CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20260115 Verslag Oordeelsvorming.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 12 februari 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen verslagen 15 en 22 januari 202614.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “mededelingen”: 7

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE OORDEELSVORMENDE VERGADERING d.d. 15 januari 2026. Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op www. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw T.C. van Es, voorzitter; De heer M.H.A. Verweij (PAB), de heer A. Tieleman (PAB), mevrouw H.M. van Wijngaarden (PAB), de heer X. Janssen (PAB), de heer K. Spitsbaard (OP), mevrouw H.C.T.J. Hoekstra (OP), de heer I. Brands (OP), mevrouw A. Bokma (VVD), mevrouw S.J.A. Verdoorn-de Lang (VVD), mevrouw A. Verschoor - de Winter (CDA), de heer J. Mulder (CDA), mevrouw A.A.S. Stigter (CU), de heer A. Rietveld (CU), de heer Y. Hardenbol-Kroek (D66), de heer W. Goudriaan (SGP), de heer K. Leenhouts (SGP), mevrouw D. Yildiz-Karso (PvdA), de heer Th. Wolters (PvdA) en de heer P.C. Grimmius (GL). Mevrouw T. Schild, inspreker inzake agendapunt 9. Mevrouw M.J.M. van Driel, burgemeester; Mevrouw W. Renzen - Van Leeuwen, portefeuillehouder; De heer J.D. van der Borg, portefeuillehouder; De heer J.L. van Erk, portefeuillehouder; De heer A.J. Kosten, portefeuillehouder; De heer A.M.J.M. Janssen, portefeuillehouder. De heer A. Mullenders, plv. griffier/raadsadviseur. 01.

Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom.

02.

Vaststellen agenda.

03.

Mededelingen. Er zijn geen mededelingen.

04.

Vaststellen verslag 20 en 27 november 2025. De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld.

04.

Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers.

05.

Vragenkwartier. De heer SPITSBAARD stelt de volgende vragen over de crisis bij de Sociale Dienst Drechtsteden/GR Sociaal. 1

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

1. Is het college op de hoogte van het artikel ‘Angstcultuur bij SDD ‘verder vergiftigd’ gepubliceerd in Het Kontakt Klaroen van woensdag 7 januari 2026? 2. Wat is de mening van verantwoordelijk wethouder van Erk/het college over de ontstane angstcultuur? 3. Welke oplossingen ziet de wethouder/het college om dit ontzettend grote probleem aan te pakken? 4. Hoe wordt het vertrouwen van de medewerkers in de organisatie en in het bestuur weer hersteld? 5. Klopt het gerucht dat de onlangs aangestelde interim-directeur bij de SDD is vertrokken? 6. Is dat vrijwillig gebeurd of is zij daartoe gedwongen door het algemeen en/of dagelijks bestuur van de GR Sociaal? 7. Klopt het gerucht ook dat de interim-directeur uit alle communicatiegroepen is verwijderd? 8. Welke gevolgen trekken de bestuurders van de GR Sociaal in deze voor zichzelf? Kunnen zij aanblijven of dienen zij hun verantwoordelijkheid te nemen en op te stappen? Wethouder VAN ERK merkt op dat de eerste 4 vragen betrekking hebben op een anonieme brief en berichtgeving over een ervaren angstcultuur en geeft aan hiervan op de hoogte te zijn. Elementen zoals angstcultuur, gebrek aan transparantie en het onvoldoende aanspreken van elkaar zijn volgens het college helaas ook in eerdere brieven naar voren gekomen.

De inzet van het bestuur is gericht op het duurzaam herstellen van een cultuur van openheid, veiligheid en aanspreekbaarheid. Het college betreurt het dat een groep medewerkers zich genoodzaakt voelt om hun zorgen anoniem te uiten. Er wordt gewerkt aan een herstelplan. De vragen 5, 6 en 7 hebben betrekking op het vertrek van de interim-directeur. Hij bevestigt dat de interim-directeur is vertrokken, maar geeft aan dat hierover op dit moment geen verdere inhoudelijke toelichting wordt gegeven. Op korte termijn zullen de 7 betrokken gemeenteraden hier tegelijkertijd schriftelijk over worden geïnformeerd via een tussentijds bericht, naar verwachting uiterlijk begin van de volgende week. Hij geeft aan dat men dit uit zorgvuldigheid doet en vraagt de raad om geduld. Tot slot merkt de wethouder m.b.t. het functioneren van het dagelijks bestuur op dat het algemeen bestuur toezicht houdt op het DB en niet het college zelf. Hij zal het AB van de GR Sociaal uitnodigen om het college hierover bij te praten. Daarnaast zullen ook andere colleges in de regio worden uitgenodigd om deze processtappen te doorlopen, met het doel gezamenlijk op te trekken. 06.

Ingekomen stukken. Mevrouw HOEKSTRA vraagt inzake A01. Brief bewoners inzake onderhoud wegen buiten de bebouwde kom wanneer deze inwoners antwoord ontvangt. 2

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

Wethouder JANSSEN zegt dat deze brieven zijn geadresseerd aan het college en de gemeenteraad van Gorinchem en in afschrift ter informatie zijn gestuurd aan de gemeenteraad van Papendrecht. Het betreft daarmee geen rechtstreeks verzoek aan het college of de raad van Papendrecht. Mevrouw HOEKSTRA zegt dat Papendrecht wel in de brieven wordt genoemd en vraagt of de raad van Papendrecht dan ook betrokken wordt bij de overleggen en wanneer de afzender een antwoord kan verwachten. Wethouder JANSSEN geeft hierop aan dat het college en de raad van Papendrecht niet bevoegd zijn om te antwoorden op brieven die zijn gericht aan het college en de gemeenteraad van Gorinchem. Deze brieven zijn uitsluitend ter informatie ontvangen. Verder komt mevrouw HOEKSTRA middels een motie of schriftelijk vragen terug op D04. RIB Nota parkeernormen Papendrecht en D05.programma laden Papendrecht met elektrische voertuigen. De heer HARDENBOL merkt op dat A21. Verzoek om medewerking ophalen ervaringen gemeenteraad over invloed op GR DG&J samenhangt met de evaluatie van de DG&J, die later op de avond nog wordt besproken. De DG&J vraagt concreet om verbetervoorstellen vóór 10 februari. Hij vraagt de andere fracties of men de eerder gevraagde evaluatie hierbij wil betrekken en of het aanleveren van input per fractie moet plaatsvinden of dat hiervoor een andere praktische werkwijze wenselijk is.

Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat punt A21. een aangelegenheid is tussen de griffie en DG&J. Hij zegt dat er correspondentie is geweest over de wijze waarop dit georganiseerd zou worden. Hij heeft hiervan een afschrift gezien, maar kan op dat moment de exacte status niet aangeven. Hij verzoekt daarom de griffie dit nader te bekijken. Indien hieruit vervolgacties voortkomen, is hij bereid deze te organiseren. Voorlopig ligt dit punt bij de raad en de griffie. De VOORZITTER stelt voor om dit onderwerp als actiepunt bij de griffie neer te leggen en hier op een later moment op terug te komen. De heer HARDENBOL merkt inzake D04.RIB Nota parkeernormen Papendrecht op dat zijn fractie positief is over de toepassing van het STOMP-principe. Tegelijkertijd spreekt hij zorgen uit over het mogelijk te ver naar beneden aanpassen van parkeernormen. Hij zegt dat daarbij goed moet worden bewaakt dat inwoners zich hiervan bewust zijn en dat de openbare ruimte zodanig wordt ingericht dat dit in de toekomst niet leidt tot klachten. Daarbij wijst hij op het risico dat extra parkeerplaatsen alsnog gerealiseerd moeten worden ten koste van het groen, hetgeen zijn fractie niet wenselijk acht. Hij verzoekt het college dit mee te nemen in de afwegingen. Wethouder JANSSEN zegt dat het college de parkeernormen zorgvuldig afweegt.

