20260115 Verslag Oordeelsvorming.pdf
Tekst van het document
Daarnaast benoemt hij het onderscheid tussen situaties waarin sprake is van een diagnose en situaties zonder diagnose waarin toch ondersteuning wordt geboden. De heer VERWEIJ merkt op dat het voorstel volgens hem te negatief wordt geïnterpreteerd. Zo stelt hij dat het begrip draaglast ten onrechte uitsluitend wordt uitgelegd als het verminderen van werk, terwijl het volgens hem breder bedoeld is. Ook is hij het niet eens met de opvatting dat het voorstel uitsluitend gericht zou zijn op het 21
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
bieden van zo min mogelijk hulp. Tot slot merkt hij op dat in de gemeente 1 op de 8 jongeren gebruikmaakt van jeugdzorg, een percentage dat vergelijkbaar is met het landelijke beeld. Volgens hem zou, indien het voorstel zou leiden tot het onthouden van zorg, eerder een lager gebruik verwacht mogen worden. De heer GRIMMIUS wijst er per interruptie op dat in artikel 10, lid 5 is opgenomen dat bij de beoordeling van de draagkracht wordt vastgesteld welke mogelijkheden ouders hebben om overbelasting zelf op te heffen. Daarbij staat vermeld dat van ouders redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen. Hij vraagt of de heer Verweij het hiermee eens is of dat hij het artikel anders leest. De heer VERWEIJ antwoordt dat hij de draaglast, gezien de toelichting in bijlage 2, breder interpreteert. Volgens hem gaat dit om de mogelijkheden van een gezin om problemen gedeeltelijk zelf op te lossen, dit is niet uitsluitend beperkt tot minder werken. De heer GRIMMIUS is het hiermee eens, hij merkt echter op dat dit zo niet is opgenomen in de verordening. Hierin staat dat van ouders redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij maatschappelijke activiteiten beperken of betaalde arbeid verminderen. De heer VERWEIJ ziet de aangekondigde amendementen hierover tegemoet en zal deze binnen zijn fractie bespreken.
Verder merkt hij op dat bij de beoordeling van kwalitatieve aspecten niet alles volledig objectief of absoluut is vast te leggen en er altijd sprake zal zijn van interpretatie. Hij geeft aan de amendementen af te wachten. Mevrouw HOEKSTRA merkt per interruptie op niemand in deze vergadering zichzelf als deskundige beschouwt. Zij zegt dat meerdere aanwezigen de stukken verschillend lezen en interpreteren en dat er aannames worden gedaan. Volgens haar laat dit zien dat de verordening op deze manier niet duidelijk genoeg is en aanpassing nodig heeft. Zij vraagt de heer Verweij of hij het hiermee eens is, waarop de heer VERWEIJ aangeeft het op een aantal punten met haar eens te zijn en zegt dat de amendementen serieus bekeken zullen worden. Gelet op de kritiek die is ingebracht en het feit dat niet iedereen op alle onderdelen deskundig is, merkt hij op dat is gesteld dat de verordening mogelijk nog niet klaar is om nu al aan de raad voor te leggen. Hij vraagt zich af of er nog aanvullende juridische toelichting nodig is om zeker te weten dat de verordening juridisch goed in elkaar zit. De heer GRIMMIUS merkt per interruptie op dat zijn eerdere opmerking dat het voorstel nog niet rijp is voor besluitvorming niet alleen gebaseerd is op juridische gronden, maar ook op morele overwegingen.
