CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Actieplan armoede en schuldenproblematiek Papendrecht.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 10 april 2025, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 8: Beleidsplan schuldhulpverlening 2025-2028 - Voorstel12.846 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gratis kinderopvang (voor een aantal dagdelen) zou zorgen voor meer transparantie en eenvoud. De gemeente kan dit zelfstandig invoeren, maar dit is een kostbare maatregel. 4.2.2. Voorschoolse educatie Al voordat kinderen naar school gaan, zijn er een grote hoeveelheid cognitieve en sociale vaardigheden opgebouwd. Dit is te zien in afbeelding 9. Het niet opbouwen van deze vaardigheden kan leiden tot een achterstand die moeilijk in te halen is. Omgekeerd kan het investeren in voorschoolse educatie leiden tot positieve langetermijneffecten zoals een hoger inkomen. Vooral kinderen die in armoede geboren worden, lopen een groot risico op achterstanden en vooral zij zullen, naar verwachting, baat hebben bij investeringen in voorschoolse educatie. Intensieve programma’s voor voorschoolse educatie voor kwetsbare kinderen leiden tot betere uitkomsten op het gebied van onderwijs, gezondheid en arbeidsmarkt, en via deze weg tot 13% hoger inkomen later15.

13

https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2020/06/18/kansrijk-armoedebeleid https://adviezen.raadrvs.nl/gezondheidsverschillen-voorbij/ 15 https://heckmanequation.org/resource/the-heckman-curve/ 14

15 | nieuwe perspectieven

Afbeelding 9: Economische impact van het investeren in educatie Sinds 2015 zijn er drie nieuwe onderzoeken gepubliceerd over het effect van voortijdige voorschoolse educatie (vve) (TK, 2016). Uit deze onderzoeken blijkt dat vve een positief effect heeft omdat kinderen, met name jongens, minder vaak moesten doubleren wanneer zij van vve gebruik konden maken. Met een slag om de arm concluderen de onderzoekers uit het Pre-COOL onderzoek dat de achterstand die kinderen aanvankelijk bezitten, in ieder geval ten dele kan worden weggenomen door een vveprogramma. Het vve-programma compenseert in dat geval de achterstanden in cognitieve en sociale vaardigheden in de thuissituatie. Uit de pilot Startgroepen van Veer et al. 2015 blijkt dat vve-leerlingen een snellere ontwikkeling op reken- en taalkundig vlak ondergaan dan leerlingen die niet deelnemen aan vve. Binnen de gemeente Papendrecht is vve onder andere al een aandachtspunt binnen het onderwijsachterstandenbeleid. De vve is hier toch benoemd omdat, uit onderzoek, blijkt dat dit één van de meest effectieve maatregelen is. 4.2.3. Verkleinen achterstanden taal-, lees- en rekenvaardigheid Onderzoek wijst uit dat kinderen die in armoede leven, significant minder taal-, lees- en rekenvaardig zijn dan leeftijdsgenoten die niet in armoede leven16.

Het verkleinen van achterstanden in taal-, lees- en rekenvaardigheid is een verlengde van de voortijdige voorschoolse educatie. Taal-, lees- en rekenvaardigheid zijn schakels die van armoede op jonge leeftijd naar die op latere leeftijd voert en armoede onder de toekomstige kinderen tot gevolg heeft. Achterstanden op jonge leeftijd leiden tot een lager opleidingsniveau op latere leeftijd en een verhoogd risico op armoede in het volwassen leven 17. Interventies die als doel hebben deze achterstanden bij kinderen in armoede te verkleinen, verzachten de gevolgen van armoede voor kinderen, en vergroten de kansen om later aan armoede te ontsnappen. Deze interventies onderbreken één kanaal waardoor armoede generatie op generatie overgedragen wordt. Daarnaast is deze maatregel toepasbaar in een nieuwe actieagenda. Aandacht voor taal-, lees- en rekenvaardigheid en campagnes zijn erg effectief. 4.2.4. Gezond eten en leven Een deel van de overdracht van armoede van generatie op generatie loopt via achterstanden in de lichamelijke gezondheid. Kinderen in armoede worden geregeld geboren met een lager geboortegewicht, eten minder en minder gezond dan leeftijdsgenoten in een huishouden met een hoger inkomen, zij hebben een groter risico op obesitas, roken vaker in de tienerjaren en hebben een grotere kans op overmatig alcohol- en drugsgebruik18.