Hij geeft aan dat regelmatig wordt gekeken naar de balans tussen parkeren en vergroening van de openbare ruimte. De 3

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

beweging is gericht op minder parkeren, meer parkeren op afstand en meer groen, waarbij telkens wordt bekeken hoe dit in de praktijk het beste kan worden ingericht. De heer JANSSEN merkt inzake A20. Samenwerkingsafspraak 2026-2027 Papendrecht op dat de PAB-fractie het positief vindt dat er niet alleen voortvarend wordt gewerkt aan woningbouw, maar dat daarbij ook zorgpartijen zoals Rivas, Waardenburg en Sterk Papendrecht zijn betrokken. Men vindt dit bijzonder en onderscheidend voor Papendrecht. Daarnaast noemt hij de verdere uitwerking van de pilot woningdelen en flexwoningen. Tevens vraagt hij wanneer de toegezegde beeldvormende vergadering over woningbouw zal plaatsvinden. Wethouder JANSSEN antwoordt dat eerder is aangegeven dat er een brede sessie met de raad zal worden georganiseerd over bouwen en wonen. Aanvankelijk was dit voorzien in het eerste kwartaal, maar de agendacommissie heeft besloten deze bespreking te laten plaatsvinden met de nieuwe raad. Verwacht wordt dat deze sessie zal worden georganiseerd in april, mei of juni, zodat de nieuwe raad vanaf het begin volledig kan worden meegenomen in de plannen rondom bouwen en wonen. Verder merkt de heer JANSSEN inzake D13. RIB kinderboerderij Papenhoeve op dat het positief is dat de kinderboerderij tijdelijk door de gemeente wordt overgenomen.

Hij vraagt of de wethouder kan aangeven in hoeverre er in de nabije toekomst zicht is op een stabielere situatie, waarbij zowel de verdeelde speeltuin als de eerder toegezegde natuureducatie daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. Wethouder VAN DER BORG antwoordt dat hij op dit moment nog geen toezeggingen kan doen over een stabiele eindsituatie. Hij zegt dat de brief vooral bedoeld is om de raad te informeren over de ontstane situatie en over het besluit om de coördinatie en het beheer tijdelijk zelf over te nemen. De komende periode wordt gebruikt om te verkennen welke vervolgstappen nodig zijn, waarbij ook de genoemde punten worden meegenomen. Hij geeft aan daar actief mee bezig te zijn en spreekt de verwachting uit dat hier iets positiefs uit kan voortkomen. De commissie adviseert aansluitend de onderhavige stukken door te leiden naar de gemeenteraad. 07.

Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers.

08.

Vaststelling 8e wijziging GR DG&J. De heer WOLTERS merkt op dat het voorstel niet helemaal is wat men heeft voorgesteld, maar dat zijn fractie hiermee wel zal instemmen. 4

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

De heer GRIMMIUS sluit zich grotendeels aan bij de heer Wolters. Hij stelt dat niet alle gewenste informatie is verkregen, maar dat wel deels aan de verzoeken is voldaan. Hij noemt hij dit een les voor de raad om bij toekomstige wijzigingen van GR-en een duidelijke positie in te nemen. Mevrouw VERDOORN zegt dat haar fractie kan instemmen met het gevraagde besluit. Men stelt dat, zij het niet volledig, aan de opdracht vanuit de zienswijze is voldaan. Afsluitend vraagt zij, mede gezien eerdere toezeggingen en latere signalen dat dit niet volledig het geval was, naar de mate waarin het lokale jeugdteam voldoende is toegerust om taken van Veilig Thuis over te nemen. De heer SPITSBAARD zegt dat zijn fractie positief staat tegenover het voorstel en kan instemmen. Wel vraagt hij om verduidelijking of de wijziging van de gemeenschappelijke regeling een college- of raadsregeling betreft. Daarnaast vraagt hij waarom niet eerder is gestart met de evaluatie van de regeling. Ook vraagt hij hoe het ophalen van informatie bij de raad vorm krijgt, hoe de raad door deze wijziging beter in positie wordt gebracht, waarom er wordt gekozen voor een vierjaarlijkse evaluatie i.p.v. een jaarlijkse evaluatie en hoe het staat met de verplichte invoering van burgerparticipatie binnen deze regeling. De VOORZITTER zegt dat er geen vragen aan de griffie kunnen worden gesteld.

De heer VERWEIJ zegt dat eerder is uitgesproken dat minimaal eens per 3 jaar een evaluatie wordt verwacht, terwijl nu een eens per 4 jaar wordt voorgesteld. Hij vermoedt dat hiervoor in de raad een meerderheid bestaat en zal hier niet tegenin gaan. Hij plaatst vraagtekens bij de voorgestelde werkwijze om aan het einde van de raadsperiode via de griffie nog snel input bij raadsleden op te halen. Hij noemt dit een hap-snap-aanpak. Volgens hem is in het verleden al veel input geleverd die opnieuw voor de evaluatie kan worden gebruikt. Het is zijns inziens wenselijk dat de raad vooraf duidelijk kan aangeven welke punten en speerpunten in een evaluatie onderzocht moeten worden, zodat daarop gericht kan worden gerapporteerd en de raad hier vervolgens inhoudelijk op kan reflecteren. Hij zegt dat deze systematiek nu ontbreekt doordat pas laat in het proces input wordt opgehaald. Mevrouw STIGTER is teleurgesteld dat de evaluatie niet 1 keer per 3 jaar kan plaatsvinden. Zij geeft aan zich te schikken in het voorgestelde vierjaarlijkse evaluatiemoment, maar pleit ervoor dat deze evaluatie halverwege de raadsperiode plaatsvindt en niet aan het begin of einde ervan, omdat de raad dan weinig kan bijsturen. Zij vraagt de wethouder of dit mogelijk is.

5

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

De heer GOUDRIAAN geeft aan dat de SGP-fractie zich kan vinden in een evaluatiemoment per raadsperiode en stemt in met het voorliggende voorstel. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG zegt dat de raad eerder uitgebreid heeft gesproken over de wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Daarbij was het belangrijkste aandachtspunt van de raad de evaluatie. Men heeft destijds verzocht eerst een uitwerking te ontvangen voordat tot besluitvorming zou worden overgegaan. Naar aanleiding hiervan is namens het college een verzoek ingediend bij het AB. Deze heeft daarop een voorstel opgesteld, dat bij de stukken is gevoegd. Binnen het AB is geconcludeerd dat een evaluatie eens per 4 jaar/collegeperiode, een goed uitgangspunt is. De wethouder geeft aan dat men, gelet op deze uitwerking, het voorstel opnieuw aan de raad heeft voorgelegd. Hij constateert dat de raad hierover in grote lijnen positief is, met daarbij de kanttekening dat een evaluatie eens per 3 jaar de voorkeur had gehad. Hij benadrukt dat dit een gevolg is van besluitvorming binnen de GR. N.a.v. vragen van de VVD-fractie over het lokale jeugdteam en Veilig Thuis geeft hij aan dat het lokale team onder druk staat doordat is besloten geen extra formatie toe te voegen aan Veilig Thuis, waardoor casuïstiek wordt doorgeleid naar het lokale team.

De situatie wordt gemonitord en er is regelmatig overleg met Sterk Papendrecht en het lokale team. Het is volgens hem nog te vroeg om conclusies te trekken. Indien de situatie buiten de pas gaat lopen, zal hij de raad informeren. In reactie op vragen van de OP-fractie bevestigt wethouder VAN DER BORG dat het hier een collegeregeling betreft. Om die reden wordt de raad gevraagd een zienswijze af te geven en geen besluit te nemen. Op de vraag waarom niet jaarlijks wordt geëvalueerd en waarom niet eerder is gestart met de evaluatie, geeft hij aan dat het voorstel pas eind vorig jaar in het AB is besproken, waardoor een eerdere start niet mogelijk was. Wel zegt hij het belangrijk te vinden de evaluatie niet te lang uit te stellen en de raad zo snel mogelijk in positie te brengen. Verder wordt er gezocht naar een passende werkwijze om informatie bij de raad op te halen en deze te verwerken in de evaluatie. Wat betreft een jaarlijkse evaluatie merkt hij op dat dit een te groot beslag zou leggen op de organisatie en geen betere sturing zou opleveren. Hij wijst erop dat de raad via de jaarlijkse P&C-cyclus al inzicht krijgt in de voortgang. Een evaluatie eens per collegeperiode acht hij passend bij de wensen van de raad. T.a.v. de vraag over burgerparticipatie geeft de wethouder aan hier op dit moment geen concreet antwoord op te kunnen geven en hier later op terug te komen.

