CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

20210119 OMW Verslag.pdf

Commissie Omgevingswet Papendrecht 27 mei 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen verslag4.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE RAADSCOMMISSIE OMGEVINGSWET d.d. 19 januari 2021 (reguliere aanvang 20.00 uur). Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op

www.papendrecht.nl

Aanwezig: De heer L.J. van Hal (voorzitter), Mevrouw S.J.A. Verdoorn-de Lang (PAB), de heer J.H. Hoogeveen (PAB), mevrouw H.M. van Wijngaarden (PAB), de heer A. Stremler (PAB), de heer L.T. van den Dool (CDA), mevrouw A. van der Matten-Spek (CDA), mevrouw A. Bokma (VVD), de heer J.L. van Erk (Christen Unie), de heer R. Lammers (Onafhankelijk Papendrecht), de heer M.G.C.H. Hardam (Onafhankelijk Papendrecht), de heer N. van Heteren (D66), de heer A.J. Kosten (SGP), de heer T. Wolters (PvdA) en de heer L. Quist (GroenLinks). Mevrouw C. Verver portefeuillehouder De heer A.M.J.M. Janssen, portefeuillehouder De heer T. Hagens, specialist Omgevingswet Kuijpercompagnons, inzake agendapunt 3; Mevrouw L. Dekkers, programmamanager Omgevingswet Kuijpercompagnons; inzake agendapunt 3; Mevrouw M. van ’t Verlaat, Senior-adviseur Ruimtelijke Ordening gemeente Papendrecht; inzake agendapunt 3; Mevrouw L. van Oudenaren, bestuurskundige consulting agency +anderen, inzake agendapunt 4. Mevrouw K. Bijman, commissiegriffier. Afwezig: 01.

Opening. De voorzitter opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom.

02.

Vaststelling van de agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.

03.

Plan van aanpak omgevingsplan Papendrecht versie 1.0 Mevrouw DEKKERS en de heer HAGENS verzorgen een presentatie gevolgd door onderstaande vragen en antwoorden. Tevens wordt er van gedachten gewisseld aan de hand van een aantal stellingen. Op de vraag van mevrouw BOKMA wat de reden is dat men niet voor uitwerking per thema maar per gebied heeft gekozen geeft mevrouw DEKKERS aan dat het één het ander niet uitsluit. Het feit dat er gekozen is voor bepaalde gebieden betekent niet dat men niet ook bepaalde thema’s aanpakt. De inhoud van de regels die worden opgenomen in het omgevingsplan kunnen worden beïnvloed door thema’s, bijv. duurzaamheid, die de gemeenteraad belangrijk vindt.

1

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

In antwoord op de vraag van de heer VAN ERK of er rekening is gehouden met het feit dat tussen nu en 2029 2 regimes aan de orde zijn en waar dit mogelijk gaat knellen (op grenzen van wijken) geeft mevrouw DEKKERS aan dat hier inderdaad rekening mee is gehouden. Omdat het, i.v.m. bredere scope t.o.v. het bestemmingsplan, niet mogelijk is alles in 1 keer te regelen is het niet te vermijden dat er tijdelijk verschillende regimes gelden. Men ontkomt er niet aan eerst ervaring op te doen, die te verwerken in een volgend omgevingsplan en die vervolgens te verfijnen en uit te breiden. De inwoners zullen hier naar verwachting niet veel van merken. Dit i.v.m. het feit dat de omgevingswet pas in werking gaat als het digitale stelstel voldoende is geregeld. Dit betekent dat digitale raadpleging op niveau is en dat er, in combinatie met de digitale raadpleging onder de WRO, voor beide regimes digitale raadpleging is en men kan zien welke regels voor hun perceel van toepassing zijn. In antwoord op de opmerking van de heer VAN ERK dat hij de doorlooptijd (6 jaar) lang vindt geeft mevrouw DEKKERS aan dat men niet per definitie alle tijd neemt die de Rijksoverheid geeft, maar dat het wel verstandig is dit stapsgewijs in te voeren. Het beperkte verschil tussen het tijdelijke en het nieuwe deel zorgt daarnaast voor een geleidelijke overgang.