Al deze zaken hebben een sterke invloed op de gezondheid op latere leeftijd, de kans op werk met goed inkomen, het bestedingspatroon van hun eigen huishouden etc. Aandacht voor gezond eten in een campagne of pilots met gezond eten op scholen zijn manieren om dit praktisch toepasbaar te maken in de gemeente Papendrecht.

16

https://www.nap.edu/catalog/25246/a-roadmap-to-reducing-child-poverty https://www.researchgate.net/profile/Tuire-Koponen/publication/236862045_Languagebased_retrieval_difficulties_in_arithmetic_A_single_case_intervention_study_comparing_two_children_wit h_SLI/links/580f658a08ae009606bb8556/Language-based-retrieval-difficulties-in-arithmetic-A-single-caseintervention-study-comparing-two-children-with-SLI.pdf 18 https://academic.oup.com/phe/article-abstract/12/2/99/5537721 17

16 | nieuwe perspectieven

4.2.5. Geestelijke gezondheid kinderen. Kinderen die in armoede opgroeien hebben een groter risico op problemen met de geestelijke gezondheid en ontwikkelen vaker gedragsproblematiek dan hun leeftijdsgenoten in niet-arme huishoudens. De financiële problematiek van het huishouden, de tegenslagen die arme kinderen te verwerken krijgen en het onvermogen van (gestreste) ouders om kinderen tegen stress te beschermen, leiden ertoe dat arme kinderen een verhoogd risico lopen om met constante en toxische stress op te groeien 19. Dit leidt tot een geremde hersenontwikkeling, daardoor tot leerproblemen, problemen met de geestelijke gezondheid, gedragsproblemen en allerlei lichamelijke aandoeningen. Voor het voorkomen van intergenerationele armoede is het raadzaam om op jonge leeftijd in bovenstaande situaties in te grijpen. Onlangs is in Nederland met dit doel de interventie ‘Rondom Jong’ gestart, waarbij op lokaal niveau partijen samenwerken om depressie bij jongeren in een vroeg stadium te ondervangen. Hier wordt gepoogd onder andere depressies bij jongeren te voorkomen20 en zo indirect armoede op lange termijn te bestrijden. 4.3. Beleidsopties en hun effecten op de potentiële beroepsbevolking Bij de potentiële beroepsbevolking gaat het om het bestrijden van armoede bij mensen die in ieder geval in potentie snel aan het werk kunnen.

Op die manier deel kunnen nemen aan de maatschappij en in staat zijn om uit de armoede te komen of te blijven. 4.3.1. Actief arbeidsmarktbeleid Actief arbeidsmarktbeleid gaat over het bieden van hulp bij het vinden van (meer uren of beter betaald) werk. Het heeft als doel om de kennis en vaardigheden van de deelnemer te vergroten, zodat diens kans op het vinden van een (betere) baan toeneemt. Deelname aan een re-integratieprogramma kan tijdelijk leiden tot verminderd zoekgedrag als gevolg van het al eerder benoemde lock-in effect. Verschillende studies laten zien dat de effecten van bestaande reintegratiedienstverlening op het vinden van betaald werk beperkt zijn. Er zijn aanwijzingen dat intensieve begeleiding door en persoonlijk contact met klantmanagers, tijdelijke loonkostensubsidies (voor mensen met een ‘lange afstand tot de arbeidsmarkt’) en sancties (voor mensen met een ‘korte afstand tot de arbeidsmarkt’) het meest effectief zijn. 4.3.2. Beloning parttime werken Een andere manier om armoede te verminderen is het verhogen van de bijstand. Gemeenten kunnen dit niet zelf doen, er zijn wel andere beleidsmogelijkheden om mensen in de bijstand een hoger inkomen te laten verkrijgen. Parttime werken naast een uitkering belonen is op verschillende manieren mogelijk. In het huidige beleid wordt parttime werken vanuit een uitkering vrijwel neutraal gecompenseerd.

