAN DER BORG aan dat hier wel aandacht voor is, maar dat de ambtelijke capaciteit beperkt is. Het actief benutten van deze subsidies vraagt veel inzet en daar wordt momenteel niet extra op geïnvesteerd, al worden kansen die zich voordoen wel benut. Richting mevrouw Van Gerven geeft wethouder VAN DER BORG aan dat subsidies bedoeld zijn om beleidsdoelen te realiseren. Nieuwe aanvragen worden serieus beoordeeld en gekoppeld aan die doelen. Organisaties kunnen zich melden en worden dan meegenomen in de afweging. Incidentele subsidies kunnen, als ze waardevol blijken, op termijn structureel worden opgenomen. Hij herkent het beeld niet dat nieuwe aanvragen worden ontmoedigd. In reactie op de opmerking van de heer Van der Tak over het moment van vaststelling legt wethouder VAN DER BORG uit dat subsidieplafonds onder voorbehoud worden vastgesteld en pas definitief worden bij de begroting. Dit gebeurt om tijdig duidelijkheid te geven aan subsidiepartners en om de bedragen mee te nemen in de perspectiefnota. Tot slot geeft wethouder VAN DER BORG richting de heer Blom aan dat er ruimte is om nieuwe initiatieven te 10 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 beoordelen en dat dit ook gebeurt.

De vraag hoe nieuwe initiatieven politiek op de agenda komen ziet hij vooral als een afweging van de raad zelf. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De VOORZITTER vraagt aan mevrouw Van Gerven of zij voornemens is een motie in te dienen voor de raadsvergadering, waarop mevrouw VAN GERVEN aangeeft aan dat zij daar nog over na gaat denken. De heer STOUTHART geeft aan dat hij getriggerd werd door de opmerking van de heer Van Heteren over Sterk Papendrecht. Hij zegt dat de VVD-fractie zich op dit punt aansluit bij de D66-fractie. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken (in principe) als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad, tenzij de PRO-fractie besluit een motie in te dienen. 10. Jaarstukken 2025. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat hij een mededeling wil doen n.a.v. een brief van het college van 8 juni m.b.t. de GR Sociaal. In deze brief worden onregelmatigheden toegelicht rondom de bestedingen voor de uitvoering van de wet hersteloperatie toeslagen. Hij geeft aan dat deze onregelmatigheden gevolgen hebben voor de jaarstukken. Concreet betekent dit dat er een stuk ter vervanging van de huidige jaarstukken moet worden aangeboden. Deze stukken liggen inmiddels bij de griffie en zullen zo snel mogelijk richting de raad worden gestuurd voor besluitvorming. Wethouder VAN DER BORG benadrukt dat de situatie geen financieel effect heeft op het jaarrekeningresultaat.

Voor verdere inhoudelijke toelichting verwijst hij naar de eerder verstuurde brief. De heer BLOM geeft aan dat de auditcommissie een toelichting van de accountant heeft gekregen op de jaarstukken. Hij zegt dat de auditcommissie afspraken heeft gemaakt over de werkwijze. Daarbij wordt geprobeerd zo neutraal mogelijk naar de cijfers te kijken en politieke duiding te vermijden, omdat die volgens hem in de raadsvergadering zelf aan bod hoort te komen. Hij geeft aan dat auditcommissie op basis daarvan kijkt welke adviezen richting de raad gegeven moeten worden. Tot slot merkt hij op dat de stukken door de raad zijn gelezen, waardoor hij daar inhoudelijk niet verder op ingaat. Hij staat open voor suggesties en input voor toekomstige werkzaamheden van de auditcommissie. 11 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 EERSTE TERMIJN COMMISSIE De heer BOERSMA begint met opmerkingen over de bestemming van het gerealiseerde resultaat, dat positief is uitgevallen over het afgelopen jaar. Hij geeft aan dat zijn fractie blij is dat het eerder vrijgemaakte bedrag voor de ontwikkeling van vrijkomende locaties wordt doorgeschoven naar het volgende jaar, zodat dit traject verder opgepakt kan worden. Tegelijkertijd plaatst hij een kanttekening bij het budget voor impulseconomie.

