CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20260622 CONCEPT Verslag Beeldvorming

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 10 september 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen verslag van 22 juni 20269.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 alinea's met “beeldvormende”: 1

Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE BEELDVORMENDE VERGADERING d.d. 22 juni 2026 (aanvang 20.00 uur). Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op w ww. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw S.A. Verdoorn – de Lang, voorzitter; Mevrouw N. de Ruiter (PVV), mevrouw N.J. Matena (PVV), de heer A. Blom (PVV), de heer D. Stouthart (VVD), de heer D. Hedayati Sohani (VVD), mevrouw H.C.T.J. Hoekstra (OP), de heer R. Lammers (OP), de heer J. Mulder (CDA), mevrouw M. Minasian (CDA), de heer W. Tillema (CDA), de heer P.C. Grimmius (PRO), mevrouw C.W. Libert-Boogaard (PRO), mevrouw T.C. van Es (D66), mevrouw W. Hardenbol-Kroek (D66), de heer A.J. Boersma (SGP), de heer W. Goudriaan (SGP), de heer L. van Houtert (50Plus), mevrouw E. Anggrainnie-Van Prehn (50Plus), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer M. Verhoeven (CU), de heer A. Tieleman (PAB) en mevrouw A. van Gent (PAB). Mevrouw M.J.M. van Driel, burgemeester; De heren J.W. van der Borg, J.L. van Erk en A.J. Kosten, portefeuillehouders. Mevrouw C. Lindhout, inwoner Papendrecht, inzake agendapunt 04. De heer J. Westerbeke, beleidsadviseur Sociaal Domein gemeente Papendrecht, inzake agendapunt 04. De heer H. Sepers, raads-communicatieadviseur; Mevrouw C. Dorn, griffiemedewerkster; Jeanine Nieuwstraten, notulist. 01. Opening.

De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. 02. Vaststellen agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 03. Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Mevrouw LINTHOUT: Geachte voorzitter, geachte raadsleden en college. Mijn naam is Clarine Lindhout en ik spreek vanavond hier als inwoner van Papendrecht. Ik woon niet direct naast de locatie aan de Seringenstraat, maar wel in de buurt op iets meer dan 500 meter afstand. Daarnaast loop ik er regelmatig langs omdat ik dan mijn hond uitlaat en daar in de buurt kom. De afgelopen periode heb ik de discussie over de huisvesting van statushouders met belangstelling gevolgd en daarbij hoor en lees ik veel zorgen van inwoners. En 1 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 die zorgen verdienen het echt om door u serieus genomen te worden en gehoord te worden. En tegelijkertijd wil ik ook een ander geluid laten horen gebaseerd op mijn eigen ervaringen. Voor mijn gevoel is het daarbij goed om nog even kort het verschil te benoemen tussen een asielzoeker en een statushouder. Want ik merk dat daar in discussies, onder andere online, best wel wat verwarring over bestaat. Een asielzoeker zit nog in de procedure waarin hij beoordeeld wordt of hij of zij daadwerkelijk mag blijven in Nederland.

En statushouders, waar het hier dan bij de Seringenstraat over gaat, hebben die procedure doorlopen en na onderzoek van de IND een verblijfsvergunning gekregen. Dat betekent dat is vastgesteld dat deze persoon in het land van herkomst onvoldoende veilig is en daarom bescherming krijgt in Nederland. Daarmee heeft deze persoon ook recht gekregen op een plek in onze samenleving. Misschien speelt daar weer mijn eigen achtergrond een rol. Ik heb in het verleden 3 jaar gewerkt bij de afdeling Asiel en Migratie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij die afdeling werden onderzoeken uitgevoerd in het land van herkomst van de asielzoekers over wat zij hier in Nederland beweren, of dat waar is of niet waar. En die onderzoeken waren nodig voor de beoordeling door de IND. Vanuit die rapporten weet ik uit ervaring dat het een zeer zorgvuldige procedure is voordat iemand een verblijfsvergunning krijgt hier in Nederland. Je krijgt die alleen als er echt iets aan de hand is. Terug naar de Seringenstraat. Toen er eerder jongeren op deze locatie verbleven, heb ik daar persoonlijk zelf geen overlast van ervaren. Regelmatig zag en zie ik hen nog steeds bij mij over de stoep lopen, als ze op weg zijn naar school. Dat verliep en verloopt altijd heel rustig. Als ik ze groet, groeten ze vriendelijk terug.

Maar dat betekent niet dat er geen aandacht hoeft te zijn voor mogelijke zorgen, want die zullen er ongetwijfeld zijn. Daarom juist vind ik het belangrijk dat de gemeente investeert in goede begeleiding van de bewoners en goede communicatie met de mensen die in de buurt wonen. Ikzelf werk op een middelbare school in Gouda. En in Gouda is de opvang en begeleiding de afgelopen jaren op een heel zorgvuldige manier georganiseerd. En natuurlijk is iedere situatie anders, maar ik denk zeker dat Papendrecht daar lessen uit kan trekken. En ik zou de raad en het college daarom echt willen aanraden, kijk ook eens naar andere gemeenten waar positieve ervaringen zijn met het huisvesten van asielzoekers en statushouders. Voor mij persoonlijk begint het in ieder geval met communicatie. Niet alleen vooraf, maar juist ook gedurende het hele proces. Omwonenden moeten weten waar zij terecht kunnen met al hun vragen, signalen en hun zorgen. Daarom zou ik de raad in het college willen meegeven dat het belangrijk is om te zorgen voor een duidelijk en goed bereikbaar aanspreekpunt van de gemeente. Niet iemand die maar 1 dag aanwezig is, maar een contactpersoon die alle werkdagen bereikbaar is en die ook buiten kantooruren kan handelen als de situatie daar ook om vraagt. Daarnaast is goede begeleiding van de mogelijke bewoners ook essentieel.

Niet alleen voor die bewoners zelf, maar juist ook voor de buurt. 2 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 Hoe beter mensen worden begeleid bij het leren van de Nederlandse taal, het zoeken naar werk, het volgen van hun opleiding en deelname aan de samenleving, hoe groter de kans ook op een succesvolle integratie en hoe kleiner de kans op problemen. Daarom zou ik het college ook willen meegeven dat ze actief moet investeren in het betrekken van vrijwilligers. Veel inwoners willen echt wat betekenen voor nieuwe buurtgenoten. En wanneer begeleiding en vrijwilligers elkaar versterken, ontstaan er waardevolle contacten die bijdragen aan wederzijds begrip en een succesvolle integratie. Want samenleving doe je samen. Ik zou de raad ook mee willen geven dat het verstandig is om de ontwikkelingen regelmatig met de omwonenden te re-evalueren. Luister naar wat er in de buurt wordt gezegd. Wees ook transparant over meldingen die worden gedaan en laat ook acties die genomen worden op die meldingen zien. Dat helpt om vertrouwen te bouwen bij de bewoners die er nu wonen in de buurt en ook het vertrouwen te behouden. Ik zou daarnaast willen meegeven dat een investering in de begeleiding van statushouders ook hand in hand zou mogen/moeten gaan met een investering in de wijk.

De wijk zelf, bewoners, hebben bij de inspraakronde aangegeven dat ze zorgen leven over de leefbaarheid in de buurt. Als deze ontwikkeling aanleiding geeft om extra aandacht te besteden aan onderhoud daar, ontmoeting, sociale samenhang en veiligheid, profiteert uiteindelijk de hele wijk daarvan. En dat gun ik de inwoners van die wijk ook enorm. Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn over de bredere opgave waar Papendrecht voor staat. Want de woningnood is groot, dat zie ik ook in mijn eigen omgeving. Mijn 2 buurjongens zijn al geruime tijd op zoek naar een betaalbare woning. Koop is voor hen ontzettend moeilijk en de huurmarkt is ook niet te doen. Daarom begrijp ik dat de gemeente zoekt naar oplossingen die bijdragen aan meer beschikbare woonruimte. Ook dat belang verdient een belangrijke plek in de afwegingen die jullie zullen moeten maken. Mijn oproep aan u is daarom niet om die zorgen te negeren, maar om die zorgen die er leven echt serieus te nemen. En tegelijkertijd ook oog te hebben voor de kansen die een zorgvuldig uitgevoerd plan kan bieden voor mensen die hier toch een nieuwe stad willen maken. Ik hoop dat u nou vanavond een besluit neemt waarbij aandacht is voor zowel het belang van omwonenden, als voor de mensen die een nieuwe start willen maken. En vooral dat u kiest voor een aanpak waarin communicatie, begeleiding en betrokkenheid centraal staan.