Dit betekent dat het verdiende loon wordt aangevuld tot het niveau van de uitkering. Binnen de bijstand bestaat wel de vrijlatingsregeling. Als het inkomen lager is dan de bijstandsnorm, mag men 25% (tot 215 euro per maand) van de inkomsten uit werk houden boven op de bijstand. De vrijlating geldt alleen voor mensen van 27 jaar en ouder, en hooguit voor zes maanden. Dit wordt in sommige gemeenten opgevangen door middel van een bijverdienpremie21. Met een bijverdienpremie mogen mensen in de bijstand meer gaan werken zonder dat ze hun recht op bijstand verliezen. Op deze manier gaat werken dus lonen. Deze beleidsmaatregel kost een gemeente wel geld en landelijk gezien worden er wisselende successen geboekt. Een verruiming van de mogelijkheid om inkomen zelf te behouden zou direct tot minder armoede kunnen leiden. Ook zou de prikkelwerking van werken voor het besteedbaar inkomen beter worden. Een nadeel en in feite een uitruil is gelegen in de overheidsfinanciën, al is het effect hierop waarschijnlijk niet groot. 4.3.3. Inzet onderwijs Onderzoek toont aan dat investeren in het vergroten van specifieke (beroeps)vaardigheden door middel van scholing een gunstig effect heeft op (beter) betaald werk en de kans op armoede vermindert.

Wel zijn er aanwijzingen dat degenen die het meest baat zouden hebben bij het volgen van scholing – laagopgeleiden, zelfstandig ondernemers, werknemers met een tijdelijk contract en anderen in een onzekere arbeidspositie –het minst deelnemen aan scholingen22. Het actief promoten van de opleidingen en het zelf aanbieden van opleidingen is dus een goede manier om mensen in de armoede te stimuleren 19

https://www.pnas.org/content/116/15/7244.short https://www.trimbos.nl/aanbod/webwinkel/product/af1682-rondom-jong 21 https://www.amsterdam.nl/werk-inkomen/bijstandsuitkering/bijverdienpremie-parttimewerk/#:~:text=De%20premie%20die%20u%20krijgt,bijvoorbeeld%20de%20huur%2D%20en%20zorgtoeslag. 22 https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-sociale-zekerheid 20

17 | nieuwe perspectieven

zichzelf te ontwikkelen en (beter) betaald werk te krijgen. Bijvoorbeeld door VCA-certificaten, training in sectoren die veel personeel nodig hebben etc. Onderzoek naar de effectiviteit van scholing voor mensen die geen betaald werk hebben of die met hun werk onvoldoende verdienen, laat een gemengd beeld zien. Op korte termijn kan scholing de kans op het vinden van betaald werk verkleinen door het zogenoemde lock-in-effect: door het volgen van onderwijs hebben mensen geen tijd om werk te zoeken. Op de lange termijn heeft scholing wel een klein positief effect, al is er nog weinig bekend over welke vorm van scholing het meest effectief is. Er zijn aanwijzingen dat scholing met name voor werklozen vanaf ongeveer 40 jaar een positief effect heeft op de kans op herintreding23. Meer individueel maatwerk zou moeten worden ingezet om meer resultaten te boeken. Onderzoek onder Duitse werknemers laat zien dat het effect op het inkomen afhankelijk is van de specifieke bedrijfscontext. Werknemers die speciaal door de werkgever zijn geselecteerd voor een training, kunnen eerder rekenen op een loonsverhoging, zeker indien zij werkzaam zijn in grote bedrijven met aandacht voor loopbaanontwikkeling. Vrijwillige deelname aan aanvullende scholing blijkt daarentegen nauwelijks financieel voordeel op te leveren.

