26-06-02.16 Relevant stuk 1. Motivering en regels_TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a_20260323
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Motivering
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Gemeente Overbetuwe Status:
Vastgesteld
Datum:
Maart 2026
IMRO-Idn: NL.IMRO.1734.0410OOSTZndstr1a-VSG1
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Datum Maart 2026
Correspondentieadres Postbus 11 6662 AA ELST
Telefoon 0481 362 300
E-Mailadres info@overbetuwe.nl
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Inhoudsopgave
Motivering
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en beschrijving plangebied 1.3 Huidig juridisch-planologisch regime 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
6
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
8
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
9 9 10 11
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid (spoor)wegverkeer 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Omgevingsveiligheid 5.8 Explosieven 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Flora en fauna 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren 5.14 Gezondheid 5.15 Duurzaamheid
16 16 16 18 18 21 22 23 25 26 27 29 31 32 32 32
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de regels
34 34 34
Hoofdstuk 7
37
Financiële toelichting
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Participatie 8.3 Overleg 8.4 Wijziging van het omgevingsplan 8.5 Beroep
38 38 38 38 38 38
Bijlagen bij motivering Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Vooronderzoek explosieven
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
Bijlage 5
Stikstofdepositieberekening
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
2
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Zandstraat 1a te Oosterhout is een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfswoning aanwezig. De eigenaren van het perceel willen de bestaande bedrijfswoning behouden en als reguliere woning gebruiken. Daarnaast wensen zij één nieuwe woning te realiseren. De agrarische functie wordt niet meer voortgezet en enkele agrarische opstallen worden gesloopt. Het initiatief past niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe, dat op deze locatie van toepassing is. De gemeente wil medewerking aan het initiatief verlenen, omdat dit binnen het beleid past en een ruimtelijke verbetering voor de omgeving oplevert. De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied.
1.2
Ligging en beschrijving plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, nabij de bebouwde kom van Oosterhout. De ligging van het plangebied is op afbeelding 1 aangegeven. De bebouwde kom van Oosterhout ligt ten zuiden, westen en noordwesten van het plangebied en het Nijmeegse gedeelte van Oosterhout ten oosten van het plangebied. De locatie Zandstraat 1a zelf ligt binnen een open agrarisch gebied tussen beide gedeelten van Oosterhout in. Het is de enige solitaire agrarische bedrijfslocatie in dit gebied. Ten noorden van het plangebied is wel een woonperceel gelegen. Voor een uitvoeriger beschrijving van de huidige situatie en de begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar Hoofdstuk 2.
(vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: Google Maps)
1.3
Huidig juridisch-planologisch regime
In het plangebied is op grond van het op 1 januari 2024 ontstane tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan 'Oosterhout' (vastgesteld op 24 augustus 2012) van toepassing. Het plangebied heeft op basis van het genoemde bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch', met een bouwvlak dat het grootste gedeelte van het plangebied beslaat. Ter plaatse van de bestaande woning is de aanduiding 'bedrijfswoning' van toepassing. Tot slot geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in het plangebied.
4
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Oosterhout', onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Plangebied indicatief in rood kader aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De initiatiefnemer wil de bestaande agrarische bedrijfsfunctie beëindigen, maar de bestaande woning behouden. Daarnaast wil deze op het perceel een nieuwe woning met bijbehorend erf realiseren. De agrarische opstallen op het perceel worden daarvoor gesloopt. De realisatie van een nieuwe woning is niet toegestaan volgens de bouw- en gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan. Ook is het wenselijk om de huidige agrarische (bedrijfs)bestemming te wijzigen. Om de gewenste bebouwing en gebruik mogelijk te maken, is daarom een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan nodig. Hierbij is ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan in de vorm van een TAM-omgevingsplan te doorlopen.
1.4
Leeswijzer
Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.
(vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
Het plangebied Zandstraat 1a te Oosterhout bestaat uit de percelen, kadastraal bekend als gemeente Valburg, sectie L, nummer 1292 en 2866. In afbeelding 3 is de begrenzing van het plangebied indicatief aangegeven en is de huidige situatie in het plangebied en de directe omgeving zichtbaar. Het plangebied ligt nabij de noordelijke en oostelijke dorpsrand van Oosterhout en is via een doodlopende weg vanaf de Zandstraat toegankelijk. Rondom het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig, die deel uitmaken van een open landschap. Aan de west-, zuid- en oostzijde wordt dit open landschap begrensd door ‘groene’ achterkanten van de planmatige uitbreidingen van Oosterhout, de Waalsprong en het historische bebouwingslint van de Dorpsstraat. Ten noorden van het plangebied op enige afstand bevindt zich een tweede solitaire woonerf met tevens opgaande beplanting. Ten zuiden van het plangebied, tussen de Nijmeegse en Overbetuwse delen van Oosterhout in, bevindt zich het bungalowpark Tergouw. Tot slot is ruim 100 meter ten oosten van het plangebied een watergang aanwezig.
Afbeelding 3: huidige situatie en indicatieve begrenzing plangebied (bron: Google Maps) Het plangebied zelf beslaat het erf aan de Zandstraat 1a met de daarop aanwezige bestaande bebouwing. Dit erf ligt als een ‘groen’ eiland omsloten door agrarische graslanden. De omliggende gronden zijn in het verleden als akkers in gebruik geweest. Vanaf 2013 zijn de agrarische gronden rondom het plangebied in gebruik als grasland en grazen er koeien van de lokale agrariër. De agrarische activiteiten in het plangebied zelf zijn beëindigd. Op het erf staat een woning, evenals enkele oude schuren. Op de topografische militaire kaart van ca. 1868 is de boerderij al zichtbaar. De woning kent een tuin die omgeven wordt door vooral niet streekeigen beplanting (coniferen). Het erf zelf heeft een groene uitstraling met enkele (fruit)bomen en een waardevolle eikensingel aan de zuidzijde. Op de noord- oostelijke perceelsgrenzen staan
6
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a restanten (opschot) van oude Italiaanse populieren. Het erf wordt ontsloten, via een ingetogen landelijke toegangsweg (karrespoor), aan de zuidzijde van het plangebied. Het plangebied is bereikbaar door middel van erfdienstbaarheid via de toegangsweg. De uitrit sluit aan op de kruising Zandstraat-Onderijen. De foto's in afbeelding 4 geven een beeld van de huidige situatie.
Afbeelding 4: foto's huidige situatie (Bron: Oostzee)
(vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer heeft de agrarische bedrijfsfunctie reeds beëindigd en wil het erf gebruiken ten behoeve van wonen. Daarbij wordt de bestaande woning behouden en opgeknapt. De agrarische opstallen op het perceel worden gesloopt (ca. 600 m²). De sloop van deze bebouwing maakt ruimte voor de realisatie van één extra woonperceel aan de zuidelijke en oostelijke kanten van het plangebied. Op deze manier ontstaan twee kleinschalige woonerven met elk een vrijstaande woning en bijgebouw, zie afbeelding 5. Het erf wordt als een samenhangend geheel ontworpen en het ligt rondom een gemeenschappelijk erf dat ontsloten wordt door één gezamenlijke inrit ter plaatse van de bestaande toegang. Het beeld in de toekomst sluit aan bij de traditionele opzet van een erf. Er is sprake van een denkbeeldige scheiding tussen ‘voor‘ en ‘achter‘. De scheiding tussen het oorspronkelijke ‘wonen’ en ‘werken’ van oudsher. Er is sprake van één hoofdgebouw en verschillende bijgebouwen. Het hoofdgebouw staat ‘voor‘ en betreft de bestaande boerderij. De bijgebouwen staan ‘achter‘ en betreft o.a. de nieuwe woning. De nieuwe woning krijgt de uiterlijke verschijningsvorm van een schuurwoning, met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 8 meter. De inhoud is maximaal 600 m³. Op het gemeenschappelijke erf kan worden geparkeerd.
Voor de toekomstige situatie is een landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan opgesteld. Dit is in Bijlage 1 bij de regels opgenomen. In paragraaf 4.3 wordt nader toegelicht dat de beoogde inrichting en inpassing passen binnen het landschapsbeleid van de gemeente. Met de beoogde erfopzet en landschappelijke inpassing en inrichting, wordt het huidige karakteristieke groene en besloten erf gehandhaafd en krijgt het perceel een passende nieuwe functie.
