202601~1.PDF
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen, gesteld in de oordeelsvormende vergadering van 15 januari 2026 bij behandeling van het agendapunt Verordening Jeugdhulp 2026. Inclusief door de SGP aanvullend gestelde vragen.
Vragen over rechtsbescherming •
(D66, PAB) Waarom geeft het college geen beschikking af bij jeugdhulp naar voren?
Als er geen individueel recht wordt toegekend is een beschikking niet nodig. Als we dat wel zouden doen tuigen we bureaucratie op. Bezwaar tegen afwijzing van een vraag tot individuele, specialistische hulp is altijd mogelijk. In het raadsvoorstel staat verder onder 1.4: Er volgt altijd een schriftelijke reactie op een hulpvraag. Er is aandacht voor het verbeteren van de rechtspositie van inwoners, bijvoorbeeld door altijd een schriftelijke reactie te geven op een hulpvraag, ook als er geen beschikking volgt. •
(SGP) Er is een nieuw artikel (Artikel 11) met een aantal regels over vervoer. In het negende lid komt te staan: ‘Het college kan nadere regels stellen.’ Dit is wel héél ruim geformuleerd… Waarom is dat nodig, vraag ik de wethouder. Er is al een algemene ‘hardheidsclausule’ om in specifieke situaties af te wijken van regels. Is het niet beter om dit voorgestelde negende lid te schrappen en bij eventuele wens om nieuwe regels te maken terug te komen bij de raad?
Met het opnemen van dit artikel volgen we de modelverordening van de VNG. Nadere regels zijn nodig om bijvoorbeeld het proces van aanvragen en de voorwaarden te regelen. Hiermee waarborg je de objectiviteit. •
(VVD, Groenlinks) waarom is de beslistermijn (10 weken) niet in lijn met de AWB (8 weken?
Voor beide termijnen, 8 weken en 10 weken zijn juridische argumenten aan te voeren. In de Algemene Wet Bestuusrecht is in artikel 4:13, lid 2 bepaald dat de redelijke termijn van 8 weken alleen geldt als niet in een wettelijk voorschrift een andere termijn is bepaald. Als jeugdigen en ouders de gelegenheid krijgen een familiegroepsplan in te dienen dan zou een langere termijn redelijk zijn. Dat plan moet namelijk door het college bij het onderzoek betrokken worden. Het onderzoek kan dus niet eerder starten dan na die 2 weken. Van de beslistermijn van 8 weken zou dan effectief maar 4 weken voor onderzoek overblijven (2 weken familiegroepsplan, 4 weken onderzoek, 2 weken voor het nemen van een beschikking.) 10 weken is dan redelijk. Na overleg met de uitvoering kan het college de beslistermijn wijzigen naar 8 weken. In voorkomende gevallen zal dit kunnen leiden tot opschorting van de beslistermijn. Het college laat het aan de raad hier de keuze in te maken.
Vragen over artikel 10 / draagkracht en draaglast •
(D66, GroenLinks) In de reactie van het college op het bezwaar van het ouderenplatform met betrekking tot artikel 10, dat de termen draaglast en draagkracht geen concrete uitwerking hebben met toetsbare criteria, geeft het college een reactie zonder in te gaan op toetsbare criteria. Van ons dan maar de vraag: waarom zijn er geen toetsbare criteria gehanteerd. Dit is toch wat de wet voorschrijft?
•
(D66) Kan het college aan de D66-fractie alsnog een inhoudelijke reactie geven op de kritiekpunten van het ouderplatform ZHZ op artikel 10? Het verzoek is daarbij specifiek in te gaan op de keuze voor de termen ‘draagkracht’ en ‘draaglast’ in plaats van de wettelijke termen.
