CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

26-01-27 A14 TIC; Lokale energiestrategie (LES), uitvoeringsagenda en blauwdruk programma warmte, blauwdruk warmteprogramma

Voorronde Zaal 2 13 januari 2026, gemeente OverBetuweBij agendapunt: RTGC Warmteprogramma en Lokale Energiestrategie (LES)25.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Passende keuze - realisatie van warmtenetten incl. risicoafweging Voor delen van Overbetuwe wordt de realisatie van warmtenetten onderzocht. Als gemeente zijn we nog niet zover dat we deze keuze al kunnen maken en kunnen vaststellen dat dit een betaalbare, duurzame en betrouwbare oplossing is voor onze inwoners. Voor toekomstige stappen rondom warmtenetten, en de daarbij behorende verplichte publieke rolneming onder de Wet collectieve warmte, is regionale samenwerking voor de hand liggend. Het Gelders Warmte Bedrijf (GBW) kan hierbij een logische samenwerkingspartner zijn, maar dit kan ook op andere manieren. Het GWB is opgericht door de Provincie Gelderland, Oost NL (als fondsbeheerder van het Innovatie‑ & Energiefonds Gelderland) en Firan (een dochteronderneming van Alliander). Bij het inzetten van het GWB is het gebruikelijk dat er een lokale warmteonderneming wordt opgericht, waarin de gemeente doorgaans zelf een aandelenpercentage neemt in een lokale warmtebedrijf. Dit vraagt op het juiste moment om zorgvuldige politieke en bestuurlijke afwegingen. De gemeente moet risico’s, verantwoordelijkheden en publieke doelen expliciet wegen en vastleggen. Deze besluiten maken geen onderdeel uit van het warmteprogramma, maar volgen pas in een latere uitvoeringsfase, zodra dit relevant is.

Participatie De gemeente Overbetuwe wil de warmtetransitie uitvoeren met en voor inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners. Participatie is daarom een integraal onderdeel van het warmteprogramma. De gemeente Overbetuwe heeft in 2022 haar Participatiebeleid vastgesteld. De kern van dit beleid is de visie “samenlevingsgericht, communicatief en betrouwbaar”. De gemeente wil samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties werken aan de toekomst van Overbetuwe. Participatie is daarin geen verplicht onderdeel, maar een vanzelfsprekend uitgangspunt bij beleid en uitvoering. Het warmteprogramma bouwt voort op deze visie. De manier waarop inwoners en partners worden betrokken bij de warmtetransitie sluit direct aan bij de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid: • • •

Samenlevingsgericht: bewoners, bedrijven en instellingen worden vroegtijdig betrokken bij keuzes over de toekomstige warmtevoorziening; Communicatief: de gemeente werkt transparant, deelt informatie en zorgt voor heldere terugkoppeling; Betrouwbaar: de gemeente doet wat zij zegt en zegt wat zij doet, ook als keuzes moeilijk of ingrijpend zijn. In het warmteprogramma vertaalt Overbetuwe het algemene participatiebeleid naar de specifieke context van de warmtetransitie. Deze opgave raakt inwoners direct in hun woning, hun woonlasten en hun leefomgeving. Daarom kiest de gemeente voor een hoog ambitieniveau van participatie.

Figuur 8 Duurzaamheidskeet Overbetuwe in Driel

Per fase gelden de volgende uitgangspunten:

Fase

Participatieniveau

Toelichting

Beleidsfase

Adviseren

Inwoners, ondernemers en partners denken mee over uitgangspunten, doelen en prioriteiten van het warmteprogramma.

Gebiedsfase

Coproduceren

Bij het uitwerken van wijkgerichte alternatieven en tijdspaden werkt de gemeente samen met bewonersgroepen, corporaties en woningcorporaties.

Uitvoeringsfase

Coproduceren tot meebeslissen

Inwoners en lokale initiatieven krijgen ruimte om mede vorm te geven aan uitvoering, beheer en eigenaarschap van collectieve warmtevoorzieningen.

Inzicht enquête In het voorjaar van 2025 heeft de gemeente Overbetuwe een online-enquête gehouden onder inwoners over hun houding ten aanzien van de warmtetransitie. De peiling is uitgevoerd met behulp van Swipocratie en door 449 inwoners ingevuld. De resultaten geven een goed beeld van hoe inwoners denken over aardgasvrij wonen, kosten, duurzaamheid en de rol van de gemeente.

Bewustzijn en kennis De meeste inwoners zijn zich bewust van de noodzaak van de warmtetransitie, maar maken zich ook zorgen over de kosten. •

•

•

86% weet dat het aardgasvrij maken van de samenleving geld gaat kosten. 79% begrijpt dat dit bijdraagt aan minder CO₂uitstoot en een kleinere afhankelijkheid van het buitenland. 78% van de inwoners verwarmt hun woning nog met een cv-ketel, wat het belang van een zorgvuldige overgang benadrukt.

Houding en draagvlak Een meerderheid staat in principe open voor verandering, maar verwacht duidelijkheid en redelijkheid in de aanpak. •

•

•

67% vindt het acceptabel dat het aardgasvrij maken van de buurt enige overlast geeft. 63% vindt dat de gemeente het gas kan afsluiten als bijna alle inwoners het ermee eens zijn. 51% zegt te willen overstappen zodra er een goed alternatief beschikbaar is. Figuur 9 Resultaten enquete door Swipocratie

Toch hecht 25% nog sterk aan het koken of verwarmen op gas. Dit laat zien dat betrokkenheid en goede communicatie essentieel blijven om vertrouwen op te bouwen.

Dilemma’s en voorkeuren De enquête laat zien dat inwoners een afgewogen en nuchtere benadering verwachten van de gemeente: • •

56% vindt dat aardgasvrij vooral betaalbaar moet zijn voor de samenleving als geheel, niet alleen voor individuen. 74% kiest liever voor de meest bewezen en betrouwbare oplossing dan voor de laagste CO₂uitstoot.

• •

71% vindt dat financiële hulp voor iedereen beschikbaar moet zijn, niet alleen voor lage inkomens. 64% wil dat de gemeente richting geeft en duidelijkheid biedt over wat er wanneer gaat gebeuren.

Deze resultaten onderstrepen dat inwoners realistische, betaalbare en uitvoerbare oplossingen willen, met gelijke kansen voor iedereen. Verwachtingen richting de gemeente De gemeente krijgt van inwoners een duidelijke boodschap mee: neem de regie, geef helderheid en betrek de samenleving actief bij keuzes. • • •

Een derde van de inwoners vindt dat Overbetuwe niet per se voorop hoeft te lopen, maar wél actief moet meebewegen met landelijke ontwikkelingen. Transparantie over kosten, planning en alternatieven is essentieel voor draagvlak. Er is vertrouwen dat de gemeente in samenwerking met bewoners en partners deze opgave kan realiseren, mits de uitvoering zorgvuldig en eerlijk verloopt.

