CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20260129 Verslag Besluitvorming.pdf

Raadsvergadering Papendrecht 5 maart 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 4: Vaststelling verslag raadsvergaderingen 29 januari en 2 februari 202613.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “mededelingen”: 9

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

VERSLAG VAN DE OPENBARE BESLUITVORMENDE RAADSVERGADERING VERGADERING VAN DE GEMEENTERAAD VAN PAPENDRECHT d.d. 29 januari 2026 (aanvang 20.00 uur) Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op www.papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw M.J.M. van Driel, (voorzitter); De dames: A. Bokma (VVD), T.C. van Es (D66), A. van Gent (PAB), A.A.S. Stigter (CU), A. Verschoor - De Winter (CDA), H.M. van Wijngaarden (PAB), D. Yildiz-Karso (PvdA) en de heren: H.G. Bezemer (CU), A.J. Boersma (SGP), de heer L. Bruijniks (PAB), heer L.T. van den Dool (CDA), P.J. van der Giessen (VVD), W. Goudriaan (SGP), P.C. Grimmius (GL), N. van Heteren (D66), X.D.R. Janssen (PAB), R. Schuil (CDA), K. Spitsbaard (OP), H.D. Stouthart (VVD), A. Tieleman (PAB) en M.H.A. Verweij (PAB). Mevrouw W. Renzen - Van Leeuwen en de heren J.W. van der Borg, J.L. van Erk, A.M.J.M. Janssen en A.J. Kosten; wethouders. Mevrouw C. Madern, griffier; De heer A.C.N. Mullenders, plv. griffier/raadsadviseur. Verslaglegging: Jeanine Nieuwstraten. Afwezig: mevrouw H.C.T.J. Hoekstra en de heren I. Brands en R. Lammers (OPfractie). 01.

Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. Zij vraagt aandacht voor de Nationale Poëzieweek, de Week van Het Vergeten Kind, de Nationale Voorleesdagen en de Internationale Puzzelweek. Wegens omstandigheden kunnen mevrouw Hoekstra en de heren Brands en Lammers van de OP-fractie helaas niet aanwezig zijn. De vergadering bestaat uit 20 besluitvormende stemmen.

02.

Vastellen agenda. De VOORZITTER noemt de amendementen en moties die vanavond zullen worden ingediend. Mevrouw VAN ES stelt voor agendapunt 17. Aanvraag exploitatiebudget voor nader onderzoek en uitwerking 4 kansrijke locaties voor nieuw woonwagenstandplaatsen, gezien de belangstelling voor dit onderwerp, direct na agendapunt 14 te laten plaatsvinden. De heer SPITSBAARD geeft aan agendapunt 18 te zullen verplaatsen naar de volgende raadsvergadering.

1

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

De agenda wordt aldus gewijzigd en vastgesteld. 03.

Mededelingen. De heer SPITSBAARD zegt dat 3 leden van de OP-fractie -met excuses- door persoonlijke omstandigheden helaas echt niet aanwezig kunnen zijn. Er zijn verder geen mededelingen.

04.

Vaststellen verslag 4 december 2025. De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld.

05.

Vragenkwartier. Er zijn geen vragen.

06.

Ingekomen stukken. I. het voorstel om de onder categorie I ingekomen stukken voor kennisgeving aan te nemen (de betreffende stukken zijn al als ingekomen stuk te boek gesteld en aan de orde geweest in de vergaderingen van de raadscommissies): de raad gaat hiermee akkoord. II. Het voorstel om de onder categorie II ingekomen stukken (die hierbij rechtstreeks te boek worden gesteld ten behoeve van de onderhavige vergadering van de gemeenteraad) als volgt te behandelen: II.A. De ingekomen stukken (afkomstig van derden) voor kennisgeving aan te nemen; de raad gaat akkoord met de voorgestelde wijze van afdoening. II.B. De ingekomen stukken (afkomstig van derden) in handen stellen van het college ter afdoening. II. D. de ingekomen stukken (afkomstig van het college) voor kennisgeving aan te nemen; de raad gaat akkoord met de voorgestelde wijze van afdoening. II. E. De antwoorden (afkomstig van het college) op RvO ex art. 40 vragen voor kennis aan te nemen; de raad gaat akkoord met de voorgestelde wijze van afdoening. Er zijn geen bijzonderheden en dit agendapunt wordt afgesloten. HAMERSTUKKEN:

07.

Vaststelling 8e wijziging GR DG&J. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten.

08.

Nota risicomanagement 2026. 2

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten. 09.

Beeldkwaliteitsplan De Lage Waard: deel welstandseisen. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten.

10.

Beeldkwaliteitsplan Van der Palmgebied: deel welstandseisen. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten.

11.

STREKT TER VERVANGING: Verordening leerlingenvervoer Papendrecht 2026. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten.

12.

Ontwikkelingen en samenwerkingsovereenkomst Beschermd Wonen & Opvang. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten.

13.

Voorstel zienswijze bijdrageverordening GR Sociaal: Kostenverdeelsleutel Drechtwerk. Zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming wordt unaniem conform het voorstel van burgemeester en wethouders besloten. BESPREEKSTUKKEN:

14.

Verordening Jeugdhulp 2026. De heer VAN HETEREN geeft aan waarom zijn fractie samen met GL en de PvdAfracties 7 amendementen indient op de verordening Jeugdhulp. Volgens hen moet een verordening juridisch deugdelijk, helder, toetsbaar en transparant zijn, zodat verschillende interpretaties worden voorkomen. De amendementen zijn mede gebaseerd op adviezen van het Ouderen Platform, de Adviesraad Sociaal Domein, jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, juridisch advies uit de praktijk en voorbeelden van andere gemeenten. M.b.t. amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn staat in de verordening nu 10 weken, terwijl de Algemene wet bestuursrecht 8 weken voorschrijft. Door de passage te schrappen, gaat automatisch de wettelijke termijn van 8 weken gelden. Het dictum van amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluit: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: 3

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

"1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 4 lid 5 van de verordening wordt geschrapt." Met amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast wordt volgens de fracties een kernpunt van de verordening geraakt. Men is van mening dat de huidige tekst te abstracte begrippen bevat en pleit voor 7 concrete en toetsbare criteria om te bepalen of ouders overbelast zijn. Het college moet daarbij alle criteria in samenhang beoordelen. Ouders weten zo beter waar zij aan toe zijn en kunnen bezwaar maken wanneer zij het niet eens zijn met een besluit. Het dictum van amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 10 lid 5 van de verordening wordt vervangen door: 'Bij de beoordeling of sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting als bedoeld in het vierde lid, onder c, hanteert het college de volgende criteria: a. Duur en intensiteit van de benodigde inzet, waarbij geldt dat de inzet ook tot overbelasting kan leiden indien dit redelijkerwijs blijkt uit de combinatie van duur en intensiteit; b. stapeling van zorgtaken binnen het gezin, waarbij als uitgangspunt geldt dat de aanwezigheid van meer dan één zorgtaak kan leiden tot overbelasting; c. fysieke en mentale conditie van de verzorgers en overige gezinsleden; d. de mogelijkheid om de benodigde inzet te combineren met arbeid, opleiding of maatschappelijke participatie zonder onevenredige gevolgen voor inkomen, arbeidsparticipatie of maatschappelijke participatie van verzorgers en overige gezinsleden; e. de aanwezigheid en feitelijke beschikbaarheid van een ondersteunend sociaal netwerk, dat in staat is de benodigde inzet geheel of gedeeltelijk te verrichten; f. aanwezige competenties om de benodigde inzet te verrichten, waaronder ook de mentale competenties, bij de verzorgers en overige gezinsleden; g.