Hij geeft aan dat het bedrag van 50.000 euro dat in 2025 beschikbaar was, niet wordt overgeheveld naar het huidige jaar, omdat er opnieuw budget beschikbaar wordt gesteld. Hierdoor blijft het oorspronkelijke bedrag feitelijk onbenut, wat hij zonde vindt. Hij vraagt de wethouder om een toelichting en of het alsnog mogelijk is dit bedrag door te schuiven naar 2026, om het initiatief een extra impuls te geven. Verder merkt de heer BOERSMA op dat er geen storting plaatsvindt in de bestemmingsreserve kapitaallasten voor toekomstige investeringen. Hij geeft aan dat dit laat zien dat er minder ruimte is in de begroting en dat dit de eerder bedachte systematiek onder druk zet. Hij vraagt het college hoe zij hier tegenaan kijken en of er strategieën zijn om deze reserve in de toekomst toch te blijven vullen. T.a.v. het verslag van de accountant en het advies van de auditcommissie spreekt de heer BOERSMA waardering uit voor het werk van de auditcommissie. Hij wijst op de constatering dat de administratieve processen op orde zijn, maar dat er aandacht nodig is voor de interne beheersing bij taken die zijn uitbesteed aan de Bedrijfsvoering Drechtsteden. Hij zegt dat dit herkenbaar is en vraagt het college hier de komende jaren extra aandacht aan te geven.

Daarnaast benoemt de heer BOERSMA de oplopende kosten in het sociaal domein en de grote investeringsopgave voor de toekomst als belangrijke aandachtspunten. Hij vraagt daarbij naar de stand van zaken rondom het meerjareninvesteringsprogramma, waarvan hij verwachtte dat dit al beschikbaar zou zijn, en benadrukt het belang van vooruitkijken, plannen en eventueel werken met een investeringsplafond. Tot slot gaat de heer BOERSMA in op de suggestie van de auditcommissie om onderzoek te doen naar afschrijvingstermijnen van de vo-scholen, in relatie tot de afschrijving van de parkeergarage de Meent. Hij geeft aan dat hij niet goed kan plaatsen wat hier precies wordt voorgesteld. Hij zegt dat de accountant eerder heeft opgemerkt dat de parkeergarage niet werd afgeschreven, terwijl deze wel een beperkte levensduur heeft. Daar is inmiddels onderzoek naar gedaan en er ligt nu een voorstel met een afschrijvingstermijn van 43 jaar en een restwaarde van 20%. De heer BOERSMA geeft aan dat dit volgens hem een andere situatie is dan bij de VO-scholen, waar het gaat om nieuw te bouwen voorzieningen met een afschrijvingstermijn van 60 jaar en 0% restwaarde. Hij merkt op dat het aanpassen van deze systematiek -bv. naar 40 jaar en 20% restwaarde- naar zijn berekening juist leidt tot hogere jaarlijkse kapitaalslasten.

Daarom vraagt de heer BOERSMA zich af of de vergelijking tussen beide gevallen wel klopt en of 12 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 het voorgestelde onderzoek zinvol is, zeker als het financieel geen voordeel oplevert. Hij geeft aan dat dit zijn observatie is en dat hij benieuwd is of anderen hier meer inzicht in hebben. De heer VAN DER TAK is blij dat er opnieuw een goedkeurende accountantsverklaring is afgegeven. Hij zegt dat dit niet vanzelfsprekend is en spreekt waardering uit voor de ambtelijke organisatie en het college. Ook geeft hij aan dat de beantwoording van de technische vragen helpt om meer inzicht te krijgen. Hij hoopt dat de adviezen van de auditcommissie -waar hij zelf lid van is- door de raad worden overgenomen en vraagt zich af hoe dit formeel wordt vormgegeven. In reactie op de vraag van de heer Boersma zegt de heer VAN DER TAK dat het advies over de afschrijving van VO-scholen voortkomt uit de praktijk. Hij geeft aan dat bij een afschrijvingstermijn van 60 jaar de jaarlijkse lasten lager zijn, maar dat je dan mogelijk onvoldoende reserve opbouwt voor toekomstige vervangingsinvesteringen. Volgens hem is het technisch gezien realistisch dat al na ongeveer 40 jaar vervanging nodig is. Daarnaast geeft hij aan dat het hanteren van een restwaarde samenhangt met circulaire uitgangspunten, waarbij materialen en onderdelen nog waarde behouden.