Conclusie De uitkomsten van deze peiling vormen een belangrijk vertrekpunt voor het warmteprogramma. Ze laten zien dat er brede bewustwording en gematigd optimisme bestaan, maar dat de sleutel ligt in duidelijke communicatie, rechtvaardige kostenverdeling en ruimte voor samenwerking met bewoners. Overbetuwe bouwt voort op deze inzichten: de participatieaanpak binnen het warmteprogramma richt zich op betrokkenheid, betrouwbaarheid en realisme, met nadruk op gezamenlijke stappen in plaats van opgelegde verplichtingen.

Samenwerking met bewonersinitiatieven De gemeente neemt bij het faciliteren van bewonersinitiatieven de onderstaande afwegingspunten 1 in overweging. Deze afwegingspunten leiden niet direct tot een besluit tot faciliteren, maar het geeft meer inzicht op welke onderdelen er aandacht nodig is om het bewonersinitiatieven sterker te maken: • Draagvlak onder bewoners De gemeente kan als voorwaarde stellen dat een initiatief aantoonbaar wordt gesteund door een substantieel aantal bewoners in de buurt. Dit kan blijken uit handtekeningen, enquêtes, participatiebijeenkomsten of andere vormen van lokale betrokkenheid. • Eigen inzet van initiatiefnemers De gemeente kan vragen dat initiatiefnemers zelf bijdragen met tijd, geld of middelen. Dit toont betrokkenheid en vergroot de kans op succes. • Organisatie-volwassenheid De gemeente kan eisen dat het initiatief een formele organisatievorm heeft, zoals een stichting of coöperatie, met statuten en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast kan worden gevraagd om een verklaring Goed Bestuur, waarin de initiatiefnemers aantonen dat zij transparant, democratisch en verantwoord opereren. • Bijdrage aan gemeentelijke doelen De gemeente is verantwoordelijk voor de warmtetransitie in de gehele gemeente. Daarom kan zij als voorwaarde stellen dat

1 Afwegingspunten zijn overgenomen uit ‘Bewonersinitiatieven in de Warmtetransitie, Handreiking voor

gemeenten omtrent samenwerking met bewonersinitiatieven in de warmtetransitie, provincie Gelderland, 9 oktober 2025, Haskoning.

initiatieven bijdragen aan het realiseren van gemeentelijke doelen, zoals vastgelegd in het Warmteprogramma. • Risicobeheersing De gemeente kan voorwaarden stellen om risico’s te beperken, zoals het opstellen van een risicoanalyse, het maken van afspraken over verantwoordelijkheden bij mislukking, of het opnemen van terugbetalingsclausules. • Planning en doorlooptijd De gemeente kan als voorwaarde stellen dat het initiatief een realistische planning aanlevert, inclusief mijlpalen en verwachte oplevermomenten. Bij langdurige trajecten kan periodieke voortgangsrapportage worden gevraagd. Daarnaast kan worden geëist dat het initiatief aansluit bij gemeentelijke planningen en uitvoeringsmomenten. • Schaalbaarheid en groeipotentie De gemeente kan als voorwaarde stellen dat het initiatief schaalbaar is of potentie heeft om als voorbeeld te dienen voor andere buurten. Bij eenmalige initiatieven moet de maatschappelijke meerwaarde voldoende worden aangetoond. • Inclusiviteit en bereik De gemeente kan eisen dat het initiatief inzet op inclusiviteit en toegankelijkheid voor een brede groep bewoners. Dit kan bijvoorbeeld door specifieke aandacht te vragen voor het betrekken van kwetsbare of minder zichtbare groepen. Ook kan worden gevraagd om een plan van aanpak voor communicatie, participatie en sociale rechtvaardigheid.

• Samenloop met andere initiatieven De gemeente kan als voorwaarde stellen dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft voor andere gemeentelijke plannen of lopende trajecten. Bij conflicten kan een afwegingskader worden toegepast om prioriteiten te stellen of initiatieven te coördineren.

Afwegingskader Om in de toekomst weloverwogen tot definitieve warmteoplossingen te komen, kiezen we voor een zorgvuldig afwegingskader, die verder gaat dan alleen duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar. Een rechtvaardige energietransitie met zo min mogelijk negatief effect op de leefomgeving is van belang voor de toekomst van Overbetuwe. Hiernaast zijn de afwegingskaders weergegeven. Zodra de gemeente wil besluiten haar aanwijsbevoegdheid in te zetten in een gebied en dus wil besluiten over een toekomst zonder aardgas, dan worden deze punten zorgvuldig onderbouwd. Hieronder worden deze afwegingspunten beschreven. Duurzaamheid en betrouwbaarheid worden beschreven bij de toelichting van de warmteoplossingen.

Rechtvaardig Binnen de gemeente Overbetuwe werken we toe naar een energieneutrale gemeente in 2050. Dit vraagt ook van iedereen in Overbetuwe om te isoleren en de stap te zetten naar aardgasvrij. De gemeente begeleidt inwoners middels een isolatiecampagne inclusief subsidie. Hiermee worden onder andere verduurzamingsadviseurs ingezet en subsidie verstrekt aan huishoudens. Ook wordt op wijkniveau gewerkt aan de aardgasvrij transitie, samen met lokale stakeholders. Van alle huishoudens wordt bij deze transitie een bepaald organisatievermogen gevraagd. Mensen die regelingen goed kunnen interpreteren en mentale ruimte en tijd hebben om met verduurzaming aan de slag te gaan. De doelgroep in een bevoorrechte positie weet de weg te vinden en doorloopt een klantreis van A tot Z. Echter een groot deel van de huishoudens heeft die ruimte niet en ervaart ook andere belemmerende factoren, zoals wantrouwen en ‘ervaren’ complexe aanvraagprocedures. Een succesvolle brede aanpak van de energie- en warmtetransitie is dus een sociale transitie. Een transitie waar iedereen in de positie komt om mee te doen. Deze inclusieve energietransitie vraagt meer dan technische oplossingen en subsidies. Het vraagt vertrouwen, toegankelijkheid en herkenbaarheid om alle huishoudens te betrekken.

De ervaringen uit de twee Wijk van de Toekomst processen zijn hierbij belangrijk om bij toekomstige stappen mee te nemen: 1. Samenwerking met bewoners is cruciaal: de warmtetransitie lukt alleen met bewoners. Het participatieve proces in beide wijken laat zien dat draagvlak ontstaat wanneer de gemeente aansluit bij lokale initiatieven, herkenbaar, laagdrempelig en in het tempo van de wijk. 2. Betaalbaarheid bepaalt draagvlak: bewoners willen verduurzamen, maar maken zich zorgen over kosten. De combinatie van gemeentelijke subsidie, gratis advies en collectieve inkoopacties vergroot het vertrouwen. Huishoudens hebben behoefte aan een stapsgewijze aanpak.