Ik wens u alle veel wijsheid toe bij deze beslissing en vanuit mijn persoonlijke overtuiging wens ik u daarbij ook Gods zegen toe. Dank u wel. Vragen en antwoorden: Mevrouw STIGTER vraagt om voorbeelden uit Gouda en wil weten welke vormen van begeleiding daar goed werken en mogelijk ook hier toegepast kunnen 3 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 worden. Mevrouw LINDHOUT legt uit dat er in Gouda een zgn. meedoen balie is. Hier kunnen asielzoekers en statushouders terecht voor ondersteuning bij het vinden van vrijwilligerswerk of betaald werk. Dit is een actieve inzet van de gemeente. Als voorbeeld noemt zij een collega die, met een beschikbaar budget, samen met praktijkleerlingen kookt voor buurtbewoners. Ook enkele asielzoekers nemen hieraan deel: zij koken op andere dagen voor de buurt met eenzelfde budget. Op deze manier leveren zij een bijdrage aan de samenleving. De heer TIELEMAN verwijst naar haar eerdere opmerking dat het onderzoek naar het verkrijgen van een status voor statushouders zorgvuldig en grondig gebeurt. Hij vraagt haar een toelichting te geven op de termijn van een dergelijk onderzoek, voordat een asielzoeker daadwerkelijk de status van statushouder krijgt. Mevrouw LINDHOUT geeft aan dat het al enige tijd geleden is dat zij zelf in dit werkveld actief was, maar dat zij zich wel heeft verdiept in de huidige situatie.

Zij zegt dat de doorlooptijd in haar ogen erg lang is. Volgens haar duurt het enige tijd voordat een dossier compleet is bij de IND. Daarna wordt het doorgestuurd naar de afdeling asiel en migratie van buitenlandse zaken, die het proces verder oppakt. Vervolgens wordt er contact gezocht met instanties en ambtenaren in het land van herkomst van de asielzoeker. Via verschillende stappen -waaronder communicatie met lokale contacten, de ambassade en het ministerie- komt de informatie uiteindelijk weer terug bij de IND. Dit proces kan, zeker bij complexe dossiers, veel tijd in beslag nemen. Tegelijkertijd benadrukt mevrouw Lindhout dat zij het belangrijk vindt dat het onderzoek zorgvuldig gebeurt, en dat zij ook heeft gezien dat deze zorgvuldigheid daadwerkelijk wordt toegepast. Er zijn verder geen insprekers. 04. Huisvestingsplan vergunninghouders Papendrecht. Wethouder VAN DER BORG verzorgt een korte presentatie, waarna onderstaande vragen en antwoorden worden uitgewisseld. Mevrouw VAN ES stelt dat als Papendrecht voldoende huurwoningen had gehad, deze discussie niet nodig was geweest. In dat geval had het college de wettelijke taakstelling rond huisvesting van statushouders zonder debat kunnen uitvoeren, zoals eerder gebruikelijk was.

Zij verwijst naar de lange termijnvisie van 2024, waarin is vastgelegd dat de huisvesting van statushouders niet mag leiden tot langere wachttijden voor inwoners. Dit zorgt volgens haar voor een lastig dilemma. De voorgestelde oplossing aan de Seringenstraat past volgens haar binnen deze visie. De D66-fractie kan dit voorstel steunen, mits er vooraf draagvlak is onder omwonenden, zoals ook met hen is afgesproken. Volgens mevrouw VAN ES draait de vraag echter niet om de inhoud van het plan, maar om de vraag wie het besluit moet nemen: het huidige of het nieuwe 4 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 college. Zij spreekt haar verbazing uit over de opmerking van de portefeuillehouder dat het college op korte termijn een besluit wil nemen, terwijl er mogelijk ruimte is om dit enkele weken uit te stellen. Haar fractie vindt dat het huidige college formeel het recht heeft om het besluit te nemen, maar wijst er tegelijkertijd op dat er feitelijk al een nieuw college in aantocht is, met een coalitieakkoord tussen PVV, VVD en OP. Zij kan zich voorstellen dat dit nieuwe college zelf over deze kwestie wil beslissen. Daarom pleit zij ervoor dat het huidige college het besluit uitstelt en in gesprek gaat met de provincie om kort uitstel te krijgen, met de toezegging dat het nieuwe college binnen een maand een besluit neemt, eventueel met een alternatief plan.

Tegelijkertijd noemt zij de risico’s van uitstel. Binnen de nieuwe coalitie bestaan volgens haar verschillende standpunten over de opvang en huisvesting van vluchtelingen. Zij geeft aan zowel de VVD als de PVV serieus te nemen in hun uitspraken, maar vraagt zich af of het coalitieakkoord voldoende duidelijkheid en consistentie zal bieden. Er bestaat volgens haar een risico op verdere vertraging. Ondanks deze twijfels neigt de D66- fractie ernaar het besluit over te laten aan het nieuwe college, zodat dit verantwoordelijkheid kan nemen en kan laten zien hoe de afspraken uit het coalitieakkoord in de praktijk worden uitgevoerd. Haar fractie wacht het verdere debat af en zal in de tweede termijn met een definitief standpunt komen. Mevrouw MATENA geeft aan dat de PVV-fractie zich niet kan vinden in het voorliggende concept-huisvestingsplan. Volgens haar moeten de belangen van de inwoners van Papendrecht vooropstaan, terwijl er al een groot tekort is aan betaalbare woningen. M.n. jongeren, starters en ouderen staan volgens haar vaak jarenlang op een wachtlijst. Het aanwijzen van de Seringenstraat 16 voor tijdelijke huisvesting van statushouders vindt haar fractie daarom onwenselijk. Zij benadrukt dat een besluit met impact op de leefomgeving vraagt om draagvlak, transparantie en een zorgvuldig proces.

Hoewel zij erkent dat gemeenten wettelijke taakstellingen hebben, betekent dit volgens haar niet dat elke voorgestelde oplossing geschikt is. De locatie aan de Seringenstraat ziet zij niet als een structurele oplossing, maar als een tijdelijke wacht- of doorstroomlocatie. Volgens haar worden er geen extra woningen toegevoegd en wordt het onderliggende probleem daarmee niet opgelost. Zij zegt dat hiermee vooral ruimte ontstaat in opvanglocaties voor nieuwe instroom van vluchtelingen. Vervolgens stelt mevrouw MATENA de volgende vragen aan de wethouder: 1. Wanneer is het college voor het eerst geïnformeerd over de mogelijkheid om de statushouders te huisvesten aan de Seringenstraat? 2. Waarom staan er geen datums op de brieven? 3. Welke alternatieve locaties zijn onderzocht en waarom zijn deze afgevallen? 4. Welke afspraken zijn gemaakt met de eigenaar/verhuurder van het pand? 5. Hoeveel statushouders zullen op deze locatie worden gehuisvest en wat is de precieze samenstelling van de doelgroep? 5 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 6. Welke gevolgen heeft dit besluit voor de directe omgeving en welke risicoanalyse is hiervoor opgesteld? 7. Waarom is ervoor gekozen dit besluit te nemen terwijl de verkiezingsuitslag inmiddels bekend was en een nieuw college in voorbereiding is? 8. Welke financiële verplichtingen zijn al aangegaan en welke kosten zijn hiermee gemoeid? 9.