De heer SPITSBAARD merkt op dat de wethouder zegt dat het onderwerp evaluatie pas in 2025 is besproken. Hij wijst erop dat de handreiking waar nu naar wordt verwezen dateert uit 2022 en dat daarin al wordt gesproken over evaluatie. 6

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

Volgens hem is de evaluatie niet eerder opgenomen in eerdere wijzigingen van de GR en is dit onderwerp in eerdere vergaderingen niet aan de orde geweest. Hij zegt dat de raad zelf om opname van een evaluatie heeft gevraagd. Wethouder VAN DER BORG zegt dat het woord evaluatie wel degelijk eerder is genoemd als verzoek. Hij zegt dat hierover wel is gesproken, maar dat de raad heeft aangegeven voorkeur te hebben voor een automatisch evaluatiemoment. In de daaropvolgende periode is dit uitgewerkt tot een evaluatie eens per 4 jaar. De heer VERWEIJ uit zijn zorgen over de voorgestelde werkwijze waarbij op het laatst via de griffie input bij de raad wordt opgehaald. Hij noemt dit een surrogaat onderzoek en vindt dat dit onvoldoende recht doet aan een inhoudelijk onderzoek naar het functioneren van de jeugdzorg. Volgens hem zou het wenselijk zijn dat de raad vooraf, samen met het onderzoeksbureau, kan bepalen hoe een evaluatie wordt ingericht en welke onderzoeksvragen er zijn. Hij zegt dat deze systematiek nu ontbreekt en vraagt of het niet beter is om de evaluatie in 1 keer, na de verkiezingen, zorgvuldig aan te pakken. Wethouder VAN DER BORG zou het woord surrogaatonderzoek niet willen gebruiken en verwijst naar een uitgewerkt voorstel en de gedegen aanpak van het DB over de wijze waarop met evaluaties wordt omgegaan.

Hij geeft aan dat het voor hem belangrijk is dat de huidige raad al in deze raadsperiode input kan leveren. Volgens hem start het onderzoek nog in deze periode, maar zal het niet vóór de verkiezingen worden afgerond. Hij geeft aan dat wordt gezocht naar een zorgvuldige manier om dit vorm te geven en dat dit ook een leerproces is. Hij benadrukt dat de evaluatie zorgvuldig zal worden uitgevoerd. De VOORZITTER concludeert dat nog onduidelijk is hoe de evaluatie precies wordt opgepakt en stelt voor dat de griffie het initiatief neemt om hierover te communiceren met de raad. Vervolgens kunnen de fracties onderling bepalen op welke manier zij hiermee omgaan. Daarbij stelt zij voor dat fracties kunnen kiezen voor het aanleveren van algemene input of het opnieuw onder de aandacht brengen van eerder ingediende zienswijzen of punten. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 09.

Verordening Jeugdhulp 2026. Inspreker mevrouw SCHILD: Geachte voorzitter, raadsleden, college en aanwezigen. Ik ben Trijnie Schild. Ik sta hier als inwoonster van Papendrecht, maar veel meer als moeder van mijn zoon Quinten. Ik en mijn 4 kinderen wonen nu bijna 5 jaar in Papendrecht en de afgelopen 4 jaar stonden voor mij in het teken van de lange en zware strijd om passende jeugdhulp te krijgen. Jaren van zorgen, procedures en onzekerheid, 7

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

terwijl het in de kern ging om de kinderen die hulp nodig hadden en hebben. In 2022 heb ik om een gesprek met wethouder Van der Borg gevraagd. Helaas stond hij hier niet voor open en kreeg ik het advies om naar de rechtbank te gaan. Het jeugdteam heeft in juli 2022 een Veilig Thuis melding gedaan, zonder dat de wettelijke meldcode is gevolgd. Deze melding is gedaan omdat ik aan kindermishandeling zou doen. Die melding is door Veilig Thuis ongegrond verklaard. Toch is er zelfs na het advies van Veilig Thuis opnieuw geen jeugdhulp toegekend. Dit traject heeft een zeer grote psychische impact gehad op ons gezin. In mei 2023 werd ook uit het niets geen leerlingenvervoer meer toegekend en kreeg ik te horen dat kinderen maar zelfstandig op school moesten komen en als ik aanspraak wilde maken op het leerlingenvervoer, zou mijn zoon maar naar een andere school moeten. Opnieuw moest ik in bezwaar en werd het leerlingenvervoer uiteindelijk wel toegekend. In december 2023 deed de rechtbank Rotterdam een uitspraak over de noodzakelijke hulp met bijbehorend tarief voor mijn zoon Quinten. Deze uitspraak is door het college nooit uitgevoerd. Mede daardoor moest ik in hoger beroep. Het jaar erop volgde een mediation traject. Dit traject werd ingezet om samen tot een oplossing te komen, maar het leverde uiteindelijk geen permanente toekenning van jeugdhulp op.

Daarom moest ik opnieuw in bezwaar en direct in beroep om een voorlopige voorziening aan te vragen. Steeds weer kwam de gemeente ongeveer een week voor een besluit met een nieuw voorstel. Niet structureel, maar op het laatste moment om verdere juridische stappen af te wenden. Intussen zijn verwijzingen van de huisarts en GGZ-instellingen door het jeugdteam in de prullenbak gegooid. Hiermee werd dus ingegaan tegen artikel 2.6 van de jeugdwet. Toen kwam de uitslag van het hoge beroep. Opnieuw een week voordat er een besluit genomen moest worden, kwam het college met een voorstel. We moesten om de tafel om tot een schikking te komen. Uiteindelijk zijn we om de tafel beland met onder andere de heer Nijen (?) Dat leidde tot een passend besluit, naar aanleiding van de uitspraak, en wat veel belangrijker is: Quinten ontvangt nu passende jeugdhulp tot zijn achttiende jaar. Er is begeleiding thuis, hij kan naar de zorgboerderij en heeft een passende stageplek. Als ik mijn zoon nu zie, kan ik zeggen dat het goed met hem gaat. Quinten is blij en hij ontwikkelt zich weer. In deze hele periode heb ik de kracht om vol te houden steeds mogen ontvangen van God onze Vader. Hij gaf kracht en mensen om me heen om voor mijn gezin te blijven zorgen. Ook op momenten dat het eigenlijk te zwaar werd. Mijn ervaring staat niet op zichzelf.

In 2021 heeft ook een andere moeder in hoge beroep succesvol geprocedeerd over jeugdhulp. Dit onderstreept dat mijn zaak niet individueel is, maar structureel van aard en dus ook beleidsmatige aandacht verdient. Dan blijft de vraag, had dit alles echt zo lang moeten duren en waarom kreeg mijn zoon de hulp niet die hij nodig heeft? En de conclusie? Deze hele procedure van 4 jaar heeft meer gekost dan de jeugdhulp die ik voor mijn zoon Quinten had gevraagd. 8

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

Ook wil ik aandacht vragen voor de rechtsbescherming van ouders en kinderen. Ik hoor signalen van moeders die zich bedreigd voelen en dat werkelijk bedreigd zijn door het jeugdteam, net als ik. Daarnaast zijn er gezinnen waarin kinderen uit huis zijn geplaatst zonder tussenkomst van een rechter. Dit vraagt om scherp toezicht van de gemeenteraad op hoe macht en verantwoordelijkheden in de praktijk worden gebruikt. Dan heb ik wat aandachtspunten voor de verordening Jeugdhulp over artikel 4, de beslistermijn. De verordening gaat uit van 10 weken. De jeugdwet biedt ruimte voor 8 weken. Ik verzoek u deze kortere termijn als uitgangspunt te nemen. Dan artikel 8, over het verslag. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugd of zijn ouders moeten in het verslag verwerkt worden en niet aan het verslag worden toegevoegd. Opmerkingen worden door het jeugdteam namelijk niet meegestuurd in eventuele bezwaren beroepsprocedures. Artikel 10, over de eigen kracht. Gemeenten moeten in de voordeling expliciet vastleggen wat wordt verstaan onder eigen mogelijkheden en of probleemoplossend vermogen en hoe zij dit beoordelen. Eigen kracht mag nooit betekenen dat ouders of kinderen worden overvraagd of dat professionele hulp wordt uitgesteld. Artikel 23, over niet meewerken aan onderzoek. Dit begrip is nu te algemeen geformuleerd.

