CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

26-02-24.02 Relevant stuk 3. Ruimtelijke onderbouwing

Voorronde Zaal 1 10 februari 2026, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Voorbereidende vergadering Ontwerp-omgevingsvergunning "Boltweg 2, Heteren"7.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke Onderbouwing Boltweg 2, Heteren Gemeente Overbetuwe

Gegevens over het plan: Plannaam: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:

Boltweg 2 Heteren Ontwerp 18 maart 2024 52.90.19

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Betrokken gemeente:

Dhr. C. Bionda Overbetuwe

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem Telefoon: E-mail: Internet:

2

Mevr. M. Schuijl Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl

Boltweg 2 Heteren

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3

7 7 7 7 8 8 9 11 11 12 13 17 17 20 22 23 24 25 26 26 26 26

Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging projectgebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Procedure Inspraak en overleg Van ontwerp naar vaststelling Kaders afwijken bestemmingsplan

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Boltweg 2 Heteren

27 Landschappelijke inpassing Digitale watertoets Voortoets stikstofdepositie

29 31 33

3

4

Boltweg 2 Heteren

Ruimtelijke onderbouwing

Boltweg 2 Heteren

5

6

Boltweg 2 Heteren

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het initiatief

Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Boltweg 2 te Heteren een nieuw gebouw ten behoeve van caravanstalling te realiseren. Om deze ontwikkeling tot stand te brengen, voorziet onderhavig initiatief in een verschuiving van bouwrecht van de noordkant van het projectgebied naar de zuidkant. Deze ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief gewenst is en passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan deze ontwikkeling. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aam de Boltweg 2 te Heteren, in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Ligging projectgebied ten opzichte van omgeving (bron: openstreetmap.org)

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.

Boltweg 2 Heteren

7

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het projectgebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, ten oosten van de kern Heteren. De locatie wordt ontsloten door de Boltweg, die een rechtstreekse verbinding vormt tussen Heteren en het oostelijker gelegen Driel. Aan deze weg bevinden zich enkele (agrarische) bedrijfslocaties en woningen. Het perceel bevindt zich op de grens tussen de oeverwal en het kommenlandschap. Hier liggen grote blokvormige kavels, omringd door diepe sloten. De kleiige grond is vruchtbaar en de reden dat in dit gebied veel agrarische grondbewerking is. Vanuit vroeger was hier veel (fruit)bomenteelt. Op de projectlocatie is in de huidige situatie al geruime tijd (meer dan 20 jaar) een bedrijf ten behoeve van de opslag van caravans gevestigd. De caravans worden 2 keer per jaar opgehaald en teruggebracht. Voor deze opslag bevinden zich op het terrein een viertal schuren, welke centraal gelegen zijn op het erf. Daarnaast bevindt zich op de locatie een bedrijfswoning. Deze bevindt zich ten noorden van de schuren, georiënteerd op de Boltweg. Parkeren vindt in de huidige situatie plaats op eigen terrein. Het erf wordt omringd door hagen en struiken, waarmee de locatie een grotendeels beschut karakter heeft. Aan de noord- en oostzijde van het perceel ligt een watergang. Navolgende afbeelding geeft de situatie globaal weer.

Luchtfoto projectgebied (bron: kadastralekaart.com)

8

Boltweg 2 Heteren

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het projectgebied een nieuw gebouw ten behoeve van de opslag van caravans te realiseren. In de toekomstige situatie biedt de nieuwe stalling ruimte voor het stallen van circa 65 caravans. Om deze ontwikkeling te realiseren, voorziet het initiatief in een verschuiving van bouwrecht van de noordkant van het projectgebied naar de zuidkant ervan. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.3. Het gebouw is beoogd aan de zuidkant van de bestaande schuren en kent een omvang van circa 990 m2. De bestaande bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning blijven behouden. Aan de frequentie waarmee de caravans worden opgehaald verandert als gevolg van het initiatief niets. De locatie wordt landschappelijk ingepast, zoals zichtbaar is in bijlage 1. Onderdeel van deze inpassing betreft het ontwikkelen van een kruidenrijke rand ten zuiden van de houtsingel. Hiermee wordt aangezet tot natuurlijke mantel- en zoomvegetatie. Deze variatie in het landschap is bevorderlijk voor de biodiversiteit. Aan de noordzijde wordt naast de woning een boomgaard met hoogstamfruitbomen voorwaardelijk verplicht, omringd door een lage haag. De haag is passend bij het landschap en ontneemt de nieuwe loods uit het zicht. Daarnaast blijven de waterbergingsvoorzieningen aan de noord- en oostkant van het perceel behouden.

