20210701 Motie OP - Democratische legitimiteit en inwonersparticipatie energie transitie.pdf
Tekst van het document
MOTIE Borg de democratische legitimiteit van de besluitvorming alsmede de inwonersparticipatie tijdens de energie-transitie De gemeenteraad van Papendrecht, in vergadering bijeen op 1 juli 2021, behandelend het agendapunt 14 Regionale Energietransitie Drechtsteden 1.0 Neemt kennis van: • •
de beantwoording van de vragen (van Onafhankelijk Papendrecht) inzake Arrest EU-hof; de recent geopenbaarde bestuurlijke ontwikkeling dat er onder andere op basis van het Klimaatakkoord en het Klimaatplan RES-regio’s in het leven zijn geroepen, zonder een afdoende wettelijke grondslag;
Constaterende dat: • •
bij eerdere regionale operaties [omgevingsdiensten, regionalisering sociaal domein] aanvankelijk ook bottom-up ‘duizend bloemen mochten bloeien’, waarbij uiteindelijk de nationale overheid de knopen doorhakte; op het grondgebied van de gemeente thans geen grootschalige projecten voor opwek van zonneof windenergie zijn vergund;
Overwegende dat: • •
een ingrijpende gemeentelijke energie-transitie van deze omvang in alle fases behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (en niet van het college); de Raad van State-jurisprudentie recent door het Europees Hof werd genuanceerd;
Verzoekt het college / spreekt uit dat: •
tijdens het proces van de energie-transitie de democratische legitimiteit, de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad en de inwonersparticipatie (beter) te borgen;
En gaat over tot de orde van de dag.
Ondertekening:
Ruud Lammers Onafhankelijk Papendrecht
In te vullen door griffie Nummer motie: Uitslag stemming:
Aan de gemeenteraad datum
30-10-2020
behandeld door
M.H. Merkelbach
ons kenmerk
2020-0146231
doorkiesnummer
078 7706365
Onderwerp
Beantwoording vragen ex. Art. 40 inzake Arrest EU hof
Geachte mevrouw, heer,
De fractie van Onafhankelijk Papendrecht heeft omtrent een arrest van het EU hof op 14 september 2020 vragen ex Artikel 40 gesteld. De fractie stelt dat door dit recente arrest van het Europese Hof de jurisprudentie van de Raad van State in een iets ander daglicht komt te staan vanwege de relatie met wind- en zonneparken. De fractie stelt dat ook binnen onze gemeente en in de regio Drechtsteden verschillende projecten in werking zijn met betrekking tot zon- of windenergie opwekking, waarbij inwoners mogelijk bloot worden gesteld aan gezondheidsschade welke deze vormen van energieopwekking met zich mee brengen. De vragen van de fractie worden hieronder beantwoord. Antwoord op de vragen 1. Ziet u met ons het EU-beginsel van unietrouw als een verdrag wettelijk beginsel dat door de gemeente Papendrecht onverkort en loyaal uitgevoerd dient te worden? Het beginsel van unietrouw houdt in, op grond van art.4 lid 3 VEU, dat lidstaten de verplichtingen van het Europees recht moeten nakomen en geen maatregelen mogen nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-verdrag in gevaar kunnen brengen. Decentrale overheden hebben ook een eigen rechtsplicht om het Europees recht loyaal na te komen. Uiteraard handelen wij naar vermogen conform dit beginsel. 2.
Wilt u schetsen hoe u als burgemeester in de uitoefening van uw taken vastgelegd in de Gemeentewet waakt over de toepassing van de EU-wetgeving, het recht van de Europese Unie en hoe u de toepassing ervan bevordert? De toepassing van de EU-regelgeving is neergelegd in de Nederlandse wetgeving. In casu is de betreffende Europese regelgeving (SMB richtlijn) inzake milieueffectrapportage en strategische milieubeoordeling geïmplementeerd in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer. Verdere uitwerking is neergelegd in het Besluit milieueffectrapportage. De betreffende gemeentewetsartikelen zien op de toepassing van burgerparticipatie. Op deze wijze is geborgd dat inwoners betrokken zullen zijn en wij zien toe op de uitvoering. 3. Wilt u in het bijzonder schetsen welke aandacht de SMB Richtlijn 2001/42/EU daarbij heeft gehad en/of gaat krijgen? Zie antwoord onder 2 en 4. 4. Heeft u gelet op uw taak toe te zien op de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie (art 170 lid 1 onder c) daarbij aandacht geschonken aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus, geïncorporeerd in de EU richtlijnen, dat in artikel 7 voorschrijft dat participatie in een vroeg stadium, als alle opties nog openliggen, moet plaatsvinden?
Indien van toepassing wordt inderdaad participatie toegepast conform de vigerende wet- en regelgeving. 5. Bent u bereid voorstellen uit te werken voor een betere borging van het EU-recht en de EU richtlijnen op bovengenoemde punten en deze voor te leggen aan de gemeenteraad? Het recente arrest brengt ons tot het stellen van onderstaande specifieke vragen aan het College. Wij zien geen aanleiding voor een betere borging van EU-recht en –richtlijnen. De Europese regelgeving inzake milieueffectrapportage/strategische milieubeoordeling is in Nederland geïmplementeerd middels Hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (zie vraag 2). Op grond van dit hoofdstuk is bepaald in welke situaties een milieueffectrapportage dan wel een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden. Deze aanwijzing van situaties heeft plaatsgevonden in het Besluit milieueffectrapportage. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen milieueffectrapportage die de overheid ondersteunt bij strategische overwegingen (Plan-m.e.r.) en een milieueffectrapportage die ondersteuning biedt bij een besluit over realisatie van een activiteit over de gevolgen van concrete alternatieven (Project-m.e.r.) 6.
Was het College vooraf aan onze vragen en de recente publiciteit vanaf het begin van deze maand (september) bekend met het arrest van 25 juni 2020 van het Europese Hof ? Zo ja, per wanneer bent u begonnen zich in de consequenties van dit arrest te verdiepen? Zo neen, bent u bereid zich vanaf nu te verdiepen in de gevolgen voor onze gemeente van dit arrest? Arresten van het Hof gaan meestal over verschillen in wetgeving tussen landen of toepassing van regelgeving in andere landen dan Nederland, maar het gaat om uitleg van EU richtlijnen en die zijn in Nederland vertaald in de Wet Milieubeheer Hoofdstuk 7 en het Besluit milieueffectrapportage. Zie ook vraag 2. 7. Hoe gaat het College om met al vergunde of nog te vergunnen zon- of windenergie opwekking projecten, dit met de wetenschap van nu?. In Papendrecht zijn geen projecten voor grootschalige opwek van zonne- of windenergie vergund. Bij nieuwe aanvragen zal rekening gehouden worden met de vigerende wet- en regelgeving. 8. Zijn de regionale windmolenparken (inmiddels reeds) getoetst aan het arrest van het Europese Hof en/of de genoemde EU-richtlijnen? Zo ja, wat is de uitkomst van dit onderzoek? Zo neen, waarom niet? Zie vraag 7 9.