3. Flexibiliteit en realisme zijn nodig: techniek en regelgeving ontwikkelen zich snel. Keuzes kunnen hierdoor worden beïnvloed. Beleid moet adaptief zijn, met ruimte voor herijking. 4. Energie besparen is de eerste stap: isolatie en kleine maatregelen vormen de basis. Wat je niet verbruikt, hoef je ook niet op te wekken. Daarbij zorgt een verduurzamingsstap, hoe klein ook, vaak tot vervolgstappen. 5. Continuïteit en vertrouwen: de gemeente moet zichtbaar, betrouwbaar en consistent zijn. Bewoners waarderen persoonlijke benadering en opvolging. Het is belangrijk kennis en relaties te borgen om voortgang te behouden. 6. Actieve begeleiding door een gemeente, rekening houdend met bovenstaande punten, wordt gewaardeerd en zorgt voor een versnelling. Faciliteren en samenwerken is maatwerk.

Effecten op de leefomgeving – geluid, ruimte, koeling Geluid De overstap naar duurzame warmte brengt nieuwe soorten installaties met zich mee. Bij veel individuele oplossingen – zoals lucht-waterwarmtepompen – hoort een buitendeel dat geluid produceert. Omdat we overlast willen voorkomen, is het belangrijk om geluid als aspect mee te wegen bij de selectie van warmteoplossingen. Uit onderzoek2 blijkt dat het geluid van warmtepompen sterk kan variëren per opstelplaats, woningtype en wijkopbouw. Sommige posities zijn akoestisch duidelijk gunstiger dan andere. Zo veroorzaken warmtepompen die op het dak of in/achter een berging staan meestal de laagste geluidbelasting in de omgeving. Ook akoestische omkastingen en het toepassen van stille(re) warmtepompen kunnen de cumulatie van geluid in een wijk aanzienlijk beperken. Andere veelvoorkomende opstelplekken – zoals aan de voorgevel op maaiveld – kunnen hogere geluidniveaus geven op straat of richting buren, zeker in smalle straten of dichtgebouwde hofjes Het onderzoek laat zien dat cumulatie van geluid op wijkniveau bij de keuze van individuele warmtepompen in sommige situaties kan optreden. Om die reden wordt vervolgonderzoek gedaan naar het voorkomen van geluidsoverlast in de Wijk van de Toekomst wijken, zodat hiervan geleerd kan worden voor andere locaties in Overbetuwe.

Er zijn warmtealternatieven die vrijwel geen geluidsoverlast geven en dus goed toepasbaarheid zijn in geluidgevoelige of dichtbebouwde buurten. Denk daarbij aan een collectief warmtenet of een bodem-water warmtepomp met een bodemlus in plaats van een buitenunit. Bij het maken van definitieve keuzes voor een warmteoplossing voor een wijk is het belangrijk om geluid mee te wegen bij de keuzes.

Ruimtegebruik Ruimtebeslag op pandniveau Op dit moment hebben veel woningen een cv-ketel in de woning. Deze neemt beperkte ruimte in beslag. De meeste woningen hebben geen boiler meer, de cv-ketel kan direct warm tapwater maken.

2 Cumulatief geluid warmtepompen | NPLW

Bij de overstap naar duurzame warmteoplossingen verandert voor huishoudens niet alleen de manier waarop hun woning wordt verwarmd. Ook het ruimtebeslag in de woning en mogelijk buiten de woning kan veranderen. All electric warmtepomp (lucht water) Een warmtepomp heeft een binnenunit die wat betreft omvang vaak vergelijkbaar is met een cvketel. Vaak wordt er een klein buffervat en een groter boilervat van bijvoorbeeld 120 liter geïnstalleerd. Dit vraagt 1 m² extra ruimte. Meestal heeft een warmtepomp ook een buitenunit met een ventilator. Het typisch formaat is van 0.5 tot 1.5 m². Daarbij vraagt een buitenunit ook een goede plaatsing, met voldoende afstand tot buren en ramen in verband met geluid en luchtstroming. Warmtenet (vanaf 70 graden) Voor het leveren van warm tapwater en verwarmingswater is er geen cv-ketel meer nodig. Slechts een warmteafleverset, iets kleiner dan een cv ketel is nodig. Er zijn geen buffers of boilers nodig. Meestal wordt een afleverset geplaatst in de meterkast. Vaak worden in de woning wél nieuwe leidingen aangelegd vanaf de afleverset naar de locatie waar nu de CV-ketel is geplaatst. Het ruimtebeslag in de woning is dus minder dan bij een CV-ketel. Laagtemperatuurnet of zeer laagtemperatuurnet Net als bij de all-electric warmtepomp is er ook bij een (zeer)laagtemperatuurnet (ZLT-net) een warmtepomp in de woning nodig.

De binnenruimte is vergelijkbaar met een kleine warmtepompinstallatie, inclusief boilervat en meestal geen buffervat. In de meterkast wordt vaak een warmteafleverset voor het net geplaatst. Dit vraagt dus ook ongeveer 1 m² extra ruimte. Het voordeel van deze oplossing is dat er geen buitenunit nodig is. Het (Z)LT-net vormt de basisbron voor de verwarming van de woning en het tapwater. Inpasbaarheid kleine eengezinswoningen Om te bepalen of het aanvullende ruimtegebruik van een warmtepomp inpasbaar is in een kleine eengezinswoning, zijn diverse uitgebreide verduurzamingsrapportages uitgevoerd, waarbij dit één van de vragen was. Een kleine eengezinswoning in Nederland heeft doorgaans 70–90 m² gebruiksoppervlakte, met 80 m² als veelgebruikte rekenwaarde. Uit de rapportages blijkt dat plaatsing van een warmtepomp op de locatie van de huidige cv-ketel geen probleem oplevert. En tevens dat er voldoende ruimte is om een buitenunit te plaatsen. Het is uiteraard onmogelijk om te bepalen of en hoe plaatsing bij alle woningen in Overbetuwe uitgevoerd kan worden. Wel geven deze rapportages indicatief aan dat plaatsing binnen en buiten de woning mogelijk is.