Het voorstel om dit verder te onderzoeken sluit volgens hem aan bij het feit dat er een nieuwe nota over afschrijvingen en investeringen wordt opgesteld. Tot slot merkt de heer VAN DER TAK op dat de verdere bespreking van de resultaatbestemming vooral technisch van aard is en dat hier mogelijk in de raadsvergadering nog verder op wordt ingegaan. De heer GRIMMIUS geeft aan dat het gerealiseerde resultaat van ongeveer een half miljoen euro positief lijkt, maar dit volgens hem genuanceerd moet worden. Hij zegt dat een deel van dit overschot ontstaat doordat bepaalde uitgaven in 2025 niet zijn gedaan en zijn doorgeschoven naar 2026. Hierdoor ontstaat een vertekend beeld, omdat er in 2026 alsnog circa 1,4 miljoen euro uit de algemene reserve nodig is om deze plannen uit te voeren. Hij sluit zich aan bij eerdere opmerkingen dat er om die reden ook geen ruimte is om de bestemmingsreserve voor toekomstige investeringen te vullen. Volgens de heer GRIMMIUS is er feitelijk geen geld over en moet er daarom niet te positief gesproken worden over het resultaat. Desondanks kan zijn fractie instemmen met de voorgestelde bestemming van het resultaat. Ook de jaarstukken noemt hij, mede gebaseerd op het oordeel van de accountant, voldoende. T.a.v. de adviezen van de auditcommissie hij aan dat zijn fractie deze steunt.

Wel stelt hij de vraag hoe deze adviezen formeel worden verwerkt in de besluitvorming, bv. via een amendement of als toezegging van het college. Over het advies m.b.t. de afschrijvingsmethodiek voor VO-scholen merkt de heer GRIMMIUS op dat hierover eerder al uitvoerig is gediscussieerd. Hoewel hij die discussie liever niet opnieuw voert, staat hij er wel voor open om het voorstel opnieuw te 13 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 onderzoeken. Hij erkent dat een kortere afschrijvingstermijn met restwaarde mogelijk leidt tot hogere lasten, maar acht dit op de lange termijn wel financieel realistischer, omdat onderhoud en vervanging eerder nodig zijn dan de huidige termijn van 60 jaar suggereert. Daarnaast ondersteunt zijn fractie het voorstel om een langere financiële doorkijk van 8 jaar i.p.v. 4 jaar te hanteren. Volgens hem helpt dit om beter vooruit te kijken naar toekomstige investeringen en financiële ontwikkelingen, ook al blijft dit deels onzeker. Tot slot geeft hij aan dat de aandacht voor de oplopende kosten in het sociaal domein terecht is en dat zijn fractie dit punt ondersteunt. Ook de heer VAN HETEREN geeft aan dat de jaarstukken weliswaar een positief resultaat laten zien, maar dat dit volgens hem vooral bestaat uit incidentele meevallers en dus genuanceerd moet worden bekeken.

Voor de D66-fractie ligt de belangrijkste conclusie niet in het afgelopen jaar, maar in de vooruitblik. Volgens hem laten de stukken, het accountantsverslag en het advies van de auditcommissie zien dat de grootste uitdagingen nog voor de gemeente liggen. Hij zegt dat het niet zozeer gaat om de vraag of 2025 goed is afgesloten, maar of er voldoende zicht is op de komende jaren. Daarbij wijst hij op de grote investeringen die op de gemeente afkomen, zoals in VO-scholen, vastgoed en de openbare ruimte, met financiële gevolgen die vaak tientallen jaren doorwerken. Hij sluit zich aan bij het advies van de auditcommissie om verder vooruit te kijken dan de gebruikelijke 4 jaar. Volgens hem is dit noodzakelijk om goede besluiten te kunnen nemen over investeringen met een lange looptijd. Hij geeft aan dat de D66-fractie overweegt om via moties de adviezen van de auditcommissie vast te leggen in de besluitvorming. Daarnaast benadrukt hij het belang van het advies over het sociaal domein. Hij wijst op de toenemende druk op de Wmo en jeugdzorg en stelt dat dit de grootste financiële risico’s voor de gemeente vormen. Volgens hem is het noodzakelijk om meer grip te krijgen op deze kosten, niet om te bezuinigen op zorg, maar om deze ook in de toekomst betaalbaar te houden. Ook hiervoor kondigt hij een motie aan.