Ik vraag u om duidelijk te specificeren wat hieronder wordt verstaan en wat niet. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een gemeente niet zonder meer jeugdzorg mag weigeren op deze grond, maar alleen wanneer er sprake is van aantoonbaar en verwijtbaar weigeren van noodzakelijke medewerking. Tot slot mijn oproep aan u als gemeenteraad. U stelt de verordening vast, maar u heeft ook een toezichthoudende rol op de uitvoering. Ik vraag u erop toe te zien dat het jeugdteam eerlijk, zorgvuldig en menselijk omgaat met ouders en jeugdigen. Dat zij naast ouders staan en niet erboven. De meeste ouders komen niet uit luxe naar de gemeente voor jeugdhulp. Vaak is daar al een lange zorggeschiedenis aan vooraf gegaan. Juist daarom is het essentieel dat ouders zich gehoord en serieus genomen voelen. En ik geloof dat juist deze houding ervoor gaat zorgen dat er minder jeugdhulpaanvragen komen, wat weer zorgt voor minder kosten. Daarnaast wil ik mij juist vanuit mijn ervaringen ook positief inzetten. Naar aanleiding van het verhaal van de wethouder uit Kampen wil ik mij inzetten voor het opzetten van een moedergroep van zorg intensieve kinderen. Ik zie dit als een laagdrempelige preventieve aanvulling op de formele jeugdhulp. Misschien kunnen we dit bespreken tijdens het gesprek met wethouder van der Borg, wat ik nog tegoed heb. Dank u wel voor uw aandacht.

EERSTE TERMIJN RAAD De heer GOUDRIAAN benadrukt het belang van een veilige en betrokken omgeving voor kinderen en jongeren, met stevige aandacht voor stabiele gezinnen en een breed sociaal netwerk. Elk kind heeft behoefte aan liefde, aandacht, nabijheid, mee kunnen doen en erbij horen. Zijn fractie pleit daarom 9

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

voor een positief familiebeleid, waarin niet in de eerste plaats professionele hulp, maar vooral de inzet van familie, buurt, kerken en verenigingen centraal staat. Benodigde jeugdhulp dient snel en laagdrempelig beschikbaar te zijn. Verder uit hij zijn grote zorgen over het groeiende gebruik van jeugdhulp (ca. 1 op de 8 kinderen) en de stijgende kosten, en onderstreept de noodzaak van een duidelijke visie en scherpe keuzes. Zijn fractie onderschrijft het doel van de nieuwe verordening om te komen tot een betere en goedkopere uitvoering van de Jeugdwet, met de kanttekening dat de noodzakelijke verandering tijd vraagt en gepaard moet gaan met vertrouwen en ruimte voor het college om te experimenteren en maatwerk te leveren. Hierbij noemt hij het voorbeeld van de flexwoning die de gemeente Kampen kocht voor iemand die zorg nodig had. Daarnaast vraagt de SGP-fractie aandacht voor artikel 10. beoordeling van draagkracht en draaglast en vraagt naar de toepassing, meetbaarheid en monitoring daarvan. Ook vraagt men hoe en wanneer de effecten en doeltreffendheid van de verordening worden geëvalueerd, en of dit eventueel eerder kan dan na 2 jaar. Verder vraagt de heer GOUDRIAAN naar de voor zijn fractie zeer belangrijke praktische borging van identiteitsgebonden zorg en of dit expliciet wordt meegenomen in de evaluatie.

Vervolgens spreekt hij zijn steun uit voor het handhaven van de open house-constructie en het huidige aantal aanbieders en vraagt of de wethouder kan toezeggen dat de raad in positie wordt gebracht om aan de voorkant richting te geven aan de toekomstige aanbesteding. T.a.v. verwijzingen via onder meer huisartsen vraagt de SGPfractie aandacht voor de gevolgen voor de werkdruk bij Sterk Papendrecht en het belang van het goede gesprek met ouders. Tot slot vraagt de heer GOUDRIAAN of het adviespunt scheiden, kind en ouderschap, gezien de grote rol van scheidingsproblematiek binnen de jeugdzorg, bij de ontwikkeling van het collectief ouderaanbod wordt betrokken. De VOORZITTER merkt op dat het niet de bedoeling is technische vragen te stellen en men zich dient te beperken tot politieke vragen. Mevrouw STIGTER benadrukt namens de CU-fractie dat jeugdhulp geen luxe is en dat kinderen en jongeren kwetsbaar zijn en een steunende omgeving nodig hebben. Ouders spelen hierin de belangrijkste rol, waarbij goede ondersteuning van ouders essentieel is. Verder vraagt zij het college op welke wijze de adviezen van de diverse adviesraden worden meegegeven richting de uitvoerende organisaties en hoe in de uitvoering keuzes worden gemaakt die bijdragen aan het versterken van de sociale basis van jeugdigen. Ook wordt gevraagd welke plannen het college hiervoor in ontwikkeling heeft.

Daarnaast verzoekt zij het college in te gaan op opmerkingen van de inspreker over artikelen waarin wordt afgeweken van de verordening en de motivering daarvan toe te lichten. N.a.v. de beeldvormende bijeenkomst over Kampen vraagt mevrouw STIGTER hoe de 10

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

gemeente Papendrecht invulling geeft aan nieuwe ontwikkelingen binnen de jeugdhulp. Tot slot vraagt zij de raad of deze bereid is budget beschikbaar te stellen voor het versterken van de sociale basis van kinderen en jongeren, m.n. op scholen, bv. via schoolmaatschappelijk werk en gezinswerkers, zoals genoemd in het voorbeeld uit Kampen. De heer VERWEIJ heeft de jeugdverordening beoordeeld op werkbaarheid en op de mate waarin deze duidelijk en zorgvuldig is ingericht voor aanvragers van jeugdhulp, met zo min mogelijk risico op problemen en klachten. Hij spreekt zijn waardering uit voor de 3 uitgangspunten waarop de jeugdhulp wordt georganiseerd en betaald, met name de nadruk op samenwerking met ouders, scholen en de samenleving. Het is positief dat in de verordening duidelijk wordt gemaakt dat niet iedere opvoedkundige vraag direct hoeft te leiden tot inzet van zorg of medicatie, maar dat ongemakken ook onderdeel kunnen zijn van het normale opvoedproces. Ook is hij positief over het collectieve aanbod van jeugdhulp, waarbij voor een grote groep jeugdigen passende ondersteuning kan worden geboden, met behoud van mogelijkheden voor overleg, klachten of bezwaar. De heer VERWEIJ onderschrijft de scherpere afbakening van de toegang tot jeugdhulp en wat als normaal binnen de opvoeding wordt beschouwd.

In dat kader verwijst hij naar het begrip draaglast, zoals genoemd in bijlage 2, art. 10, waarin ook de competenties binnen het gezin en de mogelijkheden tot bezwaar worden benoemd. In dit kader geeft hij aan dat in de verordening op meerdere plaatsen voldoende mogelijkheden zijn opgenomen voor bezwaar- en klachtenmogelijkheden. Op basis daarvan concludeert hij dat de verordening werkbaar is en dat hiermee aan de slag kan worden gegaan, zonder over bepaalde woorden te vallen. Tot slot verwijst de heer VERWEIJ naar het voorbeeld van de gemeente Kampen en geeft hij aan dat, wanneer onderdelen van deze aanpak in Papendrecht worden uitgeprobeerd en hiervoor budget nodig is, hier volgens hem mogelijkheden voor zijn. De heer SPITSBAARD staat namens de OP-fractie positief tegenover het voorliggende voorstel en spreekt waardering uit voor de aanbevelingen uit de zorganalyse en de lokale maatregelen voor beschikbare en betaalbare jeugdhulp in Papendrecht, zoals benoemd in de RIB. Met name de aandacht voor kostenbeheersing bij de toegang, de verkenning van de overgang richting Wmo en Wlz en de verbeterde route naar zeer dure gecertificeerde instellingen. Tegelijkertijd plaatst hij een kanttekening bij de constatering in het voorstel dat de lokale beleidsruimte binnen de verordening beperkt is.