Het terrein blijft op dezelfde wijze ontsloten als in de huidige situatie. Parkeren vindt in de toekomstige situatie nog altijd plaats op eigen terrein. Navolgende afbeelding geeft de beoogde situatie weer.

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Buro SRO)

Boltweg 2 Heteren

9

Impressie toe te voegen gebouw (ontwerp: C. Bionda)

10

Boltweg 2 Heteren

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Met de komst van de NOVI is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) komen te vervallen.

Strategisch relevante delen van de SVIR zijn echter opgenomen in de NOVI en gelden daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI. Daarnaast stelt het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro stelt regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen kan inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro staan regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.

Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro, artikel 3.1.6 onder 2. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Boltweg 2 Heteren

11

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek Gebiedsgericht Het projectgebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro. Het initiatief raakt daarmee geen rijksbelangen. Ladder duurzame verstedelijking Met onderhavig initiatief wordt een bestaande stedelijke functie (bedrijfslocatie) uitgebreid. Uit jurisprudentie blijkt dat voor dit type functies bij uitbreidingen vanaf 500 m2 gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Omdat de toe te voegen bebouwing deze norm overschrijdt, dient voor onderhavig initiatief de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte Onderhavige ontwikkeling vloeit voort uit een concrete vraag naar meer bedrijfsruimte van het bestaande caravanstallingsbedrijf.

Daarmee voorziet het initiatief bij voorbaat in de aanwezige kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Locatie De ontwikkeling vindt plaats op gronden die grenzen aan het reeds bestaande caravanstallingsbedrijf. Vanuit bedrijfskundig opzicht is uitbreiding van het bedrijf op gronden grenzend aan het huidige bedrijf gewenst. Tevens wordt het initiatief landschappelijk ingepast. De locatie is daarmee geschikt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het initiatief is passend binnen het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is vervolgens diverse malen geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

12

Boltweg 2 Heteren

Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planspecifiek De provinciale Omgevingsvisie en -verordening voorzien niet in specifieke regels ten aanzien van onderhavig initiatief. In algemene zin kan gesteld worden dat het initiatief, door te voorzien in de behoefte naar een extra bedrijfsgebouw op deze locatie, voorziet in een versterking van een aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat. Het initiatief is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie en -verordening. Conclusie Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

Boltweg 2 Heteren

13

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven: 1. Vitaal buitengebied in beweging Agrarisch gebruik is een belangrijke en karakteristieke functie in het buitengebied. Omgaan met trends zoals digitalisering, verstedelijking en klimaatverandering zijn uitdagingen die het buitengebied in beweging brengen. Om alle belangen een plek te kunnen geven, moeten de gemeente meer durven te differentiëren. 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap Aangezien ondernemers te maken hebben met economische en technologische ontwikkelingen moet er goed omgegaan worden met deze veranderingen. Dit gebeurt onder andere door de bereikbaarheid van werklocaties op orde te houden of mogelijkheden aan bedrijven te bieden om zich te vestigen in of te verplaatsen binnen de gemeente. 3. Samen werken aan energietransitie De gemeente wil samen met partijen werken aan de energietransitie in Overbetuwe. 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving Van belang is dat bijgedragen wordt aan efficiënt ruimtegebruik, kwaliteit groen in de kernen wordt behouden en toegevoegd (klimaatbestendig, natuurlijke diversiteit) en dat er meerwaarde wordt gecreëerd door aan te vullen op de bestaande woningvoorraad. 5. Netwerk verbonden met samenleving Fysieke en sociale netwerken zijn in Overbetuwe van groot belang. Op beide vlakken wil de gemeente vraag en aanbod goed met elkaar verbinden. 6.

Voorzieningen geclusterd Vitaliteit van en toegang tot voorzieningen vraagt aandacht. Digitalisering en schaalvergroting maken dat de gemeente werkt aan een voorzieningenaanbod dat (blijvend) moet passen bij de behoefte en karakteristiek van de dorpen. Planspecifiek De gemeente Overbetuwe hecht vanuit het kernpunt 'Innovatieruimte voor ondernemerschap' belang aan het genereren van ruimte voor toekomstgerichtheid en innovatie voor bedrijven. Met het initiatief wordt het bedrijfsvloeroppervlak van een bestaand bedrijf vergroot. Hiermee wordt voorzien in een concrete behoefte naar bedrijfsruimte. Het initiatief is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie. 3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan 'Samen werken aan het landschap' In 2008 is de gemeente Overbetuwe gestart met het opstellen van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP). De gemeente beoogt met het LOP de kwaliteiten van het landschap beter kunnen waarborgen, door in te zetten op behoud en ontwikkeling, onder voorwaarde dat het landschap voldoet aan de economische gebruiksfuncties van het gebied. Voor de visie op het landschap zijn de kwaliteiten en potenties van het landschap in kaart gebracht.