In antwoord op de opmerking van de heer KOSTEN hoe de visie het plan kan aanscherpen terwijl de visie leidend moet zijn geeft mevrouw DEKKERS aan dat zowel de visie als het omgevingsplan, veel meer dan nu, dynamische documenten zijn. De visie en het omgevingsplan worden niet meer vastgesteld voor een vastgestelde termijn, maar er is sprake van een continu proces van beïnvloeding. De strategische keuzes vanuit de visie komen tot uiting in het omgevingsplan, mogelijke ervaring hiermee kan input leveren op de omgevingsvisie, die vervolgens -afhankelijk van het gebied waarin men de ervaring heeft opgedaanzorgt voor een aanscherping in het omgevingsplan. Op de vraag van de heer VAN HAL waarom in het PvA geen verschil wordt gemaakt tussen het centrumgebied en Wilgendonk geeft mevrouw DEKKERS aan dat het PvA wel beoogt hier onderscheid in te maken. Niet voor wat betreft bouwen (omdat men hiermee kan sturen op de meer kwalitatieve aspecten), maar m.b.t. gebruiksactiviteiten zal men hierin, omdat het karakter van Wilgendonk anders is dan van het centrum, wel onderscheid maken.

Op de opmerking van mevrouw VAN WIJNGAARDEN dat de verandering van de regels/vergunningen inzake de bouwactiviteiten zonder voldoende uitleg gaat leiden tot frustratie en boosheid bij de inwoners geeft mevrouw DEKKERS aan dat de decentralisatie ten eerste een gevolg is van een keuze op Rijksniveau waar de gemeente niet veel aan kan doen. Daarnaast kan men zich afvragen of men alles binnen de gemeente op dezelfde manier gaat regelen of men dit gebiedsgewijs anders gaat doen. De overweging dat dit verwarrend is voor inwoners kan hierbij een rol spelen. In antwoord op de opmerking van mevrouw VAN WIJNGAARDEN over de bevoegdheid van het college en de raad geeft mevrouw DEKKERS aan dat het PvA geen voorschot doet over de bevoegdheidsverdeling. De heer HAGENS geeft aan dat voor binnenplans het college bevoegd is. Als de gemeenteraad hierbij de vinger aan de pols wil houden zou men ervoor moeten kiezen om grotere zaken te verbieden, zodat deze buitenplans afgewogen moeten worden (ook hier is de

2

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

bevoegdheid aan het college) en de raad voor dit geval (of een lijst met bepaalde gevallen) een adviesrecht met instemming kan vragen. Mevrouw DEKKERS bevestigt de opmerking van de VAN DEN DOOL dat men ook beleid kan vaststellen dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan (bv. inzake klimaatadaptatie, verkeersaantrekkende werkingen, etc.). Men hoeft dit niet te integreren in een artikel, maar kan gebruiken als beleidsdocumenten om dit soort normen nader in te kleuren. BOUWEN Stelling 1: Bouwen op het achtererf maken we vergunningvrij tot een maximum van 50% van het achtererf gebied. Mevrouw VERDOORN vindt dat er zeker i.v.m. privacy wel regels moeten komen inzake hoogte, etc. en vraagt zich af of men dit (bv. als buren) onderling kan regelen en of Welstand hier nog mee gemoeid is. Mevrouw DEKKERS geeft aan dat vergunningvrij inhoudt dat er geen toets voorafgaand aan de bebouwing gaat komen. Overigens is het nu ook al zo dat (tot op zekere hoogte) ca. 50% van het achtererfgebied bebouwd mag worden. De gemeente kan aangeven dat men hier in bepaalde wijken wel/niet mee instemt. Vergunningvrij is niet regelvrij! Mevrouw BOKMA vindt dat 50% in sommige gevallen van een hele grote tuin of juist een postzegeltuin te veel kan zijn. Men zou ook kunnen bepalen wat er minimaal aan oppervlakte open zou moet blijven.

