20260122 Verslag Oordeelsvorming.pdf
Tekst van het document
de vraag om een vervolgnotitie over het realiseren van kleinschalige locaties in Papendrecht, geeft hij aan dat er geen aparte vervolgnotitie komt, maar dat dit een plaats krijgt binnen het programma dat wordt opgesteld in het kader van de Wet regie 21
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
volkshuisvesting. In reactie op vraag van de VVD-fractie naar de reden van deze (financiële) constructie, waarbij middelen centraal worden beheerd door de centrumgemeente Dordrecht, merkt de wethouder op dat dit een gezamenlijke keuze is van de centrumgemeente en de overige gemeenten. Het doel hiervan is om een grotere impuls te geven aan de ontwikkeling van regionale voorzieningen en door centraal beheer meer regie te hebben op de uitvoering. Op de vraag of het rechtmatig is dat Dordrecht deze middelen beheert, antwoordt hij tenslotte dat Dordrecht als centrumgemeente bevoegd is om deze financiële middelen te ontvangen en te beheren en dat dit daarmee rechtmatig is. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE Mevrouw BOKMA merkt op dat de VVD-fractie geen voorstander is van het opbouwen van reserves bij verbonden partijen of, in dit geval, bij centrumgemeenten. Zij blijft kritisch op de omschrijving van de besteding van de middelen, met name waar deze worden gekoppeld aan flankerende inzet in buurten en preventie. Volgens haar worden dergelijke activiteiten deels al door de gemeente zelf uitgevoerd. Verder vraagt zij of dit kan betekenen dat de gemeente op andere onderdelen minder zou kunnen doen, doordat middelen regionaal worden ingezet. Ze benadrukt nogmaals dat het niet wenselijk is dat reserves ontstaan bij verbonden partijen, terwijl de gemeente bij overschotten geen invloed hebben.
TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN ERK merkt m.b.t. de vraag van mevrouw Bokma op dat bij de regionale investeringsagenda, a.d.h.v. concrete opgaven en de bijbehorende financiën, de overschotten duidelijk in beeld zijn gebracht. Gemeenten hebben hiervoor afzonderlijk een bod uitgebracht, wat echter niet volledig de inhoud van deze agenda dekt. Deze betreft niet alleen de ontwikkeling van voorzieningen, maar ook preventie en versterking van de sociale basis. Hierbij merkt de wethouder op dat gemeenten binnen de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks specifieke aanvragen kunnen doen. Dit kan bv. betrekking hebben op de wijkGGD of waakfuncties in wijken. Gemeenten kunnen via de regionale agenda dus een beroep doen op middelen die voor deze taken beschikbaar zijn. Hij benadrukt dat binnen de regio gezamenlijk wordt gevolgd hoe de middelen worden besteed, met aandacht voor de ontwikkeling van de grote voorzieningen en aanvullende preventieve, lokale maatregelen. Hierdoor vloeien de middelen volgens hem indirect ook weer terug naar de afzonderlijke gemeenten. Mevrouw BOKMA merkt per interruptie op dat haar fractie graag in de stukken terug had gezien dat de gemeente het geld op een andere manier terug kan 22
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
krijgen. Zij gaat ervan uit dat de wethouder zich hier actief voor zal inzetten. Wethouder VAN ERK bevestigt dit. Aansluitend adviseert de commissie de onderhavige stukken als hamerstuk door te leiden naar de gemeenteraad. 08.
Voorstel zienswijze bijdrageverordening GR Sociaal: kostenverdeelsleutel Drechtwerk. De heer BEZEMER geeft aan dat zijn fractie het voorstel logisch vindt. Omdat de huidige kostenverdeling volgens hem minder representatief is, is het logisch dat deze wordt aangepast. Zijn fractie kan zich daarom vinden in de voorgestelde reactie en ziet geen aanleiding om een zienswijze in te dienen. De laatste alinea van de zienswijze geeft aan dat de doelgroep in de toekomst breder zal worden. Dit impliceert zijns inziens mogelijk een verdere aanpassing van de kostenverdeling. Hij vraagt zich daarom af of het dan niet beter was geweest om de besluitvorming uit te stellen. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN ERK merkt m.b.t. de vraag van de CU-fractie op dat hij hierop op dit moment geen exact antwoord kan geven, omdat de Dienst hierover geen duidelijkheid heeft gegeven. Hij zegt dat de situatie al langere tijd speelt, omdat de instroom in de WSW in 2015 is beëindigd en Nieuw Beschut later is gestart. Hierdoor is volgens hem al jarenlang sprake van een deels verkeerde systematiek. Op basis van het advies van de Dienst wordt voorgesteld de wijziging nu door te voeren, ook al zouden toekomstige ontwikkelingen opnieuw kunnen leiden tot een andere verdeelsleutel.