Is het College bereid om alle projecten welke vallen onder dit arrest van het Europese Hof en de voornoemde EU-richtlijnen voor de gemeenteraad in beeld te brengen met de gevolgen van dit arrest van het Europese Hof? Zie vraag 7 10. Kan c.q. wil het College aangeven in hoeverre de gemeentelijke en regionale RES besluitvorming voldoet aan dit arrest van het Europese Hof en de genoemde EU-richtlijnen? Gaarne de beantwoording van een toelichting voorzien. De concept RES 1.0 doet een bod aan het Rijk voor de opwek van duurzame energie. Het bod bevat, naast de reeds bestaande wind- en zonprojecten in de regio, projecten gericht op de realisatie van op zon op grote daken en in restruimtes. Het arrest richt zich op de realisatie van grootschalige opwek van wind en zon in veld opstellingen. De komende maanden worden verkenningen uitgevoerd naar grootschalige opwek van zonne- en windenergie binnen een drietal zoekgebieden in de regio Drechtsteden. Op het moment dat wordt overgegaan tot het ruimtelijk mogelijk maken van grootschalige energieprojecten in deze gebieden zal rekening gehouden worden met het arrest. 11. Kan c.q. wil het College aangeven of dit arrest van het Europese Hof en de voornoemde EU richtlijnen van toepassing zijn op toekomstige raadsvoorstellen en -besluiten? Gaarne de beantwoording van een toelichting voorzien Zie vraag 1, 2 en 4.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,
J.M. Ansems
A.J. Moerkerke
Aan: het College van B&W van de gemeente Papendrecht alsmede aan het bestuursorgaan Burgemeester, T.a.v. de heer Aart-Jan Moerkerke Markt 22 3351 PB Papendrecht
Papendrecht Onderwerp
14 september 2020 Vragen naar aanleiding van een arrest van het Europese Hof
Geachte heer Moerkerke, Uit een recent arrest van het Europese Hof van 25 juni 2020, dat wij zullen bijvoegen als bijlage bij deze brief, blijkt dat zon- en windparken onder de Europese richtlijnen vallen. Het gaat om de planMER richtlijnen 2001/42/EU, 2018/1999/EU en 2018/2001/EU. Het betreft het arrest van het Hof van Justitie van de EU, het hoogste rechtscollege van de Europese Unie, welke handelt over het dwingendrechtelijke karakter van de SMB Richtlijn 2001/42/EU waarin ook het VN Verdrag van Aarhus is geïncorporeerd. De gemeente dient dit uit te voeren, ook indien het Rijk of provincie dit verwaarlozen. De SMB Richtlijn 2001/42/EU schrijft voor dat plannen met vergaande milieu- en gezondheidsgevolgen onderworpen moeten worden aan een milieutoetsing. Stelselmatig, zo is gebleken, heeft de Raad van State het ontbreken van een dergelijke rapportage goedgevonden. Door dit recente arrest van het Europese Hof, het hoogste rechtscollege in de EU, komt de jurisprudentie van de Raad van State in een iets ander daglicht te staan. Ook binnen onze gemeente en in de regio Drechtsteden zijn verschillende projecten in werking met betrekking tot zon- of windenergie opwekking, waarbij inwoners mogelijk bloot worden gesteld aan gezondheidsschade welke deze vormen van energieopwekking met zich mee brengen.
In de Europese Unie geldt het beginsel van Unietrouw ook voor gemeenten, net als bij het Rijk en de provincie. Wij hebben als gemeente Papendrecht hierin onze eigenstandige verantwoordelijkheid. Ook in situaties waarin de Rijksoverheid en/of de provinciale overheid het niet zo nauw nemen met de toepassing van de EU-richtlijnen, zijn wij rechtens gehouden deze wél uit te voeren. De burgemeester heeft als bestuursorgaan op grond van de Gemeentewet hierin een eigenstandige verantwoordelijkheid.
Wij achten het wenselijk dat de burgemeester gelet op zijn taken vastgelegd in onder meer de artikelen 170 en 171 van de Gemeentewet aan de toepassing van het Europees recht aanhoudende zorg besteedt. In het bijzonder is dat van belang voor een juiste toepassing van voornoemde richtlijnen. Daarom stellen wij de volgende vragen specifiek aan de burgemeester. 1. Ziet u met ons het EU-beginsel van unietrouw als een verdrag wettelijk beginsel dat door de gemeente Papendrecht onverkort en loyaal uitgevoerd dient te worden? 2. Wilt u schetsen hoe u als burgemeester in de uitoefening van uw taken vastgelegd in de Gemeentewet waakt over de toepassing van de EU-wetgeving, het recht van de Europese Unie en hoe u de toepassing ervan bevordert? 3. Wilt u in het bijzonder schetsen welke aandacht de SMB Richtlijn 2001/42/EU daarbij heeft gehad en/of gaat krijgen? 4. Heeft u gelet op uw taak toe te zien op de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie (art 170 lid 1 onder c) daarbij aandacht geschonken aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus, geïncorporeerd in de EU richtlijnen, dat in artikel 7 voorschrijft dat participatie in een vroeg stadium, als alle opties nog openliggen, moet plaatsvinden? 5.
Bent u bereid voorstellen uit te werken voor een betere borging van het EU-recht en de EUrichtlijnen op bovengenoemde punten en deze voor te leggen aan de gemeenteraad? Het recente arrest brengt ons tot het stellen van onderstaande specifieke vragen aan het College. 6. Was het College vooraf aan onze vragen en de recente publiciteit vanaf het begin van deze maand (september) bekend met het arrest van 25 juni 2020 van het Europese Hof ? Zo ja, per wanneer bent u begonnen zich in de consequenties van dit arrest te verdiepen? Zo neen, bent u bereid zich vanaf nu te verdiepen in de gevolgen voor onze gemeente van dit arrest? 7. Hoe gaat het College om met al vergunde of nog te vergunnen zon- of windenergie opwekking projecten, dit met de wetenschap van nu? 8. Zijn de regionale windmolenparken (inmiddels reeds) getoetst aan het arrest van het Europese Hof en/of de genoemde EU-richtlijnen? Zo ja, wat is de uitkomst van dit onderzoek? Zo neen, waarom niet? 9. Is het College bereid om alle projecten welke vallen onder dit arrest van het Europese Hof en de voornoemde EU-richtlijnen voor de gemeenteraad in beeld te brengen met de gevolgen van dit arrest van het Europese Hof? 10. Kan c.q.