De heer VERWEIJ vraagt hem daarop vanuit zijn expertise óf het voorstel ook juridisch nog extra beoordeeld zou moeten worden. De heer GRIMMIUS geeft hierop aan terughoudend te zijn om zijn professionele juridische mening te delen. Vanuit zijn rol als raadslid merkt hij wel op dat er naar zijn inzicht mogelijk juridische risico’s aan het voorstel verbonden zijn. Tot slot dankt de heer VERWEIJ mevrouw Schild voor haar bijdrage. M.b.t haar opmerking dat de raad straks toezicht moet houden op de uitvoering merkt hij op dat de raad een verordening vaststelt, waarna de uitvoering bij de professionals volgens deze regels aan de slag gaan. Volgens hem betekent dit dat de uitvoering niet direct en 22
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
voortdurend zichtbaar is voor de raad en dat bijsturen niet op elk moment of onmiddellijk mogelijk is. Mevrouw STIGTER spreekt haar vertrouwen uit in ouders die zorgen voor hun kinderen en benadrukt het belang en de waarde van die zorg voor de samenleving. Daarnaast spreekt zij haar vertrouwen uit in het onderwijs en de jeugdhulp. Zij erkent dat er zorgen bestaan over de zorg voor kinderen en jongeren en dat er dingen misgaan. Maar de vele jongeren die goed geholpen zijn, die verhalen heeft men vanavond niet gehoord. Daarom geeft zij aan vertrouwen te hebben in de professionals in de jeugdzorg, die volgens haar werken met hart voor kinderen en jongeren. Namens haar fractie geeft zij aan dat, wanneer er sprake is van een diagnose bij een kind, het bredere netwerk van familie, school en buurtgezinnen kan worden ingezet om ouders te ondersteunen. Dit sluit volgens haar professionele hulp niet uit, maar kan wel bijdragen aan het verlichten van de druk op ouders. Zij spreekt de hoop en verwachting uit dat met de nieuwe verordening de benodigde zorg zal worden geboden en dat jeugd en ouders zich gehoord en ondersteund zullen voelen. Tot slot merkt zij op dat omliggende gemeenten de verordening inmiddels hebben vastgesteld en dat de CU streeft naar de best mogelijke verordening voor Papendrecht.
Tot slot geeft zij aan uit te kijken naar de aangekondigde amendementen van de D66-fractie. TWEEDE TERMIJN COLLEGE Wethouder VAN DER BORG schrikt van het aantal kwalificaties die door sommige fracties aan het voorstel worden verbonden, alsof dit zou leiden tot willekeur, slechte zorg en een rot systeem. Hij merkt op dat de raad de afgelopen jaren vaker heeft aangegeven dat het jeugdzorgsysteem niet goed functioneert: er komen te veel kinderen in de jeugdzorg terecht, niet iedereen krijgt de juiste hulp en sommige problematiek hoort bij het normale opgroeien. Volgens de wethouder is dit de reden geweest dat hij anderhalf jaar geleden binnen de regio heeft aangegeven dat men fundamenteel moet kijken naar een betere inrichting van de jeugdzorg. Het doel is dat minder kinderen in de jeugdzorg terechtkomen, dat kinderen die zorg nodig hebben de juiste en kwalitatief goede zorg krijgen en dat lichtere problematiek zoveel mogelijk wordt opgelost in het gezin, de buurt of op school. Deze verordening en bijbehorende maatregelen moeten hieraan bijdragen, al is hij zich ervan bewust dat dit een lange en ingewikkelde weg is. Hierbij merkt hij op dat vrijwel alle gemeenten in Nederland hiermee worstelen. De wethouder zegt dat de verordening bedoeld is om deze omslag mogelijk te maken.
Daarbij speelt volgens hem een belangrijke rol dat het lokale jeugdteam per kind en per gezin afweegt wat nodig is: soms gespecialiseerde jeugdzorg en soms ondersteuning in de eigen omgeving. Verder geeft hij aan bereid te zijn om samen met de raad te kijken hoe de verordening juridisch kan worden verbeterd. In dit kader zal het college de amendementen, waaronder die van de D66-fractie, serieus beoordelen. Daarbij merkt hij op dat de verordening op regionaal niveau tot stand is 23
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
gekomen en door meerdere juristen is beoordeeld. M.b.t. de vraag van de heer Spitsbaard wijst hij erop dat binnen de jeugdzorgregio wordt gestreefd naar zoveel mogelijk gelijkluidend beleid. Uiteraard kan het lokale team het lokale aanbod in de uitvoering zelf vormgeven. M.b.t. de vraag van de OP-fractie inzake de adviezen van de inspreekster verwijst wethouder VAN DER BORG naar de beantwoording in zijn eerste termijn. Inzake de vraag over toezicht door de raad op het jeugdteam geeft de wethouder aan dat dit ingewikkeld is. De raad kan op beleidsniveau sturen via evaluaties en de periodieke rapportages over de voortgang van het jeugdbeleid inzake de Routekaart Jeugd. M.b.t. de vraag over het starten van rechtszaken merkt hij op dat bezwaar en beroep onderdeel zijn van rechtsbescherming en dat Papendrecht hierin niet afwijkt van andere gemeenten. Tot slot noemt hij de duidelijke communicatie richting inwoners, o.a. door het ontwikkelen van eenvoudige uitleg, en geeft hij nogmaals aan op vragen over het pgb later schriftelijk terug te komen. De heer SPITSBAARD vraagt per interruptie naar de menselijke maat binnen het beleid en de advisering rondom jeugdzorg.