De wethouder geeft tot slot aan dat hij, indien de raad behoefte heeft aan een uitgebreider of meer technisch antwoord, dit schriftelijk kan aanleveren. De heer VAN DEN DOOL merkt per interruptie dat het onwenselijk is om alsnog gedurende langere tijd met een onjuist systeem te blijven werken. Volgens hem is het daarom beter de aanpassing nu door te voeren, ook als dit betekent dat over 2 of 3 jaar mogelijk opnieuw een aanpassing nodig zal zijn. Wethouder VAN ERK is het hiermee eens. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De heer BEZEMER is het eens met de heer Van den Dool, dat een systeem dat al jaren scheef groeit moet worden aangepast. Zijn vraag was echter vooral of dit punt ook daadwerkelijk is overwogen bij de voorbereiding. Uit de beantwoording is dit niet duidelijk. Hij geeft aan dat het wenselijk zou zijn geweest als dit expliciet in de toelichting was opgenomen en verzoekt de wethouder hier op terug te komen na de bespreking in de GR Sociaal. 23
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN ERK komt op korte termijn schriftelijk terug op de vraag van de heer Bezemer. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 09.
Strekt ter vervanging: Verordening Leerlingenvervoer Papendrecht 2026. Mevrouw VAN ES merkt op dat regels en verordeningen noodzakelijk zijn voor rechtszekerheid, maar dat de D66-fractie het belangrijk vindt dat professionals ruimte houden voor menselijkheid en maatwerk. Verder merkt zij m.b.t. het vervoer voor kinderen die buiten de gemeente naar school gaan op dat er kinderen zijn die vanwege andere redenen dan de gebruikelijke, bv. hoogbegaafdheid, naar een basisschool buiten Papendrecht gaan. Volgens haar fractie betreft het enkele gevallen, maar wordt er desondanks star omgegaan met verzoeken om vervoer of een tegemoetkoming. In één situatie leidde dit ertoe dat een ouder minder is gaan werken. Mevrouw VAN ES vindt dit ook negatief met het oog op emancipatie, omdat het meestal de moeder betreft. Zij vraagt het college of hiernaar wordt gekeken en of er gesprekken zijn met uitvoerders over een minder starre toepassing van de regels. Zij benadrukt dat de betreffende ouders in dit voorbeeld er inmiddels zelf geen voordeel meer bij zouden hebben. Verder vindt mevrouw van ES het m.b.t. het zelfstandig reizen vanaf 9 jaar en wachttijden positief dat wordt erkend dat kinderen met een beperking ook kunnen leren om zelfstandig te reizen.