Afbeelding 5: inrichting plangebied in de toekomstige situatie (bron: Oostzee)
8
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief zijn er in principe geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de omzetting van een agrarische bedrijfslocatie tot twee kleinschalige woonpercelen op een solitair gelegen erf nabij de bebouwde kom, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening woren gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Beoordeling en conclusie Het plan ziet toe op de realisatie van één extra woning en een omzetting van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonfunctie. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de realisatie van één extra woning geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan.
(vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
4.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst.
Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden een extra woonperceel te realiseren. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2024. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Beoordeling Uit toetsing aan de Omgevingsverordening komen de volgende relevante thema's en regels naar voren. Wonen Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. In paragraaf 4.3 wordt hieraan nader getoetst. Het plan past binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan deze instructieregel wordt voldaan.
Gelderse streek Over-Betuwe Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.
10
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd: 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen. 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt. 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing. 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement. 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge.
Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief. 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20 e eeuw. 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden. 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde). 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek. Toets Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Oosterhout, in een open agrarisch gebied dat als landschappelijke buffer tussen de verstedelijkte gebieden rondom Oosterhout dient. Hoewel dit gebied niet één van de grote open komgebieden binnen Over-Betuwe is, is het wel wenselijk dat dergelijke open bufferzones gehandhaafd worden. De realisatie van twee woonpercelen op het bestaande agrarische bedrijfsperceel doet aan deze kenmerken/kwaliteiten geen afbreuk. De realisatie van kleinschalige erven draagt bij aan het contrast tussen de open en besloten gebieden. Het plan voldoet aan het gestelde in artikel 5.41 van de Omgevingsverordening.
4.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen: 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied. 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied. 3.
Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren. 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft.
(vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a Beoordeling Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe, op kort afstand van de bebouwde kom van Oosterhout. Oosterhout is een lint-dorp, waar kleinschaligheid en een dorps karakter kenmerkend zijn. Om het dorp heen zijn de uiterwaarden, het agrarisch landschap en de groene buffers naar de Waalsprong en Park 15 belangrijk en kenmerkend. Het plangebied ligt in de genoemde buffer naar de Waalsprong. In het buitengebied worden door de gemeente zeven deelgebieden met verschillende ontwikkelmogelijkheden onderscheiden. De ambities per deelgebied zijn in de Omgevingsvisie geformuleerd. Het plangebied is in de huidige situatie herkenbaar als een groen eiland binnen de open groen buffer tussen Oosterhout en de Waalsprong, vanwege de bestaande landschapselementen aan de randen van het erf. In de toekomstige situatie blijft dit zo. Het behoud van dit contrast tussen kleinschalige erven en grootschaligere open gebieden past binnen het gemeentelijke landschapsbeleid (zie hierna onder het kopje 'Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe'). Er wordt een qua functie en omvang passende nieuwe functie gerealiseerd op de voormalige agrarische bedrijfslocatie. Overtollig agrarisch vastgoed wordt daarbij gesloopt.
De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met de kenmerken van de omgeving en past bij de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie. Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP) In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen: In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten); Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen; Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.
Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in het deelgebied 'Betuws Bedrijvenpark' (deelgebied 11). Voor dit deelgebied zijn de volgende relevante gebiedsspecifieke opgaven/doelstellingen geformuleerd: In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten); Behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen; Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; en Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland. In het kader van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit is opgenomen in Bijlage 1 bij deze motivering. Hieronder is dit plan weergegeven (afbeelding 6).