Hij geeft aan geschrokken te zijn van bijdragen die hij heeft gehoord, waaronder die van mevrouw Schild, en vraagt de portefeuillehouder of hij deze inbreng ook als zorgelijk ervaart en hoe dit zich verhoudt tot de menselijke maat. Wethouder VAN DER BORG vindt het ingewikkeld op individuele gezinnen in te gaan en doet dit daarom niet. Hij onderstreept dat jeugdzorg draait om de menselijke maat en dat het lokale team hier dagelijks mee bezig is. Hij zegt dat hij hierover maandelijks overleg voert met het lokale team, omdat het gaat om het ondersteunen van elk gezin en elk kind waar dat noodzakelijk is. Daarbij merkt hij op dat de gemeente soms ook een rol heeft in het aanbrengen van scherpte en het inzetten op een koerswijziging. Dit neemt niet weg dat hij verdriet kan hebben over gebeurtenissen die kinderen treffen. De VOORZITTER concludeert dat de GL/PvdA-fracties 5 amendementen en de CU-fractie 1 amendement zullen indienen en verzoekt hen deze tijdig aan te leveren. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als bespreekstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 10.
Toekomstvisie Papendrecht 2040. De heer TIELEMAN merkt op dat de gehele gemeenteraad -via de raadswerkgroep- vanaf het begin eigenaarschap heeft genomen over het proces en de inhoud van de Strategische Toekomstvisie Papendrecht 2040. Belangrijk was hierbij dat de visie niet achter gesloten deuren is bedacht, maar tot stand is gekomen i.s.m. inwoners, verenigingen, maatschappelijke organisaties, geloofshuizen en ondernemers. De opgehaalde input is tijdens het proces steeds teruggekoppeld aan de raad en vormt het fundament van de visie. Daarbij is zijn fractie zich ervan bewust dat niet iedereen zich volledig in de visie zal herkennen, dit past binnen een democratische samenleving. Verder merkt de 24
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
heer TIELEMAN op dat de visie geen eindpunt is, maar een gezamenlijke koers die richting geeft aan toekomstige besluiten en verder kan worden bijgesteld. T.a.v. het voorliggende besluit vraagt hij of het wenselijk is om het college opdracht te geven om uitvoeringsplannen te ontwikkelen, zonder dat men vooraf inzicht heeft in de samenhang tussen de reeds door de raad vastgestelde visies (zoals o.a. de samenlevingsvisie, omgevingsvisie en dijkvisie) en de Toekomstvisie Papendrecht 2040. Hij stelt, mede in relatie tot lopende plannen, beschikbare capaciteit en prioritering, voor om eerst te bezien waar sprake is van overlap, samenhang of mogelijke spanning tussen deze visies. Hij benadrukt dat nieuwe plannen a.d.h.v. de toekomstvisie zouden moeten worden opgesteld. Tot slot merkt hij op dat in de vragenlijst regelmatig de term ‘stad’ wordt gebruikt, terwijl Papendrecht een dorp en gemeente is. Mevrouw HOEKSTRA sluit zich aan bij de woordvoering van de heer Tielemans. De heer MULDER spreekt zijn dank uit aan alle inwoners, het ondersteunend bureau, ambtenaren, het college, de betrokken wethouder, de interim griffier en de leden van de raadswerkgroep voor hun inzet en samenwerking bij het opstellen van de Toekomstvisie Papendrecht 2040.
De CDA-fractie steunt het voorstel en gaat ervan uit dat de verdere uitwerking in uitvoeringsplannen zal plaatsvinden door het nieuwe college en de nieuwe raad. Ook de heer STOUTHART sluit zich aan bij de woordvoering van de heer Tieleman. Wel merkt hij m.b.t. besluitpunt 2 over het opstellen van uitvoeringsplannen door het college in 2026 op, dat dit suggereert dat deze plannen alleen in 2026 plaatsvinden. De VVD-fractie is van mening dat dit ‘vanaf 2026’ zou moeten zijn en zal daarom een amendement indienen. De heer WOLTERS sluit zich mede namens de GL-fractie aan bij voorgaande sprekers. Ook hij dankt alle betrokkenen, waaronder de inwoners van Papendrecht, voor hun bijdrage aan de totstandkoming van de Toekomstvisie Papendrecht 2040. Daarnaast merkt hij richting de heer Tielemans op dat Papendrecht op de plaatsnaamborden als stad wordt aangeduid. De heer HARDENBOL constateert dat de raad grotendeels eensgezind is over de Toekomstvisie Papendrecht 2040 en spreekt waardering uit voor het raadsbrede karakter en de betrokkenheid van inwoners. Hij sluit zich aan bij de opmerking van de heer Stouthart inzake besluitpunt 2 over het opstellen van uitvoeringsplannen door het college in 2026, maar vindt dit wel een verbetering t.o.v. de huidige formulering.