Tot slot gaat de heer VAN HETEREN in op het advies over de afschrijvingsmethodiek voor VO-scholen. Hij zegt dat het volgens hem financieel onverstandig is om onvoldoende rekening te houden met toekomstige onderhouds- en vervangingskosten. Daarom wil hij deze discussie opnieuw voeren. Hij sluit af met de conclusie dat de adviezen van de auditcommissie 1 duidelijke boodschap hebben: kijk verder vooruit bij investeringen, bij het sociaal domein en bij de financiële gevolgen van besluiten die nu worden genomen. De heer TIELEMAN geeft aan dat het positief is dat er een resultaat van ongeveer 490.000 euro is gerealiseerd. Tegelijk stelt hij een vraag over de vrij aanwendbare algemene reserve. In de begroting was hiervoor 52,6 miljoen euro geraamd, terwijl de realisatie uitkomt op 25,4 miljoen euro. Hij vraagt wat hiervan de 14 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 oorzaak is. Hij vindt het positief dat de ratio weerstandsvermogen is uitgekomen op 1,45, terwijl de norm 1 is. Daarmee is volgens hem voldoende buffer aanwezig om risico’s op te vangen. Daarnaast geeft hij aan dat het goed is dat inwoners, ondernemers en andere betrokkenen hebben deelgenomen aan bijeenkomsten om de weerbaarheid tegen ondermijnende criminaliteit te vergroten. Tegelijk uit hij zorgen over de toename van het aantal meldingen en dossiers, wat volgens hem gevolgen heeft voor capaciteit en kosten.

Verder vindt de heer TIELEMAN de sterke daling van restafval per inwoner en de stijging van afvalscheiding positief. Dit laat volgens hem zien dat inwoners bewuster omgaan met afval en dat dit ook leidt tot lagere kosten. Verder wijst hij op de sterke stijging van de kosten voor jeugdhulp. De begroting is gedurende het jaar verhoogd, maar de uiteindelijke realisatie ligt daar nog ruim boven. Hij vraagt zich, mede gezien de impact op inwoners, af hoe deze ontwikkeling zich verder zal ontwikkelen en of dit nog beheersbaar is. Tot slot geeft de heer TIELEMAN aan dat zijn fractie het belangrijk vindt dat in de jaarstukken beter zichtbaar wordt wat het beleid concreet oplevert voor inwoners en wat zij hiervan merken in de praktijk. De heer MULDER zegt dat de CDA-fractie kan instemmen met de voorgestelde bestemming van het resultaat. Hij geeft aan dat zijn fractie de uitspraken van de auditcommissie ondersteunt, m.n. de zorgen over de financiële ontwikkelingen op de lange termijn en de lasten die op de gemeente afkomen. Tegelijkertijd vindt de heer MULDER het jammer dat de discussie over de afschrijvingsmethodiek van de VO-scholen opnieuw wordt gevoerd. Hij geeft aan dat dit, als wordt uitgegaan van een kortere afschrijvingstermijn, naar zijn berekening leidt tot hogere kapitaalslasten van minimaal 400.000 euro per jaar.

Hij benadrukt dat het goed is om dit te onderzoeken, maar dat er nog geen sprake is van een besluit. Als uit het onderzoek blijkt dat een aanpassing noodzakelijk is, moet daar volgens hem realistisch naar gekeken worden. Daarnaast merkt de heer MULDER op dat bij andere voorzieningen, zoals sportaccommodaties en de MFA, al met een afschrijvingstermijn van 40 jaar wordt gewerkt, wat volgens hem laat zien dat hier eerder al genuanceerde keuzes in zijn gemaakt. Tot slot noemt hij de post voor de ontwikkeling van vrijkomende locaties. Hij geeft aan dat de toelichting summier is en dat het niet alleen om 1 locatie gaat, maar om meerdere locaties, zoals o.a. Keijzerweerd en de Volksuniversiteit. Hij vraagt om dit duidelijker te benoemen. De heer VERHOEVEN zegt dat het positief is dat de accountant een goedkeurende verklaring heeft afgegeven, omdat dit betekent dat de cijfers een betrouwbaar beeld geven. Tegelijkertijd merkt hij opdat dit voor zijn fractie geen slotakkoord op de verantwoording is, maar juist aanleiding om verder te kijken naar wat deze cijfers betekenen voor de financiële ontwikkeling van Papendrecht en voor de inwoners. Hij noemt een aantal zorgelijke trends, zoals dalende resultaten, kleinere financiële buffers en toenemende onzekerheden.