de noodzaak voor verzorgers om in een toereikend inkomen te voorzien voor de bestaanszekerheid van het gezin. In te vullen door griffie Nummer amendement: Uitslag stemming Het college beoordeelt de aanwezigheid van overbelasting of dreigende overbelasting aan de hand van een totaalafweging van alle genoemde criteria, waarbij het college rekening houdt met de onderlinge samenhang en versterking van de criteria. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder 'de financiële aspecten van draagkracht en draaglast' niet verstaan een inkomenstoets of de vraag of ouders zelf hulp kunnen inkopen. Het betreft uitsluitend de beoordeling of, gelet op de balans tussen draagkracht en draaglast, van ouders redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij (tijdelijk) zelf voorzien in (onderdelen van) de hulp, zonder dat dit leidt tot onevenredige gevolgen voor de bestaanszekerheid van het gezin. Het college werkt de wijze van 4

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

beoordeling van de criteria uit in een beleidsregel, waarbij gebruik wordt gemaakt van voorbeelden en richtlijnen. Amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen richt zich op de eis dat ouders Nederlands moeten spreken om jeugdhulp te kunnen aanvragen. De fracties wensen deze bepaling te schrappen, omdat dit ouders uitsluit die geen Nederlandse spreken, terwijl er volgens de fractie andere manieren zijn om hen toch goed te ondersteunen. Met dit voorstel wordt volgens hen discriminatie voorkomen. Het dictum van amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluit: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij: a. artikel 17 lid 1 onder d van de verordening wordt geschrapt; b. artikel 17 lid 2 ten 7o , van de verordening wordt geschrapt. c. artikel 17 lid 2, ten 6o aan het einde wordt toegevoegd ‘of’ d. artikel 17, lid 2, ten 8o wordt hernummerd tot ten 7o ." Bij amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking gaat het over de beschikking. De D66-fractie heeft hierover technische vragen gesteld en kreeg als antwoord dat een beschikking volgens een juridisch adviseur verplicht is, maar nu niet wordt afgegeven omdat er nooit bezwaar wordt gemaakt. De verordening verplicht een beschikking bovendien niet. Zonder beschikking kunnen ouders geen bezwaar indienen en ontbreekt daarmee rechtsbescherming. Men wil daarom 3 nieuwe leden toevoegen, om vast te leggen dat bij individuele toewijzing altijd een beschikking moet worden verstrekt. Het dictum van amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluit: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij: a. aan artikel 2 twee nieuwe leden worden toegevoegd, te weten lid 3 en lid 4; b. aan artikel 4 een nieuw lid wordt toegevoegd, te weten lid 8; welke luiden: Artikel 2 lid 3: 'Indien een voorziening die als overige voorziening als bedoeld in lid 1 wordt aangemerkt, feitelijk afhankelijk is van wezenlijke individuele afstemming op persoonskenmerken, gezinssituatie, duur of intensiteit, wordt deze voorziening aangemerkt als individuele voorziening en geeft het college hiervoor een beschikking af conform artikel 4 lid 6.' Artikel 2 lid 4: 'Overige voorzieningen als bedoeld in lid 1 zijn voorzieningen die: a. voor elke jeugdige beschikbaar zijn zonder individuele toegangsbeoordeling; b. 5

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

geen of slechts beperkte individuele afstemming op persoonskenmerken, duur of intensiteit vereisen; c. laagdrempelig en in beginsel vrij toegankelijk zijn. Artikel 4 lid 8: 'Een aanvraag voor een individuele voorziening kan niet worden afgewezen op de enkele grond dat een overige voorziening passend en toereikend wordt geacht. Indien het college van oordeel is dat een overige voorziening passend en toereikend is, gebeurt dit in een gemotiveerde beschikking met bezwaar -en beroepsmogelijkheid conform de Algemene wet bestuursrecht.' M.b.t. amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg merkt de heer VAN HETEREN op dat het begrip gebruikelijke zorg wel voorkomt in de verordening, maar dat deze nergens wordt gedefinieerd. Daardoor kan het college bepalen dat ouders bepaalde zorg zelf moeten leveren, zonder dat duidelijk is wat daar precies onder valt. Volgens de fracties kan dit tot willekeur leiden. Daarom stelt men voor om in de verordening een duidelijke definitie op te nemen. Het dictum van amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 1 van de verordening wordt aangevuld met de volgende definitie: - gebruikelijke zorg: de normale, alledaagse verzorging en opvoeding die ouders aan hun kinderen bieden, zoals bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Gebruikelijke zorg omvat niet: a. zorg die specifieke professionele deskundigheid, medische kennis of gespecialiseerde training vereist; b. zorg met een intensiteit of frequentie die het normale ouderschap en de gebruikelijke gezinssituatie aantoonbaar te boven gaat; c. zorg voor een structurele, chronische of levenslange beperking, ziekte of aandoening die onevenredige aanpassingen van het dagelijks leven en/of de maatschappelijke participatie en/of de arbeidsparticipatie van het gezin vergt; d. zorg die resulteert in aantoonbare (dreigende) overbelasting van ouders of het gezinssysteem." Vervolgens noemt de heer VAN HETEREN (gewijzigd) amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team. In de verordening staat enerzijds dat het lokale team jeugdhulp levert, terwijl elders staat dat wie advies geeft geen zorg mag leveren.

Omdat het lokale team zowel adviseert als indiceert, vindt men dat het team -om belangenverstrengeling te voorkomen- geen jeugdhulp zou moeten bieden. In Papendrecht is dit echter wel het geval. Om te voorkomen dat lopende zorg direct stopt, heeft men het amendement aangepast en een overgangsperiode toegevoegd, zodat het college het komende jaar de tijd heeft om dit zorgvuldig te regelen. Het dictum van amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team (D66/GL/PvdA) luidt als volgt: 6

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Besluit: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: “1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij: a. Artikel 2, lid 1, onder a van de verordening wordt geschrapt, en; b. Artikel 34 (overgangsrecht) wordt aangevuld met een nieuw lid 7 dat luidt: ‘In afwijking van deze verordening mag jeugdhulp door het Jeugdteam zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a, Verordening Jeugdhulp 2022 nog worden verleend tot en met 31 december 2026.’” Tenslotte noemt de heer VAN HETEREN amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB. In de verordening staat dat er geen belangenverstrengeling mag zijn met de organisatie die hulp levert. Ouders die een pgb inzetten en zelf zorg verlenen zouden volgens de fracties binnen deze definitie als organisatie kunnen worden gezien, waardoor zij zouden worden uitgesloten. Het dictum van amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB (D66/GL/PvdA) luidt als volgt:

Besluit: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen," in: "1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 17 lid 2 onder a van de verordening wordt vervangen door: 'a. het beheer wordt verricht door een externe organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder. Het bepaalde onder a geldt niet voor budgethouders die tevens ouder, voogd of verzorger zijn van de jeugdige en voor wie het PGB (mede) is bedoeld om de door henzelf te leveren boven gebruikelijke zorg aan hun kind te bekostigen, mits: 1. aan de overige voorwaarden van PGB-vaardigheid wordt voldaan; 2. de zorg die de ouder levert aantoonbaar boven gebruikelijke zorg betreft zoals gedefinieerd in artikel 1; 3. de ouder beschikt over de benodigde vaardigheden en capaciteit om deze zorg te leveren, al dan niet na het volgen van specifieke training; 4. het college heeft vastgesteld dat de inzet van de ouder als zorgverlener passend en in het belang van de jeugdige is.' Verder merkt de heer VAN HETEREN op dat zijn fractie motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk mede heeft ingediend. Men steunt deze motie omdat men dit ziet als een belangrijke manier om jongeren vroegtijdig en laagdrempelig te ondersteunen, zodat zij niet onnodig in de jeugdzorg terechtkomen. Daarnaast noemt hij amendement A8.

Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken van de SGP en CU-fracties. De D66-fractie begrijpt de zorg, maar steunt het amendement niet omdat zij zelf een 7

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

vergelijkbaar, maar uitgebreider amendement hebben ingediend. Hij benadrukt wel dat zij het onwenselijk vinden dat ouders verwacht worden minder te gaan werken, omdat dit in sommige gevallen tot extra problemen kan leiden. Hij roept de SGP en CU-fracties daarom op het D66-amendement te steunen. Op de andere motie van de SGP-fractie komt hij in de tweede termijn terug. Tot slot merkt de heer VAN HETEREN op dat men, met respect voor de rechtsbescherming van inwoners, grip wil houden op de jeugdzorg. Men kan de verordening in de huidige vorm daarom niet steunen en hoopt op steun van andere partijen voor de ingediende amendementen. (De VOORZITTER merkt op dat de heer Van Heteren een andere nummering/volgorde van de amendementen heeft aangenomen. De griffie bepaalt in welke volgorde deze worden ingediend en wat de nummers hiervan zijn.) De heer GOUDRIAAN geeft aan dat na een uitgebreid traject nu een besluit wordt genomen over de verordening Jeugd. Binnen de Drechtsteden is Papendrecht een van de laatste gemeenten die hierover beslist. Bij de ene gemeente was er sprake van een hamerstuk, bij anderen waren er enkele kleine aanpassingen. In Papendrecht liggen meerdere amendementen voor. Hij zegt dat de verordening regionaal is opgesteld, waarbij juristen intensief hebben meegedacht en dat dit het vertrekpunt voor zijn fractie is.

Een aantal amendementen brengen volgens hem grote wijzigingen aan. De toelichting daarop was voor zijn fractie niet altijd duidelijk, waardoor het moeilijk was om de juridische gevolgen te overzien en was niet altijd zichtbaar waar bepaalde formuleringen vandaan kwamen. Daarom zal de SGP-fractie bij veel amendementen het advies van het college laten meewegen. Inzake amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn zal men instemmen met de reactie van de wethouder. Amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast kan men grotendeels steunen. Het amendement is veelomvattend en op 1 punt heeft zijn fractie samen met de CUfractie zelf amendement A8. Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken opgesteld. Men vindt het goed dat er wordt gekeken hoe overbelasting van ouders kan worden voorkomen, maar vindt de passage over het verminderen van werk te stellig en absoluut geformuleerd. De verordening uit 2022 bevatte deze formulering niet, en ook de toelichting op de huidige verordening is op dit punt milder. Het schrappen van deze zinsneden laat volgens hen voldoende ruimte om het gesprek met ouders te voeren. Het dictum van amendement A8. Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken (SGP/CU) luidt als volgt:

Besluit het volgende te wijzigen: Besluitpunt 1 te wijzigen, dat luidt: 1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, 8

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

in: De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 10, lid 5 van de verordening wordt vervangen door: 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college rekening met: (...) Verder zal de SGP-fractie amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team zeker niet steunen, omdat het volgens hen neerkomt op het beëindigen van het volledige collectieve aanbod van het jeugdteam. Men vermoedt dat er 2 misverstanden aan het amendement ten grondslag liggen. Ten eerste bestaat er binnen het jeugdteam al een duidelijke scheiding tussen medewerkers die aanvragen beoordelen en hulp bieden. Het college heeft in het preadvies aangegeven dat de verordening op dit punt juridisch niet volledig klopt en met een wijziging komt. Ten tweede noemt hij het verschil tussen het algemene, collectieve aanbod van het jeugdteam en de individuele begeleidingstrajecten. Voor algemene voorzieningen is geen beschikking nodig, voor individuele wel. Volgens de SGP-fractie schrapt het amendement in feite het gehele preventieve aanbod van het jeugdteam. De aangepaste ingangsdatum verandert de uitkomst volgens hem niet.

Hij is van mening dat met dit amendement alle preventieve interventies, zoals opvoedings- en gezinsondersteuning en begeleiding voor ouders van kinderen met bv. autisme, worden stopgezet. Dit zou volgens hem ook haaks staan op de inzet van het college om juist via preventie hoge kosten te voorkomen. Daarnaast staat dit haaks op de onlangs gepresenteerde kabinetsvisie, die aangeeft dat gemeenten wettelijk verplicht zijn om stevige wijkteams te organiseren. Ook zou het in strijd zijn met het recente verkiezingsprogramma van de D66-fractie, dat preventie centraal stelt. Hij adviseert de D66-fractie dit amendement te heroverwegen. M.b.t. motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk, die men samen met o.a. de CU-fractie indient, merkt hij op dat deze motie goed past bij het versterken van het collectieve aanbod. Hij vindt dit een mooi resultaat van een beeldvormende sessie die men samen met de D66-fractie heeft geïnitieerd. Tot slot merkt hij m.b.t. de eigen motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5. op dat in de verordening al is opgenomen dat er een evaluatie volgt. De SGP-fractie wil daarbij specifiek aandacht voor de uitwerking van artikel 5, omdat men benieuwd is hoe dit in de praktijk vorm krijgt. Het dictum van motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 (SGP) luidt als volgt:

Verzoekt het college: ● Bij deze evaluatie expliciet aandacht te besteden aan de manier waarop (door middel van de werkinstructie) door het jeugdteam uitvoering wordt gegeven artikel 5, vijfde lid van de verordening, daarbij uiteraard rekening houdend met de grenzen van bijvoorbeeld privacywetgeving; 9

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

● De gemeenteraad een nadere toelichting te verzorgen op de werkinstructie en de werkwijze van het jeugdteam. De heer GRIMMIUS merkt mede namens de PvdA-fractie op dat zijn fractie onlangs al heeft aangegeven niet tevreden te zijn met de kwaliteit van de voorliggende jeugdverordening. Samen met de D66-fractie heeft zijn fractie de afgelopen weken intensief gewerkt aan wijzigingsvoorstellen die volgens hen noodzakelijk zijn om de verordening te verbeteren, de kwaliteit van de jeugdhulp te versterken en de rechtsbescherming te waarborgen. Deze noodzaak ziet men vanuit eigen juridische beoordeling en door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waar Papendrecht mee te maken heeft gehad. Hij zegt hierbij dat het niet alleen draait om juridische kwaliteit, maar ook om de visie op jeugdzorg: wat jeugdzorg zou moeten zijn, hoe deze moet worden aangeboden, welke grenzen daarbij horen en hoe toegankelijk het systeem moet zijn voor ouders en jongeren. Ook noemt hij de vraag hoe eenvoudig of moeilijk het moet zijn om jeugdhulp aan te vragen en om bezwaar te maken wanneer men het niet eens is met een besluit. Op basis van al deze overwegingen concludeert zijn fractie dat zij de verordening in de huidige vorm niet kan steunen als niet alle amendementen worden aangenomen. Hij houdt er echter rekening mee dat de verordening, al dan niet gewijzigd, zal worden aangenomen.