Vervolgens zijn doelstellingen en opgaven opgesteld, waarbij in hoofdlijnen gestreefd wordt naar:  In stand houden en versterken van de waardevolle samenhangen tussen kom-oeverwal-uiterwaarden en de dijken (gradiënten);  Behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kenmerkende weidebouw in de kommen, t.o.v. de kleinschalige structuur van de oeverwallen;  Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap;  Benutten van de landschappelijke en ecologische potenties van het watersysteem en de ondergrond;  Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland (recreatieve verbindingen en ruimtelijke kwaliteit).

14

Boltweg 2 Heteren

Gebiedsgericht Het projectgebied is op basis van het LOP gelegen binnen een gebied dat is aangeduid als 'overig waardevol gebied'. Ter plaatse van het projectgebied wordt beoogd de ruimtelijke afwisseling te behouden en de kleinschaligheid van de oeverwallen te versterken. Planspecifiek Onderdeel van het initiatief betreft de landschappelijke inpassing van de projectlocatie, zoals ook nader is omschreven in paragraaf 2.2. Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt de afwisseling in het landschap niet en blijft de bestaande erfopzet behouden. De kleinschaligheid van het landschap wordt hiermee in stand gehouden. Tevens is het aanleggen van een hoogstamfruitboomgaard passend bij het oeverwallenlandschap. De landschappelijke inpassing is daarmee afgestemd op de waarden en kenmerken van het omliggende landschap. Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het initiatief passend is binnen het LOP. 3.3.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede hiervan weer.

Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Boltweg 2 Heteren

15

Op de afbeelding is te zien dat ter plaatse van het projectgebied de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch' van toepassing zijn. Ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' is een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid' gelegen. Hierbinnen is een bedrijf voor de opslag van caravans toegestaan. Daarnaast is binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak gelegen, waarbinnen onder meer de bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning zijn toegestaan. Het gehele projectgebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3', mede ten behoeve van het behoud en de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Tevens is het gehele projectgebied gelegen in een gebied dat is aangeduid met 'waardevol landschap'. Strijdigheid met het plan Op grond van het bestemmingsplan is het toevoegen van een gebouw voor de opslag van caravans op agrarische gronden niet mogelijk. Met voorliggend initiatief wordt dit mogelijk gemaakt. Overige plannen Tevens is ter plaatse van het projectgebied het Bestemmingsplan 'Overbetuwe, Paraplubestemmingsplan Plussenbeleid', vastgesteld op 7 januari 2020, van toepassing. Dit plan heeft geen verdere doorwerking voor het initiatief.

16

Boltweg 2 Heteren

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Het initiatief voorziet niet in het toevoegen van een bodemgevoelige functie ter plaatse van het projectgebied. Hierom kan op voorhand worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (opslag van caravans). Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet aan de orde. Het aspect bodem levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Boltweg 2 Heteren

17

Planspecifiek Het initiatief voorziet niet in het toevoegen van een functie die in het kader van de luchtkwaliteit ter plaatse een nadere toetsing behoeft. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (1 bedrijfsgebouw) ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden.

Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Een bedrijf is niet aan te merken als een geluidgevoelige functie zoals bedoeld in de Wgh. Geluidsbronnen uit de omgeving zorgen daarmee op voorhand niet voor geluidhinder. Voorliggend initiatief voorziet daarnaast niet in de ontwikkeling van geluidbronnen die in het kader van de Wgh mogelijk voor geluidhinder op de omgeving kunnen zorgen. In paragraaf 4.1.5 is nader onderbouwd dat de toekomstige bedrijfsactiviteiten niet voor geluidhinder zorgen in het kader van milieuzonering. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren').