wil het College aangeven in hoeverre de gemeentelijke en regionale RES besluitvorming voldoet aan dit arrest van het Europese Hof en de genoemde EU-richtlijnen? Gaarne de beantwoording van een toelichting voorzien. 11. Kan c.q. wil het College aangeven of dit arrest van het Europese Hof en de voornoemde EUrichtlijnen van toepassing zijn op toekomstige raadsvoorstellen en -besluiten? Gaarne de beantwoording van een toelichting voorzien. Dit betreft een set politieke vragen ex artikel 40 van het Reglement van Orde. De vragen 1 t/m 5 zijn specifiek bestemd voor de burgemeester; de vragen 6 t/m 11 zijn specifiek bestemd voor het College. Wij danken u reeds op voorhand voor de beantwoording. Hoogachtend, Fractie Onafhankelijk Papendrecht Ruud Lammers. Bijlagen: het arrest van het Europese Hof van 25 juni 2020
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer) 25 juni 2020 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2001/42/EG – Milieueffectbeoordeling – Stedenbouwkundige vergunning voor de bouw en exploitatie van windturbines – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚plannen en programma’s’ – Voorwaarden voor de verlening van de vergunning die zijn neergelegd in een besluit en een omzendbrief – Artikel 3, lid 2, onder a) – Nationale handelingen die een kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten – Ontbreken van een milieubeoordeling – Handhaving van de gevolgen van nationale handelingen en van de op basis daarvan verleende vergunningen wanneer is gebleken dat die handelingen onverenigbaar zijn met het Unierecht – Voorwaarden” In zaak C‑24/19, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (België) bij beslissing van 4 december 2018, ingekomen bij het Hof op 15 januari 2019, in de procedure A e.a. tegen Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het departement Ruimte Vlaanderen, afdeling Oost-Vlaanderen, in tegenwoordigheid van: Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen VZW, wijst
HET HOF (Grote kamer), samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan en I. Jarukaitis, kamerpresidenten, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, L. Bay Larsen, C. Toader (rapporteur), F. Biltgen, A. Kumin, N. Jääskinen en N. Wahl, rechters, advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona, griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 december 2019, gelet op de opmerkingen van: –
A e.a., vertegenwoordigd door T. Swerts, W.‑J. Ingels en L. Nijs, advocaten,
–
Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen VZW, vertegenwoordigd door T. Malfait en V. McClelland, advocaten,
–
de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Jacobs en P. Cottin als gemachtigden, bijgestaan door J. Vanpraet, advocaat,
–
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, M. Gijzen en M. Noort als gemachtigden,
–
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Lavery als gemachtigde, bijgestaan door R. Warren, QC, en D. Blundell, barrister,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Manhaeve en M. Noll-Ehlers als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 maart 2020, het navolgende Arrest 1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB 2001, L 197, blz. 30).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A e.a. en de Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het departement Ruimte Vlaanderen, afdeling Oost-Vlaanderen (België), betreffende de beslissing van deze laatste om een elektriciteitsproducent en ‑leverancier een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de bouw en exploitatie van vijf windturbines op een site in de woonomgeving van A e.a. Toepasselijke bepalingen Internationaal recht
3
Het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend te Espoo (Finland) op 26 februari 1991 (hierna: „Verdrag van Espoo”), is in naam van de Europese Gemeenschap goedgekeurd op 24 juni 1997 en in werking getreden op 10 september van hetzelfde jaar.
4
Artikel 2, lid 7, van het Verdrag van Espoo luidt: „Milieueffectrapportage als voorgeschreven door dit verdrag vindt ten minste plaats op projectniveau. Voor zover relevant trachten de partijen de beginselen van milieueffectrapportage eveneens toe te passen op beleidsvoornemens, plannen en programma’s.” Unierecht
5
Overweging 4 van richtlijn 2001/42 luidt: „De milieueffectbeoordeling is een belangrijk instrument voor de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en goedkeuring van bepaalde plannen en programma’s die in de lidstaten aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, omdat zij garandeert dat reeds tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van die plannen en programma’s met de effecten van de uitvoering daarvan rekening wordt gehouden.”
6
Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Doel” en bepaalt: „Deze richtlijn heeft ten doel te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben overeenkomstig deze richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen.”
7
Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a)
b)
‚plannen en programma’s’: plannen en programma’s, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan: –
die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en
–
die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven;
‚milieubeoordeling’: het opstellen van een milieurapport, het raadplegen, het rekening houden met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging bij de besluitvorming, alsmede het verstrekken van informatie over het besluit, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9;
[...]” 8
Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer”, luidt: „1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2.
Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s:
a)
die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij richtlijn 85/337/EEG [van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985, L 175, blz. 40)] genoemde projecten, [...]
[...]” 9
Richtlijn 85/337 is ingetrokken en vervangen bij richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1).
10
Bijlage II, punt 3, onder i), bij richtlijn 2011/92 vermeldt „installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken)”. Belgisch recht Vlarem II
11
Het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Belgisch Staatsblad, 31 juli 1995, blz. 20526), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Vlarem II”), is vastgesteld ter uitvoering van onder meer de decreten van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad, 17 september 1985, blz. 13304) en van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Belgisch Staatsblad, 3 juni 1995, blz. 15971). Vlarem II bevat algemene en sectorale milieuvoorwaarden inzake de hinder en risico’s die bepaalde installaties en activiteiten kunnen veroorzaken, alsook inzake het herstel van eventuele milieuschade die door de exploitatie ervan wordt veroorzaakt.
12
Artikel 99 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2011 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van [Vlarem II], wat betreft de actualisatie van voormelde besluiten aan de evolutie van de techniek (Belgisch Staatsblad, 21 maart 2012, blz. 16474), heeft in
Vlarem II afdeling 5.20.6 ingevoegd, die betrekking heeft op installaties voor elektriciteitsopwekking door middel van windenergie. 13
Deze afdeling, met als opschrift „Installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie”, bevat met name bepalingen over de slagschaduw van de wieken (beperking van de door deze schaduw veroorzaakte lichtbebakening), de veiligheid van de windturbines (aanwezigheid van bepaalde systemen van detectie en automatische stilstand) en het geluid (uitvoering van geluidsmetingen).
14
Wat slagschaduw betreft, bepaalt artikel 5.20.6.2.1 van Vlarem II: „Als een slagschaduwgevoelig object zich bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine, wordt de windturbine uitgerust met een automatische stilstand module.”