Volgens de heer 15 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 VERHOEVEN ligt de oorzaak hiervan niet zozeer bij de interne financiële beheersing van de gemeente, maar vooral bij de gemeenschappelijke regelingen. Hij pleit er daarom voor om niet alleen naar het sociaal domein te kijken, maar breder naar alle samenwerkingen en uitgaven, omdat daar aanzienlijke bedragen mee gemoeid zijn. Daarnaast geeft hij aan dat het belangrijk is om financieel gezond te blijven, juist om (kwetsbare) inwoners goed te kunnen blijven ondersteunen. Hij spreekt de verwachting uit dat het college in toekomstige begrotingen maatregelen neemt om de financiële positie te behouden en waar mogelijk te versterken. Volgens de heer VERHOEVEN vraagt dit niet alleen iets van het komende college, maar ook van de raad. Hij zegt dat de raad haar controlerende en toezichthoudende rol goed moet invullen en dat het college de raad tijdig en volledig moet informeren. Hij benadrukt dat de raad en het college gezamenlijk de opgave hebben om de financiële positie van de gemeente op orde te houden en te versterken. Over het voorstel om verder vooruit te kijken dan 4 jaar geeft de heer VERHOEVEN aan dat hij dat op zich verstandig vindt, maar hij plaatst daarbij wel een kanttekening. Hoe verder vooruit wordt gekeken, hoe onzekerder de informatie wordt.

Hij pleit er daarom voor om hier zorgvuldig mee om te gaan en dergelijke doorkijkjes niet als vaststaand te beschouwen. Tot slot geeft hij aan dat zijn fractie kan instemmen met de voorgestelde besluiten. T.a.v. de adviezen van de auditcommissie ondersteunt hij het verder vooruit kijken en het verkrijgen van meer financiële grip, niet alleen in het sociaal domein maar ook bij andere samenwerkingsverbanden. Voor de afschrijvingsmethodiek van de VO-scholen wil hij eerst nadere uitleg van deskundigen afwachten. Afsluitend spreekt hij waardering uit voor het werk van de auditcommissie. De heer AARNOUDSEN geeft aan dat de VVD-fractie waardering heeft voor de manier waarop het college in 2025 de financiële basis op orde heeft gehouden. Hij benadrukt dat een sluitende jaarrekening, gezien de stijgende kosten in het sociaal domein en de onzekerheid vanuit het Rijk, niet vanzelfsprekend is. Tegelijkertijd stelt hij dat er van de gemeente, zeker gezien de grote investeringen die op komst zijn, verwacht mag worden dat zij verder vooruitkijkt. Hij zegt dat zijn fractie daarom het advies van de auditcommissie ondersteunt om een doorkijk van 8 jaar te hanteren i.p.v. 4 jaar. Daarnaast merkt hij op dat uit de jaarstukken blijkt dat er weinig financiële ruimte over is binnen de begroting. Dit maakt volgens hem de noodzaak om duidelijke keuzes te maken voor de komende jaren groter.