Daarom zal GL-PvdA wel voor de amendementen stemmen die de verordening volgens hen verbeteren. Mocht hun eigen amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast niet worden aangenomen, zal men wel instemmen met amendement A8. Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken. Dit zou volgens hem al een verbetering zijn. Desondanks zal de fractie, wanneer hun eigen amendement wordt verworpen, alsnog tegen de verordening stemmen. Motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 zal zijn fractie steunen. Men is echter geen voorstander van motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk. Hierbij verwijst hij naar de beeldvormende bijeenkomst over Kampen, waar dit systeem succesvol werkt. Volgens hem komt dat doordat Kampen een andere structuur heeft dan Papendrecht, met meer ruimte en vrijheid voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werkers. In Papendrecht liggen die verhoudingen echter anders. Hij is van mening dat het in Papendrecht ook succesvol zou kunnen zijn, mits er vooraf sprake is van een veel grotere structurele herziening van de jeugdhulp. Volgens hem is de aanpak uit Kampen niet één-op-één over te nemen. Hij vraagt de indieners daarom expliciet om een reactie voordat zijn fractie een definitief standpunt inneemt.

De heer VAN DEN DOOL spreekt zijn waardering uit voor de wethouder, die volgens hem moedig is door dit onderwerp zo ingrijpend en onomwonden op de agenda te zetten. Hij stelt dat de jeugdzorg beter en goedkoper moet worden. De voorgestelde aanpak staat deels in de verordening, maar men vindt de maatregelen en aanpak verwoord in de RIB minstens zo belangrijk zijn. M.b.t. de 10

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

conclusies uit de RIB merkt hij op dat een zeer groot deel van de kostenstijging in de jeugdzorg -2,4 miljoen euro- wordt veroorzaakt door de gecertificeerde instellingen. De stijging komt volgens hem dus niet door inzet op school, ondersteuning bij de huisarts of Sterk Papendrecht. Men concludeert dat er aan de verkeerde kant van de jeugdzorg wordt geïnvesteerd en dat dit anders en beter moet. Als voorbeeld verwijst hij naar Kampen en andere gemeenten. In tegenstelling tot de heer Grimmius ziet hij in Kampen juist bewijs dat de voorgestelde richting werkt. De CDA-fractie steunt daarom voorgestelde aanpak: strengere en kritischere controle op toegang en toewijzing en de kosten van gecertificeerde instellingen. Daarnaast vindt hij dat hulp, zoals door schoolmaatschappelijk werk, praktijkondersteuners en gezinswerkers, dichtbij belangrijk is en makkelijk beschikbaar moet zijn. Om deze reden heeft zijn fractie motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk mede ingediend. Daarnaast noemt de heer VAN DEN DOOL het eerder ingrijpen bij complexe problematiek via gespecialiseerde hulpverleners, die systeemgericht en domein overstijgend werken en in staat zijn een doorbraak in de zorgtrajecten te forceren. Dit staat niet in de verordening, maar hij vindt het essentieel dat hiermee wordt begonnen. M.b.t.

de amendementen merkt hij op dat enkele voorstellen zo verstrekkend zijn, dat ze volgens hem eerder en explicieter in de oordeelsvormende fase in concept besproken hadden moeten worden. Bij amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking merkt hij op dat het nieuwe artikel 2, lid 3. voorschrijft dat ook bij een collectieve voorziening een beschikking moet worden afgegeven. Hij wacht de reactie van het college af, maar gaat er vooralsnog vanuit dat er bij een verwijzing naar een collectieve voorziening al sprake is van een beschikking, waardoor het artikel mogelijk overbodig is. Bij het nieuwe artikel 2, lid 4. vraagt hij zich af of de formulering juist is, omdat deelname aan een groep soms juist een individuele afweging op basis van persoonskenmerken vereist. Hij ziet voorlopig meer nadelen dan voordelen, maar staat open voor het debat. Bij het voorgestelde artikel 4, lid 8. geeft hij aan dat de CDA-fractie hierover principieel van mening verschilt. Als een collectieve voorziening toereikend en passend is, verdient deze volgens hem de voorkeur, omdat individuele trajecten duurder zijn. Daarom steunt men dit onderdeel van het amendement niet. Zijn fractie is positief over amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn, vooropgesteld dat het college aangeeft dat dit haalbaar is en niet tot verwarring leidt binnen de regionale samenwerking. Over amendement A3.

Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast zegt hij dat de raad wordt gevraagd 2 sets criteria tegen elkaar af te wegen. Dat vraagt heel veel deskundigheid. Hij heeft waardering voor de onderbouwing, maar wacht de reactie van het college af. Men vraagt zich vooral af of het uitvoerbaar is om, in regionaal verband, met meerdere criteria te werken en of er niet alsnog andere criteria ontbreken. De bestaande verordening geeft hem meer vertrouwen, omdat deze aansluit bij de modelverordening. Ook wil hij weten in hoeverre de al 11

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

opgenomen criteria verder kunnen worden uitgewerkt in beleidsregels om willekeur te voorkomen. Inzake amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg vraagt hij waarom bepalingen die al in het Burgerlijk Wetboek staan nu opnieuw in de verordening moeten worden opgenomen. Dat lijkt hem overbodig. Een verwijzing zou passend zijn, maar het letterlijk overnemen van wetsteksten vindt men niet wenselijk. Amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team zal men niet steunen. Volgens hen moet Sterk Papendrecht juist wel hulp in de eerste lijn kunnen bieden, dat is effectief en goedkoop. Men is van mening dat het team eerder moet worden versterkt en dat er goede afspraken over functiescheiding gemaakt kunnen worden. Zijn fractie wacht de aangekondigde wijziging van het college hierover af. Inzake amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen stelt de CDA-fractie dat het commentaar van o.a. het Oudere Platform op dit punt onjuist is. De verordening eist volgens hen niet dat de aanvrager zelf Nederlands moet spreken, maar dat bij een pgb iemand in het netwerk of een budgetbeheerder de administratie in het Nederlands moet kunnen voeren. Dat is volgens zijn noodzakelijk, omdat het om gemeenschapsgeld gaat dat verantwoord moet kunnen worden. Amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB vindt de heer VAN DEN DOOL een lastig voorstel.