De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Planspecifiek Een bedrijf is niet aan te merken als een geurgevoelig object, zoals bedoeld in de Wgv. Agrarische bedrijven uit de omgeving zorgen daarmee op voorhand niet voor belemmeringen ten aanzien van het initiatief. Daarnaast worden met het initiatief geen agrarische bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt, waardoor geurhinder in het kader van de Wgv eveneens uitgesloten kan worden. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

18

Boltweg 2 Heteren

4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Het initiatief voorziet enkel in een uitbreiding van bestaande bedrijfsactiviteiten binnen het projectgebied. De toe te voegen bedrijfsbebouwing is beoogd aan de zuidkant van de bestaande bedrijfsbebouwing. Hiermee komt het bedrijf niet dichter te liggen bij de bedrijfswoning aan de Boltweg 1 dan in de huidige situatie het geval is. In de omgeving van het projectgebied zijn verder, gelet op de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten, geen gevoelige objecten gelegen die hinder kunnen ondervinden van het initiatief. Het initiatief voorziet daarnaast niet in het toevoegen van gevoelige functies of objecten, waarmee ook op voorhand gesteld kan worden dat omliggende bedrijven geen belemmeringen voor het initiatief opleveren. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.

Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Boltweg 2 Heteren

19

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Het initiatief betreft het toevoegen van een bedrijfsgebouw ten behoeve van de opslag van caravans. In het gebouw zijn niet gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen aanwezig. Daarmee kan er gesproken van een niet (beperkt) kwetsbaar gebouw. Uit de gegevens van atlasleefomgeving.nl blijkt dat op circa 105 m ten noorden van de toe te voegen bedrijfsbebouwing een opslagtank voor propaan is gelegen.

Hiermee ligt de propaantank op meer dan voldoende afstand (minimaal 25 m, afhankelijk van de omvang en frequentie van bevoorrading) van de bedrijfsbebouwing. De buisleiding ten noorden van het projectgebied kent een diameter van 114,3 mm en een maximale werkdruk van 4000 kPa, waarmee voor de buisleiding een 1%-letaliteitsgrens van 45 meter van toepassing is. Aangezien de toe te voegen bebouwing zich op circa 100 m bevindt, levert de buisleiding evenmin belemmeringen op voor het initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

20

Boltweg 2 Heteren

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Beleid Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren. Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is.

Boltweg 2 Heteren

21

Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening: Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436 Planspecifiek Watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld (zie bijlage 2). Hieruit blijkt dat er aan de noord- en oostkant van het projectgebied een beschermingszone van een B-watergang gelegen zijn. Het doorlopen van een normale procedure bij het waterschap is om die reden voldoende. Watergang Binnen de beschermingszone van de watergang worden geen bouwwerken toegevoegd of andere werkzaamheden uitgevoerd. Tevens voorziet het initiatief niet in werkzaamheden of activiteiten die een negatief effect op de naastgelegen watergangen heeft. Hemelwater Vanuit het gemeentelijk waterbeleid dient hemelwater op eigen terrein geborgd te worden. Het plan voorziet hierin. Om te bepalen of en hoeveel hemelwaterberging er gerealiseerd dient te worden, is het nodig om de toename van het verhard oppervlak te bepalen. Met onderhavig initiatief is er sprake van een toename van circa 990 m2 aan verharding ten behoeve van het nieuwe bedrijfsgebouw. De nieuwe bebouwing wordt aangesloten op de bestaande verharding op het terrein. Voor initiatieven in landelijk gebied geldt een eenmalige vrijstelling bij een toename in verharding van minder dan 1500 m2.

Omdat met onderhavig initiatief onder deze grens gebleven wordt, is het aanbrengen van watercompenserende maatregelen niet benodigd. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