15
Volgens artikel 5.20.6.2.2 van Vlarem II moet de exploitant per windturbine een logboek bijhouden en daarin bepaalde gegevens opnemen over de slagschaduw, en minstens de eerste twee exploitatiejaren een controlerapport opstellen.
16
Artikel 5.20.6.2.3 van Vlarem II luidt: „Voor relevante slagschaduwgevoelige objecten in industriegebied, met uitzondering van woningen, geldt een maximum van dertig uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag. Voor relevante slagschaduwgevoelige objecten in alle andere gebieden, en voor woningen in industriegebied, geldt een maximum van acht uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag.”
17
Op het gebied van veiligheid bepaalt artikel 5.20.6.3.1 van Vlarem II dat alle windturbines worden geconstrueerd volgens de veiligheidsaspecten van de norm IEC61400 of daaraan gelijkwaardig en worden voorzien van de nodige certificaten. Volgens artikel 5.20.6.3.2 zijn alle windturbines voorzien van met name een ijsdetectiesysteem, een bliksembeveiligingssysteem, een redundant remsysteem en een onlinecontrolesysteem dat onregelmatigheden detecteert en doorgeeft aan de controle-eenheid van de turbine.
18
Wat geluid betreft, voorziet artikel 5.20.6.4.2 van Vlarem II in maximumwaarden voor geluid in de openlucht nabij woningen: „Het specifieke geluid in openlucht wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied, per beoordelingsperiode beperkt tot de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1 of tot het achtergrondgeluid, vermeld in bijlage 4B, punt F14, 3, van titel I van dit besluit: Lsp ≤ MAX (richtwaarde, LA 95). Als men gebruik wil maken van het achtergrondgeluid om een hogere norm te bekomen, geldt dat de afstand van de windturbines tot de woningen, meer dan driemaal de rotordiameter moet bedragen.”
19
De bijlage bij subafdeling 5.20.6.1 bij Vlarem II bevat de volgende vermeldingen:
„Gebiedsbestemming bij vergunning
Richtwaarde voor het specifiek geluid in open lucht in dB(A) overdag ’s avonds ’s nachts
1° Landelijke gebieden en gebieden voor verblijfrecreatie
44
39
39
2a° Gebieden of delen van gebieden, uitgezonderd woongebieden of delen van woongebieden, gelegen op minder dan 500 m van industriegebieden
50
45
45
2b° Woongebieden of delen van woongebieden op minder dan 500 m gelegen van industriegebieden
48
43
43
3a° Gebieden of delen van gebieden, uitgezonderd woongebieden of delen van woongebieden, op minder dan 500 m gelegen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, van dienstverleningsgebieden of van ontginningsgebieden, tijdens de ontginning
48
43
43
3b° Woongebieden of delen van woongebieden op minder dan 500 m gelegen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, van dienstverleningsgebieden of van ontginningsgebieden, tijdens de ontginning
44
39
39
4° Woongebieden
44
39
39
5° Industriegebieden, dienstverleningsgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en ontginningsgebieden tijdens de ontginning
60
55
55
5bis° Agrarische gebieden
48
43
43
6° Recreatiegebieden, uitgezonderd gebieden voor verblijfsrecreatie
48
43
43
7° Alle andere gebieden, uitgezonderd: bufferzones, militaire domeinen en deze waarvoor in bijzondere besluiten richtwaarden worden vastgelegd
44
39
39
8° Bufferzones
55
50
50
9° Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van voor grindwinning bestemde ontginningsgebieden tijdens de ontginning
48
43
43
10° Agrarische gebieden
48
43
43”
Omzendbrief van 2006 20
Omzendbrief EME/2006/01‑RO/2006/02 van 12 mei 2006, „Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines” (Belgisch Staatsblad, 24 oktober 2006, blz. 56705), in de op het
hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „omzendbrief van 2006”), is, zoals in punt 3 ervan wordt aangegeven, de geactualiseerde versie van een omzendbrief van 17 juli 2000. 21
De omzendbrief van 2006 bevat volgens punt 3.1 ervan een aantal elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de keuze van de locatie van een windturbine. In de punten 3.1.1 tot en met 3.1.14 worden verschillende beschouwingen gemaakt in verband met bundeling, grondgebruik, wonen, landbouw, bedrijventerreinen, zeehavengebieden, sport en recreatie, landschap, geluidsimpact, slagschaduw en lichtreflecties, veiligheid, natuur, milieueffectrapportage en luchtvaart.
22
In het bijzonder luidt punt 3.1.9 van deze omzendbrief, „Geluidsimpact”, als volgt: „De mate waarin hinder door windturbines kan optreden, is afhankelijk van verschillende factoren zoals de bronsterkte van de turbines, de opstellingsvorm, de ashoogte en het aantal windturbines. Ook de aard van de ondergrond (water, land), de afstand tot de omwonenden en het niveau van het achtergrondgeluid spelen een rol. Globaal genomen neemt het achtergrondgeluid bij het toenemen van de wind meer toe dan de bronsterkte van de turbine. Volgens artikel 5.20, § 2 van titel II van [Vlarem II] zijn geen geluidsnormen van toepassing. In de milieuvergunning kunnen echter wel geluidsemissiegrenswaarden worden opgelegd in functie van de omgevingssituatie. De nodige maatregelen aan de bron moeten worden genomen volgens de huidige stand van de techniek. Om het specifiek geluid van de windturbines in te schatten mogen de internationaal erkende softwareprogramma’s worden gebruikt. De bepaling van het achtergrondgeluid moet worden uitgevoerd door een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen. Wanneer de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied zich bevinden op een afstand van meer dan 250 m van de windturbinemast, mag ervan uitgegaan worden dat de hinder veroorzaakt door de windturbine/het windturbinepark tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden.