De jeugdwet gebruikt algemene termen zoals 'eigen kracht" en "probleemoplossend vermogen", maar gemeenten moeten dit zelf concretiseren in de verordening. Er zijn dus geen, in de jeugdwet vastgelegde, wettelijke termen. In onze jeugdzorgregio is gekozen voor de termen draagkracht en draaglast en worden deze ook bijvoorbeeld in de dienstenomschrijving en contracten met aanbieders zo gebruikt. In artikel 10, lid 4 en lid 5 worden criteria voor draagkracht en draaglast uitgewerkt met een aantal criteria waarop getoetst wordt. Het uitputtend beschrijven van criteria doet naar de mening van het college geen recht aan de behoefte maatwerk te kunnen leveren, en kan in die zin eerder een belemmering vormen. Artikel 10 legt nadruk op draagkracht en draaglast, maar stelt tegelijk dat het college hulp inzet zodra draagkracht tekortschiet. Het artikel noemt expliciet situaties van overbelasting, gebrek aan vaardigheden of beperkingen bij ouders. Draagkracht bepaalt niet of jeugdhulp wordt geïndiceerd, maar is deel van de afweging of en welke hulp geboden moet worden. Ook hier: eenzelfde hulpvraag kan op gezinnen een verschillende impact hebben. De draagkracht van het gezin speelt mee in de afweging over duur en intensiteit van inzet van de hulp.
Ook in onderzoek komen we niet verder dan het identificeren van indicatoren om draagkracht te 'meten', objectieve criteria blijven lastig vast te stellen. Zie: onderzoek-naar-zelforganiserend-vermogen.pdf Bij gelijke omstandigheden kan de draagkracht per gezin toch grote verschillen opleveren. Niet alleen objectieve criteria spelen hierbij een rol maar ook zaken als sociale vaardigheden van ouders, conditie (zowel fysiek als mentaal), motivatie, onderlinge steun en dergelijke. Deze zijn moeilijk objectief te maken. Ook is de duur van de verwachte last van invloed, en wordt deze meegewogen. In de verordening wordt tot 3 maanden genoemd. De suggestie dat ouders hun bestaanszekerheid moeten opgeven mist feitelijke grondslag. Het uitgangspunt blijft dat het college passende jeugdhulp inzet zodra de balans tussen draagkracht en draaglast ontbreekt. Er valt de vergelijking met ondersteuning bij (tijdelijke) fysieke beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld ziekte, ongelukken of ziekenhuisopname te trekken. Bij dergelijke gebeurtenissen is het ook normaal om van ouders te vragen (tijdelijk) bijvoorbeeld sociale activiteiten op een lager pitje te zetten of verlof op te nemen. In de afweging met betrekking tot draaglast en draagkracht worden ouders betrokken.
Toegang/Huisartsen •
(D66) artikel 3 (toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of jeugdarts) moet herzien worden. Als een huisarts verwijst moet er vertrouwen zijn dat dit zorgvuldig is, en is het oordeel niet aan de jeugdhulpaanbieder.
Het oordeel over de noodzakelijke jeugdhulp ligt niet bij de jeugdhulpaanbieder, maar bij het college. Zowel bij aanvragen als medische verwijzingen moet de aanbieder handelen binnen de gemeentelijke kaders en het door de CRvB voorgeschreven stappenplan (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Ook na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts moet dit stappenplan doorlopen worden. De jeugdhulpaanbieder bepaalt weliswaar de daadwerkelijke inhoud van de voorziening, maar is daarbij gebonden aan de contractafspraken met de gemeente en de regels in de verordening over vorm, frequentie en duur van de hulp. Hoewel de medische verwijsroute zelf niet te beperken is, kan de gemeente wel voorwaarden stellen aan hoe aanbieders hiermee omgaan. De medische verwijzer moet in principe verwijzen naar gecontracteerde aanbieders. Verwijst deze naar een niet-gecontracteerde aanbieder, dan hoeft de gemeente dit alleen te volgen als er geen passend gecontracteerd aanbod beschikbaar is. Tegen een afwijkend besluit staat bezwaar en beroep open.
Identiteitsgebonden zorg. •
(SGP) Toegang tot identiteitsgebonden zorg. Voor de SGP altijd een belangrijk punt. In de verordening blijft dit gelukkig onverkort gewaarborgd. Maar kan de wethouder aangeven hoe dit in de praktijk functioneert? Heeft hij hier zicht op, voert hij hierover gesprekken met het jeugdteam en wordt dit bijvoorbeeld ook onderdeel van de evaluatie? En als het geen onderdeel is van de evaluatie, kan hij toezeggen dat het een onderdeel wordt. De SGP dient een motie in.