Ruimtebeslag wijkniveau Hoeveel bovengrondse ruimte een warmteoplossing in de buitenruimte inneemt is sterk afhankelijk van de configuraties. Een midden temperatuur warmtenet aangesloten op een grote industriële restwarmtebron, heeft warmteonderstations en een back-up centrale nodig. Een kleinschaliger midden temperatuur warmtenet kan gebruik maken van een gebouw met collectieve warmtepompen met daarin ook back-up faciliteiten en aanvullende middenspanningsstations vanwege aanvullende het stroomverbruik. Het toepassen van ondergrondse (WKO) of bovengrondse warmteopslag vraagt ook weer een eigen ruimtebeslag. En bij het benutten van warmte uit oppervlaktewater zijn er aquathermie installaties nodig. Ten slotte zorgt het kiezen voor individuele oplossingen ervoor dat er aanvullende middenspanningsstations nodig zijn.

De gemeente Utrecht heeft uitgebreide data-analyses uitgevoerd naar het ruimtegebruik in de openbare ruimte en is gekomen tot onderstaand overzicht van het ruimtegebruik per woning of woningequivalent (WEQ). Hierin is het ruimtegebruik in de woning níet meegenomen en ook is het ruimtegebruik van de opgewekte elektriciteit niet meegenomen.

Figuur 10 Ruimtegebruik per warmtestrategie - Bron: Bijlage bij de Beleidsnota Warmte. Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma. Gemeente Utrecht.

Voor het begrijpen van het onderscheid in ruimtegebruik tussen de individuele en collectieve oplossingen is het belangrijk om te weten dat er een factor twee of drie meer warmte onderstations nodig zijn bij een warmtenet, dan dat er middenspanningsstations nodig zijn bij individuele oplossingen. In de analyse van de gemeente Utrecht is er tevens veel ruimtebeslag opgenomen voor warmteopslag en aquathermie installaties. Zoals benoemd is het bovengrondse ruimtegebruik sterk afhankelijk van de gekozen configuraties. Een warmtenet is wat betreft bovengronds ruimtegebruik in de openbare ruimte in de basis géén reden om te kiezen voor collectieve warmtenet oplossingen.

Koeling De verwachting naar koelen neemt de komende jaren toe. En daarmee ook de vraag naar het actief koelen van gebouwen in de toekomst. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met de warmere zomers, maar ook vergrijzing en gewenning spelen een rol: -

-

De klimaatscenario’s van het KNMI laten zien dat door klimaatverandering temperaturen gaan stijgen en de zomers warmer worden. Dit betekent dat hittegolven in de toekomst vaker voorkomen, heter worden en langer aanhouden (KNMI, 2023). Dit zorgt ervoor dat temperaturen in woningen steeds vaker als ongezond en oncomfortabel worden ervaren. Hierdoor neemt de vraag en inzet van koelsystemen toe, net als het elektriciteitsgebruik door deze koeling. In Nederland neemt het aantal ouderen toe. Onderzoek laat zien dat ouderen minder goed tegen de hitte kunnen wat zal leiden tot een toenemende vraag naar koeling. Gewenning aan de aanwezigheid van koeling in de auto, in de trein en op de werkplek leidt naar verwachting ook tot toename van koeling in woningen.

De klimaatverandering, gekenmerkt door langere en intensere warmteperiodes, is dus een belangrijke reden om de koeltevraag integraal mee te nemen in het warmteprogramma. De focus verschuift daarmee van verwarmen naar een duurzaam binnenklimaat over het hele jaar.

TNO heeft recent onderzoek gedaan 3 naar de verwachtingen rondom de adaptatie van airconditioners. TNO schat dat in 2030 ruim 40% van de huishoudens over ten minste één airconditioner zal beschikken. Dit komt neer op een totaal van circa 6,3 miljoen airco's.Ter vergelijking, in 2021 had bijna 20% van de huishoudens een airco. Omdat koelvraag dus toeneemt, is het bij de keuze voor een duurzame warmtevoorziening verstandig om de koelmogelijkheid mee te wegen. Hiervoor zijn drie belangrijke redenen: Integrale Oplossingen en Efficiëntie Diverse duurzame warmte-oplossingen zijn in de basis Warmte- én Koude-oplossingen.: •

•

Warmte-Koude Opslag (WKO): Zeer Laag Temperatuur (ZLT) netten die gebruikmaken van een WKO kunnen functioneren als Warmte- én Koudenetten. De koudebehoefte in de zomer kan worden geleverd door het systeem, waarbij de hierdoor onttrokken warmte (in de vorm van warmer water) in de bodem wordt opgeslagen voor de verwarming in de winter. Dit brengt het systeem in balans en optimaliseert de prestaties. Warmtepompen: Warmtepompen kunnen naast verwarmen ook koelen. Als de koelfunctie niet wordt meegenomen in de afweging, wordt dit voordeel van de warmtepomp niet benut.

Voorkoming van piekbelasting/netcongestie De toename van de koelvraag, zorgt voor extra belasting op het elektriciteitsnet •

Toename van Airco's: De koelbehoefte wordt nu vaak ingevuld met individuele airconditioners, wat leidt tot een groei van de elektriciteitsvraag in de zomer. Op momenten dat de zon schijnt is er voldoende elektriciteit door lokale opgewekte elektriciteit vanuit zonnepanelen. Zodra alle airco's op hetzelfde moment in de avond worden aangezet, leidt dit echter tot een piekvraag op het elektriciteitsnet die niet wordt opgevangen door decentraal opgewekte elektriciteit. Het overwegen van collectieve koel-netten kan deze piekvraag voorkomen en voor goedkope koeling zorgen.

Gezondheid en Leefbaarheid (Hittestress) Langdurige stijging van de temperaturen, mogelijk versterkt door goede isolatie, draagt niet bij aan een gezonde en comfortabele leefomgeving: •

•

Volksgezondheid: Hitte in gebouwen is een risico voor de volksgezondheid, met name voor kwetsbare groepen zoals ouderen en jonge kinderen. Door koeling mee te nemen in de afweging, kunnen hittegerelateerde gezondheidsklachten verminderen. Oververhitting door Isolatie: Als woningen erg goed worden geïsoleerd, maar er wordt geen rekening gehouden met zonwering en passieve koeling, kan het gebouw in de zomer juist sneller en langer oververhit raken Een goede aanpak zorgt ervoor dat isolatiemaatregelen ook hitte weren.