12
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Afbeelding 6: landschappelijke inpassing en inrichting plangebied (bron: Oostzee) Bij de totstandkoming van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de kenmerken en kwaliteiten van de omgeving van het plangebied en met de doelstellingen uit het LOP. Concreet zijn in het plan de volgende landschappelijke inpassings-/ inrichtingsmaatregelen opgenomen (nummering verwijst naar afbeelding 6): Solitaire streekeigen bomen (nr. 1); Hoogstam boomgaarden bij beide toekomstige woonpercelen als kleinschalig landschapselement met cultuurhistorische waarde (nrs. 2 en 3);
(vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a Robuuste struweelhagen aan twee randen van het erf, waarmee het erf als groen eiland binnen het open landschap herkenbaar blijft (nrs. 4 en 5); Diverse lagere knip- en scheerhagen aan de randen van de twee erven (nrs. 6 tot en met 9). Met deze inpassing- en inrichtingsmaatregelen ontstaan binnen het plangebied twee kleinschalige woonpercelen rondom een collectief centraal erf. De erfopzet past bij de traditionele opzet van een boerenerf. Het plangebied blijft als kleinschalig groen cluster binnen het open agrarische gebied herkenbaar. Het contrast tussen kleinschaligheid en openheid wordt hiermee behouden. Door de toevoeging van streekeigen beplanting verbetert ook de ecologische waarde.
Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP. Beleidsregel 'Functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied' In 2008 is de beleidsregel 'functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied' opgesteld. Deze bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied. Het uitgangspunt hierbij is een reductie aan bebouwing van minimaal 50%. Beoordeling en conclusie Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen. De beleidsregel is in beginsel op een dergelijke ontwikkeling van toepassing. Het plangebied ligt echter binnen een zone rondom de kern Oosterhout, waarop deze beleidsregel niet van toepassing is. Woonagenda Overbetuwe 2025 en Woondeal Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 1.0 en 2.0 In de Woonagenda 2025 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een uitgangspuntennotitie opgesteld. Daarnaast vonden woningmarktanalyses en gesprekken plaats met stakeholders bij de voorbereiding van de Woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt.
Centraal staat dat de gemeente over voldoende woningen met de juiste kwaliteit wil beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief. De Woonagenda omvat vier centrale thema's: Voorraadstrategie: nieuw en bestaand; Verduurzaming en koppelkansen; Bijzondere doelgroepen en woonvormen; Wonen en zorg. Elk van deze thema's is nader beschouwd in de Woonagenda. De woningbehoefte voor de gemeente Overbetuwe in de periode 2019-2030 is minstens 2.000 woningen. De woningbouwproductie blijft achter bij deze groei. In kwalitatief opzicht is van belang dat betaalbaar wonen onder druk staat. Dit heeft verschillende oorzaken. De gemeente werkt in de Woonagenda toe naar een streefprogramma in de woningbouwprogrammering om de woningmarkt beter in balans te krijgen. Hierin wordt ook rekening gehouden met de veranderende woningvraag door bekende trends, zoals het toenemende aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder. In de op 8 maart 2023 vastgestelde Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen zet de regio in op: Een gezonde woningmarkt met een woningtekort van 2% in 2030.
Conform de provinciaal bestuurlijke afspraak zet de regio in op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030 en richting 2040 zo’n 55.000 woningen. Circa 20.000 van deze woningen worden gerealiseerd in 3 grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties: Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone en de Spoorzone Arnhem Oost en 17.000 woningen in de 17 andere focusgebieden. Ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen.
14
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a Beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie ‘meer landschap meer stad’. Deze Woondeal is de opvolger van de Woondeal Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 1.0 (2020).
Op dit moment is er voor de periode tot en met 2030 voldoende plancapaciteit van minimaal 48.000 woningen, waarvan 13.800 woningen harde plancapaciteit. Deze plancapaciteit ligt geleidelijk boven 130% van de geambieerde nieuwbouw van 33.000 woningen. Daarmee is er in theorie voldoende plancapaciteit en zijn er mogelijkheden om eventueel een grotere productie te realiseren ten behoeve van een toenemende woningbehoefte. Partijen focussen op gebieden waar een groot aandeel van de regionale productie moet komen. Deze focus moet eraan bijdragen dat de woningproductie in de regio voldoende omvang heeft. De gemeente wil een extra bijdrage leveren aan de versnellings- en groeiopgave vanuit de Woondeal. Dit gaat om een nog nader te bepalen aantal woningen, waarbij gedacht wordt aan circa 3.000 à 4.000 extra woningen in het middengebied (Overbetuwe en Lingewaard). Beoordeling en conclusie Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van één extra woning mogelijk. De gemeentelijke woningbouwopgave op basis van de regionale afspraken, die in de Woonagenda is vertaald, is met de reeds gerealiseerde woningen en harde plancapaciteit nog niet ingevuld. Het toevoegen van één extra woning past binnen de kwantitatieve woningbouwopgave van de Woonagenda en de regionale Woondeals. Het plan betreft de herontwikkeling van een agrarische bedrijfslocatie dircet nabij de bebouwde kom.