Ook mevrouw VAN WIJNGAARDEN vindt dat men zaken niet helemaal vrij kan geven, zeker waar het klimaat en aanzicht betreft. De heer WOLTERS vindt de bestemming van het bouwwerk (tuinhuis, duiventil, paardenstal), zeker in een dicht bevolkte buurt, belangrijk. Mevrouw DEKKERS vindt het goed om hier onderscheid in te maken, men wenst zaken niet ongeacht het gebruik vergunningvrij te maken. Ook de heer HOOGEVEEN vindt, mede omdat Papendrecht één van de dichtst bebouwde gemeenten van het land is, de klimaatadaptatie belangrijk. Mevrouw DEKKERS bevestigt dat men moet kijken naar de omstandigheden en dit relateren aan de oppervlakte van de tuin en het karakter van de wijk. Op de vraag van de heer VAN ERK waar en wanneer deze lijst met afwegingen zou moeten worden opgesteld en waar dit zijn plek krijgt geeft mevrouw DEKKERS aan dat men nu op basis van de stellingen kijkt of het PvA aanvullingen/ aanscherpingen nodig heeft. Het PvA bevat alleen globale keuzes en richtingen voor het eerste omgevingsplan, hiermee is nog geen omgevingsplan gemaakt. Als het PvA wordt geaccordeerd, betekent dit nog niet dat het omgevingsplan is vastgesteld. Stelling 2: Goede voorzieningen zijn essentieel voor een gemeenschap die oog heeft voor de ontwikkeling en het welzijn van haar inwoners. In het

3

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

omgevingsplan moeten we dat tot uiting brengen. Vergunningvrij maken van bv. een stalling voor een scootmobiel in de voortuin bijvoorbeeld. Mevrouw VAN WIJNGAARDEN vindt dat het verschil tussen noodzaak en wenselijkheid van het bouwwerk van belang is. Zij vindt het belangrijk een subhoofdstuk te maken met oog voor mensen met een beperking, zodat zij geen problemen ondervinden bij eventuele benodigde aanpassingen/voorzieningen. Wel voorziet zij problemen als er geen regels meer gelden. De heer HAGENS merkt op dat men ondanks het vergunningvrij zijn wel voorwaarden kan stellen. Ook mevrouw BOKMA vindt dat men alleen binnen regels en kaders vergunning vrij kan zijn. De heer LAMMERS merkt op dat thuiswerken i.v.m. de coronatijd en het langer thuis wonen eventueel kan leiden tot aanpassing/andersoortige woningbouw. Men zou dit in overleg met stakeholders (SP en Rivas) zonder te veel vergunningen en belemmeringen moeten kunnen kortsluiten. Mevrouw DEKKERS bevestigt zijn vraag of het omgevingsplan deze ruimte biedt. N.a.v. de opmerking van mevrouw VERDOORN dat veel problemen met buren voorkomen kunnen worden door de eis te stellen dat mensen naaste buren mee moeten nemen in hun bouwplannen geeft mevrouw DEKKERS dat participatie inderdaad belangrijk is en men rekening moet houden met de omgeving.

Op de vraag van de heer VAN HETEREN naar de huidige regels en achterliggende reden van deze stellingen geeft mevrouw DEKKERS aan dat men benieuwd is naar de basishouding van de raad en dat de stellingen (losjes) geïnspireerd zijn op het PvA. Sommige stellingen hebben betrekking op het conserveren van de huidige regels, terwijl andere stellingen gericht zijn op verandering. De heer VAN DEN DOOL vindt het een goede richting dat men vanuit goede voorzieningen voor de gemeenschap, oog voor het welzijn van inwoners en zonder aantasting van andermans vrijheden zaken meer mogelijk probeert te maken. Hij vindt het belangrijk hier niet te tuttig in te zijn. Het baart mevrouw VAN DER MATTEN zorgen dat men, ondanks dat de meeste mensen respectvol naar de buren willen zijn, toch altijd het eigenbelang prioriteit geeft. Mevrouw DEKKERS geeft aan dat het daarom belangrijk is dat vergunningvrij niet regelvrij betekent en dat de raad bepaalt onder welke voorwaarde iets vergunningvrij is. In antwoord op de opmerking van de heer WOLTERS inzake brandveiligheid voor bv. scootmobielen in een afgesloten ruimte geeft mevrouw DEKKERS aan dat men aanvullende eisen kan opnemen in het omgevingsplan. Stelling 3: De regels voor bouwen zijn onder de huidige wetgeving ingewikkeld. Het omgevingsplan moet de regels eenvoudiger en overzichtelijker maken.