Tegelijk maakt haar fractie zich zorgen over de jonge leeftijd in combinatie met mogelijke langere wachttijden door personeelskrapte bij vervoerders. Zij vraagt hoe hiermee in de praktijk wordt omgegaan, hoe wordt voorkomen dat jonge kinderen lang zonder toezicht moeten wachten en wie in zulke situaties verantwoordelijk is. De heer VAN DEN DOOL zal instemmen met het voorstel en vindt het fijn om te lezen dat de zorgen van de kinderombudsman zijn meegenomen. De heer WOLTERS geeft aan positief te zijn over het feit dat de BSO en stageplekken nu zijn meegenomen in het leerlingenvervoer. Verder plaatst hij, net als eerdere sprekers, vraagtekens bij de verlaging van de leeftijd voor zelfstandig reizen van 11 naar 9 jaar. Volgens hem lijkt 2 jaar een klein verschil, maar vindt er in de ontwikkeling van kinderen tussen 9 en 11 jaar juist veel plaats. Hij vraagt zich daarom af of deze keuze verantwoord is. Daarnaast vraagt hij wie uiteindelijk de eindbeslissing neemt n.a.v. het onderzoek dat de zelfstandigheid van het kind 24
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
beoordeelt. Hij wil weten of de beslissing bij de ouders/verzorgers ligt, of dat de gemeente hierin het laatste woord heeft. Mevrouw BOKMA geeft aan dat haar fractie zal instemmen met het voorstel. Men staat positief tegenover het op jongere leeftijd starten met een vervoersontwikkelingsplan. Volgens haar fractie biedt een langere aanlooptijd richting de middelbare school meer mogelijkheden om leerlingen geleidelijk kennis te laten maken met andere vormen van vervoer. Ook de inzet van vervoerstraining vindt haar fractie zeer positief. Het maakt jongeren minder afhankelijk van aangepast vervoer en ook meer zelfredzaam. Dit beperkt zich niet tot het vervoer van en naar school, maar is ook belangrijk voor vervoer in de vrije tijd. Ook de heer BEZEMER is namens zijn fractie positief over het voorstel. Wel heeft men een vraag over 2 disclaimers: het punt dat de uitvoering sterk afhankelijk is van de capaciteit en kwaliteit van de vervoerder en mogelijke extra kosten, omdat tarieven -ondanks kostenbesparende maatregelen- van vervoerders kunnen wijzigen. Hij wil graag weten of dit algemene kanttekeningen zijn, of dat het college deze bewust heeft opgenomen om de raad alvast voor te bereiden.
Mevrouw VAN GENT vraagt hoe kan worden vastgesteld of het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan daadwerkelijk goed werkt, of er duidelijke doelen zijn geformuleerd en of er evaluatiemomenten zijn om te controleren of het plan effectief is. Daarnaast vraagt zij naar de reden om de leeftijd voor het stimuleren van zelfstandigheid te verlagen van 11 naar 9 jaar en of deze keuze is gebaseerd op onderzoeken of praktijkervaringen die deze wijziging onderbouwen. Tenslotte vraagt zij of is getoetst of deze procedure gebruiksvriendelijk is en of ouders of begeleiders ondersteuning kunnen krijgen bij het invullen van de aanvraag wanneer zij hierbij hulp nodig hebben. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder KOSTEN merkt op dat leerlingenvervoer ertoe doet en dat dit waar nodig goed en adequaat geregeld moet worden. Hij benadrukt dat sommige kinderen altijd afhankelijk zullen blijven van leerlingenvervoer, zolang zij binnen de daarvoor geldende leeftijdscategorie vallen. Tegelijkertijd probeert men, waar mogelijk, eventueel met ondersteuning van ouders, leerlingen te stimuleren om zelfstandig te reizen. Hij verwijst daarbij naar schrijnende situaties die in het land bekend zijn, waarover de Kinderombudsman herhaaldelijk heeft geschreven, en geeft aan dat de gemeente deze signalen zo goed mogelijk heeft proberen te verwerken in de nieuwe verordening. M.b.t.
de vraag van de D66-fractie inzake menselijkheid en maatwerk merkt hij op dat dit juist de beweging is die met deze 25
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
verordening wordt gemaakt, o.a. door het gezamenlijk opstellen van een plan en door het gesprek zoveel mogelijk met de leerling zelf te voeren. Volgens hem is dit ook een belangrijke reden voor het verlagen van de leeftijdsgrens van 11 naar 9 jaar. Tot slot merkt hij m.b.t. de vraag over de menselijke maat m.b.t. de mogelijkheden voor leerlingen om naar andere scholen te gaan, aan dat in de verordening in artikel 12.4 is opgenomen dat leerlingenvervoer mogelijk is voor alle vormen van onderwijs. M.b.t. haar vraag over hoogbegaafde leerlingen merkt hij op dat de gemeente op dit moment daadwerkelijk leerlingenvervoer verstrekt aan in ieder geval 1 hoogbegaafde leerling en deze mogelijkheid in de praktijk ook wordt toegepast. Vervolgens reageert hij op de zorgen die zijn geuit over de verlaging van de leeftijd van 9 naar 11 jaar en de mogelijkheid dat zij lang moeten wachten. Hierbij merkt hij op dat de verordening niet stelt dat kinderen vanaf 9 jaar zelfstandig moeten reizen en dat de verantwoordelijkheid hiervoor in de praktijk ligt bij de vervoerder en de ouders. Het gaat er volgens hem om dat vanaf die leeftijd gestart wordt met het gesprek, om toe te werken naar meer zelfstandigheid, passend bij de ontwikkeling van het kind.