Wanneer die afstand kleiner dan of gelijk aan 250 m is, moet de hiernavolgende benadering gehanteerd worden. Het specifieke geluid wordt bepaald in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van een windturbine of windturbinepark op een bepaalde locatie dient het specifiek geluid in afwijking van bijlage 2.2.1 van titel II van [Vlarem II] te worden getoetst aan de volgende milieukwaliteitsnormen voor geluid in open lucht: Richtwaarden in dB(A) in open lucht
Gebied
Milieukwaliteitsnormen in db(a) in open lucht Overdag ’s Avonds ’s Nachts
1° Landelijke gebieden en gebieden voor verblijfsrecreatie
49
44
39
2° Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van industriegebieden niet vermeld sub 3° of van gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen
54
49
49
54
49
44
3° Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, van dienstverleningsgebieden of van ontginningsgebieden, tijdens de ontginning
4° Woongebieden
49
44
39
5° Industriegebieden, dienstverleningsgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en ontginningsgebieden tijdens de ontginning
64
59
59
6° Recreatiegebieden uitgezonderd gebieden voor verblijfsrecreatie
54
49
44
Alle andere gebieden, uitgezonderd: bufferzones, militaire domeinen en deze waarvoor in bijzondere besluiten richtwaarden worden vastgesteld
49
44
39
8° Bufferzones
59
54
54
9° Gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 m gelegen van voor grindwinning bestemde ontginningsgebieden tijdens de ontginning
59
54
49
De bepaling van het specifiek geluid dient te gebeuren bij een windsnelheid van 8 m/s, en volgens de meest ongunstige windrichting, d.w.z. als de geluidsimpact van de windturbine(s) op het te beschouwen punt maximaal is. Indien het specifieke geluid voldoet aan bovenstaande milieukwaliteitsnormen of indien het specifieke geluid in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied 5 dB(A) lager is dan het achtergrondgeluid, mag ervan uitgegaan worden dat de hinder veroorzaakt door de windturbine/het windturbinepark tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden.” 23
Punt 3.1.10 van de omzendbrief van 2006 heeft als opschrift „Slagschaduw – lichtreflecties” en luidt: „Draaiende wieken van windturbines kunnen hinder veroorzaken door lichtreflecties en slagschaduw, zowel voor omwonenden als mensen die in de omgeving werken, evenals voor de tuinbouw (serres). Slagschaduwcontouren kunnen berekend worden met behulp van de internationaal gangbare softwareprogramma’s ter zake. Bij de beoordeling van de slagschaduwhinder wordt een maximum van 30 uur effectieve slagschaduw per jaar binnen in de bewoonde woning aanvaardbaar geacht. Indien het slagschaduweffect hoger ligt, dient onderzocht te worden in hoeverre remediërende maatregelen kunnen worden genomen (bijvoorbeeld aangepaste zonnewering, coating op ramen, ...). [...] De eventuele effecten moeten beschreven worden in de lokalisatienota.”
24
Wat de locatiekeuze betreft, wordt in de omzendbrief van 2006 tevens het principe van planmatige aanpak besproken (punt 3.2.1), bedoeld om de vanuit ruimtelijk, milieu‑ en windtechnisch oogpunt optimale locaties af te bakenen, en wordt er een overzicht gegeven van de gebieden die in aanmerking komen voor de bouw van windturbines (punt 3.2.2). Tot slot wordt er een overzicht gegeven van de rol van de windwerkgroep (punt 4). Hoofdgeding en prejudiciële vragen
25
Op 30 november 2016 heeft de Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het departement Ruimte Vlaanderen – afdeling Oost-Vlaanderen, na een procedure die in 2011 was gestart, aan de nv
Electrabel een stedenbouwkundige vergunning (hierna: „vergunning van 30 november 2016”) verleend voor de bouw en exploitatie van vijf windturbines in de Belgische gemeenten Aalter en Nevele (hierna: „windturbineparkproject”). Aan die vergunning waren voorwaarden verbonden; zo moest met name worden voldaan aan bepaalde voorwaarden van afdeling 5.20.6 van Vlarem II en de omzendbrief van 2006 (hierna samen: „het besluit en de omzendbrief van 2006”). 26
A e.a. hebben zich, in hun hoedanigheid van buurtbewoners van de site waar het windturbineparkproject zou worden gerealiseerd, tot de verwijzende rechter – de Raad voor Vergunningsbetwistingen (België) – gewend met het verzoek om de vergunning van 30 november 2016 nietig te verklaren. Zij voeren daarbij aan dat het besluit en de omzendbrief van 2006, op basis waarvan de vergunning is verleend, artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 schenden omdat er voor deze nationale handelingen geen milieubeoordeling is verricht, in strijd met wat wordt voorgeschreven door de bepalingen van deze richtlijn zoals het Hof die met name in zijn arrest van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a. (C‑290/15, EU:C:2016:816), heeft uitgelegd. Volgens A e.a. volgt uit dat arrest dat een nationale regelgevingshandeling die verschillende bepalingen betreffende de installatie van windturbines bevat, die bij de verlening van administratieve vergunningen voor de bouw en exploitatie van dergelijke installaties moeten worden nageleefd, onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van die richtlijn valt en derhalve moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling.
27
De Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het departement Ruimte Vlaanderen, afdeling Oost-Vlaanderen, meent van zijn kant in wezen dat het besluit en de omzendbrief van 2006 niet onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van richtlijn 2001/42 vallen, aangezien deze handelingen een onvoldoende compleet kader vormen om te worden beschouwd als een samenhangend stelsel voor projecten voor de bouw van windturbines.
28
Gelet op de preciseringen die worden gegeven in het arrest van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a. (C‑290/15, EU:C:2016:816), is de verwijzende rechter niet zeker of er voor het besluit en de omzendbrief van 2006 een milieubeoordeling had moeten worden gemaakt. Hij vraagt zich dan ook af of deze handelingen alsook de vergunning van 30 november 2016, die op basis daarvan is afgegeven, verenigbaar zijn met richtlijn 2001/42.
29
Verder verzoekt die rechter het Hof om zijn vaste rechtspraak te heroverwegen die werd gevestigd met het arrest van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C‑567/10, EU:C:2012:159), en sindsdien is bekrachtigd in de arresten van 7 juni 2018, Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C‑671/16, EU:C:2018:403), 7 juni 2018, Thybaut e.a. (C‑160/17, EU:C:2018:401), 8 mei 2019, „Verdi Ambiente e Società (VAS) – Aps Onlus” e.a. (C‑305/18, EU:C:2019:384), 12 juni 2019, CFE (C‑43/18, EU:C:2019:483), en 12 juni 2019, Terre wallonne (C‑321/18, EU:C:2019:484). Volgens die rechtspraak moet de woordgroep „die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven” in artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus worden uitgelegd dat plannen en programma’s waarvan de vaststelling is „geregeld” in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, „voorgeschreven” zijn in de zin en voor de toepassing van die bepaling en bijgevolg onder de daarin bepaalde voorwaarden zijn onderworpen aan een milieubeoordeling.
30
De verwijzende rechter meent evenwel – en verwijst daarvoor naar de punten 18 en 19 van de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C‑567/10, EU:C:2011:755) – dat het Hof de voorkeur zou moeten geven aan een uitlegging die dichter aanleunt bij de bedoeling van de Uniewetgever en waarbij de draagwijdte van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 wordt beperkt tot handelingen die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen verplicht moeten worden vastgesteld.