4

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

Mevrouw BOKMA is het ermee eens dat het doel is zaken voor inwoners inzichtelijker te maken. Op de vraag van mevrouw VAN WIJNGAARDEN inzake het moment van een eventueel gewenste aanpassing geeft mevrouw DEKKERS aan dat er sprake is van een continu proces waar de gemeenteraad continue op kan sturen, monitoren en aanpassen. Mevrouw DEKKERS bevestigt de opmerking van de heer VAN HAL dat de raad dit zelf moet agenderen. Men kan dit ook bij de vaststelling van het omgevingsplan alvast aangeven. De heer VAN HETEREN vindt het belangrijk dat de regels duidelijk uitlegbaar moeten zijn aan de inwoners (hij verwijst hierbij naar de situatie met Korteland rijwielen). Inzake de opmerking van de heer VAN DEN DOOL m.b.t. het ontbreken van de snelserviceformule in het omgevingsplan/routekaart geeft mevrouw DEKKERS aan dat het serviceniveau aan inwoners loopt via het digitale stelstel voor de omgevingswet. De juridische regels uit het omgevingsplan moeten vertaald worden in een beslisboom die men online d.m.v. eenvoudige vragen kan doorlopen. De gemeente kan een bepaald niveau van dienstverlening kiezen: een vergunningenboom of een complete vergunningencheck (dit ligt aan de ambtelijke inzetkosten, etc.). Deze dienstverlening speelt een rol op het moment dat het omgevingsplan wordt gemaakt.

De heer VAN DEN DOOL is benieuwd naar de verschillende serviceformules en de mate waarin men die in Papendrecht gaat toepassen. Mevrouw VAN ’T VERLAAT geeft hierop aan dat men druk bezig is met de aanschaf van software en om te kijken hoe men de toepasbare regels kan laten aansluiten bij de regels van het omgevingsplan. E.é.a. is afhankelijk van het omgevingsplan en welke toepasbare regels hieraan moeten worden gekoppeld in het digitale stelsel. Omdat dit van invloed is op elkaar wordt de regel en de toepasbare regel gezamenlijk opgesteld. Men komt hier eind van het jaar op terug. Op de vraag van de heer VAN DEN DOOL of dan ook de ‘behandeling aan de gemeentetafel‘ aan de orde komt geeft mevrouw VAN T VERLAAT aan dat het Papendrechtse initiatieventeam waarschijnlijk de functie van intaketafel zal krijgen, waarna het doorgeleid zal worden naar de omgevingstafel. Op de vraag van de heer HOOGEVEEN wat men kan doen om tot ongewenste, onvoorziene situaties te voorkomen (een projectontwikkelaar die kon bouwen op een historisch stukje grond omdat de regels zo eenvoudig waren dat men dit stuk niet heeft beschermd) geeft mevrouw DEKKERS aan dat er verschillende vangnetten te bedenken zijn. In het omgevingsplan kunnen zorgplichten worden opgenomen die als vangnet werken om welstandsexcessen te voorkomen.