Op de vraag van de PvdA-fractie wie de eindbeslissing neemt merkt wethouder KOSTEN op dat men het gesprek voert met ouders, leerlingen en het samenwerkingsverband, maar dat de gemeente wel de eindbeslissing neemt. M.b.t. de vraag over de vermelding van mogelijke tariefwijzigingen en capaciteitsproblemen bij vervoerders bevestigt de wethouder dat deze passage bewust in de toelichting is opgenomen. Hij verwijst daarbij naar de problemen van de afgelopen jaren rondom de aanbesteding van leerlingenvervoer. Om die reden wil hij richting de toekomst geen zekerheid bieden over tarieven of de beschikbaarheid van vervoerders. Verder reageert hij op de vraag van de PABfractie inzake het vervoersontwikkelingsplan. Volgens de wethouder gaan de betrokken partijen gezamenlijk om tafel, met het uitgangspunt wat het kind nodig heeft. Hij noemt als ongewenste situatie dat een kind langdurig in een busje moet zitten en benadrukt dat juist daarom het kind op jonge leeftijd wordt meegenomen in het gesprek en dat afspraken worden vastgelegd in een vervoersplan. Dit plan zal ook worden geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Verder zal hij schriftelijk terug komen op de vraag of er hulp wordt geboden bij het invullen van de aanvraag. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 10.
Beeldkwaliteitsplan De Lage Waard: deel welstandseisen. De heer VERWEIJ geeft aan dat zijn fractie zich zorgen maakt over de positie van de sporthal aan de zijde van de parkkant en langs de Achterdijk. Hij merkt op dat de sporthal zeer dicht bij het Noordhoekse Wiel komt te staan, waar ook de 26
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
volkstuinen zijn gepland. Hij vraagt meer aandacht voor het zoveel mogelijk uit het zicht houden van de sporthal. Verder verwijst hij naar de ingediende inspraakreacties, waarin vooral zorgen worden geuit over privacy. Daarnaast vraagt hij aandacht voor mogelijke hinder door koplampen van auto’s die uit de parkeergarage rijden en vraagt het college om na te denken over maatregelen om dit te voorkomen. De heer DEN BOEF noemt de bezwaren van insprekers m.b.t. de bouwhoogte van 3, maximaal 4 bouwlagen. Hij leest dat het ontwerp verder zal worden uitgewerkt in verschillende fasen, waaronder het voorlopig ontwerp, het definitief ontwerp en het technisch ontwerp. Daarnaast wordt gesproken over een mogelijke separate procedure die buiten de vastgestelde stedenbouwkundige visie kan vallen. Hij vraagt of deze separate procedure kan leiden tot extra vertraging of tot een herontwerp van het plan. De heer GOUDRIAAN geeft aan dat het plan er goed uitziet en dat omwonenden, m.n. van de Lage Waard, vermoedelijk veel belangstelling zullen hebben voor het vervolgproces, wat ook blijkt uit de reacties op het beeldkwaliteitsplan. Hij wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor het verdere participatieproces bij de school ligt, maar vraagt de wethouder hoe hij de rol van de gemeente hierin ziet, aangezien zijn fractie zich kan voorstellen dat de gemeente daarbij betrokken blijft.