Hij vraagt het college welke keuzes gemaakt gaan worden om de gemeente ook in de toekomst uitvoerbaar te houden. Tot slot spreekt de heer AARNOUDSEN de hoop uit dat het college het advies van de auditcommissie ter harte neemt en de raad de mogelijkheid krijgt om met een langere financiële doorkijk beter inzicht te krijgen in toekomstige verplichtingen, zeker met het oog op de jaren na 2028. 16 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 (Schorsing 22.24 – 22.37 uur) EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat de gemeente opnieuw kan rekenen op een goedkeurende accountantsverklaring en dat dit wordt gezien als een compliment voor de organisatie. Hij gaat in op het gerealiseerde resultaat en geeft aan dat dit weliswaar positief is, maar dat daar terecht kanttekeningen bij zijn geplaatst. Het resultaat is lager dan in eerdere jaren en dat komt o.a. doordat er bewuster op risico’s wordt begroot. Hierdoor is er ook minder ruimte om reserves aan te vullen, waaronder de reserve voor toekomstige investeringen. Hij zegt dat de ambtelijke organisatie nadenkt over manieren om deze reserve in de toekomst wel te blijven voeden en dat hierover later een voorstel volgt. Vervolgens gaat wethouder VAN DER BORG in op de adviezen van de auditcommissie. T.a.v. van het sociaal domein erkent hij dat dit een groot financieel aandachtspunt is.

Hij ondersteunt de aanbeveling om meer grip te krijgen op deze kosten en doet de toezegging dat dit wordt meegenomen in de lopende speelveldverkenning, waarvan de resultaten later aan de raad worden voorgelegd. M.b.t. het vooruitkijken naar een langere termijn geeft hij aan dat het college hier al mee bezig is. In het najaar komt een voorstel naar de raad voor een langere investeringsagenda en bijbehorend beleid. Hij ondersteunt het inzicht geven in een langere periode, maar ontraadt om dit formeel door te vertalen naar een volledige begroting van 8 jaar, omdat de onzekerheden op langere termijn groot zijn. T.a.v. de afschrijvingsmethodiek maakt wethouder VAN DER BORG onderscheid tussen restwaarde en afschrijvingstermijn. Hij geeft aan dat het college onderzoekt hoe met restwaarde beter omgegaan kan worden, maar dat een restwaarde van 20% niet realistisch is en dat eerder aan lagere percentages wordt gedacht. Het verkorten van de afschrijvingstermijn van bv. 60 naar 40 jaar ontraadt hij nadrukkelijk. Volgens hem zijn de omstandigheden niet veranderd t.o.v. de eerdere besluitvorming en zou dit direct leiden tot aanzienlijk hogere jaarlijkse lasten. Hij geeft aan dat dit een politieke keuze is, maar adviseert de raad om dit niet te doen. Wethouder VAN ERK gaat in op de vraag over de niet bestede impulsgelden in 2025.

Hij geeft aan dat deze middelen niet zijn meegenomen naar 2026, omdat het college geen besluiten meer heeft willen nemen die doorwerken naar de toekomst. Hij zegt dat het aan het nieuwe college is om hierover keuzes te maken. Hiervoor ontvangt het nieuwe college een memo waarin de ambtelijke organisatie verschillende opties heeft uitgewerkt. Op basis daarvan kunnen eventueel nieuwe voorstellen aan de raad worden voorgelegd. 17 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De heer BOERSMA merkt m.b.t. de toelichting van de wethouder over de impulsgelden op dat hij, als er al een ambtelijke verkenning ligt, graag inzicht wil in deze stukken. De VOORZITTER vraagt ter verduidelijking of hij voorafgaand aan de behandeling van de jaarstukken bedoelt, hetgeen de heer BOERSMA bevestigt. Hij zegt graag vooraf inzicht te willen in de mogelijke bestedingsrichtingen, zodat de raad dit kan meenemen bij de verdere behandeling van de jaarstukken. De heer BLOM geeft aan dat het niet de bedoeling van de auditcommissie was om de discussie over afschrijvingstermijnen of restwaarde opnieuw te voeren. Het advies was juist bedoeld om te kijken of er slimmer met deze zaken kan worden omgegaan, zodat de gemeente hier financieel voordeel van heeft. Hij zegt dat het positief is om te horen dat hier al naar gekeken wordt.