Dit is een ontwikkeling die ruimtelijk en functioneel wenselijk is en bijdraagt aan de omgevingskwaliteit (landschappelijk en wat betreft het woon- en leefklimaat). Door de ligging direct nabij de bebouwde kom is het plangebied een geschikte woonlocatie. Bovendien past het benutten van het bestaande bouwperceel bij het uitgangspunt om bestaande locaties beter te benutten.
(vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Beoordeling en conclusie In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden.
Gezien de omvang en locatie kan de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de realisatie van slechts één extra woning nabij de bebouwde kom, niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Geluid (spoor)wegverkeer
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
16
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Geluidbronsoorten
Standaardwaarde
Rijkswegen en provinciale wegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen
55 Lden
Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Beoordeling Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt een nieuw geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt, namelijk een woning. Het plangebied ligt echter niet in de omgeving van doorgaande wegen. De meest nabij gelegen wegen in de omgeving zijn de Zandstraat en De Onderijen op circa 100 meter afstand. Dit betreffen lokale wegen met een beperkte verkeersintensiteit. De Dorpsstraat ligt op circa 150 meter afstand. Gezien de afstand van de woningen ten opzichte van de omliggende wegen en de daarop bekende verkeersintensiteiten, is de verwachting dat binnen het gehele plangebied ruimschoots aan de standaardwaarden wordt voldaan en het plangebied buiten een geluidaandachtsgebied ligt. Spoorwegen zijn in de omgeving niet aanwezig. Nader onderzoek of aanvullende maatregelen zijn niet nodig. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
(vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Beoordeling Grenswaarde Het plangebied valt niet in één van de aandachtsgebieden voor zowel NO 2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO 2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied. Uit raadpleging van het CIMLK-instrument blijkt dat de achtergrondwaarden op de rekenpunten in de omgeving van het plangebied aanzienlijk lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Invloed plan op luchtkwaliteit De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
Het plan voorziet in de realisatie van slechts één extra woning. Een bestaande agrarisch bedrijfslocatie verdwijnt. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Activiteiten en milieuzonering
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
18
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de wijziging van een milieubelastende activiteit (agrarisch bedrijf) naar een milieugevoelige activiteit (wonen).
Deze wijziging is met het oog op het aspect activiteiten en milieuzonering van belang. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en agrarische gronden aanwezig. De enige functies in de omgeving, waarvan een relevante milieubelasting te verwachten is, betreffen de volgende functies: Maatschappelijke bestemming Dorpsstraat 50, circa 100 meter westelijk van de woonpercelen; Kerk Dorpsstraat 54, circa 115 meter ten (noord)westen van het plangebied; Grondgebonden agrarische bedrijfslocatie Dorpsstraat 56, circa 100 meter (noord)westelijk van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de toegestane en feitelijk mogelijke activiteiten ter plaatse, zijn er op een afstand van minimaal 100 meter van deze locaties geen relevante milieueffecten te verwachten in het plangebied. Daarbij komt dat er nabij de genoemde functies bestaande woningen op kortere afstand aanwezig zijn. Onevenredig negatieve effecten op het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied kunnen daarom worden uitgesloten. Ook levert de wijziging van het omgevingsplan geen belemmeringen voor de betreffende functies en activiteiten op. Spuitzones Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. Van deze afstand kan gemotiveerd worden afgeweken. Het plangebied wordt omgeven door agrarische gronden. Deze zijn sinds 2013 niet meer in gebruik geweest als teeltgrond en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is daarmee al geruime tijd niet aan de orde (geweest). Dit betekent dat er in de huidige feitelijke situatie geen sprake is van belemmeringen of gezondheidsrisico's in dit opzicht. Op basis van de ter plaatse geldende bestemming 'Agrarisch' (bestemmingsplan 'Oosterhout', dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan) is een gebruik anders dan voor weidegang, waarbij gebruik kan worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen met risico's voor de gezondheid, echter niet geheel uitgesloten. Met het oog op de huidige stand van zaken in de jurisprudentie en de strekking van het voorzorgsbeginsel, kiest de gemeente ervoor om in dit TAM-omgevingsplan nadere regels te stellen, die verandering naar agrarisch gebruik waarbij gebruikt wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen pas mogelijk maken na het uitvoeren van locatiespecifiek onderzoek.