In de praktijk wordt bij een hulpvraag die naar een beschikking leidt zoveel mogelijk aan ouders aangegeven dat er de keuze is voor identiteitsgebonden zorg. In de afweging is dit niet voor iedere ouder een prioriteit. Ook wachtlijsten, afstand, aanbod etc spelen daarbij een rol. Dit evalueren is lastig. We registreren niet de levensovertuiging van ouders of kinderen en kunnen dus lastig vastleggen of de keuze voor bijvoorbeeld een christelijke aanbieder voortkomt uit die levensovertuiging.
PGB en toegang daartoe. •
(SGP) Is de toegang tot PGB aangescherpt?
Nee, alleen zijn bepalingen ‘verhuisd’ van de nadere regels naar de verordening. Daarmee geven we gevolg aan de aanbeveling van de VNG dit in de verordening op te nemen. •
(SGP en D66) Zijn bepalingen in artikel 17, PGB vaardigheid, in de verordening in strijd met de rechten van het kind? Gezien de eisen mbt PGB vaardigheid.
Nee, in de verordening staat expliciet dat aanvragers hulp mogen vragen en gebruiken in het begrijpen van de eisen PGB. Toegang is niet afgesloten omdat ook nog Zorg in Natura mogelijk is.
Juridisch advies hierover: De artikelen 16 tot en met 21 over het persoonsgebonden budget leggen strikte eisen vast aan pgb-vaardigheid en kwaliteit. Artikel 19 bevat waarborgen voor deskundigheid, toezicht en veiligheid. Artikel 21 sluit enkele kosten uit om misbruik tegen te gaan. Deze regels beschermen de jeugdige. Als ouders niet aan de pgb-voorwaarden voldoen, ontvangen zij hulp in natura. De toegang tot passende jeugdhulp blijft daarmee verzekerd. De stelling dat kwetsbare gezinnen uitgesloten raken mist grond. •
(SGP) Een vraag over artikel 34 lid 5 dat het overgangsrecht regelt: Daar staat dat het college de bevoegdheid heeft om een PGB dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp Papendrecht, teruggevorderd zou mogen vorderen op de in deze verordening(en) genoemde gronden. Als SGP-fractie vinden we dat best ver gaan. Kan de wethouder ons uitleggen waarom dit zo in de verordening staat opgenomen en waarom we hier als fractie mee in zouden moeten stemmen.
Dit slaat terug op artikel 34, lid 4. Indien bijvoorbeeld een heronderzoek plaatsvindt of er een wijziging plaatsvindt in jeugdhulpaanbieder en/of verstrekkingsvorm kan terugvordering aan de orde zijn. Verder is dit opgenomen omdat in de PGB-voorwaarden bijvoorbeeld staat dat niet benut budget kan worden teruggevorderd. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld als ouders/kinderen helemaal geen kosten gemaakt hebben omdat ze bijvoorbeeld afzien van hulp. Hier zijn termijnen voor gesteld die net kunnen vallen binnen de overgang tussen de 2 verordeningen. Verder wil de gemeente de mogelijkheid houden om in geval van fraude tijdens de looptijd van de vorige verordening toch terug te kunnen vorderen.
Andere vragen •
(D66) volgend op inspreekster: artikel 23, lid 2 van de verordening over niet meewerken aan onderzoek is te ruim geformuleerd.
Er zijn veel variabelen mogelijk die kunnen leiden tot het niet (voldoende) meewerken aan het onderzoek. Deze uitputtend vastleggen is niet mogelijk. Het belang van de jeugdige staat altijd voorop, Zorg in Natura blijft altijd mogelijk. •
(aanvullende vragen SGP) In Artikel 11 staan een aantal regels over vervoer. In het negende lid komt te staan: ‘Het college kan nadere regels stellen.’ Waarom is er voor deze ruime formulering gekozen? Er is al een algemene ‘hardheidsclausule’ om in specifieke situaties af te wijken van regels. Is het niet beter om dit voorgestelde negende lid te schrappen en bij eventuele wens om nieuwe regels te maken terug te komen bij de raad?
Met het opnemen van dit artikel volgen we de modelverordening van de VNG. Nadere regels zijn nodig om bijvoorbeeld het proces van aanvragen en de voorwaarden te regelen. Hiermee waarborgen we de objectiviteit. •
(D66) Het college zegt: veel jeugd hoort niet thuis in jeugdhulp. Jeugd met een diagnose verdient wel de aandacht; gevoel dat generieke maatregelen genomen worden met geen oog voor maatwerk. Waar ligt de knip? Veruit het grootste deel van jeugdigen met een hulpvraag komt niet ‘binnen ’met een diagnose, de meeste ouders kloppen aan met een vraag. Soms wordt dan diagnostiek aangevraagd.