Hij vraagt de raad of de Toekomstvisie Papendrecht 2040 niet juist dé gezamenlijke visie voor heel Papendrecht is en of het niet de bedoeling is dat ieder college deze visie tot 2040 gebruikt bij het opstellen van 25
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
specifiekere visies. Hij vindt het daarom vreemd dat nu al wordt opgeroepen om uitvoeringsplannen op te stellen. Daarnaast vindt ook hij het, zoals door het PABfractie is aangegeven, logisch om te kijken naar samenhang en spanning tussen de toekomstvisie en andere vastgestelde visies. Ook de heer RIETVELD dankt iedereen die heeft bijgedragen aan het proces en de ondersteuning daarvan. Hij sluit zich aan bij de eerdere sprekers en ziet het aangekondigde amendement van de VVD-fractie tegemoet. Hij omschrijft de toekomstvisie als een ambitieus en mooi vergezicht voor Papendrecht, met waardering voor het detailniveau en het gezamenlijke resultaat. Als belangrijk aandachtspunt noemt hij het opstellen van een goed communicatieplan richting inwoners, zodat duidelijk is wat de waarde en het doel van de visie is. Zijn fractie kan instemmen met de toekomstvisie. Ook de heer LEENHOUTS spreekt zijn waardering uit voor iedereen die betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Toekomstvisie Papendrecht 2040. Hij merkt op dat een visie iets moet zijn waar je over droomt, maar wat eigenlijk net onbereikbaar is. Dit maakt dat men altijd blijft streven naar dat ambitieuze doel.
De SGP-fractie herkent zich in meerdere onderdelen van de visie, waaronder de aandacht voor bedrijven en de maritieme industrie, regionale samenwerking, de balans tussen woningbouw en groen, onderwijs, bereikbaarheid en veiligheid. Zijn fractie ziet de vervolgstappen in de uitvoeringsplannen met belangstelling tegemoet. M.b.t. de opmerking over stad of dorp merkt de heer LEENHOUTS op dat zijn fractie belang hecht aan het historisch perspectief van Papendrecht. Het aangekondigde amendement over besluitpunt 2 zal men in de fractie bespreken. TWEEDE TERMIJN RAAD De heer TIELEMAN merkt met het oog op de nieuw te maken plannen voor de toekomst, waarbij rekening wordt gehouden met de toekomstvisie, op dat er niet wordt gesproken over de lopende visies. In dit kader vraagt hij naar de mening van de andere fracties. De heer LEENHOUTS geeft aan niet alle bestaande visies te kennen, hij verwacht dat bij het maken van uitvoeringsplannen wordt gekeken of deze aansluiten bij elkaar en in lijn gebracht kunnen worden. De heer RIETVELD zegt dat het om een dynamisch proces gaat, dat voortdurend wordt geëvalueerd en onderling aan elkaar worden getoetst.
26
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
De heer MULDER sluit zich hierbij aan en zegt dat gekeken moet worden waar de toekomstvisie en bestaande visies elkaar raken. Volgens hem mogen bestaande visies niet zomaar buitenspel worden gezet door de nieuwe toekomstvisie. De VOORZITTER vraagt de heer Tieleman of zijn vraag is of er een amendement moet komen, waarop hij dit bevestigt. De heer GRIMMIUS geeft als deelnemer van de werkgroep aan dat bij het opstellen van de Toekomstvisie Papendrecht 2040 alle bekende, lopende visies al vanzelfsprekend zijn meegenomen. Volgens hem bevat de toekomstvisie geen onderdelen die strijdig zijn met bestaande visies. Hij ziet daarom geen risico op strijdigheid en vindt een aanvullend amendement op dit punt niet van toegevoegde waarde. Er ligt volgens hem nu 1 overkoepelende visie, naast andere visies die in dezelfde lijn zijn opgesteld en uitgevoerd zullen worden. Mevrouw BOKMA vraagt per interruptie of hij hiermee bedoelt dat bij het herzien of opstellen van andere visies en beleidsdocumenten de Toekomstvisie Papendrecht 2040 als basis moet worden gebruikt. De heer GRIMMIUS bevestigt dat de toekomstvisie bedoeld is als basisvisie, omdat deze voor de lange termijn richtinggevend is. Nieuwe of herijkte visies zouden daarom in lijn moeten zijn met deze visie.