Daarnaast doet hij, gezien de omvang van het project, de suggestie om richting de nieuwe gemeenteraad niet slechts met een overdrachtsdossier te werken, maar om aan het begin van de nieuwe raadsperiode een sessie te organiseren waarin nieuwe raadsleden worden geïnformeerd over de stand van zaken rondom de VO-scholen, de reeds genomen besluiten en de besluiten die nog volgen. Hij vraagt of hier al plannen voor bestaan en hoe andere fracties hierover denken. Mevrouw BOKMA geeft aan dat haar opmerkingen gelden voor beide beeldkwaliteitsplannen en dus ook voor het volgende agendapunt. Zij verwijst naar de welstandseisen waarin staat dat zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van circulaire en biobased materialen met een natuurlijke uitstraling, m.n. voor de bouwvolumes op de plint en voor de sportfunctie. Zij benadrukt het standpunt van de VVD-fractie dat de eisen uit het beeldkwaliteitsplan niet mogen leiden tot hogere bouwkosten. Daarom vraagt zij de wethouder wat deze plannen betekenen voor de reeds eerder vastgestelde bouwkosten. Verder merkt zij op dat sommige welstandseisen volgens haar fractie te vaag zijn geformuleerd. Als voorbeeld noemt zij bepalingen over het behoud van biodiversiteit d.m.v. voorzieningen voor vogels en vleermuizen. Zij vraagt wanneer deze als voldoende worden beschouwd en hoe de vage criteria objectief beoordeeld kunnen worden.
Daarnaast vraagt zij naar de weging tussen 27
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
de sfeerbeelden en de bindende tekst in het beeldkwaliteitsplan. Omdat het plan zowel referentiebeelden als tekstuele regels bevat, wil zij weten welk onderdeel zwaarder weegt wanneer een ontwerp lijkt te passen bij de sfeerbeelden, maar niet geheel overeenkomt met de tekst of andersom. Ook de heer WOLTERS geeft aan dat hij zijn opmerkingen combineert voor beide agendapunten. Hij merkt op dat alle ingediende zienswijzen niet hebben geleid tot aanpassingen in het beeldkwaliteitsplan, maar dat deze zienswijzen volgens hem in het vervolgtraject wel relevant blijven. Hij verwijst daarbij naar de opmerkingen van de heer Verweij en verzoekt de portefeuillehouder de ingediende zienswijzen in het verdere proces mee te nemen. De heer VAN DEN DOOL sluit zich aan bij de suggestie van de heer Goudriaan om de nieuwe gemeenteraad aan het begin van de volgende raadsperiode uitgebreid te informeren over beide bouwplannen. M.b.t. het beeldkwaliteitsplan voor de Lage Waard spreekt het zijn fractie aan dat er nadruk wordt gelegd op aansluiting op de buurt en op het ecologisch landschap. Hij merkt op dat uit de reacties van inwoners blijkt dat niet altijd goed wordt begrepen hoe het realisatieproces eruitziet. Volgens hem zou het helpen als de verschillende stappen in het proces de komende jaren herkenbaar worden gecommuniceerd, bv.
door steeds zichtbaar (met een pijl) aan te geven in welke fase het project zich bevindt. Dit draagt volgens hem bij aan transparantie, voorspelbaarheid en vertrouwen en helpt om duidelijk te maken wanneer bepaalde opmerkingen of zorgen in het proces thuishoren. Hij vraagt de wethouder om deze suggestie mee te nemen in de gesprekken met de scholen. Tot slot gaat hij in op de afstand en inrichting van de zone tussen de achterkant van het schoolgebouw aan de Lage Waard en de achtertuinen van de woningen aan de Beukmolen. Hij beschouwt dit als het meest kwetsbare deel van de ruimtelijke inpassing en wijst erop dat de Achterdijk daar tussen ligt als natuurlijke buffer. Hij vraagt of het groene karakter van deze strook in de toekomstige inrichting voldoende behouden kan blijven. Ook mevrouw VAN ES geeft aan dat ook de D66-fractie haar opmerkingen combineert voor beide agendapunten. Men is tevreden over het feit dat er in de beeldkwaliteitsplannen niet te veel beperkende welstandsregels zijn opgenomen. Volgens haar is voldoende ontwerpvrijheid wenselijk en lijkt dat hier goed geborgd. Daarnaast stelt zij een inhoudelijke vraag over ‘de identiteit van de school, zijnde een christelijke scholengemeenschap, die aanleiding kan bieden voor uitingen in architectuur’.