Welke veiligheidsmaatregelen worden getroffen en welke capaciteit van de politie, handhaving en zorg wordt hiervoor ingezet? 10. Is het college bereid alle relevante documenten, overeenkomsten, adviezen en correspondentie met betrokken partijen aan de raad beschikbaar te stellen? 11. Het college van de Is het college van mening dat het bestuurlijk zorgvuldig heeft gehandeld richting omwonenden van de Seringenstraat? Graag een gemotiveerd antwoord. 12. Kan het college garanderen dat de leefbaarheid en de sociale cohesie in de wijk niet negatief wordt beïnvloed door deze voorgenomen plaatsing? Zo ja, waarop is die garantie gebaseerd? 13. Waar gaan de statushouders heen op het moment dat het contract afgelopen is? 14. Wordt de raad op 23 juni na het gesprek direct geïnformeerd over het besluit? Wethouder VAN DER BORG merkt op dat er een tegenstrijdigheid lijkt te zitten in haar betoog: enerzijds is de PVV tegen de locatie, anderzijds wordt gevraagd om garanties rondom veiligheid alsof de locatie al vaststaat. Hij geeft aan dat het college rond 18 maart voor het eerst een voorstel over de locatie aan de Seringenstraat heeft besproken. Vervolgens is bewust gewacht met verdere stappen om eerst de omwonenden en de nieuwe gemeenteraad te kunnen betrekken. De huidige bespreking is hiervan het resultaat.

Wat betreft alternatieve locaties geeft hij aan dat meerdere opties zijn onderzocht. Zo is gekeken naar het volledig toewijzen van sociale huurwoningen aan statushouders, maar dit werd als te ingrijpend voor de inwoners beschouwd. Ook is gekeken naar het opschalen van woningsplitsing, maar dit biedt onvoldoende capaciteit. Daarnaast is een tijdelijke locatie in Kraaihoek-Oost onderzocht, maar die zou minder snel realiseerbaar zijn. Volgens de wethouder zijn er momenteel geen andere locaties die op korte termijn beschikbaar zijn. Over de afspraken met de eigenaar (Rivas) geeft hij aan dat er nog geen formele overeenkomsten zijn gesloten. Er is alleen een intentie uitgesproken om het pand te reserveren. Hierdoor zijn er ook nog geen kosten gemaakt. Het beoogde aantal te huisvesten statushouders ligt tussen de 25 en 40 personen, afhankelijk van de samenstelling. Het gaat om een mix van alleenstaanden en gezinnen. De wethouder gaat vervolgens in op de mogelijke gevolgen voor de omgeving en de risico’s. Hij noemt daarbij 3 belangrijke aandachtspunten: 6 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026  De interne dynamiek binnen de groep bewoners, waarvoor goed locatiemanagement en begeleiding nodig is.  Mogelijke overlast in de buurt, zoals parkeerdruk en verlichting, waarvoor aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.

 Ervaren onveiligheid, waarbij zorgen bestaan over bijvoorbeeld rondhangen. Dit risico wordt lager ingeschat dan bij asiel opvanglocaties, onder andere omdat statushouders mogen werken en moeten inburgeren. Als mogelijke maatregelen noemt hij o.a. begeleiding, activiteiten in de buurt, en indien nodig extra beveiliging. De verdere uitwerking van veiligheidsmaatregelen en inzet van politie, handhaving en zorg moet na een besluit plaatsvinden. Voor de periode na afloop van het contract geeft de wethouder aan dat samen met woningcorporatie Woonkracht10 wordt gewerkt aan uitstroom naar reguliere sociale huurwoningen. Ook worden woningsplitsing en op termijn flexwoningen ingezet als oplossingen. T.a.v. de timing benadrukt wethouder VAN DER BORG dat uitstel nadelige gevolgen heeft. Elke week vertraging verkort de beschikbare gebruiksperiode van de locatie, mede doordat het pand slechts tot een bepaalde termijn beschikbaar is. Bij te laat besluiten kan het project zijn nut verliezen. Daarnaast loopt de gemeente achter op de wettelijke taakstelling en staat zij onder druk van de provincie. De wethouder geeft aan dat hij deze verantwoordelijkheid serieus neemt en hierover een stevig en geloofwaardig verhaal wil kunnen neerleggen richting de provincie. De heer LAMMERS zegt dat de gemeente zich in een lastige positie bevindt, waarbij zij onder druk van de provincie snel moet handelen.

Hij geeft aan dat regelgeving vanuit de landelijke politiek via de provincie bij de gemeente terechtkomt, terwijl de mogelijkheden om hieraan te voldoen beperkt zijn. Volgens hem bestaat het probleem, doordat er een structureel tekort is aan sociale huurwoningen in Papendrecht en de regio, al langer. Hij zegt dat momenteel een deel (ca. 8 tot 10%) van de sociale huurwoningen wordt toegewezen aan statushouders. Volgens hem was deze situatie mogelijk niet ontstaan als er eerder voldoende woningen waren gebouwd. Hij zegt dat er in het verleden onvoldoende is geanticipeerd op deze ontwikkeling, waardoor de gemeente nu onder tijdsdruk moet handelen. Daardoor resteert volgens hem feitelijk weinig keuze en moet de gemeente een tijdelijke oplossing zoeken, zoals de locatie aan de Seringenstraat. Daarbij wijst hij erop dat dit geen structurele oplossing is, omdat bewoners daar na verloop van tijd opnieuw gehuisvest moeten worden. Daarnaast noemt hij het bijzonder dat deze beslissing speelt tijdens de overgang naar een nieuw college. Hij geeft aan dat dit een uitzonderlijke situatie is en dat hij twijfelt of uitstel bij de provincie haalbaar is. Tot slot vraagt hij hoeveel sociale huurwoningen de komende periode beschikbaar zijn en hoe deze verdeling uitpakt tussen statushouders en overige inwoners.

7 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 Wethouder VAN DER BORG zegt dat het college formeel nog steeds bevoegd is om besluiten te nemen en niet als demissionair moet worden gezien. Hij geeft aan dat het exacte aantal beschikbare sociale huurwoningen nog wordt nagezocht. Verder erkent hij de punten van de heer Lammers en benadrukt hij dat het college de afgelopen jaren wel degelijk vanuit visie heeft gewerkt, maar dat het met een grote en complexe opgave te maken heeft. Hij wijst erop dat er meerdere doelgroepen zijn die om huisvesting vragen, waaronder asielzoekers, Oekraïense vluchtelingen en statushouders, en dat de gemeente op al deze terreinen achterstanden heeft. De wethouder geeft aan dat de gemeente probeert naar vermogen te handelen, maar dat de opgave groot blijft. Volgens hem is het daarom noodzakelijk om nu een tussenoplossing te overwegen. Tot slot geeft hij aan dat hij het dilemma rond het al dan niet vragen van uitstel bij de provincie herkent en deelt. De heer WESTERBEKE merkt ter aanvulling op dat het lastig is om vooruit te kijken naar het aantal verhuringen van sociale huurwoningen voor de rest van 2026. Voor een langere terugblik zou volgens hem nader onderzoek nodig zijn. Wel deelt hij cijfers over eerdere jaren. In 2024 waren er 240 verhuringen van sociale huurwoningen in Papendrecht. Daarvan gingen 71 woningen naar diverse voorrangsgroepen.

Binnen deze groep werden 21 woningen toegewezen aan statushouders. In 2025 lag het aantal verhuringen op 300. Dit komt volgens hem vooral door de oplevering van een groot aantal woningen in Kraaihoek-Zuid. Van deze 300 verhuringen gingen er 161 naar voorrangsgroepen, waarvan 25 woningen naar statushouders. De heer GRIMMIUS begint met een woord van waardering richting het college, omdat zij ervoor hebben gekozen dit onderwerp met de raad te bespreken, ondanks dat zij formeel de bevoegdheid hebben om zelf een besluit te nemen. Volgens hem is het positief dat dit debat in openbaarheid plaatsvindt en dat de raad zijn overwegingen kan meegeven. Hij benadrukt dat het bij statushouders gaat om mensen die een verblijfsvergunning hebben gekregen na het doorlopen van een zorgvuldige en vaak langdurige procedure. Het gaat volgens hem om mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging en die rechtmatig in Nederland verblijven. Hij zegt dat er in de samenleving draagvlak is om deze groep te helpen, ook in Papendrecht. Hij wijst erop dat de gemeente een wettelijke taakstelling heeft om statushouders te huisvesten. In absolute aantallen gaat het volgens hem om een relatief beperkte groep, al erkent hij dat dit wel druk legt op de woningmarkt. Hij zegt dat de huidige problemen mede zijn ontstaan doordat er de afgelopen jaren onvoldoende sociale huurwoningen zijn gebouwd.