Verder merkt zij op dat om deze reden dat het PvA en omgevingsplan stapsgewijs worden opgebouwd. In antwoord op de vraag van de heer VAN ERK inzake het instemmen met de uitgangspunten uit paragraaf 4.5. Bouwen en de daarin gemaakte keuzes geeft mevrouw DEKKERS aan dat deze ter informatie door het college aan de raad

5

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

wordt voorgelegd. Hoe de keuzes eruit komen te zien en hoe deze hun weerslag hebben in het omgevingsplan ziet men na verloop van tijd in het omgevingsplan dat aan de raad wordt voorgelegd. Mevrouw VAN ‘T VERLAAT geeft aan dat men deze stellingen heeft opgenomen om vanuit de raad richting te krijgen voor de invulling van het omgevingsplan. Als men het er niet mee eens is kan men dit aan geven en zal het aangepast worden, waarna het ter besluitvorming teruggaat naar het college, om vervolgens op 18 februari te worden behandeld door de gemeenteraad. Eventuele wijzigingsvoorstellen kan men uiteraard via amendementen doen. In antwoord op de vraag van de heer VAN HAL of op dat moment ook paragraaf 4.5.1 wordt vastgesteld geeft mevrouw DEKKERS aan dat dit inderdaad het geval is. Het PvA is een collegebevoegdheid en 4.5 geeft richting aan invulling van het omgevingsplan. GEBRUIK Stelling 1: Bestaand gebruik (vooral wonen) is het uitgangspunt in Wilgendonk. Aan ander gebruik werken we alleen mee als vooraf wordt aangetoond dat het een positieve bijdrage levert aan de doelstellingen van het gebied (denk aan duurzaamheid en ‘thuis in de wijk’).

In antwoord op de vraag van mevrouw VAN WIJNGAARDEN in hoeverre de gemeente (naast de Omgevingsdienst en de Veiligheidsregio) zelf beslissingsbevoegdheid heeft geeft mevrouw DEKKERS aan dat de Omgevingsdienst het verlengde is van een bestuursorgaan en opdrachtnemer van de gemeente. Men zal de Omgevingsdienst raadplegen, maar dit is niet meer of minder dan een advies. Op de vraag van de heer VAN HAL naar de betekenis van thuis in de wijk is geeft mevrouw DEKKERS aan dat dit een uitgangspunt is die in de visie is opgenomen, dat eenieder in Papendrecht moet kunnen deelnemen en zich thuis moet voelen. Dit thema zou men mee kunnen nemen in het omgevingsplan. Het lijkt de heer VAN HAL verstandig de doelstellingen (thuis in de wijk) te definiëren. Mevrouw VAN ‘T VERLAAT zegt toe deze doelstellingen te zullen verwoorden in het omgevingsplan en het college te adviseren deze als wijziging mee te nemen in het PvA. Stelling 2: Het centrum is de huiskamer van Papendrecht. Dat betekent dat dit gebied geschikt is voor functiemenging en levendigheid. In dit gebied willen we uitgaan van een mix van activiteiten. Mevrouw VERDOORN vindt dit een goede stelling en vindt dat mensen die in het centrum wonen zich bewust zijn van de levendigheid van deze omgeving.

De heer HOOGEVEEN vindt ook hier de definitie van functiemenging en mix van activiteiten belangrijk en wat de uitgangspunten en randvoorwaarden zijn. Mevrouw BOKMA vindt ook proportionaliteit belangrijk, er is wel een verschil of een evenement met geluidsbelasting een aantal keer of 200 keer per jaar plaatsvindt.

6

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

De heer VAN HAL vindt dat men het aantal activiteiten aan moet geven, maar wel ruimhartig moet zijn met de normen. Als men in het centrum woont moet men bepaalde zaken accepteren. Mevrouw BOKMA vindt dat men bv. 10 dagen kan aanwijzen voor bepaalde dB, zodat men weet waar men aan toe is. Mevrouw DEKKERS merkt op dat er aandacht moet zijn voor de rechtszekerheid. EVENEMENTEN Stelling 1: Bij een bruisend centrum passen de grotere evenementen. Die passen niet goed in een woonwijk. Kleine evenementen zijn wel passend bij een woonwijk. De heer VAN HAL vindt dat men dit niet moet beperken tot het centrum, het Vondelpark, Vijverpark en voetbalverenigingen zijn ook plaatsen waar grote(re) evenementen gehouden kunnen worden. Ook hier is een goede definitie van belang. De heer VAN HETEREN vindt dat men de mogelijkheden voor evenementen bij sportverenigingen (PKC, voetbalverenigingen) niet teniet moet doen door een regelwijziging. Mevrouw BOKMA sluit zich hierbij aan, alleen het centrum is veel te beperkend. Ook mevrouw VERDOORN is het hier ook mee eens. Ook vindt zij dat straatfeesten in woonwijken mogelijk moeten zijn. De VAN DEN DOOL vindt dat evenement zoals keep them rolling (door meer gebieden van Papendrecht) ook mogelijk moeten blijven. Mevrouw DEKKERS merkt op dat dat zaken zoals (incidentele) optochten niet in een omgevingsplan worden geregeld.