Zij merkt op dat haar fractie hierover een technische vraag heeft gesteld, omdat het volgens hen onduidelijk is wat daarmee precies wordt bedoeld. Zij wijst erop dat architectonische keuzes langdurig bepalend zijn voor een gebouw, terwijl niet te voorspellen is of de school over 28
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
tientallen jaren nog dezelfde identiteit zal hebben. In de beantwoording staat dat dergelijke uitingen niet noodzakelijk religieus van aard hoeven te zijn, maar ook kunnen verwijzen naar bredere aspecten van schoolidentiteit. Mevrouw VAN ES geeft aan dit niet goed te begrijpen, omdat het christendom volgens haar wel degelijk een religie is. Zij is benieuwd hoe andere fracties dit interpreteren en vraagt de portefeuillehouder om een nadere duiding. Mevrouw HOEKSTRA stemt in met het voorstel de nieuwe gemeenteraad aan het uitgebreid te informeren over beide bouwplannen. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder JANSSEN zegt dat de gemeente bij het opstellen van de beeldkwaliteitsplannen zoekt naar een balans: enerzijds het vastleggen van kwaliteitskaders, anderzijds het behouden van voldoende ontwerpvrijheid. Hij verwijst daarbij naar de opmerkingen van mevrouw Van Es en benadrukt dat de gemeente niet alles dicht wil regelen, zodat partijen die willen inschrijven in de aanbesteding ruimte houden om architectonisch een aantrekkelijk ontwerp voor te leggen. De welstandsnormen zijn volgens hem noodzakelijk om het werk in de vergunningverlening goed te kunnen toetsen. Verder merkt hij op dat dit proces al meerdere jaren loopt en dat het traject begon rond 2020 met inloopavonden waarin de eerste concepten werden gepresenteerd.
Inmiddels zijn voorlopige ontwerpen opgesteld en liggen er nu beeldkwaliteitsplannen die stedenbouwkundig zijn vastgesteld door het college. Hij merkt op dat het proces voor de omgeving niet altijd even helder is geweest en dat er soms onduidelijkheden waren over het moment waarop inspraak mogelijk was. Hoewel geen enkele zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het beeldkwaliteitsplan, benadrukt hij dat alle reacties worden meegenomen in het vervolgproces, waaronder vergunningverlening en eventuele BOPA-procedures. T.a.v. de vragen over natuur en groen, van de heren Verweij en Van den Dool, zegt de wethouder deze zorgen te delen. In de planvorming is aangenomen dat behoud van groene kwaliteiten mogelijk is, maar dit zal bij de verdere uitwerking en bij elk ontwerp afzonderlijk opnieuw beoordeeld worden. Ook bij het aspect lichtoverlast door koplampen van uitrijdende auto’s uit de parkeergarage geeft de wethouder aan dat daar in het vervolgtraject naar wordt gekeken. Op andere locaties zijn hier eerder goede oplossingen voor gevonden door de in- en uitrit anders te positioneren. De vraag van de heer Den Boef inzake een mogelijke separate procedure buiten de vastgestelde stedenbouwkundige visie en de mogelijke vertraging die hierdoor zou ontstaan, begrijp de wethouder niet volledig. Volgens hem is er op dit moment geen sprake van vertraging door de nu voorliggende besluiten.
Wel kan het aanbestedingsproces voor beide scholen in tempo van elkaar verschillen, maar dat is eerder met de raad besproken en staat los van de 29
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
stukken die nu aan de orde zijn. Op de vraag van de heer Goudriaan over de rol van de gemeente in het communicatieproces antwoordt de wethouder dat de gemeente daarin altijd een rol heeft, al ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de participatie bij de scholen als bouwheer. De wethouder ziet er namens de gemeente op toe dat het participatieproces zorgvuldig en voldoende wordt doorlopen, zonder daarbij de exacte vorm voor te schrijven. Volgens de wethouder blijft de gemeente, ook in de nieuwe raadsperiode, betrokken en aanspreekbaar. Vervolgens merkt hij m.b.t. de vragen van mevrouw Bokma over circulair en biobased bouwen en de mogelijke hogere bouwkosten op dat uit recente ervaringen en expertbijeenkomsten blijkt dat circulair bouwen in sommige gevallen zelfs goedkoper kan zijn dan traditioneel bouwen. In aanbestedingen tellen biobased aspecten vaak voor 10 tot 20% mee in de beoordelingscriteria. Wanneer wordt voldaan aan biodiversiteitseisen, hangt volgens hem af van de voorstellen van inschrijvende partijen. Soms verrassen marktpartijen met oplossingen die vooraf niet bedacht hadden kunnen worden. Hij vindt daarom dat open criteria juist mogelijkheden bieden. Wel verduidelijkt hij dat de tekst in het beeldkwaliteitsplan altijd leidend is, terwijl sfeerbeelden slechts richting geven.