Zowel de raad als het college dragen daarin volgens hem verantwoordelijkheid. Hij spreekt van een situatie die min of meer door de gemeente zelf is ontstaan. Daardoor is de gemeente nu genoodzaakt om tijdelijke 8 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 en minder ideale oplossingen (noodgrepen) te overwegen, zoals de locatie aan de Seringenstraat. Volgens hem zijn dit soort maatregelen per definitie pijnlijk, maar het gevolg van eerdere keuzes. T.a.v. het mogelijke uitstel van het besluit geeft hij aan dat dit begrijpelijk is gezien de komst van een nieuw college. Zijn fractie staat niet principieel negatief tegenover uitstel, maar stelt hier wel een duidelijke voorwaarde aan: het mag er niet toe leiden dat de provincie ingrijpt en de regie overneemt. In dat geval zou de gemeente zowel financieel als maatschappelijk de gevolgen dragen, zonder zelf invloed te hebben op de oplossing. Hij zegt dat alternatieven, zoals het volledig toewijzen van sociale huurwoningen aan statushouders, dat in sommige gemeenten wordt toegepast, zeer ongewenst zijn voor de inwoners. Daarom vindt zijn fractie dat die situatie koste wat kost moet worden voorkomen. Daarnaast vraagt hij om een nadere toelichting waarom het optoppen van bestaande gebouwen niet haalbaar blijkt en of dit technisch of praktisch op korte termijn niet mogelijk is.

Tot slot vraagt hij aandacht voor de juridische en praktische aspecten van woningdelen, waaronder de positie van huurders en de mogelijke gevolgen voor omwonenden bij overlast. Wethouder VAN DER BORG geeft m.b.t. het optoppen aan dat dit vooral een oplossing is voor de langere termijn. Op korte termijn kost het volgens hem veel tijd om dit goed te realiseren. Hoewel er beperkt onderzoek naar is gedaan, blijkt het niet snel uitvoerbaar. Daarom is ervoor gekozen deze optie nu niet mee te nemen, maar mogelijk in de toekomst wel verder te verkennen. Over het woningsplitsen legt hij uit dat dit bewust als pilot wordt uitgevoerd, juist om ervaring op te doen en te beoordelen hoe dit in de praktijk werkt. Hij geeft aan dat er voorzichtig positieve signalen zijn, maar zegt dat zorgvuldigheid belangrijk is. Daarbij wordt gekeken naar o.a. de vraag of bewoners goed bij elkaar passen, of het past binnen de buurt en of er voldoende communicatie plaatsvindt. Hij benadrukt dat het gaat om maatwerk en dat er ook landelijk aandacht is voor deze aanpak. De pilot wordt ondersteund door landelijke subsidie, die naar verwachting wordt verlengd. Het doel is om in sommige grotere woningen, waar nu bv. gezinnen wonen, ruimte te creëren voor meerdere alleenstaanden.

(Maidenspeech van) de heer HEDAYATI-SOHANI geeft aan dat de VVD-fractie zich bewust is van de grote opgave rondom de huisvesting van statushouders en dat ook Papendrecht hierin zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Tegelijk vindt men dat de overheid betrouwbaar moet zijn en gemaakte afspraken moet nakomen. De VVD-fractie is daarom kritisch op het voornemen om statushouders op te vangen op een locatie waar eerder, bij het beëindigen van de bestuursovereenkomst voor de opvang van AMV’ers, is toegezegd dat de opvang daar zou eindigen. Deze toezegging is destijds nadrukkelijk aan omwonenden gedaan. Hoewel de VVD-fractie zich realiseert dat er een wettelijke verplichting ligt en opvang noodzakelijk is, benadrukt de heer HEDAYATI-SOHANI dat bestuur 9 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 ook draait om betrouwbaarheid. Als inwoners het gevoel krijgen dat eerdere afspraken worden teruggedraaid, kan dat het vertrouwen in de overheid schaden. De VVD-fractie hoopt dat het college zich bewust is van de impact van deze keuze op de relatie met de buurt en het vertrouwen van inwoners. Juist bij moeilijke besluiten is het volgens hen belangrijk dat de overheid voorspelbaar en zorgvuldig handelt en afspraken respecteert.

Tot slot vraagt de heer HEDAYATI-SOHANI of het college de opvatting deelt dat het nakomen van afspraken essentieel is voor het vertrouwen in de overheid, en zo ja, hoe het college dit vertrouwen in deze situatie denkt te behouden. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat de impact op omwonenden er ook zeker zal zijn en dat de gemeente een grote verantwoordelijkheid heeft om hier zorgvuldig mee om te gaan. Dit betekent dat bij een besluit alle aspecten, zoals parkeren, veiligheid en dagbesteding, goed moeten worden meegenomen en uitgewerkt. Hij zegt deze verantwoordelijkheid ook persoonlijk te voelen in de resterende periode dat hij wethouder is en benadrukt dat dit een belangrijk punt is. De wethouder is het niet eens met de stelling dat er verwachtingen zijn geschonden. Bij de beëindiging van de opvang aan de Seringenstraat is in een persbericht vermeld dat de locatie mogelijk in de toekomst geschikt zou zijn voor andere doelgroepen. Destijds werd daarbij gesproken over opvang van Oekraïners, wat een andere doelgroep is dan de huidige. Volgens de wethouder heeft het college dit begin dit jaar ook duidelijk gecommuniceerd. Hij erkent dat hierover verschillend kan worden gedacht en dat bewoners mogelijk vooral hebben onthouden dat de opvang zou stoppen.

Tegelijk zegt hij dat de locatie voor het college altijd in beeld is gebleven voor andere doelgroepen, met uitzondering van asielzoekers of AMV’ers. Mevrouw STIGTER noemt het door mevrouw Van Es geschetste dilemma, waar de CU-fractie zich in herkent. Volgens haar gaat het debat niet zozeer over de vraag óf er statushouders aan de Seringenstraat moeten komen, maar vooral over de vraag of dit besluit op dit moment genomen moet worden. Zij benadrukt dat het hierbij gaat om echte vluchtelingen en niet om gelukszoekers, zoals soms op sociale media wordt gesuggereerd. Daarnaast noemt zij het (foutieve) beeld dat men achterloopt met de sociale huisvesting. Ze verwijst naar een eerdere presentatie over het huisvestingsplan 2030, waarin aanvankelijk geen sociale huurwoningen waren opgenomen, maar dat dit later is aangepast. Volgens haar is er inmiddels wel degelijk gebouwd en zijn er ook nieuwe wijken ontwikkeld met sociale huurwoningen. Verder merkt zij op dat de CU-fractie zich in het verkiezingsprogramma heeft ingezet voor meer sociale woningbouw en pleit voor een inhaalslag, waarbij het aandeel sociale huurwoningen, omdat dit momenteel nog onder de 30% ligt, wat hen betreft in de komende 4 jaar stijgt naar 35%. Zij spreekt daarnaast haar waardering uit voor de nieuwe 10 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 ontwikkelingen m.b.t.

het optoppen, waar eerder nog geen mogelijkheden voor werden gezien. Verder merkt zij op dat de nieuwe collegepartijen, de VVD, PVV en OP-fracties, in hun bijdragen geen alternatief hebben aangedragen voor de voorgestelde opvanglocatie. Volgens haar lijkt dat alternatief er ook niet te zijn. Tot slot zeg zij dat de haar fractie het eens is met de bewoners en dat de vraag voor haar fractie blijft of het college dit besluit nu moet nemen. Men vindt dat de partijen die de verkiezingen hebben gewonnen verantwoordelijkheid moeten nemen om tot een oplossing te komen. De heer TIELEMAN geeft aan dat hij met een persoonlijk dilemma zit, omdat hij in zijn dagelijkse werk betrokken is bij dit onderwerp en er ook verantwoordelijkheid voor draagt, terwijl hij tegelijkertijd namens zijn fractie het woord voert. Hij benadrukt dat Papendrecht een wettelijke taak heeft om statushouders te huisvesten en dat de raad verplicht is de wet te respecteren en uit te voeren. Daarbij merkt hij op dat het tekort aan sociale huurwoningen en de huisvesting van statushouders een probleem is, dat niet alleen in Papendrecht speelt. N.a.v. de informatiebijeenkomst in de Seringenstraat valt hem op dat inwoners het vertrouwen in het bestuur, de gemeente en de uitvoering kwijtraken. Zij hebben het gevoel dat afspraken over de voormalige AMV-locatie niet zijn nagekomen en dat meldingen onvoldoende worden opgepakt.