Om de scholing van werkenden en werkzoekenden – en daarmee hun duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt – te bevorderen, hebben gemeenten verschillende instrumenten tot de beschikking. Allereerst kan de overheid financiële ondersteuning aanbieden, in de vorm van fiscale maatregelen of vouchers (beide gericht op de werkende) of in de vorm van subsidies (voor de werkgever). In alle drie gevallen blijkt een positief effect op de deelname aan scholing. 4.4. Beleidsopties en het specifieke effect op ouderen Armoede onder ouderen is een steeds groter probleem. Ouderen gaan na hun pensioen terug in inkomen en hebben niet altijd voldoende spaargeld om deze teruggang op te pakken. Daarnaast nemen de zorgkosten over het algemeen toe en is men minder mobiel. Er zijn verschillende beleidsmaatregelen mogelijk om ouderen uit de armoede te halen of houden, een bewezen maatregel is in deze paragraaf toegelicht. 4.4.1. Specifieke zorgkosten laten declareren Specifieke zorgkosten verhogen voor ouderen de maandelijkse lasten. Naast een laag inkomen vormen ook zorgkosten soms een bron van armoede. In de inkomstenbelasting bestaat de ‘Aftrek (specifieke) zorgkosten’. Door het belastingvoordeel zou de armoede door hoge zorgkosten moeten voorkomen. De aftrekregeling zelf is echter complex voor de aanvrager.

Deels is dit doordat alleen bepaalde soorten zorguitgaven boven een bepaalde drempel geheel of slechts deels aftrekbaar zijn. Ook geldt er voor ouderen met een inkomen tot ongeveer 35.000 euro een verhogingsfactor van 113%, waardoor er dus meer afgetrokken mag worden van de belasting dan dat er daadwerkelijk betaald is. Er zijn dus via de belasting meerdere mogelijkheden en een gemeente kan ouderen in de armoede helpen met het (helpen) van het declareren van deze zorgkosten of specifiek voor deze doelgroep ruimere mogelijkheden in de WMO toe te passen. 4.5. Generiek beleid (voor de gehele bevolking) 4.5.1. Tegengaan van discriminatie en verbeteren sociale inclusie Een deel van de mensen die in armoede leven, heeft moeite om werk te vinden en op die manier uit de armoedesituatie te komen. Dit kan te maken hebben met hun opleiding en vaardigheden, of met de beschikbaarheid van werk. Maar dit kan ook te maken hebben met specifieke kenmerken, zoals hun gezondheid of uiterlijk. Zo blijkt dat mensen met fysieke beperkingen minder kans maken om te worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek 24. Een studie onder werkgevers toont aan dat hun bereidheid om mensen met een beperking in dienst te nemen de laatste paar jaar is gegroeid, maar dat dit vooral opgaat in het geval van een lichamelijke of zintuiglijke beperking.

Van de bijstandsgerechtigden die tussen 2015 en 2017 een baan vonden, kreeg bijvoorbeeld maar 11% een vast contract en vond slechts een kwart voltijd werk25. De bereidheid van werkgevers om mensen met een verstandelijke of psychische beperking aan te nemen blijft duidelijk achter. Ook de invloed van uiterlijke kenmerken is in meerdere onderzoeken aangetoond. Zo blijkt uit een Europese studie dat een hogere BMI samengaat met een lager loon, terwijl voor Nederland een positief verband is gevonden tussen lengte en succes op de arbeidsmarkt in termen van functieniveau en huishoudensinkomen. Dit zijn kenmerken waar bewustwording van belang is en 23

https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fpsyg.2016.00191/full https://www.healthaffairs.org/doi/full/10.1377/hlthaff.2014.0160 25 https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2019/11/19/eindevaluatie-van-de-participatiewet 24

18 | nieuwe perspectieven

eventuele campagnes of aandacht hiervoor positieve effecten heeft op de positie van deze mensen. Het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt en het verbeteren van sociale inclusie is een maatregel die de gemeente kan uitvoeren. Bijvoorbeeld door een bewustwordingscampagne te voeren, zelf inclusiever aannamebeleid nastreven en werkgevers bewust maken van de noodzaak tot inclusie. 4.5.2. Verbeteren gezondheid van mensen Zoals eerder benoemd hangt armoede samen met een slechtere fysieke en mentale gezondheid. Aandacht hiervoor is belangrijk. Enerzijds leidt armoede vaak tot een verminderde gezondheid, doordat betrokkenen in slechtere woningen gehuisvest zijn, slechtere voeding eten en stress ervaren. Anderzijds vinden mensen met fysieke of mentale klachten minder gemakkelijk betaald werk, wat nadelig uitwerkt voor hun inkomenspositie. Vaak is hierbij sprake van een ‘selffulfilling prophecy’. Zo blijkt uit onderzoek onder cliënten van de Participatiewet dat bijna twee derde van de bijstandsgerechtigden (62%) naar eigen inschatting niet in staat is om te werken en dat bijna de helft daarvan – 32% van de totale groep – zelfs denkt nooit meer te kunnen werken. Bijna zes op de tien bijstandsgerechtigden (58%) heeft in het laatste half jaar ook geen zoekactiviteiten ontplooid, waarbij zij vooral lichamelijke of psychische klachten als reden noemen26.