De heer SPITSBAARD vraagt waarom deze ruimte beperkt is en in hoeverre dit het ontwikkelen van lokale initiatieven of experimenten belemmert, zoals genoemd door de gemeente Kampen. Daarnaast vraagt hij om verduidelijking van de grens tussen werkzaamheden en budgetten tussen Sterk Papendrecht en de DG&J en welke 11

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

preventieve maatregelen daar worden genomen. Tot slot vraagt de heer SPITSBAARD, mede n.a.v. de inbreng van de inspreker, hoe de portefeuillehouder ervoor kan zorgen dat de gemeenteraad beter in staat wordt gesteld om controle uit te oefenen over de jeugdteams. Mevrouw VERSCHOOR geeft aan dat de CDA-fractie het van groot belang vindt dat er goede, betaalbare en toegankelijke jeugdhulp is. Haar fractie waardeert dat in het voorstel het gezin als uitgangspunt wordt genomen en ziet hierin een belangrijke kracht. Daarbij dient de kracht van de directe omgeving te worden meegenomen zoals familie en buurtgezinnen. Pas wanneer deze ondersteuning niet toereikend is, moet worden gekeken naar aanvullende professionele hulp die een gezin nodig heeft. Zij verwijst naar de beeldvormende avond over de gemeente Kampen, waarin goede voorbeelden werden gegeven van laagdrempelige en effectieve aanpakken die in de praktijk goed blijken te werken. Zij benadrukt hierbij het belang van samenwerking met partijen zoals huisartsen, scholen, sportverenigingen en kerken en het optimaal benutten van bestaande netwerken. Tot slot geeft zij aan dat de CDA-fractie het belangrijk vindt dat nieuwe maatregelen of initiatieven tijdig worden geëvalueerd. Wanneer blijkt dat een aanpak niet effectief is, moet volgens haar het lef aanwezig zijn om daar binnen een half jaar mee te stoppen, i.p.v.

te wachten op een vooraf gepland evaluatiemoment. Mevrouw VERDOORN merkt op dat haar fractie, mede n.a.v. de beeldvormende avond over de gemeente Kampen, tot de conclusie komt dat het college mogelijk zelf al kritisch kan kijken naar onderdelen van de verordening en waar nodig kan schrappen of aanpassen. Zij vraagt naar de wettelijke termijnen, m.n. de optelsom richting de termijn van 10 weken. Volgens haar worden de 2 weken tussen de aanvraag en de mogelijkheid voor het opstellen van een familiegroepsplan meegerekend. Aangezien niet iedere aanvrager een familiegroepsplan opstelt, vraagt zij of het mogelijk is om deze 2 weken buiten de termijn van 10 weken te laten, zodat de totale doorlooptijd wordt verkort. Daarnaast sluit zij zich aan bij het voorstel van de SGP-fractie om de evaluatieperiode te verkorten naar 1 i.p.v. 2 jaar. Zij benadrukt het belang van regelmatige monitoring zoals in Kampen, waarbij regelmatige rapportages leiden tot het tijdig stoppen van maatregelen die niet effectief blijken. Verder vraagt ook zij naar de stand van zaken rond het schoolmaatschappelijk werk: of dit nog aanwezig is en hoe effectief deze inzet is. Tot slot merkt zij n.a.v.

de bijdrage van mevrouw Schild inzake de moedergroep ten behoeve van ouders met kinderen met grotere zorg op, dat er inmiddels een coördinator is voor het organiseren van informele netwerken voor ouders en stelt voor mevrouw Schild hiermee in contact te brengen. 12

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

Ook de heer GRIMMIUS verwijst -mede namens de PvdA-fractie- naar de interessante beeldvormende bijeenkomst over de jeugdhulp in de gemeente Kampen. Volgens hem lopen Kampen en andere gemeenten daarin duidelijk voor op Papendrecht. Het centrale uitgangspunt in Kampen, namelijk vertrouwen tussen alle betrokken partijen, leidt volgens hem tot kwalitatief betere zorg en lagere kosten. Hij spreekt zijn teleurstelling uit over de reactie vanuit de organisatie, waarin werd aangegeven dat er tijdens de beeldvormende bijeenkomst geen nieuwe inzichten zouden zijn opgedaan. Volgens de heer GRIMMIUS strookt dit niet met zijn ervaring en wijst dit op een fundamenteel probleem (rot) binnen de organisatie. Hij stelt dat in de Papendrechtse organisatie geen sprake is van vertrouwen: richting zorgvragers, zorgprofessionals en zorgaanbieders. Dit wantrouwen leidt volgens hem tot een systeem dat vnl. gericht is op het beperken van zorg, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. M.b.t. de voorliggende verordening merkt hij, mede door de opmerkingen van mevrouw Schild en de stichting Oudere Platform Zuid-HollandZuid in een eerdere bijeenkomst, op dat er te veel schort aan de verordening en dat deze de rot in het systeem niet zal oplossen, omdat het volgens hem primair een cultuurprobleem betreft. Het aanpassen van de structuur leidt niet automatisch tot een verbetering van de cultuur.

Ondanks dat de verordening een stap in de goede richting zou moeten zijn, is dat hier zijns inziens niet het geval. In dit kader noemt hij verschillende bezwaren, waaronder de beslistermijn van 10 weken, die volgens hem niet in lijn is met de Algemene wet bestuursrecht waarin wordt gesproken over een redelijke termijn van ten minste 8 weken. Hij vindt het buiten alle proporties dat dit wordt voorgesteld. Daarnaast uit hij kritiek op de manier waarop het begrip draagkracht van ouders zonder duidelijke definitie wordt toegepast. Hij stelt dat hiermee wordt verwacht dat ouders hun werk of maatschappelijke initiatieven verminderen, zodat er geen jeugdzorg verleend hoeft te worden. Dit staat naar zijn mening haaks op het streven van de gemeente Papendrecht om maatschappelijke initiatieven, vrijwilligerswerk, pleegzorg, etc. te stimuleren. Hij benadrukt dat jeugdhulp bedoeld is ter ondersteuning van de jeugdige en niet ter ontlasting van de ouders, dat heeft hier niets mee te maken. Zijn fractie is daarom van mening dat de verordening absoluut niet rijp is voor besluitvorming en zowel op juridische als morele gronden eerst drastisch moet worden herzien. De heer VAN HETEREN geeft aan dat de voorliggende verordening volgens zijn fractie meer is dan een juridisch document, het doet ook een uitspraak over hoe de raad en samenleving naar jeugdzorg kijkt.

Hij sluit zich daarbij aan bij de opmerkingen van de heer Grimmius over het bredere maatschappelijke perspectief op jeugdzorg en de rol van ouders en de gemeente daarin. Hij zegt dat het jeugdzorgsysteem landelijk onder druk staat, met stijgende kosten, toenemende vraag naar jeugdhulp, spanning op de rechtsbescherming van 13

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

ouders en kinderen en een kwaliteit die niet altijd meegroeit. Volgens de D66fractie is jeugdzorg bedoeld om kinderen te ondersteunen in hun ontwikkeling, en niet om gezinnen af te rekenen op vermeende draagkracht. Men onderschrijft het belang van preventie en normaliseren, maar benadrukt dat preventie investeren in vrijheid, verbondenheid, sport, cultuur, verenigingen, kansengelijkheid en ontmoetingsplekken betekent, zodat problemen eerder in de samenleving kunnen worden opgevangen. Preventie mag volgens hem niet leiden tot druk op ouders of het afbouwen van rechten. De heer VAN HETEREN stelt verder dat in de verordening het beeld ontstaat dat ouders met een zorgbehoevend kind hun werk, sociale leven en maatschappelijke deelname moeten beperken. Zijn fractie beschouwt dit als een verkeerd mensbeeld, omdat dit kan leiden tot verkleining van netwerken, inkomensverlies en overbelasting van ouders. Hij benadrukt dat ouders met een zware zorgtaken recht hebben op werk, sociale contacten en tijd om op adem te komen. Niemand kiest ervoor dat zijn of haar kind ziek/beperkt is. Hij is van mening hij dat de verantwoordelijkheid in de verordening te veel bij ouders wordt gelegd, zodat de gemeente kosten kan besparen, terwijl de Jeugdwet volgens hem een zorgplicht bij de gemeente neerlegt.