Volgens hem kan en mag dit niet genegeerd worden en ligt hier een verantwoordelijkheid voor zowel het college als de raad. Verder vraagt hij naar de samenstelling van de bewonersgroep en hoe wordt omgegaan met eventuele problemen. Ook vraagt hij hoe bewoners weten waar zij terecht kunnen met klachten en hoe snel deze worden opgelost. Verder gaat hij in op de kosten. Hoewel is aangegeven dat de kosten voor de Seringenstraat relatief laag zijn, vraagt hij of inwoners de toezegging kan worden gedaan voor bv. toezicht in de avond en nacht, om overlast te beperken. Als daar extra middelen voor nodig zijn, verwacht hij dat het college de raad daarbij betrekt. Daarnaast plaatst hij vraagtekens bij de snelheid van het besluit. Hij vraagt of uitstel bij de provincie is overwogen en wat daarop de reactie is geweest. Volgens hem zou het logisch zijn om deze beslissing over te laten aan het nieuwe college dat straks verantwoordelijk wordt. Hij zegt dat het huidige college door nu te besluiten het probleem bij het nieuwe college neerlegt. Daarbij vraagt hij wat de mogelijkheden zijn als bewust wordt gekozen om de beslissing over te laten aan het nieuwe college. Hij zegt dat hij hiermee geen bestuurlijke ongehoorzaamheid bedoelt, maar een bewuste keuze om de verantwoordelijkheid bij het nieuwe bestuur te leggen.

Tegelijk gaat hij ervan uit dat daar mogelijk consequenties aan verbonden zijn vanuit de provincie. Hij vraagt daarom of er in zo’n geval sprake is van een termijn om een korte vertraging tijdig te herstellen. 11 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 Tot slot benadrukt hij nogmaals het belang om het vertrouwen van inwoners terug te winnen door afspraken na te komen en zorgvuldig te handelen. Tegelijk onderstreept hij dat het gaat om echte vluchtelingen, die om een goede reden zijn gevlucht en van wie de status is beoordeeld door de IND. Volgens hem moet daar vertrouwen in zijn en vraagt dit om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Wethouder VAN DER BORG merkt m.b.t. de vraag om uitstel op, dat de locatie aan de Seringenstraat slechts tot september volgend jaar beschikbaar is. Hoe langer de besluitvorming wordt uitgesteld, hoe kleiner de kans dat de locatie nog daadwerkelijk gebruikt kan worden. Daarbij verwacht hij dat er binnen een half jaar geen alternatief gevonden zal worden. Het enige alternatief dat hij kan bedenken is dat de provincie het hotel aanwijst. Volgens hem benadrukt dit de urgentie van het dilemma. Hoewel hij aangeeft dat hij liever had gezien dat het nieuwe college dit besluit zou nemen, voelt hij zich genoodzaakt dit nu voor te leggen.

Hij zegt dat het college eerst een besluit moet nemen voordat er gesprekken met de provincie gevoerd kunnen worden, omdat er een vastgesteld huisvestingsplan nodig is. Daarnaast merkt hij op dat de provincie al eerder duidelijke eisen heeft gesteld en dat het de vraag is in hoeverre uitstel nog op begrip kan rekenen. Over het vertrouwen van omwonenden erkent de wethouder dat dit onder druk staat. Hij geeft aan veel gesprekken te hebben gevoerd en signalen te hebben ontvangen dat meldingen niet altijd goed worden opgepakt. Hij heeft daarom al gevraagd om een verbeterde aanpak, zodat bewoners serieuzer worden genomen en overlast beter wordt aangepakt. Volgens hem is het herstellen van vertrouwen moeilijk, maar essentieel. Hij benadrukt dat hiervoor goed locatiemanagement nodig is, waarbij er 24 uur per dag bereikbaarheid is en meldingen serieus worden opgepakt. Hij geeft aan dat hierin geïnvesteerd moet worden, omdat het anders niet goed zal gaan. Deer TIELEMAN merkt op dat er nog een vraag was over eventuele extra kosten voor veiligheid en zegt dat er hoe dan ook geïnvesteerd zal moeten worden. Volgens hem is het aan de raad om te bepalen of daarvoor extra budget beschikbaar wordt gesteld. Daarnaast stelt hij dat transparantie belangrijk is, m.n. over meldingen en eventuele overlast.

Hij merkt op dat daar nu weinig inzicht in is en benadrukt dat openheid hierover en het serieus oppakken van meldingen van groot belang zijn om het vertrouwen van inwoners te herstellen. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat het nog te vroeg is om precies te zeggen wat de kosten zullen zijn. Als deze oplopen, zal het college hiermee naar de raad komen en daar transparant over zijn. De heer TIELEMAN vraagt tot slot of de kosten door het Rijk worden gedragen of door de gemeente, waarop de wethouder antwoordt dat het kosten van het Rijk betreft. 12 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 De heer BOERSMA merkt op dat democratie moed vraagt, zowel van inwoners als van bestuurders. Het nemen van moeilijke besluiten met weinig draagvlak hoort daarbij. Hij spreekt waardering uit voor de wethouder dat dit gesprek plaatsvindt en zegt dat er altijd inwoner zullen blijven die hier niet mee instemmen. Hij beschrijft het huisvestingsplan als een dilemma dat uit drie onderdelen bestaat: de taak, de plek en het moment. T.a.v. de taak stelt hij dat het huisvesten van statushouders in de eerste plaats een wettelijke verplichting is. Daarnaast benadrukt hij dat het voor de SGP-fractie vanuit de bijbel een grondhouding is om mensen die vluchten voor oorlog en geweld op te vangen. Tegelijkertijd erkent hij dat dit druk legt op de sociale woningvoorraad en voorzieningen.

Daarom vindt hij het belangrijk om bij de uitvoering rekening te houden met de draagkracht van Papendrecht. Als die druk te groot wordt, moeten volgens hem alternatieve vormen van huisvesting worden overwogen, zoals het benutten van kantoren of andere ruimtes. Hij waarschuwt dat anders het risico ontstaat dat nieuwe sociale huurwoningen via de voorrangsregeling grotendeels of zelfs volledig naar statushouders gaan, wat voor zijn fractie niet acceptabel is. Hij zegt dat de huisvesting van statushouders impact heeft. De SGP-fractie vindt dat de instroom van migranten moet worden beperkt en dat procedures sneller en beter moeten verlopen; hiervoor doet de fractie in de Tweede Kamer ook voorstellen. Tegelijk geeft hij aan dat zijn verantwoordelijkheid als raadslid in Papendrecht niet gaat over de vraag of er meer of minder vluchtelingen moeten komen, maar over de manier waarop mensen die al een verblijfsstatus hebben gekregen op een goede manier worden gehuisvest. Over de locatie aan de Seringenstraat geeft hij aan dat Papendrecht al enkele jaren achterloopt op de taakstelling voor de huisvesting van statushouders. Op de lange termijn wil het college dit oplossen door meer sociale woningbouw te realiseren, zoals flexwoningen en woningsplitsing. Daarnaast noemt hij ook private initiatieven, zoals Takecarebnb, als mogelijke aanvulling.