Een deel van de evenementen (het openbare ordeaspect van evenementen) blijft onder de bevoegdheid van de burgemeester in de APV. Zij concludeert dat men de stelling te beperkt vindt en vindt dat maatwerk geleverd moet worden. Mevrouw VAN WIJNGAARDEN is het eens met vorige sprekers. Op haar vraag of de Veiligheidsregio door een grote hoeveelheid veiligheidseisen een plan kan verhinderen geeft mevrouw DEKKERS aan dat de raad bevoegd is om het omgevingsplan vast te stellen en dit dus zelf bepaalt. Het is wel belangrijk rekening te houden met de adviezen van partners zoals de Veiligheidsregio, brandweer, etc. die worden betrokken bij het opstellen van een omgevingsplan. Op de vraag van mevrouw VAN WIJNGAARDEN naar een overlegmoment met de Veiligheidsregio geeft mevrouw DEKKERS aan dat dit buiten de orde van het PvA valt, maar dat de Veiligheidsregio via ambtelijke kanalen wel betrokken wordt bij de voorbereiding van het omgevingsplan. MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Stelling 1: In het eerste omgevingsplan gaan we niet ‘experimenteren’ met milieuruimte. Het uitgangspunt is de wettelijke standaard. Als de ervaringen met het eerste omgevingsplan aanleiding geven kunnen we in de volgende versies van het plan afwijken van de standaardwaarden. De heer VAN HAL wil voorkomen de regels aan te passen zodat men conflicten krijgt (met bestaande bedrijven) en planschade moet uitkeren. Mevrouw

7

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

DEKKERS geeft aan dat planschade onder het omgevingsplan op een heel andere manier loopt dan onder de WRO. Daarnaast is het, omdat een bestemmingsplan geen regels bevat over geluidsbelasting, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten, onmogelijk de huidige regelgeving over te nemen in het omgevingsplan. Deze staan nu in losse milieuwetgeving en komen in het omgevingsplan. De geluids- en milieuzones zijn deels opgenomen in het bestemmingsplan en volgen uit de wet Geluidhinder. Straks komt het hele afwegingskader in het omgevingsplan. Dat wat bedrijven onder het huidige activiteitenbesluit mogen, moeten ze straks onder het omgevingsplan ook blijven kunnen. De wettelijke standaard onder de nieuwe omgevingswet komt in meer of mindere mate overeen met dat wat er nu in het activiteitenbesluit staat. In antwoord op de vraag van de heer HOOGEVEEN inzake bedrijfsvoering van bedrijven die buiten de gemeentegrens vallen en/of bv. geluidsoverlast van de N3/A15 geeft mevrouw DEKKERS aan dat de afweging inzake geluid door infra die niet van de gemeente zelf is maar bijvoorbeeld van provincie of Rijksoverheid. De afweging van de gemeente is of men gevoelige bestemmingen al dan niet toelaat en zo ja, onder welke voorwaarden men dat doet. (Het onderwerp infra is te groot om nu te behandelen.) Regels m.b.t.