Zijn fractie vindt dat deze zorgplicht tot uitdrukking zou moeten komen in vertrouwen in ouders, ruimte voor professionals en een overheid die naast inwoners staat en niet tegenover hen. Dat vindt zijn fractie een gevaarlijke richting, want zorg is geen gunst. Zorg is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en overheid. Vanuit juridisch perspectief wijst hij erop dat begrippen als draagkracht en draaglast in de verordening onvoldoende concreet en toetsbaar zijn. Daardoor blijft volgens hem onduidelijk wanneer sprake is van overbelasting en ontstaat het risico op onbegrip, bezwaarproblemen en willekeur. Dat is volgens zijn fractie niet zorgvuldig en niet rechtvaardig. Hij geeft aan dat zijn fractie de verordening in deze vorm niet kan steunen, maar deze ook niet te wil blokkeren. Hij geeft aan dat zijn fractie in de komende raadsvergadering amendementen per artikel zal indienen om de verordening volgens hen eerlijker, menselijker, deugdelijker en beter uitvoerbaar te maken. Tot slot vraagt de heer VAN HETEREN het college naar de keuze om in de verordening de verantwoordelijkheid voornamelijk bij ouders te leggen, door vage begrippen en verlengde termijnen en bepalingen die ouders feitelijk dwingen hun baan en sociale leven op te geven, i.p.v.

de eigen wettelijke zorgplicht na te komen en te investeren in een jeugdzorgsysteem dat ouders ondersteunt in plaats van afrekent. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG geeft aan dat een deel van de door de raad gestelde technische schriftelijk zal worden beantwoord. De voorliggende verordening is het resultaat van een langer traject, bestaande uit een evaluatie van de inkoop, 14

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

een verbeterprogramma en een briefing met maatregelen om de jeugdzorg in Papendrecht beter te organiseren. Hij schetst de aanleiding voor de voorgestelde koers: veel jongeren horen niet thuis in de jeugdzorg en jongeren die wel behoefte hebben aan jeugdhulp krijgen niet altijd (tijdige) behandeling. Daarnaast is er sprake van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals prestatiedruk, sociale media, scheidingen en armoede, die de druk op jongeren en gezinnen vergroten. Het aantal hulpvragen is de afgelopen jaren gestabiliseerd, maar de zorgvraag is complexer en duurder geworden, wat gevolgen heeft voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de jeugdhulp. Het college kiest daarom voor een benadering waarbij men van mening is dat jeugdhulp het best werkt als men begint bij het gewone leven en waarin alleen wordt opgeschaald wanneer dat noodzakelijk is. De voorliggende verordening past binnen de kaders van het Nederlands Jeugdinstituut. Een aantal fracties spreekt over het opgroeien en normaliseren, waar het college 3 stappen in ziet: 1. Opgroeien brengt uitdagingen met zich mee die niet altijd professionele hulp vereisen. Zij die daarin horen krijgen niet altijd de juiste behandeling en men wil voorkomen dat kinderen te snel professionele hulp krijgen. 2. Eerst wordt gekeken of ouders, netwerk en school ondersteuning kunnen bieden; professionele hulp is aanvullend niet leidend.

Hij verwijst hierbij naar het Pedagogisch Pact. 3. Wanneer problemen ernstig zijn, wordt ingezet op de best mogelijke hulp. In reactie op de vragen over rechtsbescherming geeft de wethouder aan dat voor bv. deelname aan collectieve ouderbijeenkomsten geen individuele beschikking nodig is, om overbodige bureaucratie te voorkomen. Bij afwijzing van een verzoek om individuele specialistische jeugdhulp is bezwaar mogelijk. Er wordt ter versterking van de rechtspositie van inwoners altijd schriftelijk gereageerd op een hulpvraag, ook als geen beschikking wordt afgegeven. T.a.v. draagkracht en draaglast merkt de wethouder op dat deze afhankelijk zijn van meerdere factoren, zoals bv. de sociale vaardigheden van ouders, de fysieke en mentale conditie, motivatie mogelijkheden van steun uit het netwerk, etc. en moeilijk objectief vast te stellen zijn. Bij vaststelling van de verordening zal het college nadere regels vaststellen waarin relevante factoren verder worden uitgewerkt. Beoordeling van hulpvragen vraagt, in lijn met jurisprudentie, altijd maatwerk. Verder licht de wethouder toe waarom het college kiest voor deze beleidslijn en zegt hij dat deze benadering niet alleen door dit college wordt gevolgd, maar door alle gemeenten in de regio. Hij maakt hierbij de vergelijking met ondersteuning bij tijdelijke fysieke beperkingen, bv.

als gevolg van ziekte, een ongeval of ziekenhuisopname. In dergelijke situaties is het gebruikelijk dat van ouders wordt gevraagd om tijdelijk sociale activiteiten te verminderen of verlof op te nemen. Daarbij wordt benadrukt dat altijd sprake is van maatwerk, met oog voor de specifieke omstandigheden van een gezin. Er wordt aangegeven dat het effect van deze maatwerkbenadering moeilijk meetbaar is, juist vanwege het 15

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

maatwerk. De wethouder geeft wel aan dat de effecten van dit beleid uiteraard zullen worden gemonitord. M.b.t. identiteitsgebonden zorg zegt de wethouder dat de verordening hierin geen wijziging aanbrengt en dat gezinnen kunnen kiezen voor een aanbieder die past bij hun overtuiging. Soms zijn de wachtlijsten in de praktijk echter belangrijker dan de identiteit van de aanbieder. Evaluatie hiervan is beperkt mogelijk, omdat levensovertuiging niet wordt geregistreerd. De wethouder geeft verder aan dat op vragen over verwijzingen via de huisarts, persoonsgebonden budgetten en schoolmaatschappelijk werk schriftelijk wordt teruggekomen. De inzet van het adviespunt Scheiden, Kind en Ouderschap wordt betrokken bij verdere uitwerking van het aanbod. Of dit zal leiden tot een extra collectief aanbod zal nader onderzocht worden. M.b.t. de opmerkingen inzake de gemeente Kampen merkt de wethouder op dat zij de afgelopen jaren een ontwikkeltraject hebben doorlopen op dit terrein. Dit traject wordt gekenmerkt als een proces dat een lange adem vereist en waarin stapsgewijs verdere scherpte is aangebracht. De wijze waarop de gemeente Kampen dit traject heeft vormgegeven, wordt genoemd als een voorbeeld dat inzicht biedt in de ontwikkeling van beleid over een langere periode.

Tegelijkertijd geeft de wethouder aan dat de gemeente Papendrecht niet alle voorstellen of werkwijzen van Kampen 1 op 1 overneemt. Enkele onderdelen komen overeen met de aanpak van Kampen, maar er zijn ook verschillen. De maatregelen die lokaal worden getroffen, zijn vastgelegd in de RIB die eerder aan de raad is gestuurd over de lokale maatregelen. Daarnaast geeft de wethouder aan dat de aanpak van Kampen dient als inspiratie, waarbij in het vervolgtraject wordt gekeken op welke wijze, met name binnen het collectieve aanbod en in de ondersteuning van gezinnen, verdere aanscherping kan worden gerealiseerd. Verder licht de wethouder toe waarom in sommige gevallen wordt afgeweken van de 8 weken termijn. Dit hangt samen met de mogelijkheid voor gezinnen om een familiegroepsplan in te dienen. Na het indienen van een aanvraag hebben gezinnen 2 weken de tijd om een dergelijk plan op te stellen en in te dienen. Vervolgens heeft de professional 6 weken de tijd om onderzoek te verrichten. Daarna geldt nog een termijn van 2 weken voor het afgeven van de beschikking. Wanneer er geen familiegroepsplan wordt ingediend kan de totale doorlooptijd binnen 8 weken blijven. Indien wel een familiegroepsplan wordt ingediend, is een langere termijn nodig en bedraagt de totale doorlooptijd 10 weken. Verder geeft de wethouder aan dat hier, mede n.a.v.