Tot slot reageert hij op de vraag van mevrouw Van Es over het onderscheid tussen religieuze en niet-religieuze uitingen in de architectuur. Hij geeft aan dat de bedoeling van de passage is dat architectonische verwijzingen naar de huidige identiteit van de school niet per definitie religieus van aard hoeven te zijn en dat identiteit bovendien in de loop van de tijd kan veranderen. Als dit in de eerdere beantwoording niet duidelijk is overgekomen, dan is dat volgens hem een ongelukkige formulering. Mevrouw VAN ES vraagt per interruptie hoe de Christelijke identiteit zich architectonisch uit, waarop wethouder JANSSEN zegt schriftelijk terug te komen. De heer VAN DEN DOOL merkt per interruptie op dat de wethouder dit reeds beantwoord heeft, waarbij hij aangaf dat er een beeldkwaliteitsplan wordt gemaakt, maar dat de school de bouwheer is en dat men de architecten ook enige vrijheid gunt om dat in te vullen. Wethouder JANSSEN denkt dat uitingen mogelijk zijn waardoor de Christelijke waarden duidelijk zijn en niemand daar aanstoot aan neemt. Mevrouw VAN ES wenst graag schriftelijk antwoord te ontvangen. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE Mevrouw HOEKSTRA heeft het antwoord gemist op haar vraag of de nieuwe raadsleden door de ambtelijke organisatie worden meegenomen in het proces. Mevrouw VAN ES stelt m.b.t.
de vraag van de heer Goudriaan voor dit niet alleen voor dit dossier maar voor alle grote dossiers te doen, door beeldvormende 30
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
momenten of updatesessies te organiseren, zodat raadsleden die behoefte hebben aan nadere informatie deze kunnen ontvangen zonder dat dit de reguliere besluitvorming vertraagt. De heer VERWEIJ merkt per interruptie op dat er een startprogramma voor de nieuwe raad komt, waarbij men een avond kan organiseren waarbij deze grote dossiers behandeld worden. TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder JANSSEN geeft aan dat het voor de ambtelijke organisatie geen probleem moet zijn om de raad van voldoende informatie te voorzien. Extra informatie richting de raad zal, waar nodig, via RIB’s worden gedeeld. Indien de raad daar behoefte aan heeft, is er ruimte om open met elkaar in gesprek te gaan over de voortgang en ontwikkelingen binnen het dossier. De wethouder wijst erop dat de scholen als bouwheer bij het proces betrokken zullen zijn en daarin een leidende rol vervullen. Over het totaalbeeld en de uitkomsten kan de raad op verschillende momenten van gedachten wisselen. De wethouder zegt toe de raad, zeker gezien de omvang en het belang van dit dossier, stap voor stap volledig te zullen informeren. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 11.