Gemeenten zijn van mening dat ruim een derde van de cliënten ook daadwerkelijk niet inzetbaar zijn. Het is daarom niet vreemd dat slechts een beperkt deel van de bijstandsgerechtigden via betaald werk uit de bijstand komen. Van de totale groep stroomt jaarlijks gemiddeld 7,5% vanuit de bijstand naar werk uit. Het bevorderen van de gezondheid van mensen kan dus bijdragen aan het verminderen van de uitkeringsafhankelijkheid en daarmee mogelijk ook van de armoede. Daarnaast is het goed om als gemeente stil te staan bij het feit dat veel mensen zelf denken nooit meer te kunnen werken. Het verbeteren van de mentale gezondheid van mensen kan ook bijdragen aan een grotere arbeidsparticipatie. 4.5.3. Schuldpreventie Zoals eerder beschreven is schuldpreventie een actueel thema. Dit volgt onder andere uit de onderzoeken over de gevolgen van de coronacrisis en de (verwachte) schuldengolf als gevolg van de coronacrisis. Dit leidt ertoe dat gemeenten preventief in kunnen gaan zetten om de (verwachte) schuldengolf te voorkomen.

Maatregelen die voor deze groep genoemd worden zijn 27: • afspraken maken met schuldeisers (over coulance, kwijtschelding, akkoord bij minnelijk traject, collectief schuldregelen, breed schuldenoffensief, noodstop/pauzeknop invoeren); • ervoor zorgen dat vrijwilligers -die door corona en de beperkende maatregelen hun activiteiten geheel of gedeeltelijk moesten staken- snel hun werk weer op kunnen pakken, eventueel digitaal; • vergroten van digitale vaardigheid voor deze doelgroep zodat meer dienstverlening digitaal verzorgd kan worden; • inzetten op snellere schuldsanering (overslaan minnelijk traject, verkorten wsnp, landelijk garantiefonds schuldsanering opzetten); • schulden overnemen/kwijtschelden (publiek-privaat fonds opzetten, overbruggingskrediet opzetten, eenmalig collectief kwijtschelden, verruimen kwijtscheldingsbeleid); • toegankelijkheid minimavoorzieningen en schuldhulpverlening vergroten door verminderen uitsluitingscriteria en versimpeling van de aanvraag. Deze maatregelen kan een gemeente nemen om schulden en armoede te voorkomen. 4.5.4. Vindplaatsen Momenteel loopt er een onderzoek naar bestaande vindplaatsen en de effectiviteit daarvan. Het project wordt onder andere uitgevoerd door de Hogeschool van Amsterdam met financiële ondersteuning van ZonMW.

Het is de bedoeling dat vervolgens mogelijke nieuwe, fysieke en niet-fysieke, vindplaatsen te identificeren.Dit wordt gedaan door met verschillende bestandanalyses van het CBS en van gemeenten inzicht te krijgen in de omvang en samenstelling van de populatie van verborgen armen. In het onderzoek wil men expliciete aandacht besteden aan de groep werkende armen. Doel is om op basis van deze inzichten enerzijds, en de behoeften en ideeën van betrokkenen en gemeenten anderzijds, worden nieuwe vindplaatsen geïdentificeerd en werkwijzen ontwikkeld om de doelgroep te ondersteunen.