Er wordt altijd maatwerk geleverd. Generieke maatregelen, of collectief aanbod heeft een positieve insteek: kinderen krijgen niet het stigma als dat zij ‘het probleem zijn’. Juist door groepsaanbod is lichte hulp mogelijk en wordt dat stigma vermeden. Indien specialistische hulp nodig is wordt deze altijd geboden. Collectief aanbod is naar schatting van professionals voor maximaal ca 30% van de hulpvragers in segment 4 een alternatief.
Verordening algemeen. •
(SGP) Verwijzingen via bijv. huisarts worden niet volledig beperkt, maar wel ontmoedigd. Idealiter, zo begrijpen wij het uit de stukken, gaan ouders eerst langs het lokale team. Wat betekent dit voor de werkdruk van Sterk Papendrecht? Voor ons is vooral het goede gesprek en de korte lijnen tussen huisarts en jeugdteam van belang. Hoe wordt hierop ingezet?
Verwijzingen worden niet beperkt, de mogelijkheid tot verwijzing blijft bestaan. Huisartsen hebben niet altijd, binnen de beperkte tijd van een consult, de tijd om aandacht te hebben voor het hele (gezins)systeem en de mogelijkheden binnen het voorliggend aanbod. De praktijkondersteuner jeugd (POH) en het lokaal team hebben die tijd en ruimte wel. We stimuleren de huisartsen hier gebruik van te maken. •
(OP) waarom is de bewegingsvrijheid van de raad in het vaststellen van de verordening beperkt? Kunnen we dan niet nieuws proberen of experimenteren?
De bewegingsvrijheid is beperkt in de vaststelling van de verordening om 2 redenen: - we delen met 10 gemeenten één uitvoeringsorganisatie, veel verschillen in verordeningen vraagt meer capaciteit in contractmanagement en administratieve verwerking van beschikkingen. - verschillen in de verordening en daarmee in de uitvoering leidt tot rechtsongelijkheid in de regio. Dit laat onverlet dat er altijd ruimte is om lokaal te experimenteren of voor nieuwe ontwikkelingen, zie vraag CU. •
(SGP, VVD) Kan de evaluatie naar 1 jaar? Achtergrond in financiële controle en overzicht
We kunnen onderscheid maken tussen maatregelen en financiële overzichten en de verordening. Evalueren van maatregelen aan de hand van een financieel overzicht kan jaarlijks. Het college zal daarbij aan sluiten op de afspraak in de regio om dit jaarlijks in mei te doen. Dan is ook de vergelijking met de regiogemeenten te maken.
•
(SGP) hoe wordt deze complexe verordening gecommuniceerd worden naar de inwoners.
In samenwerking met een aantal andere gemeenten in de regio wordt gewerkt aan het maken van een animatie om de Verordening in simpele bewoordingen uit te leggen.
Vragen jeugdhulp algemeen en naar aanleiding van beeldvorming. •
(SGP, aanvullende vragen). Uit de beeldvorming over de situatie in Kampen leerden we dat deze gemeente, om over passende zorg sneller een besluit te kunnen nemen (wat bijdraagt aan lagere kosten), afspraken met de rechtbank heeft gemaakt. Is dat in onze regio ook mogelijk?
Ook in Papendrecht hebben we afspraken met de rechtbank; dossiers over complexe scheidingsproblematiek worden doorgestuurd aan het (regionale) Expertiseteam scheidingen. Deze pakken dit op en verwijzen indien nodig naar Sterk Papendrecht. Een speciaal team voor het oppakken van ingewikkelde casussen wordt lokaal vormgegeven met het inrichten van Intensief Vrijwillige Hulpverlening. Casusregie bij zeer complexe casussen gebeurt deels door het (regionale) Expertteam passende hulp. Lokaal sturen op casusniveau bij complexe problematiek zal deels gaan plaatsvinden met de implementatie van het AVE-model. •
(SGP en VVD) Uit de beeldvormende sessie waarin de gemeente Kampen vertelde over hun lokale ervaringen m.b.t. jeugdhulp, bleek dat meerdere schoolmaatschappelijk werkers op scholen aanwezig zijn. Er zijn korte lijnen en er kan snel geschakeld worden. Vraag van de SGP-fractie is of dat in Papendrecht ook voor de lange termijn gefinancierd is.