31
In die omstandigheden heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1)
Brengen artikel 2, onder a), en artikel 3, tweede lid, onder a) van richtlijn [2001/42] met zich mee dat artikel 99 van het besluit van de Vlaamse regering [...] tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van [Vlarem II], wat betreft de actualisatie van voormelde
besluiten aan de evolutie van de techniek, die afdeling 5.20.6 betreffende de installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie invoert in Vlarem II, en de [omzendbrief van 2006], die allebei verschillende bepalingen voor de installatie van windmolens bevatten, waaronder maatregelen inzake veiligheid, en naargelang van de planologische zones gedefinieerde slagschaduw, alsook geluidsnormen, moeten worden gekwalificeerd als [‚plannen en programma’s’] in de zin van de [bepalingen van deze richtlijn]? 2)
Indien blijkt dat een milieubeoordeling moest worden doorgevoerd voor de vaststelling van [het besluit en de omzendbrief van 2006], kan de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] de rechtsgevolgen van de onwettige aard van [het besluit en de omzendbrief van 2006] in de tijd moduleren? Hiertoe dienen een aantal subvragen worden gesteld: a)
Kan een beleidsinstrument zoals de [omzendbrief van 2006], waarvan de bevoegdheid tot opmaak omvat zit in de beoordelingsruimte en beleidsvrijheid van de desbetreffende overheid, waardoor er geen sprake is van een eigenlijk aangeven van de bevoegde overheid om het ‚plan of programma’ op te stellen, en waarvoor ook niet is voorzien in een formele opmaakprocedure, beschouwd worden als een ‚plan of programma’ in de zin van artikel 2, onder a), [van richtlijn 2001/42]?
b)
Is het voldoende dat een beleidsinstrument of algemene regel, zoals [het besluit en de omzendbrief van 2006], gedeeltelijk voorziet in een inperking van de appreciatiemarge van een vergunningverlenende overheid, om beschouwd te kunnen worden als een ‚plan of programma’ in de zin van artikel 2, onder a), [van richtlijn 2001/42], zelfs indien [dit besluit en deze omzendbrief] niet dienen als vereiste, als noodzakelijke voorwaarde om een vergunning te verlenen of niet de bedoeling hebben om een kader voor toekomstige vergunningverlening te vormen, niettegenstaande de Europese wetgever heeft aangegeven dat deze finaliteit een element van de definitie van ‚plannen en programma’s’ vormt?
c)
Kan een beleidsinstrument, waarvan de opmaak is ingegeven door de rechtszekerheid en dus een volledig vrije beslissing uitmaakt, zoals de [omzendbrief van 2006] gedefinieerd worden als een ‚plan of programma’ in de zin van artikel 2, onder a), [van richtlijn 2001/42] en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het [Hof] dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?
d)
Kan afdeling 5.20.6 van Vlarem II, waar de erin vervatte regels niet verplicht dienden te worden opgesteld, worden gedefinieerd als een ‚plan of programma’ in de zin van artikel 2, onder a), [van richtlijn 2001/42] en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het [Hof] dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?
e)
Kunnen een beleidsinstrument en een normatief regeringsbesluit zoals [het besluit en de omzendbrief van 2006], die een beperkte indicatieve waarde kennen, of minstens geen kader vaststellen waaraan enig recht tot het uitvoeren van een project kan afgeleid worden en waaruit geen recht op een kader, een mate waarbinnen projecten mogen worden toegestaan afgeleid kan worden, beschouwd worden als een ‚plan of programma’ ‚die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen [voor de in bijlagen I en II bij richtlijn 85/337 genoemde projecten]’ in de zin van artikel 2, onder a), en artikel 3, tweede lid[, onder a),] [van richtlijn 2001/42] en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het Hof dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?
f)
Kan een beleidsinstrument zoals [de omzendbrief van 2006] dat een louter indicatieve waarde heeft, en/of een normatief regeringsbesluit zoals afdeling 5.20.6 van Vlarem II dat louter minimumgrenzen vaststelt voor vergunningverlening en daarnaast een volledig autonome werking als algemene regel kent,
–
die beide slechts een beperkt aantal criteria en modaliteiten omvatten,
–
en die geen van beide voor ook maar een enkel criterium of modaliteit alleenbepalend zijn en waarvan aldus kan beargumenteerd worden dat op basis van objectieve gegevens kan uitgesloten worden dat ze significante milieugevolgen kunnen hebben,
beschouwd worden als een ‚plan of programma’ in een samenlezing van artikel 2, onder a), en artikel 3, eerste en tweede lid, [van richtlijn 2001/42] en of ze aldus beschouwd kunnen worden als handelingen die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en modaliteiten vaststellen voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben? g)
Kan een rechterlijke instantie, indien het antwoord op [de tweede vraag, onder f)] negatief is, dit zelf vaststellen, nadat het besluit of de pseudo-wetgeving (zoals [het besluit en de omzendbrief van 2006]) werd vastgesteld?
h)
Kan een rechterlijke instantie, indien die alleen indirect bevoegd is via een exceptie, waarvan het resultaat inter partes geldt en indien uit het antwoord op de prejudiciële vragen blijkt dat [het besluit en de omzendbrief van 2006] onwettig zijn, besluiten de gevolgen van het onwettig besluit en/of de onwettige omzendbrief te handhaven indien de onwettige instrumenten bijdragen aan een doel van milieubescherming, zoals dat ook nagestreefd wordt door een richtlijn in de zin van artikel 288 VWEU en voldaan is aan de vereisten die het Unierecht (zoals bepaald in het arrest [van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C‑379/15, EU:C:2016:603)]) aan dergelijke handhaving stelt?
i)
Kan een rechterlijke instantie, indien het antwoord op [de tweede vraag, onder h)] negatief is, besluiten de gevolgen van het bestreden project te handhaven om daarmee onrechtstreeks te voldoen aan de vereisten die het Unierecht (zoals bepaald in het arrest [van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C‑379/15, EU:C:2016:603)]) aan de handhaving van de rechtsgevolgen van het plan of programma dat niet aan [richtlijn 2001/42] conformeert, stelt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen Eerste vraag en tweede vraag, onder a) tot en met d): begrip „plannen en programma’s” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 32
Met zijn eerste vraag en zijn tweede vraag, onder a) tot en met d), die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „plannen en programma’s” ook ziet op een besluit en een omzendbrief die zijn vastgesteld door de regering van een gefedereerde eenheid van een lidstaat en die elk verschillende bepalingen over de bouw en exploitatie van windturbines bevatten.
33
Volgens artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 moeten „plannen en programma’s” voor de toepassing van de richtlijn voldoen aan de twee cumulatieve voorwaarden die worden vermeld in de twee streepjes van deze bepaling, namelijk 1) zij zijn door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau opgesteld en/of vastgesteld, of door een instantie opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld, en 2) zij zijn door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen voorgeschreven.
34
De eerste van deze voorwaarden is vervuld, aangezien uit de inlichtingen van de verwijzende rechter blijkt dat het besluit en de omzendbrief van 2006 zijn vastgesteld door de Vlaamse Regering, een regionale instantie.