milieu inzake bedrijfsmatige activiteiten (café, winkel, supermarkt) kan men in het plan van aanpak van het omgevingsplan opnemen. De heer HOOGEVEEN concludeert dat men alleen standaardwaarden kan definiëren voor bedrijven die binnen de gemeentegrens vallen. Mevrouw DEKKERS bevestigt dat dit in het kader van het PvA juist is. Mevrouw DEKKERS bevestigt de vraag van mevrouw BOKMA of bedrijven die nu een milieuvergunning vanuit de Provincie of het Rijk krijgen dat in de toekomst ook krijgen. De omgevingswet gaat uit van decentraal, tenzij. Deze tenzij wordt onder meer ingevuld door Europees rechterlijke verplichtingen, die Nederland als lidstaat van Europa heeft. Bedrijvigheid die door de Provincie wordt geregeld is het bereik van Europese regelgeving. Inzake het verloop van het vervolgproces geeft mevrouw VAN ‘T VERLAAT aan dat men de Agendacommissie een voorstel wil doen om tussen het vaststellen van het PvA (februari) en voordat het conceptontwerp omgevingsplan (3e kwartaal) wordt opgesteld in de commissie Ruimte (omdat er maar 4 vergaderingen van de commissie omgevingswet zijn) te bespreken of men op de goede weg zit. De VOORZITTER stelt (de Agendacommissie) voor een extra commissie Omgevingswet te plannen. Vragen en antwoorden inzake het Plan van Aanpak: Op de vraag van mevrouw VAN WIJNGAARDEN inzake hoofdstuk 5.2. gemeenteraad we betrekken cie.

OW bij het PvA, informeren, adviseren van te maken keuzes en het accorderen van gekozen uitgangspunten voor het omgevingsplan wie deze punten accordeert en wat de term bruidsschat inhoudt geeft mevrouw DEKKERS aan dat dit min of meer een wettelijke term is waaraan men niet ontkomt. Mevrouw VAN ‘T VERLAAT merkt op dat het voorstel aan de raad is om uitspraak te doen over de uitganspunten die zijn opgenomen in het PvA paragraaf 4.5. Het PvA zelf wordt vastgesteld door het college. Om zeker te weten dat men op de goede weg is wordt aan de raad gevraagd na te denken over de

8

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

nadere uitleg van de regels die in de omgevingsvisie staan en verder uitgewerkt zijn in het PvA. Hierover neemt de raad op 18 februari het besluit. Aansluitend daarop neemt de raad het besluit over het omgevingsplan. (Dit is niet aan de commissie Omgevingswet.) Op de vraag van de heer VAN DEN DOOL of de omgevingswet al controversieel verklaard is en of de datum blijft staan geeft de heer HAGENS aan dat hier deze week over wordt besloten, de voorlopige datum is 1.1.2021. De VOORZITTER concludeert dat er een ambtelijk voorstel richting het college gaat om doelstellingen helder te formuleren en een aantal definities op te nemen. Hij dankt mevrouw Dekkers en de heer Hagens voor hun inbreng. De commissie adviseert aansluitend de onderhavige stukken als bespreekstuk door te leiden naar de gemeenteraad. 04.

Inleiding participatie. Mevrouw VAN OUDENAREN verzorgt een presentatie gevolgd door onderstaande vragen en antwoorden. In antwoord op de opmerking van de heer VAN HAL dat niet iedereen het overal mee eens hoeft te zijn, dat niet alles dat in participatie wordt opgehaald meegenomen hoeft te worden en dat niet iedereen zijn zin kan krijgen en zijn vraag hoe men hiermee omgaat geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat het idee achter participatie is dat men (een initiatiefnemer en de gemeente) aan de voorkant ziet welke belangen er spelen en hoe haalbaar een plan is. Hierbij merkt zij op dat bezwaar en beroep uiteraard buiten kijf staat, maar dat dit door het goede gesprek aan de voorkant voorkomen kan worden. Op zijn vraag wat er gebeurt wanneer de helft voor/tegen is geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat de taak aan de gemeente is hier een afweging in te maken. Het is goed wanneer men participatie toepast vooraf te beseffen dit de uitkomst kan zijn. Duidelijke communicatie over de eigen rol en verwachtingen van bewoners is zeer belangrijk. Mevrouw VERDOORN noemt het belang van duidelijke communicatie over het verloop en de duur van het proces. Tevens vindt zij het belangrijk dat men outreachend optreedt op de plaats waar een initiatief plaatsvindt. Mevrouw VAN OUDENAREN bevestigt dat duidelijke verbinding met belanghebbenden van belang is.