de geuite zorgen vanuit de raad over de juridische onderbouwing van deze termijnen, schriftelijk zal worden teruggekomen. Ook zal dit punt nog expliciet juridisch worden getoetst. In dit kader merkt de wethouder op dat in het voortraject juristen nadrukkelijk betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de huidige werkwijze. De vraag over de termijnen is daarbij intern al aan de orde gesteld en beoordeeld. Dit is de reden waarom de termijnen, ook vanuit praktisch oogpunt, op deze wijze zijn vastgelegd. 16

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

TWEEDE TERMIJN INSPREKER Mevrouw SCHILD: Ik hoor het PAB spreken over de rechtsbescherming. Dat is inderdaad wel benoemd, alleen het punt is dat het jeugdteam vaak een beschikking afgeeft voor 3 maanden. En eer je dan bij de rechtbank bent, dan zegt de rechter dat het beroep ongegrond verklaard wordt, omdat de tijd al voorbij is. Dus het zou veel beter zijn als een jeugdteam een beschikking voor minimaal 1 jaar zou afgeven. De SGP heeft het over opvoeding en zorg. Alleen het punt is dat de meeste ouders bij het jeugdteam aankloppen als een kind een diagnose heeft. Dat is heel wat anders dan opvoeden. Het CDA had het over buurtgezinnen. Ook ik heb daar mee te maken. Een buurtgezin heeft sowieso ook een wachtlijst en is totaal niet passend als een kind vastloopt vanwege diagnoses. GroenLinks gaf terecht aan inderdaad dat ouders minder zouden moeten gaan werken, maar mijn ervaring is dat de diagnose van een kind zeker niet overgaat, ook al ben je meer thuis. Er is gewoon professionele zorg nodig op het gebied als er een diagnose is. Dan kunnen we het als ouders vaak niet alleen meer af. Ook de wethouder had het over opgroeien en opvoeden, maar dat is wat anders dan zorg bieden bij een kind met een diagnose. En als er een diagnose is, dan kan dat ook niet zomaar opgelost worden door een netwerk, daar echt geschoolde mensen voor nodig.

Daarom is er dus ook een beschikking nodig van het jeugdteam. En een beschikking is altijd nodig, ook als individuele sociaal netwerk zorg niet wordt afgegeven door het jeugdteam, dan ook is er een beschikking nodig, want anders kan je alsnog niet in bezwaar. Artikel 10, de eigen draagkracht en draaglast, is wel een ding. Mijns inziens mag dat door de gemeente echt niet individueel afgewogen worden. Dat moet echt gewoon strikt in de verordening komen te staan. Een familieplan opstellen is prima, maar dat moet het liefst in samenwerking met de desbetreffende jeugdprofessional. Dat was het. Dank u wel. TWEEDE TERMIJN RAAD De heer GOUDRIAAN refereert aan een vraag van mevrouw Stigter over de inzet van gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werkers. Zijn fractie is hier heel positief over. Verder vraagt hij de wethouder hoe de complexte materie en nieuwe regels van de voorliggende nieuwe verordening gecommuniceerd gaan worden naar inwoners. In artikel 34, lid 5 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om een verstrekt persoonsgebonden budget terug te vorderen. De SGP-fractie vindt deze bepaling vergaand en vraagt de wethouder om een toelichting op de reden waarom deze bevoegdheid is opgenomen in de verordening en waarom de fractie hiermee zou moeten instemmen.

17

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

De heer VAN HETEREN zegt te kunnen instemmen met het voorstel van de SGP-fractie om de evaluatie van het beleid eenmaal per jaar te laten plaatsvinden, zodat de raad actueel betrokken blijft. Verder staat zijn fractie positief tegenover de inzet van gezinswerkers en ondersteuning op scholen zoals in de gemeente Kampen. Hij benadrukt dat het uitgangspunt is om zo veel mogelijk te proberen en zaken te beëindigen wanneer deze niet effectief blijken. Verder noemt hij, net als de SGP-fractie, het belang van vertrouwen in het college en de verantwoordelijke wethouder. Zijn fractie wil dat vertrouwen graag geven en pleit ervoor om na de verkiezingen een wethouder voor langere tijd aan deze portefeuille te verbinden en een overgroot deel van zijn tijd (75%) hieraan te besteden. Volgens hem is een dergelijke focus nodig om daadwerkelijk grip te krijgen op het dossier, zowel voor jongeren en ouders als voor de gemeente. In dat kader noemt hij ook de ervaringen van de gemeente Kampen, die mogelijk ook in Papendrecht toepasbaar zijn. Verder geeft de heer VAN HETEREN aan dat zijn fractie het grotendeels eens is met het college m.b.t. de analyse dat niet alle jongeren thuishoren in de jeugdzorg en dat jeugdhulp in sommige gevallen fungeert als afvoerputje voor problemen die daar niet thuishoren.

Tegelijkertijd wijst hij erop dat er ook gezinnen zijn met jongeren met een diagnose, waarvoor intensieve zorg nodig blijft. Hij is van mening dat de huidige voorstellen uitgaan van generieke maatregelen die van toepassing zijn op alle jongeren, ongeacht de ernst of aard van de problematiek. Volgens hem is het noodzakelijk een duidelijke scheiding te maken tussen jongeren die met opvoeding, verenigingen of sport en cultuur geholpen kunnen worden en jongeren die specialistische jeugdzorg nodig hebben, om te voorkomen dat gezinnen met complexe problematiek onvoldoende worden ondersteund. In dit verband noemt hij ook het belang van rechtsbescherming en vraagt hij zich af of strengere regels onbedoeld de verkeerde groepen treffen. Vervolgens gaat de heer VAN HETEREN in op verschillende artikelen uit de verordening en voorgenomen amendementen. M.b.t. de beslistermijn geeft hij aan dat zijn fractie wil vasthouden aan de wettelijke termijn van 8 weken. Hij benadrukt dat tijd voor ouders en kinderen van groot belang is en dat langere wachttijden leiden tot onzekerheid, stress en mogelijk verergering van problemen. Zijn fractie vindt het een verantwoordelijkheid van de gemeente om binnen deze wettelijke termijn te blijven en kondigt aan hiervoor een amendement in te dienen. Verder vindt men artikel 10 te vaag geformuleerd en onvoldoende toetsbaar.

Hoewel hij vindt dat niet alle details in een verordening hoeven te worden vastgelegd, vindt hij dat de huidige tekst concreter kan worden geformuleerd met duidelijkere criteria en objectieve kaders. Hij stelt dat het de rol van de gemeenteraad is om deze kaders vast te stellen en kondigt ook op dit punt een amendement aan. Hij geeft daarbij aan dat zorgvuldige uitwerking nodig is. Verder noemt hij de passage in artikel 10 over de draagkracht van ouders. Hij geeft aan dat zijn fractie deze formulering te zwaar vindt en zegt dat men wil voorkomen dat ouders geconfronteerd worden 18

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

met verwachtingen om minder te werken, maatschappelijke activiteiten te beperken of hun sociale leven op te geven. Hij pleit voor een zorgvuldiger formulering op dit onderdeel. Vervolgens benadrukt de heer VAN HETEREN m.b.t. artikel 8 en artikel 23 dat procedures rechtmatig moeten zijn en dat goede verslaglegging en rechtsbescherming daarbij van belang zijn. Tot slot noemt hij artikel 17 inzake pgb-vaardigheid. Hij verwijst naar jurisprudentie waarin is vastgesteld dat pgb-vaardigheid met ondersteuning mag worden ingevuld. Hij geeft aan dat de huidige formuleringen in de verordening ouders kunnen uitsluiten, bv. door taal- of administratieve eisen. Zijn fractie benadrukt dat het pgb bedoeld is als instrument voor mensen die het nodig hebben en niet als beloning voor mensen die alles zelfstandig kunnen organiseren. Hij zegt dit artikel scherper te willen formuleren, zodat beoordeling van pgb-vaardigheid altijd in combinatie met ondersteuning plaatsvindt en uitsluiting wordt voorkomen. De heer GRIMMIUS geeft namens de GL en PvdA-fractie aan positief te staan tegenover de vraag van de CU-fractie over de inzet van gezinswerkers en ondersteuning op scholen. M.b.t. de toelichting van de portefeuillehouder in de eerste termijn merkt hij op dat deze aansluit bij wat hij zelf in zijn eerste termijn heeft ingebracht.