Hiertoe wordt in het omgevingsplan een zone opgenomen van 50 meter rondom de woonfunctie van het plangebied, waar de desbetreffende regeling in lijn met het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' wordt opgenomen. Op deze wijze wordt voorkomen dat in de toekomst alsnog gezondheidsrisico's kunnen ontstaan. De toepassing van deze methode is in recente jurisprudentie geaccepteerd (ABRvs 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4506). Van belang hierbij is dat, naast het belang van het voorkomen van
(vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a gezondheidsrisico's en het belang van de planologische wenselijkheid van het initiatief, tevens rekening moet worden gehouden met de belangen van de eigenaar/eigenaren van de betrokken gronden. De zone reikt in dit geval gedeeltelijk over gronden binnen het plangebied en gedeeltelijk buiten het plangebied. Wat betreft eerstgenoemde gronden is er geen sprake van een onevenredige belemmeringen, omdat dit gronden van de initiatiefnemer betreft. Deze gronden worden ingericht met landschappelijke/ecologische inrichtingselementen. Van bedrijfsmatige agrarisch gebruik zal hier geen sprake meer zijn. De gronden rondom het plangebied zijn, zoals reeds aangegeven, sinds 2013 niet meer in gebruik geweest als teeltgrond en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is daarmee al geruime tijd niet aan de orde (geweest). Er zijn ook geen concrete voornemens om het huidige gebruik te wijzigen. Daarnaast leidt het opnemen van de betreffende zone ertoe dat slechts een relatief beperkt deel van de agrarische gronden niet zonder meer naar ander agrarisch gebruik omgevormd kan worden. Er blijven, zowel op de gronden binnen de opgenomen zone als daarbuiten, voldoende planologische gebruiksmogelijkheden over voor een doelmatig agrarisch gebruik.
Al met al worden de belangen van de eigenaar van de betrokken gronden dus niet onevenredig aangetast. De wijziging van de voormalige agrarische bedrijfsbestemming naar twee woonpercelen is, gezien de voorgaande overwegingen, verantwoord. Bovendien leidt deze niet tot een onevenredige beperking voor de omliggende agrarische percelen. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering, inclusief het aspect spuitzones van agrarische percelen, staat de uitvoering van het plan niet in de weg en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
20
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
5.5
Geurhinder
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van een nieuw geurgevoelig gebouw mogelijk.
Er worden geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt, maar juist een geurbelastende functie (agrarisch bedrijf) in planologische zin beëindigd. In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Ten noorden van het plangebied zijn in het bebouwingslint van de Dorpsstraat zijn wel enkele grondgebonden agrarische bedrijven gevestigd. De afstand tot het plangebied bedraagt minimaal 135 meter en er zijn ten opzichte van deze veehouderij tussenliggende en omliggende bestaande geurgevoelige objecten aanwezig op kortere afstand. Het is hierdoor uitgesloten dat de omgevingsplanwijziging tot onevenredige belemmeringen voor deze agrarische bedrijven leidt. Daarnaast kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Conclusie Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
(vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
5.6
Bodem
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk, evenals een omzetting van de agrarische bedrijfsfunctie naar wonen. Hiermee is er sprake van een nieuw bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in Bijlage 2.