De heer VAN DER TAK hoort dat het college de adviezen van de auditcommissie over het sociaal domein en de langere financiële doorkijk overneemt. Voor het eerste adviespunt, over de afschrijvingsmethodiek, concludeert hij dat de raad, bv. via een motie, zelf in actie moet komen als zij hier iets mee willen. De heer GRIMMIUS geeft aan dat hij het positief vindt dat het college de punten 2 en 3 van de adviezen van de auditcommissie heeft overgenomen. T.a.v. het eerste punt over de afschrijvingsmethodiek benadrukt hij dat het vooral gaat om een verzoek tot onderzoek. Hij geeft aan dat het waardevol zou zijn om verschillende opties naast elkaar te leggen, zodat de raad op een later moment een weloverwogen keuze kan maken. Hij verwacht dat dit, als de raad dit wil, via een motie zal moeten worden geregeld en geeft aan dat dit onderwerp verder besproken wordt bij de volgende raadsvergadering. De heer VAN HETEREN bevestigt dat de D66-fractie een motie zal indienen voor de punten waarop geen toezegging is gedaan door het college. De heer TIELEMAN bedankt de auditcommissie voor het uitgebrachte advies en geeft aan dat zijn fractie zich hierin kan vinden, m.n. in het punt over het verkrijgen van meer financiële grip op het sociaal domein.

Tot slot merkt hij op dat de vraag over het verschil in de vrij aanwendbare algemene reserve nog niet is beantwoord en vraagt alsnog een toelichting daarop. De heer VERHOEVEN benadrukt dat de focus niet alleen op het sociaal domein moet liggen. Hij geeft aan dat het volgens hem wenselijk is om breder te kijken naar alle GR’en als het gaat om financiële grip en onderzoek. De VOORZITTER vraagt of hij, omdat dit afwijkt van het advies van de auditcommissie, van plan is 18 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 hiervoor een motie in te dienen, waarop de heer VERHOEVEN antwoordt dat hij hoopt dat de heer Van Heteren dit punt wil meenemen in een motie. De VOORZITTER merkt op dat zij dit zou afraden. De heer VERHOEVEN geeft daarop aan dat hij hier nog over na zal denken. De heer GRIMMIUS vraagt naar de reden om het onderzoek te verbreden naar alle gemeenschappelijke regelingen. Hij zegt dat uit eerdere bespreking blijkt dat de meeste GR’en, met uitzondering van de GR Sociaal en DG&J, goed functioneren. Hij vraagt waarom er dan toch aanleiding is om de focus breder te trekken. De heer VERHOEVEN zegt dat zijn oproep vooral voortkomt uit het beeld dat de aandacht nu vooral ligt bij de grootste financiële posten. Hij geeft aan dat hij verwacht dat ook bij andere GR’en mogelijk nog ruimte zit om kritisch te kijken naar uitvoeringskosten en efficiëntie.

TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG gaat in op de vraag over de afwijking in de vrij aanwendbare algemene reserve. Hij zegt dat dit samenhangt met de investeringen in de VO-scholen, de verwerking van de Eneco-gelden en de verschuiving van deze middelen binnen de algemene reserve. Wethouder VAN ERK merkt m.b.t. de vraag over de ambtelijke memo over de impulsgelden op dat dit nog een conceptstuk is dat nog niet in het college is behandeld of vastgesteld. Het nieuwe college krijgt eerst de ruimte om zich hierin te verdiepen, waarna de raad hierover wordt geïnformeerd. De VOORZITTER concludeert dat er in ieder geval een motie wordt ingediend over het eerste adviespunt van de auditcommissie, waarschijnlijk in samenwerking tussen meerdere fracties. Daarnaast stelt zij vast dat het college de adviezen op punt 2 en 3 heeft overgenomen. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als bespreekstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 11. Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 22.54 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 2 juli 2026. Mevrouw C. Madern Mevrouw T.C. van Es 19 Besluitenlijst Oordeelsvorming van 25 juni 2026 (griffier) (voorzitter) Lijst met toezeggingen 1. Nieuw SROI-beleid en pilots 2026/2028.

Portefeuillehouder Van Erk De portefeuillehouder zegt toe om binnen de GR Sociaal aandacht te vragen voor een Goede inbedding van de evaluatie. Daarbij wordt ook aangegeven dat deze evaluatie concreet en meetbaar moet zijn. Daarnaast komt hij schriftelijk terug op de technische vragen, m.n. over de berekening van de 33 miljoen. 2. Jaarstukken 2025. Portefeuillehouder Van der Borg De portefeuillehouder ondersteunt de aanbeveling om meer grip te krijgen op deze kosten binnen het sociaal domein en doet de toezegging dat dit wordt meegenomen in de lopende speelveldverkenning, 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1381/documents/18516