26

https://www.inspectieszw.nl/jaarverslag-2019 https://www.kennisbundel.nl/sites/default/files/202101/Rapportage_Armoede_en_schulden_na_corona.pdf 27

19 | nieuwe perspectieven

Het voornaamste doel van het huidige project is beter te begrijpen wie de ‘verborgen armen’ zijn en waarom deze groep geen ondersteuning krijgt. Met de hieruit voortkomende inzichten worden in dit project werkwijzen ontwikkeld die gemeenten en andere relevante actoren kunnen helpen bij het vinden, bereiken en ondersteunen van deze doelgroep. Het is zinvol tussenconclusies te betrekken in de actie-agenda en de uitvoering er van. Tevens is het van belang om met de stakeholders en partners die armoedeproblematiek willen terugdringen, te bezien welke vindplaatsen zij identificeren. 4.6. Kansengelijkheid Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de kansen voor kinderen in Nederland niet overal gelijk zijn. 28 Een lager schooladvies kan bijvoorbeeld samenhangen met arme ouders. Daarnaast krijgen niet-westerse migrantenkinderen vaker een lager schooladvies en volgen minder vaak dan autochtone kinderen havo- of vwo-onderwijs. De kansenongelijkheid groeit als naast het opleidingsniveau ook de etnische achtergrond van ouders de beoordeling van de schoolprestaties van kinderen beïnvloedt. Aandacht voor kansengelijkheid, zowel in het onderwijs als met betrekking tot armoede leidt tot minder armoede in de toekomst. 4.7. Conclusie Uit het deskresearch volgt dat er vele maatregelen mogelijk zijn om schulden te voorkomen en om mensen te stimuleren uit armoede te raken.

Samenvattend kan worden gesteld dat maatregelen ter voorkoming of vermindering van armoede in de volgende categorieën vallen ▪ ▪ ▪ ▪

Verminderen van achterstanden door opleiding (zowel kinderen als volwassenen) Specifieke maatregelen voor doelgroepen in armoede: kinderopvang, zorgkosten Verbeteren (mentale) gezondheid van inwoners Verbeteren sociale inclusie

20 | nieuwe perspectieven

5. Conclusie en aanbevelingen 5.1. Conclusie en aanbevelingen In deze rapportage zijn openbare databronnen gecombineerd met gegevens van de Sociale Dienst Drechtsteden en de gemeente Papendrecht. Deze bronnen geven een historisch beeld van de ontwikkeling van armoede en factoren die armoede beïnvloeden. 5.2. Aanbevelingen Op basis van de conclusies van de data-analyse en deskresearch zijn er enkele oplossingsrichtingen te formuleren. 5.2.1. Eén-ouder-gezinnen en kinderen Binnen de gemeente Papendrecht zijn meer één-ouder-gezinnen dan in andere vergelijkbare gemeenten. Dit is een duidelijke risico-factor voor armoede. Als we kijken naar effectief armoedebeleid dan valt deze groep in zowel de doelgroep ‘kinderen’ als ‘potentiële beroepsbevolking’. Dat betekent dat de beleidsinstrumenten voor die doelgroepen effectief kunnen zijn voor deze groep. Voorbeelden zijn dan kinderopvang vergoeden en voorschoolse educatie. Dat stelt de ouder dan in staat om parttime te werken al dan niet via een re-integratietraject en/of inzetten van loonkostensubsidie (actief arbeidsmarktbeleid). Specifiek zou nog gekeken moeten worden waarom in Papendrecht de uitgaven voor de Stichting Leergeld (SMS Kinderfonds) daalt (afbeelding 7 hoofdstuk 3). Juist voor kinderen in relatie tot één ouder gezinnen is dit een goed instrument. 5.2.2.

Schuldhulpverleningstrajecten Als tweede valt op dat het aantal lopende schuldhulpverleningstrajecten zijn opgelopen. Het is op basis van de ontvangen gegevens niet te zetten of de stijging door zet maar gelet op de corona-crisis en aflopen van de TOZO-regeling is het zeer wel denkbaar dat meer mensen in de financiële problemen zijn gekomen. In die zin zouden de lopende schuldhulpverleningstrajecten nader bezien moeten worden. Hoe worden deze gemonitord en helpen de trajecten ? Ook zou bezien moeten worden wat het effect is: helpt het ? 5.2.3. Werk en re-integratie Verder valt binnen de gemeente Papendrecht op dat het aantal bijstandsuitkeringen relatief hoog is. Niet iedere bijstandscliënt verkeerd in armoede maar het is wel een duidelijke risico-groep. Voor deze groep is met name de beleidsopties voor de potentiële beroepsbevolking van belang. Meer re-integratietrajecten met als doel naar duurzame plaatsing op de arbeidsmarkt. Mogelijk dat hier voor instrumenten als scholing en loonkostensubsidie ingezet zouden moeten worden. 5.2.4. ‘Weet wat je niet weet’ Een ander belangrijk element is de vraag wat weten we niet ? Wat je niet meet of niet bijhoudt, weet je niet maar kan er wel zijn. Een voorbeeld daarvan is de groep ‘werkende armen’.