Hij geeft aan dat een amendement daarom niet nodig is, volgens hem is het aan de raad om zichzelf hierop te blijven controleren en kritisch te toetsen of nieuw beleid past binnen de eerder vastgestelde visie. De heer HARDENBOL geeft aan het aangekondigde amendement van de PAB-fractie af te wachten en dit te zullen beoordelen. Hij begrijpt de verwarring van de heer Leenhouts. Hij verwacht dat het amendement van de VVD-fractie waarschijnlijk al voldoende duidelijkheid zal bieden, omdat de verschillen beperkt lijken. De VOORZITTER concludeert dat de VVD-fractie en mogelijk het PAB en D66 amendementen zullen indienen. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als bespreekstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 11.
Bestuurlijke Vernieuwing en evaluatie BOB-model. De heer RIETVELD geeft aan dat als de raad instemt met het nieuwe voorstel, de nieuwe gemeenteraad kan starten met een definitief bestuursmodel volgens het BOB-model. Hij benadrukt dat dit besluit bij de raad ligt en vraagt raadsleden die meerdere termijnen hebben meegemaakt of zij duidelijk meerwaarde zien in dit nieuwe bestuursmodel. 27
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
Mevrouw VAN WIJNGAARDEN geeft aan geen onverdeeld voorstander te zijn van het BOB-model en plaatst diverse kanttekeningen bij verschillende conclusies uit de evaluatie die onderdeel vormen van het besluit dat de raad wordt gevraagd te nemen. Volgens haar wordt tevens gesteld dat de bijlage met de evaluatie geen onderdeel is van de besluitvorming, terwijl het besluit juist wél gebaseerd is op conclusies uit deze evaluatie. Zij vindt dat de vele afkortingen niet begrijpelijk zijn voor inwoners. Daarnaast vindt zij het organiseren van beeldvormende bijeenkomsten op externe locaties niet altijd een goed idee. Als voorbeeld noemt zij de bijeenkomst over de centrumvisie, die volgens haar weinig toevoegde omdat raadsleden zelf de locatie al zouden moeten kennen of vooraf moeten bezoeken. Bovendien vindt ze dat dergelijke bijeenkomsten juist het contact met inwoners verminderen. Ook is ze het niet eens met het uitgangspunt dat beeldvormende bijeenkomsten in principe niet gestreamd worden. Volgens haar is dit juist belangrijk om zichtbaar te zijn naar inwoners. M.b.t. punt 8 merkt zij op dat de beperking van technische vragen tijdens de oordeelsvorming niet raadzaam is wanneer er geen voorafgaande beeldvorming heeft plaatsgevonden. Dit soort vragen kunnen dan niet meer gesteld worden.
Wat betreft punt 10, de samenstelling van de agendacommissie, pleit zij ervoor om niet alleen te kiezen voor vertegenwoordiging uit de coalitie en oppositie, maar hier ook vergadervoorzitters, waarmee zij eerdere positieve ervaringen heeft, bij te betrekken. Verder uit zij zorgen over het plan om insprekers vaker in beeldvormende bijeenkomsten te laten spreken en minder in oordeelsvormende vergaderingen. Volgens haar is dit niet in het voordeel van de burgers en staat dit haaks op het streven om dichter bij inwoners te komen. Tot slot geeft mevrouw VAN WIJNGAARDEN aan op deze punten verschillende amendementen in te zullen dienen. Zij vond het eerdere vergaderstelsel, met vaste commissies per beleidsterrein, duidelijker en overzichtelijker en is daarom niet enthousiast over het huidige BOB-model, ook al lijkt de meerderheid van de raad het wel te steunen. De heer BRANDS geeft aan dat zijn fractie positief is over het gevraagde besluit. De heer MULDER zegt dat de CDA-fractie al langere tijd voorstander is van het moderniseren van de manier waarop de gemeenteraad vergadert, met als doel betere besluitvorming en meer betrokkenheid van inwoners. Hij merkt op dat de raad aan het begin van deze periode nog werkte met traditionele raadscommissies, zoals Ruimte, Samenleving en ABZ, maar dat inmiddels al ruim 2 jaar het BOB-model wordt gebruikt.