Hij betwijfelt de logica, omdat de verordening volgens hem spreekt over de persoon of organisatie die boven-gebruikelijke zorg levert, wat in zijn ogen niet op ouders duidt. Men wacht hierop de reactie van het college af. M.b.t. amendement A8. Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken vindt hij het, wanneer de gemeenschap forse bedragen investeert in hulp voor een kind, terecht dat er met ouders wordt besproken wat zij redelijkerwijs zelf kunnen bijdragen. Dat betekent dat zij ook kijken naar hun maatschappelijke activiteiten en de wijze waarop ze hun werk organiseren. Uiteraard hoort daar ook bij dat een gezin inkomen moet kunnen verdienen en dat ouders de zorg op lange termijn moeten kunnen volhouden. Afleiding en maatschappelijke activiteiten zijn eveneens belangrijk. Hij vindt dat de verordening dit voldoende borgt en ziet daarom geen noodzaak voor aanpassing. Tot slot noemt de heer VAN DEN DOOL motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, die zijn fractie zal steunen. Mevrouw BOKMA spreekt haar waardering uit voor de ingediende moties en amendementen, in het bijzonder voor de uitgebreide en juridisch onderbouwde toelichting van de D66, GL en PvdA-fracties. Zij geeft aan dat de VVD-fractie in grote lijnen het preadvies van het college volgt. Het advies van het college inzake amendement A2.

Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn om de adviestermijnen van 8 weken, met een mogelijke verlenging van 4weken, expliciet in de verordening op te nemen i.p.v. de beslistermijn te schrappen en naar wetgeving 12

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

te verwijzen, kan de VVD-fractie volledig steunen. Zij hoopt dat de D66-fractie en de mede-indieners hun amendement hierop willen aanpassen. Amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team zal men niet steunen. Het college heeft aangegeven dat dit directe gevolgen zou hebben voor de lichte hulp die wordt geleverd door Mooi Sociaal, de nieuwe naam van het jeugdteam van Sterk Papendrecht, maar ook voor de praktijkondersteuners en het schoolmaatschappelijk werk. Mevrouw BOKMA zegt dat men de bedoeling van het amendement wel begrijpt, nl. het voorkomen dat Mooi Sociaal individuele zorg inkoopt bij hun eigen overkoepelende organisatie. Volgens haar moeten hiervoor wel waarborgen worden opgenomen, omdat dit anders tot ongewenste situaties zou kunnen leiden. Verder geeft zij aan dat de VVD-fractie het college volgt in de ontrading van amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast en amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg. M.b.t. amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen wacht men de reactie van het college af. M.b.t. amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB neemt men het positieve advies van het college over. De VVD-fractie zal motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 steunen. Over motie M02.

Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk heeft de VVD-fractie echter een andere visie. Volgens mevrouw BOKMA zijn er al gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk aanwezig. Voor het opstellen van een afzonderlijke businesscase voor alleen deze 2 onderdelen vindt zij dit niet het juiste moment. Hoewel het college aangeeft dat dit past bij het streven om instroom in de jeugdhulp te beperken, vindt de VVDfractie dat er eerst breder gekeken moet worden. Als nu al 1 element wordt onderzocht, stuurt dat volgens haar te veel op een vooraf bepaalde uitkomst, namelijk dat hiervoor extra budget nodig zou zijn. De heer VERWEIJ merkt op dat in eerdere raadsperioden regelmatig is opgemerkt dat het aantal jongeren dat dure jeugdhulp ontvangt opvallend hoog is. Hij noemt daarbij de ontwikkeling van 1 op 27 jongeren in 1997 naar 1 op 12 in 2015 en nu zelfs tussen 1 op 10 en 1 op 7. Dat betekent volgens hem dat er naast de normale opvoeding steeds meer hulp wordt ingezet, wat veel geld kost. In de discussies over het stopzetten van die stijging werd volgens hem steeds benadrukt dat moet worden teruggekeerd naar wat binnen een normale opvoeding hoort. Alle partijen waren het erover eens dat geen enkel kind tussen wal en schip mag vallen, maar ook dat ouders een eigen verantwoordelijkheid hebben in het oplossen van problemen die bij de opvoeding horen.

Hij merkt op dat dit vaak werd genoemd bij het afbakenen van jeugdhulp. Dat vraagt volgens hem om een andere manier van denken, waarbij de opvoeding in beginsel bij ouders ligt, en waarbij lichte, laagdrempelige ondersteuning -via lokale teams en groepsgerichte hulp in wijken en op scholen- gezinnen helpt om niet meteen specialistische hulp nodig te hebben. Hij verwijst hierbij naar een recent 13

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

krantenartikel over Sliedrecht. Volgens hem probeert de voorliggende verordening een begin te maken met het concreet omschrijven wat redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden. Dat is een eerste stap in het afbakenen van jeugdhulp. Tegelijkertijd leidt dit echter tot nieuwe discussies, waarin het afbakenen juist weer ter discussie wordt gesteld en wat tot veel amendementen heeft geleid. Over amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn zegt hij dat 8 weken wat hem betreft prima is en dat men dit amendement kan steunen. M.b.t. het grootste amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast merkt hij op dat er tijdens de oordeelsvormende vergadering veel aandacht is geweest voor wat ouders zelf kunnen en wat van hen mag worden verwacht. De passage waarin sprake was van minder werken of het anders inrichten daarvan werd volgens hem vooral gelezen als dat ouders automatisch minder zouden moeten gaan werken wanneer zij een hulpvraag hebben. Hij vindt dat de toevoeging ‘of anders inrichten’ te weinig aandacht heeft gekregen. Bij het bekijken van de criteria vraagt hij zich daarnaast af hoe uitvoerbaar sommige onderdelen zijn. Bij criterium C., waarin staat dat naar de fysieke en mentale conditie van verzorgers gekeken moet worden, vraagt hij zich af of dat betekent dat hier onderzoek of specialistische toetsing voor nodig is.

Ook ziet hij overlap met andere criteria: F overlapt volgens hem met C, en G bevat elementen die al in D terugkomen. Hij wacht daarom de reactie van de portefeuillehouder af, maar merkt op dat het amendement van de SGP-fractie op dit punt wellicht een eenvoudiger oplossing biedt. M.b.t. amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen heeft zijn fractie dit onderwerp zorgvuldig bekeken. In de argumentatie hierover wordt het VN-verdrag Handicap genoemd, deze stelt dat een taaldrempel die toegang tot zorg blokkeert niet terecht is. Hij vraagt de portefeuillehouder of dit in de huidige verordening inderdaad goed is geregeld. Over amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking spreekt hij zijn zorgen uit. Groepsgerichte hulp wordt steeds vaker gezien als een manier om te bezuinigen en tegelijk laagdrempelige ondersteuning te bieden. Als ouders en kinderen worden doorverwezen naar zulke groepen, vraagt hij zich af of dit dan gepaard moet gaan met een formele beschikking en of dit zorgt voor onnodige bureaucratie. Hij hoort hierover graag de uitleg van de portefeuillehouder. Bij amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg merkt de heer VERWEIJ op dat deze term wel wordt genoemd, maar dat er later ook wordt gesproken over boven gebruikelijke zorg. Als die term relevant is, moet mogelijk ook die definitie worden opgenomen.