Deze groep heeft geen bijstandsuitkering en zijn in die zin niet bekend bij de gemeente en Sociale Dienst Drechtsteden terwijl ze wel in armoede kunnen leven. Samenwerking met werkgevers om te kijken naar bijvoorbeeld loonbeslag en signalen die werkgevers ontvangen, kunnen daarbij behulpzaam zijn. Uiteraard geldt dat ook voor andere (maatschappelijke) organisaties zoal kerken, scholen, welzijnsinstelling en sportverenigingen die wel signalen ontvangen maar daar niet exact raad mee weten of op hun manier het beste er van willen maken. 5.2.5. Nadere analyse vindplaatsen Dat vraagt om een nadere analyse van de ‘vindplaatsen’ van mensen die in armoede leven of daar in dreigen te komen. Op die manier kan er ook meer preventief worden gewerkt: voorkomen dat mensen in armoede terecht komen. Die analyse zou met stakeholders en partners gemaakt moeten worden waarbij de meest actuele inzichten van onderzoek naar vindplaatsen betrokken moeten worden.

21 | nieuwe perspectieven

5.3. Nieuwe actie-agenda De volgende stap is om een nieuwe actieagenda op te stellen. Uitgangspunten voor deze actieagenda kunnen de beleidsopties zijn zoals beschreven in hoofdstuk 4. De data analyse werkt hierin ondersteunend door bekend te zijn met de verschillende groepen in de armoede en door doelstellingen te beschrijven waarop gemonitord kan worden. 5.4. Data-actueel houden en sturen op resultaat: KPI’s Het is belangrijk om de data analyse actueel te houden en een vergelijkbaar onderzoek met regelmaat, bijvoorbeeld jaarlijks, uit te voeren. De SDD heeft aangegeven bezig te zijn met het ontwikkelen van verschillende dashboards om continue monitoring te faciliteren, wat ook ondersteunend aan een vervolganalyse kan werken. Deze monitoring kan ingevuld worden met de visie en de begroting van de gemeente Papendrecht. Om dit vorm te geven raden wij aan om Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s), variabelen voor de prestaties van de gemeente, op te stellen. Door gebruik te maken van KPI’s kan de ontwikkeling van de cijfers gekoppeld worden aan het beleid. In de volgende paragraaf wordt een advies gegeven voor mogelijke KPI’s en de voorwaarden waaraan de KPI’s moeten voldoen. Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s) De structuur van een KPI bestaat uit een doel, aandachtsgebieden waarop gestuurd moet worden en het te behalen resultaat.

Hierbij is het belangrijk om deze doelen concreet te maken en aandachtsgebieden te gebruiken waarvan de data beschikbaar is. Bijvoorbeeld, als het doel is om het aantal uitkeringen te verminderen, dan kan er gemonitord worden op financiële cijfers (kosten) en de gemiddelde duur van een uitkering (re-integratie). Om het monitoren van de KPI mogelijk te maken zijn er een aantal aandachtspunten: ◼ ◼ ◼ ◼

structurele beschikbaarheid van de data om de uitvoerbaarheid te waarborgen; data moet betrouwbaar zijn anders geeft de KPI onjuiste stuurinformatie; 0-meting om een vergelijking te kunnen maken; duidelijk doel stellen om de progressie bij te kunnen houden.

Om de uiteindelijke KPI’s vast te stellen, zal meer informatie en overleg plaats moeten vinden, maar om een voorzet te geven aan de hand van de resultaten van dit rapport zijn hieronder een aantal KPI’s voorgesteld: ◼ ◼ ◼ ◼ ◼

percentage eenoudergezinnen; percentage bijstandsuitkeringen; percentage werkloze beroepsbevolking; aantal zzp’ers; aantal in de schuldhulpverlening.

Afbeelding 9: KPI structuur

22 | nieuwe perspectieven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1056/documents/15143