Koelteladder De vraag naar koeling neemt de komende jaren toe. Steeds meer mensen schaffen daarom een airco aan, oftewel een lucht/lucht warmtepomp die koude lucht de woning inblaast. Dat is

3 TNO 2024, Schatting van de elektriciteitsvraag van airconditioners in Nederlandse woningen

begrijpelijk, want het zorgt voor verkoeling. Maar airco’s gebruiken veel stroom en sommige soorten zijn slecht voor het milieu. Als gemeente willen we huishoudens stimuleren om het huis allereerst zoveel mogelijk te koelen vóórdat actieve koeling, zoals vaak met een airco, wordt toegepast. Met een paar slimme maatregelen blijft de woning comfortabel én energiezuinig. Het is beter voor het klimaat en de energierekening. Stimuleren doen we middels een koelte-ladder, die in de warme periodes van pas komt en hieronder staat beschreven: 1. Slim ventileren Houd ramen en deuren overdag dicht. Zo houd je de hitte buiten. Zet ze pas open in de avond, nacht of vroege ochtend, als het buiten weer koeler is. Zo stroomt er frisse lucht naar binnen. 2. Meer groen rondom je huis Planten, gras, struiken en bomen zorgen voor natuurlijke verkoeling. Heb je veel tegels in de tuin? Vervang er een paar door groen. Dat helpt écht. 3. Isoleer je woning Goede isolatie zorgt er niet alleen voor dat je huis warm blijft in de winter, maar ook koel in de zomer. Denk aan spouwmuur-, dak- of glasisolatie. 4. Houd de zon buiten Zonwering aan de buitenkant van je huis werkt het beste. Screens, luiken of zonneschermen houden de zon tegen vóór die je huis opwarmt. 5. Gebruik een ventilator Een ventilator verbruikt 20 keer minder stroom dan een airco.

En hij kost ook veel minder, terwijl ook deze comfort toevoegt. 6. Koelen met een warmtepomp die al in de woning aanwezig is Veel warmtepompen kunnen ook koelen. Ze laten dan koud water door de leidingen stromen. Daarmee daalt de temperatuur in huis met een paar graden. Zeker met vloerverwarming of andere goede afgiftesystemen werkt dit goed. 7. Toch een airco? Kies slim Wil je toch een airco kopen? Kies dan voor een energiezuinige variant (energielabel A). Een split-model (aan de muur) is zuiniger dan een mobiele. Let ook op het koudemiddel: propaan (R290) is beter voor het milieu dan oudere middelen. Overzicht technische oplossingen en koeling: Algemeen: Er is een laag temperatuur-afgiftesysteem in huis nodig voor efficiënte koeling. Actief/passief: Actieve koeling kennen we als airco's. Er is relatief veel elektriciteit nodig voor het koelen. Passieve koeling gebruikt direct de temperatuur van een bron om te koelen (bodem temperatuur) en er is slechts elektriciteit nodig voor het rondpompen van water, bijvoorbeeld in een bodemlus en vloer'verwarming'. MT warmtenet: er is een aparte koelvoorziening nodig. Het is niet mogelijk om met een MTwarmtenet de woning te koelen. ZLT net: Het water wat gebruikt wordt voor de verwarming kan ook gebruikt worden voor koeling. De koeling is passief en vraagt alleen elektriciteit voor het rondpompen van water.

De koeling draagt bij aan het opslaan van warmte voor de winterperiode. Lucht-water warmtepomp: Actieve koeling is onderdeel van de warmtepomp. Dit vraag veel elektriciteit. Bodem-water warmtepomp. Passieve koeling is onderdeel van de warmtepomp. Er is alleen elektriciteit nodig voor het rondpompen van water. De koeling draagt bij aan het opslaan van warmte voor de winterperiode.

Betaalbaarheid – nationale kosten De warmtetransitie vraagt om keuzes die zowel betaalbaar als doelmatig zijn. Betaalbaarheid gaat niet alleen over de kosten die huishoudens en gebouweigenaren direct ervaren, maar ook over de nationale kosten: de totale kosten voor de samenleving om een wijk of gemeente te verduurzamen. Dit omvat zowel investeringskosten als exploitatiekosten, zoals aanleg van infrastructuur, opwekking, onderhoud en energieverbruik. Door te sturen op nationale kosten kan een gemeente voorkomen dat er oplossingen worden gekozen die weliswaar lokaal aantrekkelijk lijken, maar maatschappelijk onnodig duur zijn. De nationale kosten vormen daarom een belangrijke basis voor een kosteneffectieve warmtestrategie. In vergelijking tussen alternatieven – bijvoorbeeld een warmtenet, een all-electric oplossing of hybride varianten – wordt gekeken naar de totale systeemkosten over de levensduur. Stel dat overal gekozen wordt voor all-electric oplossingen, dan heeft dit consequenties voor het lokale elektriciteitsnet, maar ook het hoogspanningsnet. Tevens zijn er aanvullende investeringen nodig in elektriciteit opwek. Deze kosten zijn niet zichtbaar in de lokale businesscase, maar zorgen wel voor kosten voor de maatschappij.

Bij de definitieve afweging voor een duurzaam warmtealternatief, worden de nationale kosten (investeringen in gebouwen, infrastructuur, exploitatiekosten, systeemeffecten, etc.) inzichtelijk gemaakt.

Betaalbaarheid - eindgebruikers In het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) én de Regeling gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Rgiw) worden naar verwachting regels opgenomen die de betaalbaarheid van een warmteoplossing voor eindgebruikers verplicht stellen voordat een gemeente een wijk als warmtetransitiegebied (gebied waar geen aardgas meer gebruikt gaat worden) kan aanwijzen. Gemeenten moeten waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen in een warmtetransitiegebied niet hoger zijn dan de verwachte baten over de levensduur van de investering. Dit betekent dat de meeste huishoudens er financieel niet op achteruit mogen gaan door de overgang naar een duurzame warmteoplossing. Bij het bepalen van de betaalbaarheid moeten gemeenten rekening houden met de financiële haalbaarheid voor eindgebruikers. Daarbij horen ook de gevolgen voor maandlasten en de beschikbaarheid van financieringsmogelijkheden, zoals hypotheken of leningen voor verduurzaming. De betaalbaarheid hoeft niet per individuele woning gegarandeerd te worden, maar moet inzicht geven in de gemiddelde kosten en baten op wijkniveau, evenals de spreiding in draagkracht onder bewoners. Zo kan worden beoordeeld of de aanpak redelijk is voor de wijk als geheel.