Hij vraagt zich af of de verordening daarmee niet te veel wordt dichtgeregeld, aangezien deze definities ook in andere documenten te vinden zijn. M.b.t amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team sluit hij zich aan bij wat andere fracties hebben gezegd: het is belangrijk om vroeg in te grijpen met niet-dure interventies, zodat jongeren minder snel terechtkomen in zwaardere, complexe en veel duurdere trajecten. Inzake amendement A7. 14

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB wenst ook zijn fractie een toelichting van de portefeuillehouder om dit amendement goed te kunnen beoordelen. De moties heeft zijn fractie nog niet uitvoerig kunnen bespreken. Motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 spreekt zijn fractie wel aan. Op motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk komt men na de schorsing terug. Mevrouw STIGTER zegt dat de raad uitgebreid is geïnformeerd over de complexiteit van de jeugdhulp en de toenemende vraag. Volgens haar hebben jongeren en ouders het moeilijk en blijft het uitgangspunt dat jongeren die hulp nodig hebben, deze ook moeten krijgen. De verordening biedt daarvoor handvatten en tegelijkertijd wordt erkend dat de kosten blijven stijgen. Men zoekt naar oplossingen die zowel jongeren en ouders ondersteunen en de kosten beheersbaar houden. Zij benadrukt dat naast een goede verordening ook vertrouwen nodig is: vertrouwen in de kracht en het oplossingsvermogen van ouders- zij vindt de opmerking over het leren tandenpoetsen een lastige-, in de deskundigheid van de intakers van het jeugdhulpteam en in de inzet van jeugdhulpverleners en andere organisaties. Daarnaast spreekt zij vertrouwen uit in het college en is ervan overtuigd dat het college deze verordening heeft opgesteld om goede jeugdhulp te bieden en niet om kinderen in de steek te laten.

De CU-fractie wil een goede verordening, maar kan niet met alle ingediende amendementen instemmen. Volgens mevrouw STIGTER biedt de verordening ruimte voor maatwerk en leiden extra voorwaarden en regels eerder tot het werken met afvinklijstjes. Zij noemt voorbeelden waarbij zij vragen heeft, zoals bij het voorschrijven van 24/7 zorg en hulp bij sondevoeding en medicatie. Zijn hier de ouders verantwoordelijk, of valt dit binnen jeugdhulp of andere voorzieningen? T.a.v. de amendementen en moties merkt zij op dat haar fractie uiteraard instemt met de eigen amendementen die samen met de SGP-fractie zijn ingediend. M.b.t. amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn stemt haar fractie in wanneer het advies van het college wordt overgenomen. Verder stemt men niet in met de andere amendementen van de D66-fractie en beraadt zich nog op amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB. Verder zal men motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 wel steunen. M.b.t. de door de GL-fractie gestelde vragen over motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk merkt mevrouw STIGTER op men van mening is dat er ruimte moet zijn voor experimenten en out-of-the-box oplossingen.

Hierbij heeft men ervoor gekozen de verantwoordelijkheid bij het college te leggen en hen te vragen een businesscase op te stellen, met ruimte om financieel en inhoudelijk te zoeken naar eenvoudiger en meer passende oplossingen. Zij geeft aan dat er al schoolmaatschappelijk werkers zijn, maar dat uitbreiding gewenst is. Zij hoopt dat de motie door andere partijen wordt gesteund. Het dictum van motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk luidt als volgt: 15

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Verzoekt het college: ● Een businesscase uit te werken voor de inzet van gezinswerkers en uitbreiding van schoolmaatschappelijk werkers; ● Deze business case te presenteren bij de Perspectiefnota 2026-2030. EERSTE TERMIJN COLLEGE Voorafgaand aan een reactie op de verschillende amendementen biedt wethouder VAN DER BORG zijn excuses aan voor het laat aanbieden van het preadvies. De reden hiervan was het laat aanleveren van de amendementen en de gewenste juridische controle. Verder merkt hij op dat het college deze verordening ziet als een instrument voor een juiste lokale toepassing van de jeugdwet. Dat is ter alle tijden het startpunt. De verordening geeft daarmee ook houvast aan ouders en kinderen die een beroep doen op jeugdzorg of jeugdhulp. Men volgt daarbij -ook in de jeugdzorgregio- de modelverordening van de VNG en heeft de verordening samen met de omliggende 9 gemeenten opgesteld. De reden hiervan is de uitvoerbaarheid door de serviceorganisatie Jeugd, maar ook t.b.v. de rechtsgelijkheid onder de inwoners van de buurgemeenten. Alle raden in de regio hebben inmiddels de verordening ongewijzigd vastgesteld. Men vertrouwt voor de uitvoering van de Jeugdwet op de inzet, deskundigheid en professionaliteit van het lokale team bij Sterk Papendrecht, Mooi Sociaal. Daarbij merkt de wethouder op dat er soms wat misgaat, maar dat dit gelukkig incidenteel het geval.

De intentie van deze verordening past bij de beweging die door de gemeente en het Rijk zijn afgesproken in de hervormingsagenda Jeugd. In hoofdlijnen zijn dat: het duidelijker afbaken van het recht op jeugdhulp, meer inzet op lichte hulp lokaal en collectief aangeboden en een effectievere aanpak van complexe problematiek. Deze inzet en deze verordening gaat over vertrouwen. Vertrouwen in ouders dat ze zelf weten wat hun gezin nodig heeft. Vertrouwen in professionals dat ze maatwerk kunnen leveren en vertrouwen dat lichte hulp dichtbij vaak beter werkt dan zware hulp verreweg. In de RIB heeft men een nadere toelichting gegeven over hoe het college daar inhoud aan gaat geven. Aansluitend merkt de wethouder op dat het college amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking zal ontraden. Dit amendement kan tot gevolg hebben dat alle vormen van hulp en ondersteuning moeten worden beschikt. Een beschikking moet dan niet alleen voor individuele voorzieningen worden afgegeven, maar dat geldt dan ook voor alle voorzieningen van het lokale team, de praktijkondersteuner, huisarts en het collectieve aanbod. Hierbij merkt hij op dat in de huidige situatie het lokale team direct kan meedenken wanneer een ouder met een hulpvraag belt, terwijl in de voorgestelde situatie eerst een procedure moet worden doorlopen.

Dit ziet men niet als bescherming, maar als bureaucratie die mensen kan afhouden van het zoeken naar hulp. Daarnaast kan dit leiden tot meer procedures, langere doorlooptijden en extra druk op het lokale team. In de praktijk worden nauwelijks bezwaren ervaren tegen de huidige werkwijze, waardoor het voorstel met klem wordt ontraden. 16

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Vervolgens is het advies m.b.t. amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn om dit -aangepast- over te nemen. Hierbij merkt de wethouder op dat zowel een termijn van 8 als 10 weken juridisch mogelijk is. Als de raad de voorkeur geeft aan 8 weken, kan deze termijn in de verordening worden opgenomen, mits daarbij ook de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken wordt vastgelegd. Dit vindt men, omdat niet iedere ouder de wet en verordening kent, belangrijk voor de transparantie richting inwoners. M.b.t. amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast merkt de wethouder op dat het college dit ontraadt. Normaliseren is een belangrijk uitgangspunt van de verordening en hierover moet het gesprek met ouders gevoerd kunnen worden. Het bepalen van draagkracht en draaglast vraagt altijd om een integrale, op de persoon toegesneden afweging en daarmee om maatwerk, waarbij draagkracht bij gelijke omstandigheden kan verschillen. Het artikel legt nadruk op draagkracht en draaglast, maar stelt tegelijkertijd dat het college passende jeugdhulp inzet wanneer de draagkracht tekortschiet, bv. bij overbelasting, gebrek aan vaardigheden of beperkingen bij ouders. De suggestie dat ouders hun bestaanszekerheid zouden moeten opgeven is onjuist. Ook amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg wordt ontraden, omdat dit de ruimte voor maatwerk beperkt. M.b.t.