Volgens hem is er echter ook op korte termijn actie nodig. Daarom kijkt het college naar het leegstaande pand aan de Seringenstraat, dat relatief snel geschikt kan worden gemaakt. Vanuit bestuurlijk perspectief vindt hij deze keuze begrijpelijk. Tegelijk erkent hij dat dit voor omwonenden ingewikkeld ligt. Er zijn zorgen over geluidsoverlast, veiligheid en de openbare orde. Hij verwijst naar signalen uit de buurt, waaruit blijkt dat bewoners de rust in de avond en nacht recent als positief ervaren, wat volgens hem aangeeft dat dit in een eerdere situatie niet het geval was. Ook merkt hij op dat de begeleiding van statushouders anders is dan bij de eerdere opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen en dat omwonenden de communicatie vanuit de gemeente, met name bij incidenten, niet altijd als voldoende hebben ervaren. Daarnaast leeft bij een deel van de bewoners de verwachting dat deze locatie niet opnieuw gebruikt zou worden voor opvang. Hij stelt daarom enkele vragen aan de wethouder. Hij vraagt of het 13 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 college, bij een positief besluit, bereid is om vooraf duidelijke afspraken te maken over openbare orde, veiligheid en een veiligheidsplan, en om de buurt, maatschappelijke organisaties en werkgevers hierbij te betrekken.

Ook wil hij weten hoe de zorgen en verwachtingen van omwonenden worden meegenomen in het definitieve besluit. T.a.v. het moment merkt hij op dat Papendrecht, omdat de provincie hier halfjaarlijks op toetst, uiterlijk 1 juli een huisvestingsplan moet aanleveren. Tegelijkertijd noemt hij de ongelukkige samenloop met de vorming van een nieuw college. Hij schetst de situatie waarin de raad nu het gesprek voert, terwijl aanstaande vrijdag het coalitieakkoord wordt gepresenteerd, de wethouder maandag het gesprek voert met de provincie en donderdag een nieuw college aantreedt. Volgens hem ontstaat hierdoor een bestuurlijke spagaat, waardoor de politieke en bestuurlijke ruimte van het huidige college beperkt is. M.b.t. de rol van de provincie en het toezicht merkt hij op dat Papendrecht zich op dit moment in toezichtniveau 4 bevindt, en bij verdere achterstand kan worden opgeschaald naar trede 5: indeplaatsstelling, waarbij de provincie uiteindelijk kan ingrijpen. Tegelijk merkt hij op dat uit voorbeelden van andere gemeenten blijkt dat er in zo’n situatie vaak nog een jaar de tijd wordt gegeven om alsnog aan de taakstelling te voldoen. Volgens hem biedt dat enige ruimte om het besluit eventueel uit te stellen. Verder wijst hij op de verantwoordelijkheid van de beoogde coalitiepartijen.

Hoewel het nieuwe college nog niet formeel is aangetreden, hebben deze partijen samen al een meerderheid en daarmee volgens hem ook een duidelijke verantwoordelijkheid. Hij verzoekt hen, t.b.v. het gesprek, de inhoud van het coalitieakkoord m.b.t. opvang en huisvesting van statushouders te delen. Hij zegt dat 1 van de beoogde coalitiepartijen, OP, al heeft aangegeven voor uitstel van de besluitvorming te zijn en vraagt of de VVD en PVV dit standpunt delen. Ook vraagt hij verduidelijking van de VVD-fractie over hun eerdere standpunt dat de raad meer zeggenschap moet hebben over dit soort besluiten. Daarnaast merkt hij op dat de PVV eveneens lijkt te pleiten voor uitstel en het overlaten van de beslissing aan het nieuwe college. Hij is van mening dat partijen die het voorstel willen afwijzen ook met een alternatief moeten komen en die verantwoordelijkheid niet kunnen ontwijken. Daarop geeft hij aan dat het volgens hem onwenselijk is dat coalitiepartijen zich nu of later tegen het plan uitspreken, terwijl hun eigen wethouders het vervolgens, met steun van de oppositie partijen, toch zouden uitvoeren. Om deze reden doet zijn fractie een concreet voorstel om met de situatie om te gaan. Hij stelt voor dat de wethouder een brief aan de provincie stuurt waarin de huidige stand van zaken m.b.t.

het concept-huisvestingsplan wordt toegelicht en dat daarbij wordt aangegeven dat vanwege de lopende collegevorming nog geen definitief besluit wordt genomen. Dat besluit kan vervolgens binnen enkele weken door het nieuwe college worden genomen. Daarna kan de raad in een later moment, in september, opnieuw het 14 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 gesprek voeren over het definitieve plan. Volgens hem doet deze aanpak recht aan de verantwoordelijkheid van het huidige college, de rol van de nieuwe coalitie en de politieke situatie waarin de gemeente zich bevindt. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat de inbreng van omwonenden actief is opgehaald tijdens een bewonersavond. Het doel daarvan was om inzicht te krijgen in wat nodig is om het vertrouwen te herstellen. De opbrengst van deze avond, waarvan het verslag is gedeeld, wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Hij benadrukt dat met name veiligheid, de leefomgeving en goed locatiemanagement belangrijke aandachtspunten zijn. Daarbij geeft hij aan dat een goed functionerend locatiemanagement voor hem een voorwaarde is. Dit moet volledig op orde zijn voordat met de uitvoering kan worden gestart. Tegelijk merkt hij op dat deze onderdelen nog verder uitgewerkt moeten worden.

Op de vraag of hij bereid is een brief aan de provincie te sturen, geeft hij aan daar nog geen definitief antwoord op te kunnen geven, omdat dit eerst in het college besproken moet worden. Wel zegt hij toe dat deze suggestie wordt meegenomen. Tot slot wijst hij erop dat er al een gesprek met de provincie gepland staat en dat van het college wordt verwacht met een oplossing te komen. Hij geeft aan dat de provincie nadrukkelijk meekijkt en ook ziet dat er een beschikbare locatie is. Daarbij merkt hij op dat andere gemeenten wel aan hun taakstelling voldoen, terwijl sommige gemeenten dat nog niet doen. Hij vraagt of Papendrecht politieke overwegingen zwaarder wil laten wegen dan de wettelijke taakstelling. Volgens hem kan die keuze ertoe leiden dat het nieuwe college een lastig gesprek met de provincie tegemoet gaat. Tot slot geeft hij aan dat hij nog maar kort wethouder is, maar het wel zijn verantwoordelijkheid vindt om dit dilemma duidelijk aan de raad voor te leggen en de reactie daarop mee te nemen. (Schorsing 21.10 – 21. 30 uur) De VOORZITTER opent de tweede termijn en geeft aan dat er nog een openstaande vraag ligt van de heer BOERSMA aan de formerende coalitiepartijen, namelijk hoe zij aankijken tegen uitstel van de besluitvorming. Mevrouw DE RUITER antwoordt namens de formerende partijen dat zij het college zullen ondersteunen, ongeacht de beslissing die wordt genomen.

Als het college besluit om de Seringenstraat als locatie te gebruiken, nemen de partijen daar na installatie van het nieuwe college ook verantwoordelijkheid voor. Tegelijk geeft zij aan dat men, mede vanwege het beeld dat is ontstaan na het sluiten van de AMV-locatie, niet gelukkig is met deze locatie. Zij zegt dat de locatie kritisch gevolgd en gemonitord zal worden en dat het nieuwe college open en transparant moet zijn over eventuele incidenten en problemen. 15 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 De heer GRIMMIUS vraagt per interruptie om verduidelijking en wil weten of deze woorden namens alle 3 de formerende partijen zijn uitgesproken, wat door mevrouw DE RUITER wordt bevestigd. Daarna stelt de heer GRIMMIUS, net als de heer BOERSMA, nogmaals de vraag of de partijen het besluit nu wel of niet steunen, aangezien er volgens hem sprake lijkt van een tegenstrijdigheid: enerzijds steun uitspreken, maar anderzijds aangeven het er niet mee eens te zijn. Mevrouw DE RUITER zegt dat de formerende partijen het college steunen in het nemen van een besluit, maar dat zij zelf niet tevreden zijn over de gekozen locatie. De heer GRIMMIUS vraagt nogmaals om een duidelijk antwoord en stelt dat je niet tegelijkertijd voor en tegen een besluit kunt zijn.