Hierna worden de resultaten van het onderzoek besproken. Zowel in de boven- als ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen, met uitzondering van licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en/of PAK. De gemeten gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en benzeen gemeten. Ook deze concentraties geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Er is tevens onderzoek naar asbest in grond uitgevoerd. Ter plaatse van enkele druppelzones is asbest aangetoond, maar dit betreft gehalten die de interventiewaarden niet overschrijden. Bij één druppelzone wordt deze waarde in geringe mate overschreden. Het uitvoeren van nader onderzoek wordt hier echter niet zinvol gevonden, omdat het verontreinigingsbeeld voldoende is vastgesteld. Daarnaast is in één mengmonster asbest aangetoond, maar dit ligt ruimschoots onder de normwaarde voor nader onderzoek. De aangetoonde gehalten asbest vormen geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan of voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.
22
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
5.7
Omgevingsveiligheid
Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Aan de Zandstraat 1a te Oosterhout is een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfswoning aanwezig. De eigenaren van het perceel willen de bestaande bedrijfswoning behouden en als reguliere woning gebruiken. Daarnaast wensen zij één nieuwe woning te realiseren. De agrarische functie wordt niet meer voortgezet en enkele agrarische opstallen worden gesloopt. Inventarisatie van risicobronnen Op basis van de Signaleringskaart externe veiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 8 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
(vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a
Afbeelding 8: externe veiligheidsrisico's De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied gelegen. Een nadere verantwoording van het groepsrisico kan op basis daarvan achterwege blijven. Buisleidingen Het plangebied ligt op ca. 500 meter ten zuiden oosten van tweehogedruk aardgastransportleidingen (A-524, A-533). Op basis van de regeling basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de risicobronnen niet over het plangebied ligt. Dit betekent dat wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde zoals genoemd in artikel 5.7 en 5.11 van het Bkl. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het brandaandachtsgebied van de twee aardgastransportleidingen. Om deze reden dient het groepsrisico verantwoord te worden zoals omschreven in artikel 5.15 van het Bkl. Transportroutes Er zijn geen risicovolle transportroutes, waar gevaarlijke stoffen over worden getransporteerd, in het plangebied of in de nabijheid gelegen. Op basis hiervan is een verantwoording van het groepsrisico niet benodigd. Verantwoording groepsrisico Voor het groepsrisico geldt, in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, geen grens- of standaardwaarde. Het groepsrisico moet daarentegen verantwoord worden.
Zowel de ontwikkellocatie als de eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen moeten worden overwogen vanuit het oogpunt externe veiligheid. Daarnaast is er altijd sprake van een restrisico, hoe klein de kans op een ongeval ook is. Dit restrisico betreft het optreden van een scenario met gevaarlijke stoffen waarbij een groep personen komt te overlijden. Ook het accepteren van dit restrisico is onderdeel van de groepsrisicoverantwoording. Het voorgenomen initiatief is gelegen binnen een brandaandachtsgebied. Dit betekent dat de aanwezigen in het gebouw bij het onbedoeld vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen komen te overlijden als gevolg van het volgende scenario: brand. Volgens artikel 5.15 lid 2 onder b van het Bkl
24
(vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e Oosterhout, Zandstraat 1a moeten daarom de volgende aspecten worden afgewogen: 1. Maatregelen ter bescherming van personen in het gebouw, of; 2. Mogelijkheden om het aantal aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in het gebouw te beperken. De ontwikkeling ligt op relatief grote afstand van de buisleidingen. Daarnaast gaat het om een ontwikkeling met een zeer beperkt aantal personen. Daarom wordt aangenomen dat deze ontwikkeling geen belangrijke bijdrage heeft aan de hoogte van het groepsrisico. Aanvullende maatregelen zoals beschreven in artikel 5.15 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn niet nodig. Volgens artikel 5.2 Bkl moet voor deze ontwikkeling beoordeeld worden of: 1. Er voldoende mogelijkheden zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van de relevante scenario's door de hulpdiensten (bestrijdbaarheid); 2. Er voldoende mogelijkheden zijn voor de personen in het gebouw om zich in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid), en; 3. De mogelijkheden voor geneeskundige hulpverlening. Bestrijdbaarheid Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van de ontwikkeling. Zelfredzaamheid Brand Personen zijn na het ontstaan van een fakkelbrand in eerste instantie op zichzelf en anderen aangewezen.