het meest principiële amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team dankt de wethouder de D66-fractie voor het onder de aandacht brengen van een juridisch punt, omdat na toetsing is gebleken dat er inderdaad een discrepantie bestaat tussen artikel 2.1 en artikel 6.3 van de verordening. Deze tegenstrijdigheid moet worden hersteld, maar het amendement zelf wordt ontraden, omdat het voorstel om alle activiteiten van het lokale team uit de verordening te halen niet aansluit bij de richting die het college met deze verordening voor ogen heeft. De wethouder geeft aan dat lichte en collectieve vormen van hulp ergens moeten worden uitgevoerd en dat dit momenteel gebeurt door het lokale team en door Sterk Papendrecht. Deze is daarvoor de juiste partner. Daarbij geeft hij aan dat dit verder zal worden uitgebreid. Het schrappen van deze taken zou grote consequenties hebben en zou volgens het college de bedoeling en de geest van de verordening aantasten. Het college erkent dat de verordening op dit punt niet correct is en stelt daarom voor om zo spoedig mogelijk een wijziging van de verordening aan de raad voor te leggen, om de geconstateerde discrepantie te herstellen. Dit kan eenvoudig door het toevoegen van een zinsnede.

Daarbij merkt hij op dat het college dit niet meer kan doen, omdat de verordening bij de raad ligt en dat de modelverordening van de VNG onjuist is en men hierop heeft vertrouwd. Tot slot merkt de wethouder op dat de functiescheiding binnen het lokale team goed georganiseerd is. Het team dat aanvragen ontvangt en beschikkingen afgeeft is een ander team dan het team dat zorg verleent, waardoor belangenverstrengeling wordt voorkomen. Het is echter wel belangrijk om zaken in de verordening juridisch correct vast te leggen. Inzake amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen is het advies van het college dat het oordeel aan de raad is. Juridisch gezien ziet het college hierin geen bezwaren en begrijpt men de redenering. Het is aan de raad om te bepalen of men dit een belangrijk punt vindt. M.b.t. amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB adviseert het college om dit over te nemen. In reactie op de vraag van de heer Van Heteren geeft de wethouder 17

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

aan dat de redenering juridisch gezien in beginsel klopt zoals de verordening nu is geformuleerd. Het amendement maakt echter het onderscheid tussen externe zorgverleners en bloedverwanten duidelijker. Ook amendement A8. Schrappen van zinsnede maatschappelijke activiteiten beperken adviseert het college over te nemen. Deze zinsnede speelt niet direct een hele grote juridische rol en tegelijkertijd begrijpt men dat de raad deze uitspraak niet in de verordening wenst op te nemen. Ook voor motie M01. Evaluatie werkwijze jeugdteam basis van artikel 5, lid 5 is het advies overnemen. Daarbij merkt de wethouder op dat het college geen kenmerken als levensbeschouwing of religie mag registreren en dat dus ook nooit zal doen. Identiteit gerelateerde jeugdhulp is vanuit de Jeugdwet, maar ook vanuit de regionale aanbieders -mede- geborgd in de gesprekken met het jeugdteam. Zodra het aan de orde is, komt het aan bod. Een evaluatie in kwantitatieve zin is echter niet mogelijk, maar er zal wel worden geprobeerd om het onderwerp kwalitatief te beoordelen. Tot slot geeft de wethouder aan dat men ook adviseert motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk over te nemen. De motie sluit aan bij het voornemen van het college om de instroom te beperken en daarbij aanvullende maatregelen te nemen, zoals eerder in een RIB is toegelicht.

Gezinswerkers worden momenteel al in beperkte mate ingezet door Sterk Papendrecht. De werkwijze van het team Hulp en Ondersteuning is hiermee vergelijkbaar. Het college vindt het een goed idee om dit, samen met schoolmaatschappelijk werk en de mogelijke uitbreiding van brugfunctionarissen in het primair onderwijs waar vanuit het onderwijs behoefte aan is, in een businesscase uit te werken en deze aan de raad voor te leggen. (Schorsing 21.19 – 21.41 uur) De VOORZITTER merkt op dat de SGP-fractie nog een aanvullend amendement zal indienen. TWEEDE TERMIJN RAAD De heer VAN HETEREN merkt op dat zijn fractie geen aanpassingen aan de amendementen zal doen. Men blijft bij het standpunt dat de Algemene wet bestuursrecht gevolgd moet worden en dat hiervan in de verordening niet moet worden afgeweken. In reactie op opmerking van de heer Goudriaan en de wethouder over de regionale vaststelling van de verordening zegt hij dat hij als raadslid kijkt naar wat het beste is voor Papendrecht. Hierbij merkt hij op dat ondanks een gezamenlijke regionale verordening de uitvoering per gemeente verschilt, zoals blijkt uit praktijkvoorbeelden, doordat lokale jeugdteams de verordening verschillend interpreteren.

In reactie op de bijdrage van de CDAfractie merkt hij op zich grotendeels te kunnen vinden in de visie van de portefeuillehouder op het verkrijgen van grip op het systeem, onder meer via scherp contractmanagement en investeringen in preventie. Tegelijkertijd benadrukt hij dat een verordening duidelijke juridische spelregels moet bevatten. 18

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Volgens de D66-fractie ontbreken concrete criteria in de verordening, terwijl uitspraken van de bestuursrechter juist vragen om duidelijke afbakening. Men wil duidelijk vastleggen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, zodat inwoners kunnen begrijpen waarom zij wel of geen recht hebben op jeugdzorg. Om deze reden heeft zijn fractie een amendement ingediend om dit aan te passen. T.a.v. het vertrouwen in het lokale jeugdteam, zoals de CU-fractie aangaf, merkt de heer VAN HETEREN op dat het in de praktijk voorkomt dat lokale teams afwijken van indicaties van huisartsen of psychologen. Zijn fractie vindt dat deze afwegingen thuishoren bij specialisten en vindt dat de verordening het lokale team te veel ruimte geeft om hiervan af te wijken. Volgens de D66-fractie geven deze maatregelen geen grip op het systeem, maar liggen oplossingen eerder bij afbakening, preventie en het sturen op instellingen. M.b.t. preventie merkt hij op dat laagdrempelige zorg via gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk slechts een deeloplossing is. Volgens zijn fractie hoort preventie ook bij investeren in sport, cultuur en verenigingen om jongeren te laten participeren en het gemeenschapsgevoel te versterken en niet al het vertrouwen bij de lokale jeugdteams te leggen. Tot slot is hij blij met de steun voor de amendementen m.b.t. de taal eis en het pgb. M.b.t. amendement A1.