Mevrouw DE RUITER herhaalt daarop dat de partijen het huidige college steunen in de keuze die het moet maken, maar zelf niet blij zijn met de locatie. De heer LAMMERS voegt hieraan toe dat nog niet bekend is welk besluit het college daadwerkelijk zal nemen. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE: Mevrouw MINASIAN geeft aan begrip te hebben voor de oproep om de besluitvorming over te laten aan het nieuwe college, maar vindt uitstel in dit geval niet verstandig, omdat de opgave er nu ligt en om een oplossing vraagt. Volgens haar maakt doorschuiven de opgave voor het nieuwe college alleen maar groter. Voor de CDA-fractie staat voorop dat Papendrecht deze taak zorgvuldig en verantwoord invult, met aandacht voor zowel de opvang zelf als de impact op de buurt en de begeleiding van bewoners. Tot slot geeft zij aan dat haar fractie zich kan vinden in de lijn die door meerdere partijen in het debat naar voren is gebracht. De heer VAN HOUTERT vraagt zich af of het echt uitmaakt of het besluit nu door het huidige college wordt genomen of straks door het nieuwe college. Volgens hem is dat verschil klein, omdat de gemeente toch aan de verplichting moet voldoen. Hij geeft aan dat uitstel volgens hem weinig oplost en vooral een politieke keuze lijkt. Wel vindt hij dat de coalitiepartijen de kans moeten krijgen om te laten zien of zij een beter alternatief hebben.

Daarnaast wijst hij erop dat het probleem groter gaat worden. Het gaat nu nog om een kleine groep, maar in de toekomst zullen er waarschijnlijk -tenzij de spreidingswet wordt ingetrokken- meer mensen gehuisvest moeten worden. De gemeente zal dus vaker met dit soort situaties te maken krijgen. Na een opmerking van de heer GRIMMIUS, die aangeeft dat het niet over de spreidingswet gaat, trekt de heer VAN HOUTERT deze opmerking in. Maar hij blijft wel bij het standpunt dat de opgave blijft en dat er oplossingen gevonden moeten worden. Hij vraagt de wethouder of het klopt dat dit niet het einde is en dat de gemeente in de toekomst met dezelfde of zelfs grotere problemen op dit vlak geconfronteerd zal worden. 16 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 Wethouder VAN DER BORG antwoordt dat hij niet in de toekomst kan kijken, maar verwijst naar de recente brief van het college waarin een overzicht is gegeven van de opgaven rondom vluchtelingen en statushouders. Hij geeft aan dat op alle onderwerpen achterstanden bestaan en bevestigt daarmee de stelling van de heer Van Houtert. Volgens hem zal de raad de komende jaren nog meerdere keren over deze opgaven spreken. De verdere aanpak en keuzes liggen bij de nieuwe coalitie en gemeenteraad. Mevrouw VAN ES is het niet eens met het door het college geschetste uitstel rampenscenario.

Zij geeft aan dat het gesprek met de provincie ook kan worden uitgesteld door contact op te nemen met een verzoek tot uitstel. Ook zegt zij dat een eventueel later besluit binnen enkele weken door een nieuw college genomen kan worden, zonder dat dit grote praktische gevolgen heeft voor de planning van de uitvoering. Verder merkt zij op dat het haar opvalt dat de formerende partijen het besluit wel lijken te steunen, maar dit niet zelf willen nemen. Zij vindt dat als partijen achter het besluit staan, zij ook zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen in plaats van dit bij het huidige college neer te leggen. Mevrouw VAN ES geeft aan dat volgens haar een meerderheid van de raad voor uitstel is. Zij zegt dat het niet wenselijk is dat het huidige college nog een dergelijk besluit neemt, omdat het nieuwe college verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering. Daarom pleit zij ervoor het besluit uit te stellen, zodat het nieuwe college dit zelf kan nemen en ook de uitvoering daarvan kan dragen. Mevrouw STIGTER sluit zich aan bij het pleidooi van mevrouw Van Es. Zij stelt dat, als partijen het besluit steunen, zij ook zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen en eventueel een andere locatie kunnen overwegen. Daarom pleit ook zij ervoor het besluit over te laten aan het nieuwe college, dat slechts enkele dagen later aantreedt.

De heer STOUTHART merkt op dat mevrouw De Ruiter namens de formerende partijen heeft aangegeven dat zij elk besluit dat het huidige college neemt zullen ondersteunen. Als het college besluit het onderwerp over te laten aan de nieuwe coalitie, dan zullen zij dat respecteren en het zelf oppakken. Indien het huidige college er echter voor kiest om het besluit toch te nemen, dan nemen de formerende partijen daarvoor ook de verantwoordelijkheid en zullen zij dat besluit uitvoeren. De heer BOERSMA geeft aan dat de VVD-fractie eerder duidelijk heeft gesteld dat de locatie Seringenstraat niet opnieuw gebruikt zou moeten worden en dat beslissingen over asielopvang in de raad genomen moeten worden. Hij wijst erop dat dit destijds een les was, omdat besluiten eerder vooral door het college werden genomen zonder uitgebreid politiek debat. Hij vraagt waarom men nu 17 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 een verschil maakt tussen asielopvang, waar volgens hen de raad over moet besluiten, en de huisvesting van statushouders, die zij nu als een bevoegdheid van het college beschouwen. De heer STOUTHART antwoordt dat er volgens hem wel degelijk een verschil is, omdat er bij statushouders sprake is van een wettelijke opgave waar de gemeente aan moet voldoen.

De heer BOERSMA vraagt daarop wat dan het verschil is met de spreidingswet, waar eveneens een wettelijke verplichting uit voortkomt. Hij benadrukt dat zijn vraag draait om het verschil in bestuurlijke aanpak en waarom in het ene geval de raad beslissend zou moeten zijn en in het andere niet. De heer STOUTHART geeft aan dat er voor statushouders ook een wettelijke bevoegdheid bij het college ligt. Hij zegt dat de VVD-fractie in de toekomst wil verkennen in hoeverre bevoegdheden terug naar de raad kunnen worden gebracht, zoals ook opgenomen in de langetermijnvisie. Daarbij is het uitgangspunt om dit, waar mogelijk, zo vergaand door te voeren. De heer GRIMMIUS vraagt de wethouder om in te gaan op het argument van mevrouw Van Es over de invloed van de bouwvak op de planning. Volgens hem zit er sowieso tijd tussen het besluit en de start van de werkzaamheden, waardoor een uitstel van 1 of 2 weken mogelijk geen groot effect heeft. Daarnaast merkt hij op dat uit het debat blijkt dat er brede steun in de raad is voor het voorstel. Hij heeft geen partijen gehoord die het plan afwijzen en constateert dat zowel het huidige college als de formerende partijen bereid zijn het besluit te nemen.

Volgens hem is het, mede gezien de betrokkenheid van de provincie en de naderende wisseling van het college, goed verdedigbaar om het besluit kort uit te stellen zodat het nieuwe college dit kan nemen. Hij geeft aan dat dit ook past bij een zorgvuldige en democratische werkwijze richting de inwoners. Hij hoort hierop graag een reactie van de wethouder. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat na een besluit direct gestart moet worden met de voorbereidingen, zoals het werven van een projectleider en het opzetten van de projectstructuur. De feitelijke verbouwing kan dan zo snel mogelijk na de zomervakantie beginnen. Hij benadrukt dat hoe eerder het besluit wordt genomen, hoe eerder de locatie in gebruik kan worden genomen en dat elke week daarin telt. Op de inhoudelijke argumenten van mevrouw Van Es wil hij later terugkomen, nadat hij het hele debat heeft gehoord. Mevrouw VAN ES geeft per interruptie aan dat volgens haar een kort uitstel praktisch oplosbaar is, bv. door tijdelijk huur te betalen om het pand beschikbaar te houden. Zij stelt dat dit bij een uitstel van enkele weken geen onoverkomelijk probleem hoeft te zijn. Wethouder VAN DER BORG zegt dat de beschikbaarheid van het pand geen probleem is en dat dit voor hem geen punt van discussie is.