Dit model is het afgelopen jaar geëvalueerd en door de ingestelde raadscommissie in meerderheid positief beoordeeld. Hoewel zijn fractie het model steunt, is men van mening dat er nog verbeterpunten zijn. Zo noemt hij dat inwoners eerder en meer betrokken moeten worden, bv. door beeldvormende bijeenkomsten op locatie te 28
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
organiseren wanneer onderwerpen zich daarvoor lenen. Ook ziet hij ruimte voor verbetering in de vergaderdiscipline van de raad. Het voorliggende voorstel is binnen de raadswerkgroep uitvoerig besproken en heeft geleid tot het advies om met het BOB-model door te gaan. De CDA-fractie ondersteunt dit voorstel volledig. De heer STOUTHART geeft aan dat de VVD-fractie het voorstel zal steunen. Hij benadrukt dat de fractie niet wild enthousiast is, maar wel duidelijk de voordelen ziet. Het belangrijkste voordeel is volgens hem dat in het BOB-model de beeldvorming en oordeelsvorming gescheiden plaatsvinden. In het vroegere vergaderstelsel werden deze gecombineerd, wat vaak leidde tot lange vergaderavonden en minder aandacht voor de beeldvorming. De VVD-fractie stemt daarom in met het voorstel en kijkt met belangstelling uit naar de aangekondigde amendementen van de PAB-fractie. De heer WOLTERS geeft aan dat de invoering van het BOB-model niet alleen een verandering van werkwijze betekent, maar ook een nieuwe politieke cultuur. Dit geeft meer ruimte voor een gezond politiek debat en betere samenwerking. Hij zegt dat bestuurlijke vernieuwing verder gaat dan het vastleggen van regels: het draait volgens hem om meer inhoud, feiten, transparantie en onderlinge verbinding. Het BOB-model ziet hij als een kans om de gemeenteraad sterker en toekomstgerichter te laten functioneren. M.b.t.
de vraag van meneer Rietveld verwijst daarbij naar zijn beginjaren in de raad in 2006, toen het BOB-model door de huidige burgemeester van Altena, Egbert Lichtenberg al werd genoemd tijdens een heidag. Hij constateert dat het model 20 jaar later uiteindelijk wordt ingevoerd. De heer HARDENBOL geeft aan dat de D66-fractie, die heeft deelgenomen aan de raadswerkgroep, het BOB-model en dit voorstel zal steunen. Hij vindt het echter wel belangrijk dat de raad het model volledig omarmt. Daarbij hoort volgens zijn fractie dat in de oordeelsvormende vergaderingen géén technische vragen meer worden gesteld. Men probeert zich hier zelf consequent aan te houden en vindt dat de hele raad dit zou moeten doen. Daarnaast vraagt hij aandacht voor de voorgestelde tijdslijn voor het indienen van schriftelijke technische vragen. In het voorstel moeten die uiterlijk op de dag na de raadsvergadering om 12.00 uur worden ingediend. Volgens hem is dit, omdat raadsvergaderingen vaak tot laat in de avond doorgaan, onrealistisch. Hij stelt voor om raadsleden in elk geval het weekend erna te geven om hun vragen zorgvuldig uit te werken. Hij vraagt andere raadsleden hoe zij dit zien en geeft aan dat de D66-fractie openstaat voor een amendement om deze tijdlijn te versoepelen, zowel voor de huidige en volgende gemeenteraad. 29
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
De heer GOUDRIAAN geeft aan dat zijn fractie positief het gevraagde besluit zal steunen. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De heer RIETVELD bedankt alle raadsleden die hebben gereageerd op zijn eerdere oproep. Hij merkt op dat het BOB-principe al lang geleden is geïntroduceerd, maar dat het nu pas volledig is verankerd in de vergaderstructuur van de raad. Zijn fractie zal het voorstel steunen. Wel noemt hij 2 belangrijke aandachtspunten, waarvan het eerste aansluit bij opmerkingen van mevrouw Van Wijngaarden: de positie van insprekers. Hoewel de verordening volgens hem voldoende ruimte biedt om hier goed mee om te gaan, ziet hij in de praktijk dat het soms ingewikkeld is wanneer bij beeldvormende bijeenkomsten geen collegeleden aanwezig zijn. In bepaalde gevallen kan het volgens hem daarom beter zijn om insprekers in de besluitvormende vergadering aan het woord te laten. Het tweede punt betreft het tijdig indienen van technische vragen. In dit kader complimenteert hij de D66-fractie voor het snel indienen van deze vragen, maar benadrukt hij dat dit afhankelijk is van het tijdig beschikbaar stellen van stukken en de beschikbare tijd om te reageren. Mevrouw VAN WIJNGAARDEN is het eens met meneer Stouthart dat het positief is dat binnen het BOB-model eerst informatie wordt gegeven en er vervolgens tijd is om erover na te denken.