Ten slotte moet de gemeente een redelijke termijn hanteren tussen besluitvorming en het daadwerkelijk stoppen van de levering van aardgas in een wijk. In de toelichting op het Bgiw wordt als richtlijn een periode van acht jaar genoemd. Daarmee hebben bewoners voldoende tijd om zich aan te passen en te investeren. De werkwijze voor het berekenen van betaalbaarheid wordt op dit moment uitgewerkt. Hieronder is het verwachte stappenplan beschreven waarop we als gemeente de betaalbaarheid moeten vaststellen. Deze stappen kunnen in de toekomst wijzigen. 1. Bepaal de referentiesituatie (huidige situatie) De berekening begint met inzicht in de huidige woonlasten per type woning. Daarbij worden meegenomen: • Jaarlijkse kosten voor aardgas en elektriciteit (op basis van verbruik en gemiddelde tarieven);

•

Onderhoud en vervanging van de huidige verwarmingsinstallatie (bijvoorbeeld cv-ketel);

o Eventuele bijbehorende kosten voor isolatie of ventilatie die in ieder geval nodig zijn; Financieringslasten, bijvoorbeeld lening of hypotheekdeel. Dit vormt de basislijn voor de vergelijking. •

2. Bepaal de toekomstige situatie (na overstap) Daarna worden de totale kosten van de duurzame warmteoplossing berekend. Deze omvatten: • Eenmalige investeringskosten (aanschaf warmtepomp, aansluiting warmtenet, bouwkundige aanpassingen); • Jaarlijkse verbruikskosten (elektriciteit of warmtetarieven); • Onderhoud en vervanging over de levensduur van de installatie; • Financieringslasten van de investering (rente en aflossing); • Eventuele subsidies, tegemoetkomingen of nationale regelingen (zoals ISDE, Nationaal Warmtefonds). 3. Vergelijking van totale kosten over de levensduur De gemeente vergelijkt de contante waarde van de totale kosten in de huidige en toekomstige situatie. Gebruikelijk is een looptijd van 30 jaar en een discontovoet, conform de richtlijnen van het Rijk. Er wordt gekeken naar: • Totale netto contante kosten voor de bewoner (TCO: Total Cost of Ownership); • Gemiddelde jaarlijkse woonlasten (energiekosten + financieringslasten). De vergelijking moet aantonen dat de duurzame oplossing financieel gelijkwaardig of voordeliger is dan de huidige situatie voor minimaal 70% van de woningen in een warmtetransitie gebied. 4. Beoordeling per woningtype en wijkniveau Omdat woningen verschillen in grootte, verbruik en type (koop, huur, bouwjaar), berekent de gemeente de kosten voor representatieve woningtypen (bijvoorbeeld rijtjeswoning, vrijstaand, appartement).

De resultaten worden gewogen op basis van de aantallen per type in de wijk. Zo ontstaat een gemiddelde wijkberekening. De uitkomst moet laten zien dat ten minste 70% van de woningen een betaalbare overstap heeft dat wil zeggen: • De totale kosten over de levensduur zijn niet hoger dan in de huidige situatie, • Of de jaarlijkse woonlasten stijgen beperkt en tijdelijk, • Of de hogere kosten redelijk zijn gezien de baten (comfort, waarde, duurzaamheid). 5. Aandacht voor spreiding en kwetsbare groepen De gemeente moet in de analyse aandacht besteden aan verschillen in draagkracht. Dat kan door: • Te werken met inkomensklassen of segmenten (laag, midden, hoog); • De effecten voor huurders en eigenaren apart in kaart te brengen; • De mogelijkheden voor financiering of ondersteuning (zoals subsidies, leningen, ontzorgingsprogramma’s) te betrekken. Kwetsbare groepen mogen niet onevenredig hard geraakt worden door de overgang. 6. Toetsing en transparantie De berekeningen moeten transparant zijn: aannames over energieprijzen, levensduur, subsidies en rendementen moeten worden vastgelegd. De gemeente moet ook aangeven hoe onzekerheden (zoals prijsstijgingen of rente) zijn meegenomen in de gevoeligheidsanalyse.

De resultaten worden gemaakt en onderbouwd bij de aanwijzing van een warmtetransitiegebied in het omgevingsplan, hiervoor zijn tools 4 beschikbaar.

Betaalbaar verbinding warmtevraagdichtheid De aanleg van warmtenetten is vooral aantrekkelijk op plaatsen waar de warmtevraag geconcentreerd is. Hoe groter de dichtheid van woningen, bedrijven en andere gebouwen met een stabiele en aanzienlijke warmtevraag, hoe efficiënter een warmtenet kan functioneren. In zulke gebieden kunnen leidingen korter blijven, zijn verliezen lager en kunnen duurzame bronnen zoals restwarmte en warmtepompen op grotere schaal worden benut. Hierdoor dalen met name de kosten per aangesloten gebouw. Waar de warmtevraag versnipperd is, wordt de infrastructuur duurder en minder rendabel. Daarom wordt een warmtenet vaak ook stadsverwarming genoemd. Een hoge warmtevraagdichtheid vormt een belangrijke voorwaarde voor investeringen in warmtenetten. De concentratie van de verwachte toekomstige warmtevraag van woningen is hieronder zichtbaar in Figuur 8.

Figuur 11 Warmtevraagdichtheid Overbetuwe – berekend door Tomahawk

Bovenstaande kaart is belangrijk omdat op basis van deze informatie iets gezegd kan worden over de financiële haalbaarheid van een warmtenet. In gebieden met een geconcentreerde warmtevraag, waarbij veel woningen bij elkaar staan of panden met een hoge warmtevraag staan, wordt de technisch-economische haalbaarheid van een collectieve warmteoplossing vaak groter. Bij een lage warmtevraag in combinatie met woningen die ver uit elkaar liggen zijn individuele oplossingen, zoals een warmtepomp of duurzaam gas, oplossingen die vaak meer voor de hand liggen. De warmtevraagdichtheid is een goede indicator om een eerste indruk te krijgen van de financiële haalbaarheid.

4 Eindgebruikerskosten

De kaart geeft een hoog detailniveau, het is belangrijk om wat grover te kijken naar Overbetuwe. 1500 – hoger GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is hoog. Doordat er veel warmtevraag is per hectare kan er veel warmte afgezet worden per meter warmteleiding. Hierdoor is de kans groter dat een warmtenet financieel haalbaar is. 1000 - 1500 GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is niet erg hoog. De financiële haalbaarheid van een warmtenet zal in grotere mate afhangen van bijvoorbeeld de kosten van de aanleg en de beschikbaarheid van een gunstige warmtebron. De koppelmogelijkheden met andere activiteiten zoals vernieuwing riolering en openbare inrichting. 0 - 1000 GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is relatief klein. Een warmtenet is geen logische keuze, omdat het aanleggen van warmte infrastructuur te duur is.

Betaalbaar, verbinding andere ontwikkelingen - Riolering en openbare inrichting Het moment waarop riolering of de openbare ruimte wordt vernieuwd is relevant voor de haalbaarheid van een warmtenet omdat aanlegkosten sterk kunnen worden verlaagd wanneer werkzaamheden worden gecombineerd. Het grootste deel van de investering in een warmtenet zit in het openbreken van straten en het aanleggen van leidingen. Als deze ingrepen kunnen worden uitgevoerd op het moment dat de gemeente toch al de riolering vervangt of de inrichting van de straat vernieuwt, ontstaat een belangrijk kostenvoordeel en wordt de overlast voor bewoners beperkt. Deze koppelkans vergroot de economische haalbaarheid van een warmtenet en kan doorslaggevend zijn bij de keuze voor een collectief warmtesysteem. • • •

Één keer graven, één keer herstellen → minder m² straatwerk en verkeersmaatregelen, dus lagere uitvoerings- én maatschappelijke kosten. Planningsvoordeel: als je warmtenet meeloopt met groot onderhoud (riolering/verharding), kun je investering en overlast verminderen. Vooraf onderzoek in de ondergrond bundelen (proefsleuven, kabels/leidingen, archeologie) om aanlegrisico’s en meerwerk te beperken 5.