35
Wat de tweede voorwaarde betreft, die wordt vermeld in artikel 2, onder a), tweede streepje, van richtlijn 2001/42, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de plannen en programma’s waarvan de
vaststelling is geregeld in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waarin de voor de vaststelling van deze plannen en programma’s bevoegde autoriteiten zijn aangegeven en de procedure voor de opstelling ervan is bepaald, in de zin en voor de toepassing van richtlijn 2001/42 als „voorgeschreven” moeten worden aangemerkt (arresten van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C‑567/10, EU:C:2012:159, punt 31; 7 juni 2018, Thybaut e.a., C‑160/17, EU:C:2018:401, punt 43, en 12 juni 2019, Terre wallonne, C‑321/18, EU:C:2019:484, punt 34). Zo heeft het Hof geoordeeld dat om de nuttige werking van die bepaling te garanderen, gelet op het doel ervan, een maatregel moet worden beschouwd als „voorgeschreven” zodra de bevoegdheid om de maatregel vast te stellen haar rechtsgrondslag vindt in een specifieke bepaling, ook al bestaat er strikt genomen geen enkele verplichting om die maatregel te nemen (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C‑671/16, EU:C:2018:403, punten 38‑40). 36
Vooraf moet erop worden gewezen dat de verwijzende rechter met zijn vragen en het Verenigd Koninkrijk in zijn schriftelijke opmerkingen het Hof verzoeken om die rechtspraak te heroverwegen.
37
In dit verband zij eraan herinnerd dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. De ontstaansgeschiedenis van een bepaling van Unierecht kan ook relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten (zie in die zin arrest van 9 oktober 2019, BGL BNP Paribas, C‑548/18, EU:C:2019:848, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 betreft, moet worden benadrukt dat een vergelijking van de verschillende taalversies van het tweede streepje van dat artikel 2, onder a), duidelijk laat zien dat die bepaling niet in alle versies dezelfde draagwijdte heeft. Daar heeft ook de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie op gewezen. Terwijl de term „exigés” in de Franse taalversie alsook de termen die worden gebruikt in onder meer de Spaanse („exigidos”), de Duitse („erstellt werden müssen”), de Engelse („required”), de Nederlandse („zijn voorgeschreven”), de Portugese („exigido”) en de Roemeense („impuse”) taalversie verwijzen naar een soort van vereiste of verplichting, wordt in de Italiaanse taalversie de minder dwingende term „previsti” („voorzien”) gebruikt.
39
Alle officiële talen van de Europese Unie zijn echter de authentieke talen van de handelingen waarin zij zijn opgesteld, zodat alle taalversies van een handeling van de Unie in beginsel dezelfde waarde hebben (zie in die zin arresten van 17 november 2011, Homawoo, C‑412/10, EU:C:2011:747, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Hieruit volgt dat de analyse van de bewoordingen van artikel 2, onder a), tweede streepje, van richtlijn 2001/42 niet concludent is, aangezien op basis daarvan niet kan worden uitgemaakt of de in deze bepaling bedoelde „plannen en programma’s” uitsluitend die zijn welke de nationale autoriteiten krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen verplicht moeten vaststellen.
41
Wat vervolgens de ontstaansgeschiedenis van artikel 2, onder a), tweede streepje, van richtlijn 2001/42 betreft, zij erop gewezen dat deze bepaling, die noch in het oorspronkelijke richtlijnvoorstel van de Europese Commissie noch in de gewijzigde versie daarvan voorkwam, is toegevoegd bij gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 25/2000 van 30 maart 2000, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB 2000, C 137, blz. 11). Zoals de advocaat-generaal in de punten 62 en 63 van zijn conclusie heeft uiteengezet, heeft de Uniewetgever met deze toevoeging de verplichting om een milieubeoordeling te verrichten willen beperken tot bepaalde plannen en programma’s, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat het zijn bedoeling was om dit soort beoordeling te beperken tot uitsluitend plannen en programma’s die verplicht moeten worden vastgesteld.
42
Wat de context van die bepaling betreft, moet ten eerste worden beklemtoond dat, zoals de advocaatgeneraal in de punten 66 en 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een binaire benadering, waarbij een
onderscheid wordt gemaakt naargelang de vaststelling van een plan of programma verplicht dan wel facultatief is, onvoldoende precies en dus ontoereikend is om de uiteenlopende situaties en de verscheidenheid aan praktijken van de nationale autoriteiten te kunnen bevatten. De vaststelling van plannen of programma’s, die in tal van scenario’s kan plaatsvinden, is immers vaak noch algemeen verplicht, noch volledig overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten. 43
Ten tweede ziet artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 niet alleen op de opstelling of vaststelling van „plannen en programma’s” maar ook op de wijzigingen ervan (zie in die zin arresten van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C‑567/10, EU:C:2012:159, punt 36, en 10 september 2015, Dimos Kropias Attikis, C‑473/14, EU:C:2015:582, punt 44). Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, komt laatstgenoemde situatie, waarbij de wijziging van het betrokken plan of programma ook aanzienlijke milieueffecten kan hebben in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/42, meestal voor wanneer een autoriteit uit eigen beweging beslist een dergelijke wijziging door te voeren, zonder daartoe verplicht te zijn.
44
De voorgaande overwegingen stroken met het oogmerk en de doelstellingen van richtlijn 2001/42, die zelf moet worden gezien in het kader van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat bepaalt dat een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.
45
Zoals artikel 1 ervan in herinnering brengt, is het doel van deze richtlijn immers te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling.
46
Zoals uit dit artikel 1 volgt, is het wezenlijke doel van richtlijn 2001/42 dan ook ervoor te zorgen dat plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben, tijdens hun voorbereiding en vóór hun vaststelling, aan een milieubeoordeling worden onderworpen (arresten van 22 september 2011, Valčiukienė e.a., C‑295/10, EU:C:2011:608, punt 37, en 7 juni 2018, Thybaut e.a., C‑160/17, EU:C:2018:401, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Ook zij eraan herinnerd dat richtlijn 2001/42 is vastgesteld op grond van artikel 175, lid 1, EG, dat ziet op de door de Gemeenschap op milieugebied te ondernemen acties om de doelstellingen van artikel 174 EG te verwezenlijken. Artikel 191 VWEU, dat overeenkomt met artikel 174 EG, bepaalt in lid 2 dat de Unie in haar milieubeleid streeft naar een „hoog niveau van bescherming”, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Krachtens artikel 191, lid 1, VWEU kunnen maatregelen worden vastgesteld die met name betrekking hebben op bepaalde aspecten van het milieu, zoals het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. In dezelfde lijn bepaalt artikel 3, lid 3, VEU dat de Unie zich met name inzet voor een „hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu” (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Associazione Italia Nostra Onlus, C‑444/15, EU:C:2016:978, punten 41‑43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Deze doelstellingen zouden in gevaar dreigen te komen indien artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus zou worden uitgelegd dat de in deze richtlijn neergelegde milieubeoordelingsplicht alleen geldt voor plannen of programma’s waarvan de vaststelling verplicht is. Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is de vaststelling van plannen en programma’s immers vaak niet algemeen verplicht. Ook zou die uitlegging lidstaten de mogelijkheid geven om de milieubeoordelingsplicht moeiteloos te omzeilen door doelbewust niet te bepalen dat de bevoegde autoriteiten dergelijke plannen of programma’s verplicht moeten vaststellen.