Daarnaast is zij het inzake de aanlevertermijn van technische vragen eens met de D66-fractie. Volgens haar is het onrealistisch om dit vóór de volgende middag te moeten doen, zeker voor raadsleden die de volgende dag moeten werken. Mevrouw HOEKSTRA vraagt zich af hoe de raad tegenover het idee staat om insprekers meer dan 5 minuten inspreektijd te geven. De heer MULDER is van mening dat 5 minuten, zoals mevrouw Schild zojuist heeft bewezen, voldoende moet zijn, waarop mevrouw HOEKSTRA aangeeft dat niet iedere inspreker even begaafd is. De heer MULDER zegt dat de verordening toelaat dat de voorzitter hier ruimte toe geeft. Mevrouw VAN WIJNGAARDEN sluit zich aan bij de opmerking van mevrouw Hoekstra en benadrukt dat niet iedereen even gemakkelijk spreekt. Sommige mensen doen dat moeiteloos, maar voor anderen zorgt het voor grote spanning. Volgens haar werkt het dan extra stressvol wanneer de voorzitter hen afgekapt omdat de tijd om is. Zij pleit ervoor om duidelijk af te spreken dat de spreektijd 5 minuten is en dat er dan niet moeilijk gedaan wordt als het iets uitloopt, of om de spreektijd aan te passen. Zelf is zij altijd bereid insprekers wat meer ruimte te geven. De VOORZITTER merkt op dat het aan haar fractie is hierop een 30
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
amendement in te dienen, maar geeft wel aan dat wanneer de spreektijd wordt verruimd, sprekers deze extra tijd over het algemeen ook volledig zullen benutten. De heer STOUTHART en WOLTERS zijn beiden van mening dat 5 minuten voldoende moet zijn, zeker wanneer de voorzitter coulant met de tijd is. De heer HARDENBOL zal dit binnen zijn fractie bespreken, maar merkt op dat een flexibele, menselijke benadering waarschijnlijk voldoende is. Volgens hem hoeft dit dan niet uitgebreid vastgelegd te worden. De heer GOUDRIAAN sluit zich aan bij de woordvoering van de heer Stouthart. De VOORZITTER concludeert dat er waarschijnlijk 1 of meerdere amendementen zullen worden ingediend. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken daarom als bespreekstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 12.
Nota risicomanagement 2026. De heer RIETVELD vraagt het college om duidelijkheid over de tijdsplanning voor het verhogen van het risicomanagementniveau: van het huidige niveau 2 naar uiteindelijk niveau 4. Hij vindt het belangrijk te weten hoelang elke stap duurt. Ook vraagt hij waarom als ambitie is gekozen voor niveau 4 en, zeker gezien de grotere financiële risico’s voor de gemeente, niet voor het hoogste niveau 5. Daarnaast vraagt hij hoe de raad haar controlerende rol bij risicobeheersing concreet kan invullen. Zijn grootste zorg is dat de ambtelijke organisatie bepaalde risico’s mogelijk niet ziet of verkeerd inschat, waardoor de raad deze ook moeilijk kan beoordelen. De nota helpt, maar de praktijk blijft nog wat ver van de raad afstaan. De heer MULDER sluit zich aan bij de vragen van meneer Rietveld over het ambitieniveau van het risicomanagement en de planning om hogere niveaus te bereiken. Daarnaast vraagt hij hoe de investering van € 25.000,- moet worden geïnterpreteerd: het lijkt om een investering te gaan voor alleen Papendrecht, maar tegelijk wordt gesproken over een regionaal risicoregister. Hij vraagt of deze investering gezamenlijk met andere gemeenten wordt gedaan.