Wanneer pakt koppelen nadelig uit? •

•

Synchronisatie-risico: als planningen niet echt samenvallen, verdampen de verwachte besparingen. Op andere plekken wordt gesteld dat het niet synchroon lopen van riool en warmtenet maakte dat de beoogde kostenbesparing uitbleef; bovendien viel een deel van het leidingwerk duurder uit dan geraamd. Complexiteit zorgt voor vertraging: landelijke evaluaties (PAW/NPLW) benoemen dat combineren met rioolvervanging tot vertraging kan leiden doordat de scope groeit en standaardprocessen worden verlaten. 6

5 Microsoft Word - Rapport Risicoanalyse wijkuitvoeringsplan - definitief v7EK 6 Sturen in Transitie

Waarom collectieve netten onderzoeken? Hieronder worden de argumenten weergegeven waarom het onderzoeken van collectieve warmtenetten zinvol is. De grootste uitdaging van warmtenetten is de betaalbaarheid. - Met collectief snelheid maken, co2 verlagen Een warmtenet maakt het mogelijk om hele wijken tegelijk te verduurzamen. In plaats van duizenden individuele oplossingen wordt één collectieve infrastructuur aangelegd. Daardoor gaat de energietransitie sneller en daalt de CO₂-uitstoot meteen voor veel huishoudens. - Netcongestie verminderen Warmtenetten gebruiken weinig elektriciteit, zeker als de warmtebron duurzaam is. Dat ontlast het elektriciteitsnet en voorkomt extra piekbelasting die ontstaat wanneer veel individuele warmtepompen tegelijk draaien. Daarnaast kan er veel beter gestuurd worden om pieken op te vangen, door slimme sturing en buffering. Ook is een piek systeem met biogas mogelijk. - Ruimtelijke regie De gemeente kan via warmtenetten sturen waar en wanneer infrastructuur wordt aangelegd. Dit maakt slimme koppelingen mogelijk met rioolvervanging, herinrichting van straten en wijkontwikkelingen, waardoor kosten en overlast beperkt blijven. Daarnaast voorkomt een collectief systeem de plaatsing van warmtepompen bij alle woningen met een betere ruimtelijke omgeving.

- Sociale gelijkheid Een collectief warmtenet kan vaste, voorspelbare tarieven en (financiële) ontzorging bieden. Dit helpt huishoudens die moeilijk zelf kunnen investeren in individuele verduurzaming, zodat de energietransitie eerlijker verloopt. - Weinig gebouw gebonden maatregelen nodig Aansluiting op een midden temperatuurnet vraagt vaak weinig aanpassingen in woningen. Bestaande radiatoren kunnen blijven, isolatie-eisen zijn minder streng en bewoners hoeven geen grote installaties in huis te plaatsen. Hierdoor is overstappen eenvoudiger en goedkoper.

Haalbaar – effect elektriciteitsnet Netcongestie op het elektriciteitsnetwerk ontstaat wanneer er op bepaalde momenten of locaties niet voldoende capaciteit is om de huidige of een toekomstige vraag of aanbod van stroom te verwerken. De uitvoering van het warmteprogramma is voor een deel afhankelijk van die transportcapaciteit, vooral wanneer warmte elektrisch wordt opgewekt of wanneer verwarmingsnetten gebruikmaken van elektrische hulpcomponenten, zoals pompen of regelinstallaties. Belangrijkste knelpunten • • •

Het toenemende gelijktijdige gebruik van elektriciteit, bijvoorbeeld door warmtepompen en elektrische voertuigen, zorgt voor extra belasting van het netwerk. De teruglevering van lokaal opgewekte stroom op piekmomenten (zoals van zonnepanelen of windenergie) legt eveneens druk op het net. Wanneer er onvoldoende netcapaciteit beschikbaar is, kunnen aansluitingen of uitbreidingen van warmte-infrastructuur vertraging oplopen of zelfs tijdelijk niet mogelijk zijn, met directe gevolgen voor de uitvoering van het warmteprogramma.

Figuur 12 Capaciteitskaarten Liander - TenneT

Hierboven zijn de capaciteitskaarten van het stroomnet in Overbetuwe weergegeven. Waarbij ‘rood’ aangeeft dat er geen capaciteit beschikbaar is. De specifieke situatie verschilt per gebied en ook afhankelijk van het hoogspanningsnet, middenspanningsnet en laagspanningsnet. Bovenstaande kaarten vormen de combinatie van TenneT en Liander netcongestie. Huidige situatie in Overbetuwe • • •

Op dit moment kan de uitbreiding van het netwerk de groei van gelijktijdige energievraag en aanbod niet bijhouden. Alliander waarschuwt dat zowel particulieren als bedrijven naar verwachting nog zeker tien jaar hinder zullen ondervinden van een vol stroomnet. De maatschappelijke gevolgen zijn groot: projecten lopen vertraging op, en de realisatie van duurzame opwekking stagneert.

Voor het warmteprogramma heeft dit verschillende implicaties. Projecten die afhankelijk zijn van een nieuwe of zwaardere elektriciteitsaansluiting vertragen. Dat geldt bijvoorbeeld voor wijken waar individuele warmtepompen worden voorzien of waar bedrijven willen elektrificeren. Als gemeente adviseren we om die reden op wijkniveau om te kiezen voor een hybride warmtepomp in plaats van een all-electric warmtepomp. Vanuit energietransitie en betaalbaarheid een ongewenste situatie. Door vanaf het begin rekening te houden met netcongestie zoals het kiezen voor oplossingen met een lagere netimpact, het faseren van elektrische belasting, het koppelen van vraag en aanbod aan warmte- of elektriciteitsopslag, of door gebruik te maken van slimme sturing helpen we netcongestie verminderen.

Concreet netcongestie en warmteoplossingen Afhankelijk van de gekozen warmteoplossing is de belasting in het elektriciteitsnet anders. Hieronder is een typisch warmtevraag profiel over een zeer koude week weergegeven van huishoudens met een hybride warmtepomp. Zichtbaar is dat de gasketel op piekmomenten de warmtevraag overneemt en hiermee het elektriciteitsnet dus minder belast dan een all-electric warmtepomp. Om de gelijktijdige vermogenspiekvraag van huishoudens te verminderen worden apparaten steeds slimmer en kunnen steeds meer warmtepompen ook rekening houden met netcongestie.