Afhankelijk van het initiatief en de context is outreachend werken een goed idee. Soms werkt een neutralere omgeving beter. Op de vraag van de heer VAN HETEREN of men in Doetinchem en Eindhoven voor de representativiteit van participatie graadmeters heeft bedacht geeft mevrouw VAN OUDENAREN dat dit niet het geval is. Omdat er zoveel verschillende initiatieven mogelijk zijn zou zij adviseren per initiatief te kijken wat er belangrijk is en wie belanghebbenden zijn. In antwoord op de vraag van mevrouw BOKMA of voor vergunningsvrije zaken binnen het omgevingsplan ook participatie moet worden toegepast en hoe dit geborgd wordt geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat dit onder het stimuleren

9

Besluitenlijst Commissie Omgevingswet van 19 januari 2021

van initiatiefnemers valt. Men kan het niet afdwingen maar wel aangeven dat de gemeente het belangrijk vindt dit met de omgeving te bespreken. Het is afhankelijk van de mate van communicatie die de gemeente hiervoor wil inzetten. De heer VAN DEN DOOL vraagt (m.b.t. de voorbeelden van Doetinchem en Eindhoven) hoe de gemeente ermee omgaat als een initiatiefnemer een meter/tool niet invult omdat men hiervan niet op de hoogte is, hoe men dit voorkomt en/of hoe men dit alsnog faciliteert. Mevrouw VAN OUDENAREN geeft aan dat de gemeente in de hoop dat men nog geen officiële vergunning heeft aangevraagd in eerste instantie alsnog op de participatie zal attenderen. Ook als iemand geen participatie heeft toegepast moet de gemeente de aanvraag in behandeling nemen. (De nog vast te stellen lijst van verplichte participatie moet wel worden toegepast.) Op de vraag van de heer VAN HAL of men dit kan meenemen in het omgevingsplan geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat men deze tool in de omgevingscheck kan meenemen, maar dat men wettelijk gezien niet verplicht kan worden participatie toe te passen. De gemeente kan het wel stimuleren. Bij grotere initiatieven weten ontwikkelaars uiteraard dat dit aan de orde is.

Op de vraag van de heer VAN HETEREN hoe de initiatiefnemer weet of men aan participatie heeft voldaan geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat dit te maken heeft met de invloedsfeer van het initiatief. Over het algemeen is men op de hoogte wie men moet informeren. Ook deze zaken kan men in de vorm van tips of checklist in de tool aangeven. In antwoord op de opmerking van mevrouw VAN WIJNGAARDEN over het belang van voorlichting voor de inwerkingtreding en de vraag of alle reeds bestaande initiatieven ook aan het verplichte participatietraject moeten voldoen geeft mevrouw VAN OUDENAREN dat deze onder het overgangsrecht vallen en gelijklopen met de inwerkingtreding van de wet. Er zijn overigens gemeenten die participatie al hebben vastgesteld en vinden dat dit reeds geldt. Op de vraag van mevrouw VAN WIJNGAARDEN hoeveel slagkracht men heeft zolang dit niet in de omgevingswet is vastgelegd geeft mevrouw VAN OUDENAREN aan dat dit afhankelijk is van hoeveel gewicht de gemeente hier zelf aan wil geven. Niets meer aan de orde zijn dankt de VOORZITTER mevrouw Van Oudenaren voor haar inbreng en sluit dit agendapunt.

05.

Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de voorzitter om 23.00 uur de vergadering onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raadscommissie Omgevingswet op 27 mei as.

Mevr. C.G.M. Bus (griffier)

de heer L.J. van Hal (voorzitter)

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/297/documents/5272