Verder vraagt hij wat de raad in de praktijk gaat merken van het nieuwe risicomanagementbeleid en of in de toekomst bij raadsvoorstellen standaard een risicoanalyse wordt meegeleverd, of de raad deze kan opvragen om besluiten beter te kunnen wegen. De VOORZITTER merkt op dat deze technische vragen schriftelijk beantwoord zullen worden. 31
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
De heer BRANDS geeft aan dat zijn fractie positief staat tegenover de Nota Risicomanagement 2026. Men vindt een professionele en integrale aanpak van risicobeheersing essentieel, zeker gezien het naderende ravijnjaar 2026, de financiële onzekerheden en de grote maatschappelijke opgaven voor Papendrecht. Zijn fractie waardeert dat risicomanagement wordt verankerd in het integraal managementproces en dat er wordt ingezet op het vergroten van risicobewustzijn binnen de organisatie. Ook het hanteren van een gezond weerstandsvermogen met ruimte voor beleidskeuzes ziet de fractie als een goed uitgangspunt. De tussenevaluatie na 2 jaar vindt hij logisch en gebruikelijk. Wel vraagt men of het college, mede gezien de uitdagingen van het ravijnjaar en toekomstige maatschappelijke opgaven, bereid is om de raad boven op de tweejaarlijkse evaluatie jaarlijks expliciet te informeren over de voortgang en doorontwikkeling van het risicomanagement. EERSTE TERMIJN COLLEGE Wethouder RENZEN merkt op dat de Nota Risicomanagement beschrijft hoe de organisatie momenteel werkt en dat het opstellen en bespreken van deze nota zelf al een volgende stap is in het vergroten van bewustzijn rondom risicobeheersing. Volgens haar is dit het begin van een groeiproces richting een hoger niveau van risicomanagement.
Er is op dit moment geen concrete inschatting te geven van hoelang het duurt om van niveau 2 naar niveau 3 en vervolgens naar niveau 4 te groeien. Het college stelt voor om over 2 jaar een volledige evaluatie te doen om vast te stellen waar de organisatie dan staat. Ze benadrukt dat er tijd nodig is om dit verder in de organisatie te implementeren, ook al is risicomanagement altijd al onderdeel geweest van de P&C-cyclus, m.n. binnen de financiële afdeling. Het doel is dat alle vakafdelingen het risicobewustzijn versterken en risicomanagement integreren in het dagelijks werk, zodat de gehele organisatie kan doorgroeien naar hogere niveaus. Op de vraag waarom niet wordt ingezet op niveau 5, geeft zij aan dat het belangrijk is eerst stappen te zetten, over 2 jaar te evalueren en dan gezamenlijk te bepalen of er ruimte en noodzaak is om de ambitie te verhogen. Wat betreft de wens om de raad jaarlijks te informeren geeft wethouder Renzen aan dat een jaarlijkse rapportage binnen de P&C-cyclus mogelijk is, maar zij wil daar niet meteen een volledige evaluatie aan koppelen, omdat een jaar te kort is om de groei op dit vlak te beoordelen. TWEEDE TERMIJN COMMISSIE De heer RIETVELD vindt het goed om bij de evaluatie over 2 jaar precies te bepalen op welk niveau van risicomanagement de organisatie dan staat. Hij vindt 32
Besluitenlijst Oordeelsvorming van 15 januari 2026
het belangrijk dat de verschillende ambitieniveaus duidelijker worden uitgewerkt: wanneer bereik je een niveau, en welke voorwaarden horen daarbij? Dat staat volgens hem nu nog niet beschreven. Hij verzoekt het college om deze nadere uitwerking op termijn met de raad te delen. Niets meer aan de orde zijnde worden de onderhavige stukken als hamerstuk doorgeleid naar de gemeenteraad. 13.
Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 23.45 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De heer A. Mullenders (plv. griffier)
2026.
mevrouw T.C. van Es (voorzitter)
Lijst met toezeggingen
1. Vaststelling 8e wijziging GR DG&J. Portefeuillehouder Van der Borg De portefeuillehouder komt schriftelijk terug inzake de vragen m.b.t. burgerparticipatie. 2.
Verordening Jeugdhulp 2026. Portefeuillehouder Van der Borg De portefeuillehouder zegt toe schriftelijk terug te komen op o.a. de vragen inzake: verwijzingen via de huisarts, persoonsgebonden budgetten schoolmaatschappelijk werk de juridische onderbouwing van de 8/10 weken.
33