Beeldkwaliteitsplan Van der Palmgebied – deel welstandseisen. De heer VAN DEN DOOL benadrukt het belang van de groene drager tussen de rivier, het Vondelpark en verder richting Papendrecht. Zijn fractie is bij dat deze expliciet is opgenomen in het plan. Hij vraagt de wethouder of er al inzicht kan worden gegeven in de wijze waarop deze groene drager gerealiseerd zal worden en of er een vergezicht kan worden geschetst. Omdat langs deze strook ook op andere locaties ontwikkelingen plaatsvinden, zoals bij de Opelcentrale en mogelijk aan de Douwes-Dekkerlaan, waardoor er veel veranderingen optreden binnen dit gebied vraagt hij extra aandacht voor dit onderdeel. De heer DEN BOEF verwacht dat er in het voetgangersgebied ruimte blijft om ook voor fietsers een goede en bruikbare inrichting te realiseren. Hij wijst erop dat vanuit de Rembrandtlaan, Catslaan en Vondellaan veel fietsers gebruik zullen maken van deze locatie. Hij verzoekt daarom om dit expliciet wordt toegevoegd aan het document. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder JANSSEN merkt in reactie op de vraag van de heer Van den Dool op dat de groene drager tussen de rivier en het Vondelpark een gezamenlijk 31
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
ontwikkeld vergezicht is, gericht op het versterken van de verbinding tussen het Vondelpark en onder meer de waterbushalte. De Opelcentrale valt volgens hem meer buiten dit gebied, terwijl het gebied rond de Douwes Dekkerlaan juist wel onderdeel uitmaakt van deze groene verbinding. De wethouder geeft aan dat momenteel wordt onderzocht hoe deze verbinding concreet kan worden gerealiseerd, waarbij ook de inrichting van de tussenliggende weg wordt meegenomen. Daarbij worden verschillende opties verkend, waaronder mogelijke beperkingen voor autoverkeer. Er is nog geen uitwerking of tekening beschikbaar, maar de intentie om deze groene drager te realiseren is duidelijk aanwezig. T.a.v. van de opmerking over het voetgangersgebied geeft de wethouder aan dat dit past binnen de visie om het gebied groen en verkeersluw in te richten. Tegelijkertijd erkent hij dat het om een schoolomgeving gaat en dat fietsers daar een belangrijke rol spelen. Er zal daarom ruimte blijven voor fietsgebruik en fietsparkeren, zij het mogelijk op een andere manier of locatie. In de verdere uitwerking wordt ook rekening gehouden met andere gebruikers, zoals bevoorradend verkeer en de bereikbaarheid voor de kerk, bv. bij huwelijken en uitvaarten. De wethouder benadrukt dat deze aspecten in de nadere uitwerking verder worden uitgewerkt.
Het uitgangspunt blijft een voetgangersgebied, waarbij het stomp-principe voorop staat en de T van trappen zeker aandacht krijgt. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 12.
Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 23.15 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De heer A. Mullenders (plv. griffier)
2026.
De heer P.C. Grimmius (voorzitter)
32
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 22 januari 2026
Besluitenlijst 1.
Aanvraag exploitatiebudget voor nader onderzoek en uitwerking van 4 kansrijke locaties voor nieuwe woonwagenstandplaatsen. Portefeuillehouder Janssen De portefeuillehouder zegt toe de vraag inzake de post onvoorzien schriftelijk te beantwoorden.
2.
Ontwikkelingen en samenwerkingsovereenkomst Beschermd Wonen & Opvang. Portefeuillehouder Van Erk De portefeuillehouder zegt m.b.t. de vraag inzake tussentijdse periodieke informatievoorziening toe in het AB voor te stellen om alle betrokken raden 1 tot 2 keer per jaar een standaardrapportage te doen toekomen. Tevens zegt hij toe de komende periode, samen met de regio, beter en gerichter in beeld te brengen hoeveel inwoners gebruik maken van beschermd wonen en opvang.
3.
Voorstel zienswijze bijdrageverordening GR Sociaal: kostenverdeelsleutel Drechtwerk. Portefeuillehouder Van Erk De portefeuillehouder zegt toe de vraag m.b.t. de toekomstige uitbreiding van de doelgroep schriftelijk te beantwoorden.
4.
Verordening Leerlingenvervoer Papendrecht 2026. Portefeuillehouder Kosten De portefeuillehouder zegt toe schriftelijk terug komen op de vraag of er hulp wordt geboden bij het invullen van de aanvraag.
5.
Beeldkwaliteitsplan De Lage Waard: deel welstandseisen. Portefeuillehouder Janssen De portefeuillehouder zegt toe de vraag inzake de architectonische uiting van de Christelijke identiteit schriftelijk te beantwoorden. Tevens zegt hij toe de raad op dit dossier stap voor stap volledig te zullen informeren.
33