Hierin gaf hij aan dat de verordening en het huidige systeem zich in de praktijk niet in de eerste plaats richten op de zorgbehoefte van de jeugdige. Verder merkt hij op dat de wethouder in zijn toelichting heeft aangegeven dat bij de beoordeling van draagkracht gebruik wordt gemaakt van verschillende criteria, zoals de sociale vaardigheden en de fysieke conditie van ouders. Hij zegt dat dit in de praktijk kan betekenen dat bij 2 gezinnen in een vergelijkbare situatie de vraag of jeugdhulp wordt ingezet niet in eerste instantie afhankelijk is van de hulpvraag van de jeugdige, maar van de beoordeling van de draagkracht van de ouders. In dat kader merkt hij op dat factoren zoals fysieke en sociale kenmerken van ouders doorslaggevend kunnen zijn voor de toekenning van jeugdhulp. Volgens de heer GRIMMIUS is hiermee de draagkracht bepalend voor het al dan niet ontvangen van jeugdhulp en niet de hulpvraag van de jeugdige zelf, hetgeen volgens hem ook door de portefeuillehouder is bevestigd. Verder spreekt hij zijn steun uit en biedt hij de D66-fractie hulp aan bij het uitwerken van de aangekondigde amendementen. Zijn fractie is nog steeds van mening dat de verordening in de huidige vorm niet rijp is voor besluitvorming.

Tegelijkertijd verwacht hij dat de raad de verordening echter wel zal vaststellen en vindt het daarom hun taak om te repareren wat gerepareerd moet worden en daar alles voor te doen. Mevrouw VERDOORN is van mening dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor hun kinderen. Zij zegt dat in Papendrecht wordt uitgegaan van het principe ‘zorg zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig’, met als uitgangspunt dat niemand buiten de boot valt. Zij herkent dit in de voorgestelde verordening. Zij 19

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

kan zich niet volledig vinden in de opmerkingen van de heer Grimmius over draagvlak en draagkracht en zegt dat deze begrippen volgens haar niet eenvoudig of objectief meetbaar zijn. In reactie op de interruptie van de heer GRIMMIUS of hij de wethouder en de beantwoording van de technische vragen die stelt ‘bij gelijke omstandigheden kan de draagkracht per gezin toch grote verschillen oplevert’ verkeerd heeft begrepen, antwoordt mevrouw VERDOORN dat zij hoopt dat hij de opmerkingen over draagkracht en draagvlak verkeerd heeft geïnterpreteerd. Volgens haar zijn deze begrippen moeilijk vast te leggen, omdat de belastbaarheid van ouders in de tijd kan wisselen en omstandigheden plotseling kunnen veranderen. Zij zegt dat het een complexe opgave is om dit zorgvuldig en volledig te verwoorden in een verordening. Zij zal het aangekondigde amendement afwachten en meenemen in de fractiebespreking. Op de vraag die de heer GRIMMIUS per interruptie stelt antwoordt zij dat het risico op willekeur tot op zekere hoogte aanwezig is, maar dat men dit in de verordening niet volledig kan afdekken en dat beoordelingen altijd persoonsgebonden blijven. De heer MULDER merkt op dat geen van de raadsleden specialist is op het terrein van de jeugdzorg en dat iedereen probeert een zo goed mogelijke bijdrage te leveren.

Hij is van mening dat de voorliggende verordening, eventueel met enkele kleine aanpassingen, in principe door kan gaan. Tegelijkertijd merkt hij op dat de raad onvoldoende inzicht heeft in de daadwerkelijke problematiek binnen de jeugdzorg en dat het moeilijk is om de benodigde zorg goed in te schatten. Hij zegt dat er in de praktijk geen duidelijke scheiding bestaat tussen lichte en zwaardere zorg en dat sommige gezinnen met een diagnose of ‘label’ zelf oplossingen vinden, terwijl dit voor anderen niet geldt. Hij stelt voor om de behandeling van de verordening te scheiden van een bredere, verdiepende verkenning van de jeugdzorgproblematiek. Hij pleit ervoor om met een kleinere groep raadsleden en Sterk Papendrecht nader onderzoek te doen en daarnaast benchmark onderzoek te doen met andere gemeenten, zoals Kampen. Zijns inziens is het niet realistisch om te verwachten dat het vaststellen van de verordening het probleem oplost. De heer GRIMMIUS merkt per interruptie op zich te kunnen vinden in het betoog van de heer Mulder dat besluiten over jeugdhulp door specialisten genomen moeten worden en niet door de raad. Hij merkt echter op dat de verordening, m.n. artikel 3, hiermee in tegenspraak is. Hij geeft aan dat jeugdhulp pas wordt verleend nadat een zorgaanbieder de door een specialist vastgestelde zorgbehoefte heeft bevestigd.

Deze toetsing door de zorgaanbieder vindt plaats op basis van de verordening, waardoor feitelijk alsnog wordt bepaald of zorg nodig is. Daarmee ligt de besluitvorming volgens hem niet volledig bij de specialist. Hij vraagt de heer Mulder of hij deze constatering deelt. De heer MULDER bevestigt dit, waarop de heer GRIMMIUS hem vraagt of hij het met hem eens is dat artikel 3 grondig herzien moet worden, waarop de heer 20

Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026

MULDER aangeeft dat hij dat niet kan zeggen. De heer VAN HETEREN merkt per interruptie op dat de heer Mulder aangeeft dat de gemeenteraad geen specialist is in jeugdhulp, maar hij zegt dat men als gemeentelijk bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de inwoners wel een verantwoordelijkheid heeft. Hij vraagt de heer Mulder of deze van mening is dat de gemeente Papendrecht voldoende grip heeft op de jeugdhulp en of signalen van ouders erop wijzen dat het goed gaat. De heer MULDER antwoordt dat ook hij zich zorgen maakt over de huidige situatie en dat het niet goed gaat. Hij vindt dat de problematiek onvoldoende onder controle is en dat het risico bestaat dat wordt vertrouwd op regelgeving zonder het onderliggende probleem voldoende te doorgronden. Volgens hem is nadere verdieping nodig. Hierbij verwijst hij naar een bijeenkomst enkele jaren geleden, waarbij onder meer hoogleraar Ab Klink en een gepromoveerd onderzoeker aanwezig waren, waar kritiek werd geuit op het huidige jeugdzorgsysteem. Hierbij heeft hijzelf een uitspraak van Einstein aangehaald: ‘Degene die het systeem ontworpen heeft, moet je het niet laten repareren of opknappen of herstellen. Daar heb je anderen voor nodig’. Dit standpunt onderschrijft hij nog steeds.

De heer SPITSBAARD gaat in op de toelichting van de wethouder over de stijgende kosten binnen de jeugdzorg, onder meer door inflatie en de inzet van gecertificeerde instellingen. Hij vraagt de wethouder toe te lichten waarom er dan voor wordt gekozen om rechtszaken voor inwoners te starten, hetgeen volgens hem leidt tot vertraging van noodzakelijke hulp en tot extra kosten, zowel voor de gemeente als voor betrokken inwoners. Daarnaast vraagt hij hoe de wethouder kan bijdragen aan het verbeteren van de controlerende rol van de raad t.a.v. het jeugdteam. Hij geeft aan vertrouwen te hebben in het ambtelijk apparaat, maar vraagt op welke wijze informatievoorziening richting de raad kan worden versterkt om deze taak beter uit te voeren. Tot slot vraagt hij, mede n.a.v. de inspreker van deze avond en een eerdere inspreker namens Platform Zuid-Holland Zuid, welke acties het college zal ondernemen met de ontvangen adviezen en aanbevelingen. De heer VERWEIJ merkt op dat er binnen de raad al jarenlang wordt gesproken over het afbakenen van de jeugdzorg, met als doel deze toegankelijk en betaalbaar te houden. Hij geeft aan dat daarbij eerder is besproken of bepaalde vormen van ondersteuning niet behoren tot normale opvoeding en dus niet binnen de jeugdzorg vallen. Volgens hem vormt het voorliggende voorstel een aanzet om hier concreet mee aan de slag te gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1222/documents/17320