De heer GRIMMIUS vraagt de wethouder om te reflecteren op het feit dat de provincie meeluistert en dat ook de formerende partijen hebben aangegeven het besluit te willen nemen. Volgens hem kan dit betekenen dat er meer ruimte 18 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 is om het besluit uit te stellen. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat hij niet kan inschatten hoe de provincie zal reageren op een verzoek tot uitstel. Hij wijst erop dat het mogelijk is dat de provincie stelt dat het college het besluit al had kunnen nemen, aangezien het college nog volledig bevoegd is. Ook vindt hij het niet verstandig om opnieuw om uitstel te vragen, omdat dit niet de eerste keer zou zijn. Mevrouw VAN ES merkt per interruptie op dat het logisch is dat het advies van de raad wordt gevolgd, zeker omdat een ruime meerderheid voor uitstel pleit en het nieuwe college op korte termijn aantreedt. Volgens haar is het argument dat de provincie dit niet zou accepteren niet overtuigend, omdat het besluit ook eerder al genomen had kunnen worden. Wethouder VAN DER BORG zegt dat het moment waarop het nieuwe college zou aantreden niet te voorspellen was en dat het huidige college al 2 maanden bezig is met de voorbereiding van dit voorstel, inclusief gesprekken met omwonenden en de raad.

Hij erkent dat de timing een lastig dilemma is, maar benadrukt zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid om tot een goede oplossing te komen. Daarbij geeft hij aan dat hij richting de provincie geen politieke argumenten kan gebruiken om uitstel te onderbouwen, maar dat hij het advies van de raad wel serieus meeneemt. Hij merkt ook op dat uit het debat kan worden afgeleid dat er brede overeenstemming is over de opgave. Mevrouw VAN ES benadrukt opnieuw dat er vrijwel raadsbrede steun is voor uitstel en dat het raadadvies serieus genomen moet worden. Zij merkt op dat de huidige portefeuillehouders volgens haar slechts een beperkt deel van de raad vertegenwoordigen. Wethouder VAN DER BORG merkt op dat het huidige college alle 23 zetels van de raad vertegenwoordigt. De heer BOERSMA merkt op dat hij na het debat niet gerustgesteld is. Volgens hem hanteren de 3 beoogde coalitiepartijen nu een formele houding, terwijl er de afgelopen jaren juist veel politiek debat is geweest over de opvang van mensen in Papendrecht. Hij zegt dat deze partijen enerzijds aangeven het besluit niet wenselijk te vinden, maar anderzijds het nemen van de beslissing bij het college neerleggen. Hij suggereert dat dit mede komt doordat deze partijen binnenkort zelf onderdeel zullen uitmaken van het college en daardoor mogelijk liever niet nu al verantwoordelijkheid nemen voor het besluit.

Volgens de heer BOERSMA ontstaat hierdoor een situatie waarin zij later kunnen stellen dat het besluit niet van hen afkomstig was, maar dat zij het slechts uitvoeren omdat het door het college, de provincie of het Rijk is opgelegd. Hij vindt dat hiermee geen daadwerkelijke verantwoordelijkheid wordt genomen, hetgeen hem zorgen baart voor te toekomst. Hij noemt het een magere invulling van verantwoordelijkheid als besluiten worden toegeschreven aan externe druk van het Rijk, de provincie of een rechter, in plaats van eigen politieke keuzes. Tegelijkertijd spreekt hij nogmaals waardering uit voor de wethouder, die volgens hem de moed heeft om het gesprek met de raad te voeren en een besluit te 19 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 moeten nemen. Hij hoopt dat het besluit dat genomen wordt, ook daadwerkelijk gerespecteerd en overgenomen zal worden door het nieuwe college. Volgens hem verliezen de gemaakte afspraken en uitgesproken standpunten anders hun waarde. De heer VERHOEVEN zegt dat hij een worsteling ziet, zowel bij de raad als bij de wethouder. Volgens hem staat de wethouder voor een lastige opgave richting de provincie en lijkt het antwoord daarop eigenlijk al duidelijk. Hij ziet dat de formerende partijen steun uitspreken voor welk besluit het college ook neemt, maar dat er tegelijkertijd ook behoefte is aan uitstel.

Hij vraagt zich af of de wethouder geholpen zou zijn met een toezegging van de formerende partijen, waarin zij aangeven binnen 2 weken zelf een besluit te nemen over dit dilemma. Volgens hem zou de wethouder hiermee richting de provincie kunnen onderbouwen dat er op korte termijn duidelijkheid komt, hetzij via een alternatief plan, hetzij via uitvoering van de Seringenstraat. Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat hij dat niet nodig heeft. Hij benadrukt dat het aan de raad is om het politieke debat te voeren. Hij neemt deze signalen mee, zal hier goed over nadenken en brengt vervolgens een advies uit in het college. Daarbij geeft hij aan dat hij zowel bereid is om een besluit te nemen als om dat niet te doen. De heer VERHOEVEN herhaalt zijn vraag of een dergelijke toezegging hem zou helpen, maar wethouder VAN DER BORG zegt dat het niet de bedoeling is dat de discussie draait om het helpen van hem persoonlijk. De heer GRIMMIUS begrijpt waar de vraag van de heer VERHOEVEN vandaan komt, maar zegt dat deze volgens hem beter gericht kan worden aan de formerende partijen. Hij geeft aan dat eerst duidelijk moet zijn of zij bereid zijn een dergelijke toezegging te doen. Daarom stelt hij voor de vraag direct aan hen voor te leggen, zodat daar helderheid over komt.

De heer STOUTHART antwoordt dat hij deze redenering begrijpt, maar vindt dat de formerende partijen op dit moment niet in de positie zijn om dergelijke toezeggingen te doen. Hij wijst erop dat niet alle toekomstige collegeleden aanwezig zijn en dat hij daarom geen uitspraken wil doen over wat een nieuw college binnen korte termijn kan of zal beslissen. De heer TIELEMAN vraagt of het de portefeuillehouder zou helpen als de coalitiepartijen duidelijk uitspreken wat hun standpunt is over het wel of niet uitstellen van het besluit. Wethouder VAN DER BORG antwoordt dat dit hem niet verder helpt. Volgens hem is inmiddels voldoende zichtbaar tot hoever de verschillende partijen willen gaan en acht hij die informatie toereikend voor zijn afweging. 20 Besluitenlijst Beeldvorming van 22 juni 2026 Afsluitend geeft wethouder VAN DER BORG aan wat hij meeneemt naar het college. Hij geeft aan dat hij als onderdeel van het college een advies moet uitbrengen op basis van het debat in de raad. Hij onderscheidt daarbij 3 hoofdpunten. - Ten eerste constateert hij dat er breed in de raad het besef leeft dat er een opgave ligt en dat er een oplossing moet komen in de vorm van een huisvestingsplan. - Ten tweede hoort hij van meerdere partijen een (dringend) advies om het besluit uit te stellen.

- Ten derde stelt hij vast dat een meerderheid van de raad heeft aangegeven het besluit van het college, ongeacht of dat nu wordt genomen of uitgesteld, te zullen steunen. De wethouder zegt dat hij deze signalen zorgvuldig zal afwegen, er een nacht over zal nadenken en op basis daarvan het college zal adviseren. Tot slot spreekt hij zijn waardering uit voor de manier waarop de raad het debat heeft gevoerd en benadrukt hij dat het college haar verantwoordelijkheid zal nemen in deze kwestie. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER dit agendapunt. 05. Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 22.25 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 2026. De heer H. Sepers mevrouw S.A. Verdoorn-De Lang (plv. griffier) (voorzitter) 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1379/documents/18618