Ja, structureel subsidieert de gemeente voor het basisonderwijs €350.000 en € 55.000 incidenteel uit de Routekaart Jeugd voor de inzet van Schoolmaatschappelijk werk. Op 11 basisscholen wordt 6 á 7 uur per week inzet geleverd. Structureel subsidieert de gemeente een klein bedrag per school voor Voortgezet onderwijs (€ 20.000) per school. Dit wordt verder door deze scholen zelf ingevuld. Incidenteel wordt schoolmaatschappelijk werk ook voorzien op de Internationale schakelklas (ISK). •
(SGP) Een jongere moet je altijd in de context van een gezin zien. Je ziet dan dat er heel vaak sprake is van andere problemen. Schulden, gebrek aan opvoedvaardigheden, ggzproblemen of scheidingsproblemen van ouders van het kind. Het college kiest ervoor om een collectief aanbod te ontwikkelen voor ouders om hen beter toe te rusten. Specifiek: er is helaas een sterke verwevenheid van scheidingsproblematiek en alle vormen van jeugdzorg. Nu hebben we sinds een aantal jaar het Adviespunt Scheiden, Kind en Ouderschap. Is de wethouder bereid om bij de ontwikkeling van het collectieve aanbod te kijken hoe het Adviespunt hierbij betrokken kan worden?
Jazeker, bij de ontwikkeling van collectief aanbod wordt zowel het SKO als Sterk Papendrecht betrokken. Een deel van het aanbod van het SKO bestaat al uit groepsgerichte activiteiten. Bij de ontwikkeling van het collectieve aanbod zullen we SKO actief betrekken. •
(CU) Op welke manier wordt in de uitvoering keuzes gemaakt om jeugdigen op het gebied van de sociale basis te versterken, welke plannen zijn daarvoor in ontwikkeling?
Het pedagogisch pact speelt hierin een belangrijke rol. Hiermee brengen we maatschappelijke organisaties en bewoners in stelling om kinderen en gezinnen een betere sociale basis te bieden. Verder spelen de voorzieningen die we hebben zoals sport, jongerenwerk, culturele instellingen, scholen en kerken hierin een belangrijke rol. •
(CU) Op welke manier zijn wij in Papendrecht bezig met nieuwe ontwikkelingen?
Zoals beschreven in de Raadsinformatiebrief lokale maatregelen beschikbare en betaalbare jeugdhulp ontwikkelen we meer collectief (groeps) aanbod, zowel door Sterk Papendrecht als door en met aanbieders. Het pedagogisch pact is een ander voorbeeld van nieuwe ontwikkelingen. Met de autismepoli, Kind naar gezonder gewicht, en JoinUs zijn al een aantal nieuwe ontwikkelingen in gang gezet. Daarnaast is ook te denken aan de inzet van buurtgezinnen en Samen Oplopen. We financieren
de extra inzet van schoolmaatschappelijk werk. Daarnaast werken we in de regio bijvoorbeeld aan Kwaliteit als medicijn, betere ondersteuning van pleeggezinnen en een nieuwe aanpak van hoogspecialistische zorg. •
(OP) waar ligt de begrenzing tussen financiën Sterk Papendrecht en die van DG&J?
DG&J is onze uitvoeringsorganisatie. De gemeente financiert via de Service Organisatie Jeugd van DG&J de specialistische jeugdhulp en ons deel van de organisatiekosten. Met Sterk Papendrecht heeft de gemeente een subsidierelatie. •
(OP) welke preventieve maatregelen worden genomen?
Er wordt een breed scala aan preventieve maatregelen ingezet. Deze zijn in 2024 geïnventariseerd met de Scan voorliggend veld jeugd Papendrecht. Inmiddels zijn er nog een aantal andere initiatieven toegevoegd zoals bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding in de bibliotheek, Chill and Talk door Suppord op de VO scholen. Zie de bijlage voor de scan. •
(OP) hoe kan de wethouder waarborgen dat de raad Sterk Papendrecht beter kan controleren?
In de Routekaart jeugd zijn een groot aantal maatregelen en acties benoemd om een betere controle te hebben op het lokale team. Het college rapporteert hierover elk half jaar aan de raad.