49
Bovendien strookt de ruime uitlegging van het begrip „plannen en programma’s” ook met de internationale verbintenissen van de Unie, zoals die met name uit artikel 2, lid 7, van het Verdrag van Espoo blijken.
50
Hieruit volgt dat bij een restrictieve uitlegging, waarbij de tweede voorwaarde van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 alleen slaat op „plannen en programma’s” die verplicht moeten worden
vastgesteld, de draagwijdte van deze voorwaarde minimaal dreigt te worden. Daarom heeft het Hof er de voorkeur aan gegeven de nuttige werking van deze voorwaarde te verzekeren door een ruimere opvatting van de term „zijn voorgeschreven” te hanteren (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, InterEnvironnement Bruxelles e.a., C‑567/10, EU:C:2012:159, punt 30). 51
Er is dan ook geen enkele reden om de rechtspraak van het Hof op dit punt terug te draaien.
52
Bijgevolg moet artikel 2, onder a), tweede streepje, van richtlijn 2001/42 aldus worden uitgelegd dat de plannen en programma’s waarvan de vaststelling is geregeld in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waarin de voor de vaststelling van deze plannen en programma’s bevoegde autoriteiten zijn aangegeven en de procedure voor de opstelling ervan is bepaald, moeten worden aangemerkt als „voorgeschreven” in de zin en voor de toepassing van richtlijn 2001/42.
53
Wat betreft de vraag of het besluit en de omzendbrief van 2006 aan deze voorwaarde voldoen, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat Vlarem II een besluit is dat is vastgesteld door de uitvoerende macht van een Belgische gefedereerde eenheid, te weten de Vlaamse Regering, ter uitvoering van hiërarchisch hogere normen die uitgaan van de wetgevende macht van diezelfde eenheid, namelijk het Vlaams Parlement. Uit de uitleg van de verwijzende rechter blijkt dat de vaststelling door de Vlaamse Regering van Vlarem II is geregeld door het decreet van de Vlaamse Raad betreffende de milieuvergunning en het decreet van diezelfde Raad houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid, met name doordat daarbij aan die regering de bevoegdheid is verleend om dat besluit vast te stellen en erin wordt bepaald dat de in dat besluit vervatte sectorale voorwaarden ertoe strekken om onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten voor het milieu kunnen meebrengen, te voorkomen en te beperken.
54
De omzendbrief van 2006 is blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing afkomstig van de Vlaamse Regering en ondertekend door de minister-president en twee ter zake bevoegde ministers.
55
De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat de omzendbrief van 2006, die volgens hem net als Vlarem II bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen en de te behalen normen van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16), zijn rechtsgrondslag heeft in de beleids‑ en beoordelingsbevoegdheid waarover de overheden volgens de relevante nationale regelgeving beschikken bij het verlenen van een „omgevingsvergunning” in de zin van deze regelgeving.
56
De omzendbrief van 2006 vindt zijn bestaansgrond volgens hem dan ook in de keuze van de ministeriële overheden van die gefedereerde eenheid om hun eigen beoordelingsbevoegdheid in te perken, door zichzelf te verplichten zich te houden aan de regels die zij daarin vastleggen. Het lijkt er dus op dat de vaststelling van de omzendbrief van 2006 behoort tot de prerogatieven waarover deze ministeriële overheden naar Belgisch recht beschikken, waarbij het echter aan de verwijzende rechter staat om na te gaan wat de juiste juridische aard van deze omzendbrief in de rechtsorde van deze lidstaat is.
57
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het begrip „plannen en programma’s” niet alleen ziet op de opstelling, maar ook op de wijziging ervan (zie in die zin arrest van 12 juni 2019, CFE, C‑43/18, EU:C:2019:483, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Het Hof heeft met name reeds geoordeeld dat een rechtshandeling, ook als zij geen positieve voorschriften bevat en die niet kan bevatten, het rechtsbestel wijzigt door de mogelijkheid te creëren om gemakkelijker af te wijken van geldende voorschriften, en bijgevolg binnen de werkingssfeer van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 valt (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Thybaut e.a., C‑160/17, EU:C:2018:401, punt 58).
59
Zoals de advocaat-generaal in de punten 108 en 109 van zijn conclusie heeft onderstreept en zoals uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt, lijkt punt 3 van de omzendbrief van 2006 de mogelijkheid te bieden om gebieden toe te voegen die aanvankelijk niet in aanmerking kwamen voor de productie van windenergie. Voorts lijkt de bijlage bij deze omzendbrief minder strenge milieukwaliteitsnormen te bevatten dan de bijlage bij subafdeling 5.20.6.1 van Vlarem II wat geluid en slagschaduw in bewoonde
gebieden betreft. Het is niettemin de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of dat inderdaad zo is. 60
Zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties wijzigt de omzendbrief van 2006 bijgevolg de bepalingen van Vlarem II, door deze te ontwikkelen of ervan af te wijken, zodat die omzendbrief kan worden geacht te voldoen aan de in punt 52 van dit arrest aangehaalde voorwaarde.
61
Er zij ook nog op gewezen dat het algemene karakter van het besluit en de omzendbrief van 2006 niet verhindert dat deze handelingen worden gekwalificeerd als „plannen en programma’s” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42. Hoewel uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat het begrip „plannen en programma’s” betrekking kan hebben op normatieve handelingen die bij wet of besluit zijn vastgesteld, bevat deze richtlijn immers juist geen bijzondere bepalingen voor beleid of algemene regelingen die een afbakening ten opzichte van plannen en programma’s zouden vereisen in de zin van deze richtlijn. De omstandigheid dat een nationale handeling een zeker niveau van abstractie vertoont en een doel van transformatie van een geografische zone nastreeft, vormt een illustratie van haar programmatische of planificatieve dimensie en verhindert niet dat zij valt onder het begrip „plannen en programma’s” (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C‑671/16, EU:C:2018:403, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).