22

Boltweg 2 Heteren

Planspecifiek Gebiedsbescherming Het projectgebied is gelegen op circa 950 m afstand van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gelet op deze afstand, alsmede de aard van de ontwikkeling, kunnen negatieve effecten in het kader van licht, geluid of trilling op dit Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Om de effecten met betrekking tot stikstof te beoordelen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 3. Uit de voortoets blijkt dat, als gevolg van de ontwikkelingen, er zowel in de gebruiks- als aanlegfase geen sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden. Het aspect gebiedsbescherming levert geen belemmeringen op ten aanzien van de ontwikkeling. Soortenbescherming De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf, waarop geen activiteiten worden uitgevoerd die in het kader van soortenbescherming tot overtredingen kunnen leiden. Immers, de nieuwbouw vindt plaats op een nu intensief gemaaid/onderhouden grasland. Daarnaast blijft het bestaande groen intact. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek naar soorten is om die reden niet nodig. Belemmeringen kunnen op voorhand worden uitgesloten. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Verkeersgeneratie Met betrekking tot het initiatief is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de extra verkeersbewegingen is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. In deze publicatie geldt als uitgangspunt bij een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak. Met onderhavig initiatief wordt circa 990 m2 bvo toegevoegd, waarmee gesproken (op papier) kan worden van een toename van 9,9 * 5,7 = 56 verkeersbewegingen per dag. De Boltweg heeft ruim voldoende capaciteit om deze toename van het aantal verkeersbewegingen te verwerken. Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten (enkel het stallen van caravans, die 2 keer per jaar worden opgehaald en teruggebracht) mag worden verwacht dat het werkelijke aantal verkeersbewegingen lager zal liggen. Aan de ontsluiting van het projectgebied wijzigt niets. Parkeren Uitgangspunt van het initiatief is dat in de toekomstige situatie nog altijd geparkeerd wordt op het eigen terrein. Het initiatief voorziet in het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten van een opslag voor caravans. Dit betreft geen activiteit met een grote parkeerbehoefte.

Op het eigen terrein is meer dan voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte van bezoekers en personeel te voorzien. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot verkeer en parkeren.

Boltweg 2 Heteren

23

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie In de omgeving van het projectgebied zijn geen objecten van cultuurhistorische waarde (rijks- of gemeentelijke monumenten) gelegen. Het initiatief leidt daarmee op voorhand niet tot afbreuk van deze waarden. Wel is het projectgebied gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'waardevol landschap'. De gronden met deze aanduiding zijn mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap. In paragraaf 3.3.2 is toegelicht dat het projectgebied niet leidt tot aantasting van het waardevol landschap en middels het landschappelijk inpassingsplan juist een versterkend effect kent. Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan daarmee geen belemmeringen ten aanzien van het initiatief. Archeologie Voor het projectgebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' van toepassing.

Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 500 m2 een onderzoeksplicht in het kader van archeologie. Voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden geldt echter een uitzondering hiervan indien de werkzaamheden niet dieper dan 0,3 m onder het maaiveld gaan. Omdat de werkzaamheden niet dieper dan deze diepte gaan, is het overleggen van een archeologisch rapport niet benodigd. Daarmee zijn er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen voor het initiatief. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

24

Boltweg 2 Heteren

4.6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Het initiatief is economisch uitvoerbaar.

Boltweg 2 Heteren

25

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Inspraak en overleg

Inspraak Voor onderhavig initiatief is, gelet op de aard van de ontwikkeling, geen formele inspraakprocedure benodigd. Omwonenden worden op de hoogte gesteld van het initiatief. Overleg Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.

5.2

Van ontwerp naar vaststelling

De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zal als ontwerp voor een termijn van zes weken ter inzage liggen. Een ieder kan hierop zienswijzen indienen. Bij het vaststellingsbesluit wordt hierop nader ingegaan.

5.3

Kaders afwijken bestemmingsplan

Om de realisatie van de nieuwe bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, is verschuiving van het bouwrecht van de noordkant van het projectgebied naar de zuidkant van het projectgebied benodigd. Het volgende kader is, in aanvulling op/afwijking met de vigerende planologische situatie (zie paragraaf 3.3.3, van toepassing: Bouwrecht a. Ten zuiden van de bestaande bedrijfsgebouwen mag een bedrijfsgebouw worden gebouwd, mits: 1. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 m; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 8 m; 3. de oppervlakte van het te bouwen bedrijfsgebouw niet meer bedraagt dan 1.000 m 2; b. Ten noorden van de bestaande bedrijfsgebouwen mag de totale oppervlakte van bebouwing niet groter zijn dan in de bestaande situatie; Dit wordt geïllustreerd op de volgende afbeelding, conform bijlage 1:

26

Boltweg 2 Heteren

Bijlagen

Boltweg 2 Heteren

27

28

Boltweg 2 Heteren

Bijlage 1

Boltweg 2 Heteren

Landschappelijke inpassing

29

30

Boltweg 2 Heteren

Bijlage 2

Boltweg 2 Heteren

Digitale watertoets

31

32

Boltweg 2 Heteren

Bijlage 3

Boltweg 2 Heteren

Voortoets stikstofdepositie

33

34

Boltweg 2 Heteren

Boltweg 2 Heteren

35

36

Boltweg 2 Heteren

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=bf79a916-5311-4b0d-8d2c-f35e49f98465