Verordening Jeugdhulp – Beschikking merkt hij op dat zijn fractie de uitleg van de portefeuillehouder niet volgt en vasthoudt aan het uitgangspunt dat bij individuele toewijzing een beschikking nodig is op grond van de Algemene wet bestuursrecht. De heer GOUDRIAAN bedankt voor de positieve reacties op het amendement en de motie van de SGP-fractie. Hij merkt op dat hij het preadvies van het college tijdens de schorsing heeft kunnen lezen en dat zijn fractie de lijn van het college volgt bij de amendementen die worden ontraden. In eerste termijn gaf hij aan amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn te kunnen steunen, maar na de toelichting over de mogelijkheid tot 4 weken uitstel vindt hij transparantie hierover belangrijk. Omdat de D66-fractie heeft aangegeven het amendement niet aan te passen, ziet zijn fractie zich genoodzaakt om tegen dit amendement te stemmen. Ook amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen zal zijn fractie niet steunen. Verder vindt hij het m.b.t. amendement A5. Verordening Jeugdhulp – lokaal team goed dat door de D66, GL en PvdAfracties een discrepantie in de verordening is geconstateerd en dat deze wordt hersteld. Het college heeft voorgesteld om hiervoor zo snel mogelijk een wijziging van de verordening aan de raad voor te leggen. Wat de SGP-fractie betreft kan dit direct worden geregeld, zonder een apart voorstel.

Daarom dient men samen met de CU-fractie een amendement in. De voorgestelde tekst is afgestemd met de juristen van de gemeente. Het dictum van amendement A15. Juridisch waarborgen van scheiding tussen onderzoek en hulp luidt als volgt:

Besluit het volgende te wijzigen: Besluitpunt 1 te wijzigen, 19

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

dat luidt: 1. De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, in: De verordening Jeugdhulp Papendrecht 2026 vast te stellen, waarbij artikel 2, lid 1 onder a wordt vervangen door: 'Jeugdhulp uit gevoerd door het lokaal team, met inachtneming van de waarborgen zoals genoemd in artikel 6.3.' De heer GRIMMIUS merkt m.b.t. amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn op dat zijn fractie het oneens is met het voorstel om de termijn in de verordening op te nemen. Volgens hem biedt de Algemene wet bestuursrecht juist ruimte voor verlenging wanneer in de verordening geen termijn is vastgelegd en beperkt het opnemen van een vaste termijn die ruimte. Hierbij sluit hij zich aan bij de woorden van de wethouder, dat de gemiddelde inwoner de Algemene wet bestuursrecht niet kent, maar dat hetzelfde geldt voor de gemeentelijke verordening. Deze wordt pas gelezen wanneer een aanvraag wordt gedaan. In dit kader vindt hij het wenselijk om gebruik te maken van de mogelijkheden die de wet biedt. Daarom pleit hij ervoor om, zoals het amendement voorstelt, de termijn uit de verordening te schrappen en volledig terug te vallen op de AWB. Inzake amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking verschilt men van mening met het college. Hij zegt dat iedere aanvraag om hulp en iedere beslissing daarop, toewijzend of afwijzend, een beschikking is.

Volgens hem is het daarom onlogisch om in de verordening alleen toewijzing van individuele voorzieningen als beschikking op te nemen en andere beslissingen niet. Hij zegt dat wanneer een aanvraag wordt afgewezen, dit volgens de AWB een beschikking is. Ook als in de verordening anders wordt opgenomen, blijft dat in de praktijk zo. Juist daarom lijkt het zijn fractie verstandig om dit expliciet in de verordening op te nemen. M.b.t. amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast noemt hij de opmerking van het college dat bij gelijke omstandigheden de draagkracht kan verschillen. Volgens hem vraagt de rechtspraak juist om duidelijke criteria in de verordening, om willekeur en ongelijke behandeling te voorkomen. Deze sluiten volgens hem maatwerk niet uit, maar maken gelijke behandeling beter mogelijk. Het duidelijker vastleggen in de verordening leidt niet tot een afvinklijstje, maar juist tot goed toetsbare criteria. Daarmee kunnen vergelijkbare situaties op dezelfde manier worden behandeld en voorkomt men dat bij gelijke omstandigheden toch verschillende beslissingen worden genomen. Inzake amendement A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg sluit hij zich aan bij de woordvoering van de heer Van Heteren. M.b.t. amendement A5.

Verordening Jeugdhulp – lokaal team merkt hij op dat de wethouder eerder aangaf dat de verordening juridisch goed was getoetst, terwijl nu alsnog een fout is vastgesteld. Hij geeft aan dat amendement A15 Juridisch waarborgen de discrepantie niet oplost, omdat daarmee het lokale team nog steeds beoordeelt en zorg verleent. Hoewel het college aangeeft dat deze taken bij Sterk 20

Verslag besluitvormende raadsvergadering 29 januari 2026

Papendrecht in de praktijk gescheiden zijn, staat dit volgens hem niet duidelijk in de verordening. Zijn fractie betreurt dat men niet bereid is dit in de verordening op te nemen. De heer VAN DEN DOOL vraagt per interruptie hoe de heer Grimmius aankijkt tegen het amendement van de SGP en CU-fracties, dat bedoeld is om het genoemde punt te repareren. De heer GRIMMIUS antwoordt dat hij dit zojuist heeft aangegeven en dat hij dit niet verder zal herhalen. Vervolgens geeft hij aan dat amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen door meerdere fracties wordt gewaardeerd en dat hij hier verder niet uitgebreid op ingaat. Inzake amendement A7. Verordening Jeugdhulp – Ouder PGB merkt hij op dat het college heeft geadviseerd dit over te nemen en dat daarbij een verbetering is aangebracht t.o.v. de eerder voorgestelde verordening. M.b.t. motie M02. Middelen voor gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk wacht hij nog op een nadere toelichting, omdat hij na de eerste termijn van mevrouw Stigter nog niet overtuigd is van de noodzaak en de toegevoegde waarde van deze motie. Mevrouw BOKMA geeft aan dat de verordening is gebaseerd op het model van de VNG, wat voor de VVD-fractie bij een aantal amendementen een reden is om het advies van het college te volgen.

Zij wijst erop dat het college aanvullend juridisch advies heeft ingewonnen en dat deze juristen tot andere conclusies komen dan de indieners van de amendementen, wat volgens haar vaker voorkomt in de juridische wereld. M.b.t. amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen is de VVD-fractie nog niet tot een definitief standpunt gekomen. Omdat de D66-fractie heeft aangegeven de beslistermijnen niet in de verordening te willen opnemen, zal haar fractie tegen het amendement stemmen. De heer SPITSBAARD zegt dat zijn fractie zich kan vinden in wat de mevrouw Stigter heeft gezegd over het aan de voorkant beoordelen van jeugdzorg en het kijken of ondersteuning via de Wlz of Wmo mogelijk is. Dit vindt hij een goede en preventieve aanpak. Vervolgens merkt hij op dat zijn fractie amendement A2. Verordening Jeugdhulp – Beslistermijn zal steunen, omdat het bestuursrecht hierin leidend is. Amendement A3. Verordening Jeugdhulp – Criteria draagkracht en draaglast zal men niet steunen; hierin volgt men het college. Verder is men nog niet zeker over amendement A6. Verordening Jeugdhulp – Nederlands eis schrappen, mede vanwege de verplichtingen die pgb-houders hebben t.a.v. administratie en communicatie. Zijn fractie steunt amendement A1. Verordening Jeugdhulp – Beschikking. De amendementen A4. Verordening Jeugdhulp – Gebruikelijke zorg en A5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1224/documents/17325