Figuur 13 Vraagprofielen huishouden met hybride warmtepomp – bron: LES https://202501.energytransitionmodel.com/ Overbetuwe 2050 - midden

-

-

-

Warmtenetten met een centrale warmte bron zoals geothermie (vaak 70 graden warmtenet) hebben de laagste piekbelasting per woning dan andere oplossingen. Deze warmtenetten hebben een centrale bron met een zeer beperkte elektrische aandrijving. Lucht(-water) warmtepompen veroorzaken de hoogste piek vraag in het elektriciteitsnet. Met name de sterke piekbelasting bij koude dagen is erg hoog. Bodemwarmtepompen (en vergelijkbare ZLT-netten) en hybride systemen hebben een minder sterke piek belasting. Bij bodemwarmtepompen komt dit door de stabiele bron, ook bij koude dagen. En bij een hybride systeem doordat bij koude dagen de cv-ketel de warmtevraag overneemt. Collectieve buurtsystemen met een warmtenet, vaak gevoed middels warmtepompen, mogelijk een laag temperatuur bron en eventueel opslag, lijkt wat betreft piekvraag op de hybride systemen. Vaak is er sprake van een piekvraag voorziening via (bio)gasgestookte ketels. En door centrale aansturing van de elektrische aandrijving wordt elektriciteitsvraag centraal gestuurd. Een voordeel ten opzichte van individuele oplossingen is dat het centrale buurtsysteem aangesloten kan worden op het middenspanningsnet en veel minder invloed heeft op het laagspanningsnet.

Niet alleen piekverbruik, maar ook decentrale energieopwek, zoals zonnepanelen, en de bredere transitie naar een grotere elektriciteitsvraag, zoals elektrisch vervoer, spelen een belangrijke rol bij netcongestie. Deze gezamenlijke vraag en opwek zorgen ervoor dat er meer middenspanningsstations nodig zijn in Overbetuwe.2

Warmtebronnen en -oplossingen Om gebouwen in de gemeente Overbetuwe stapsgewijs aardgasvrij te maken, zijn er verschillende warmtetechnieken beschikbaar. Elke techniek heeft eigen voordelen, aandachtspunten en voorwaarden. De keuze voor een passende oplossing hangt af van de kenmerken van het pand, de beschikbare infrastructuur en de wensen van bewoners. Hieronder worden drie hoofdcategorieën beschreven: 1. individuele oplossing met een warmtepomp 2. collectieve oplossing via een warmtenet

3. het gebruik van duurzaam gas. Deze opties verschillen in techniek, benodigde isolatiemaatregelen, tempo van overstap en de soorten infrastructuur die nodig zijn. Zo vraagt een warmtepomp vaak om meer isolatie en een aanpassing in de elektriciteitsvoorziening, terwijl een warmtenet juist collectieve aanleg in de wijk vereist. Groengas kan daarentegen worden toegepast met relatief beperkte aanpassingen in de woning, vaak via het gasnetwerk. De keuze voor specifieke bronnen zal afhankelijk zijn van de lokale omstandigheden, de warmtevraag, economische haalbaarheid en de voorkeuren van bewoners en bedrijven. Verwarmingen zoals straalkachels en infrarood panelen worden hieronder niet beschreven omdat deze niet gezien worden als basisverwarming voor alle woningen in een wijk.

1. Individuele oplossingen met een warmtepomp Een warmtepomp werkt met een bron waaruit warmte wordt onttrokken om de woning en tapwater op te warmen. Elke bron met warmte kan hiervoor gebruikt worden. Hieronder worden de meest voorkomende vormen van warmtepompen beschreven. Warmtepompen zijn ook op te schalen naar buurtsystemen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om luchtwater warmtepompen te verbinden met elkaar en de warmte in te voeden in een warmtenet, zoals bij het Modulair Energie Systeem.7 Of bodem-lussen die normaal gebruikt door een bodemwarmtepomp met elkaar te verbinden zoals in het systeem ven Uiteigenbodem8. Dit zien we als tussenvormen die hieronder niet nader worden beschouwd

- Lucht-water Warmtepompen: o o o

o o

wint warmte uit de buitenlucht en zet deze om in bruikbare warmte voor verwarming en warm tapwater. Universeel toepasbaar voor vrijwel alle typen woningen en utiliteitsgebouwen. Aandachtspunten: Geluidsproductie door de buitenunit, benodigde elektrische capaciteit, vereist behoorlijk goede isolatie en neemt meer ruimte in beslag dan een cv-ketel. Bijzonderheden: ook geschikt voor koeling Overstap: ieder kan op zijn eigen tempo overstappen. Collectief overstappen kan ook als het elektriciteitsnet dit aankan.

-

Hybride Warmtepompen o combineert een lucht-water warmtepomp met een cv-ketel waardoor de warmtepomp het grootste deel van het jaar verwarmt en de ketel bijspringt op koude dagen of voor warm tapwater. o Toepasbaar in veel bestaande woningen die nog niet volledig all-electric kunnen, vaak zonder grote bouwkundige aanpassingen. o Aandachtspunten: blijft afhankelijk van gas, geluidsproductie door de buitenunit o Bijzonderheden: een goede tussenstap richting volledig elektrisch. o Overstap: laagdrempelige optie voor woningeigenaren die nog niet volledig willen of kunnen overstappen.

-

Bodemgebonden Warmtepompen (brine-water, bodem-water of water-water)

7 Home - Dep MES 8 UEB - Uiteigenbodem

o o o o o

-

wint warmte uit de bodem meestal via een gesloten bron en zet deze om in warmte voor verwarming en warm tapwater. Toepasbaar bij woningen en utiliteitsgebouwen met voldoende ruimte voor een verticale of horizontale bron en met goede isolatie. Aandachtspunten: hogere investering en complexe installatie, vergunning kan nodig zijn, bronboring vereist specialistisch werk. Bijzonderheden: zeer hoog rendement, stabiele prestaties in zomer en winter, ook geschikt voor passieve koeling. Overstap: Vooral geschikt bij nieuwbouw of huishoudens die de koelmogelijkheden hoog waarderen. Opschaling is mogelijk naar een wijkconcept. Op veel locaties in Overbetuwe mag niet geboord worden vanwege drinkwatervoorziening. Zie hiervoor de kaart bij het onderdeel WKO.

PVT-Warmtepompen (PV-Thermisch met warmtepomp) o benut PVT-panelen die tegelijkertijd elektriciteit en warmte uit zonlicht en buitenlucht halen om een warmtepomp te voeden. o Toepasbaar bij woningen met voldoende dakoppervlak. o Aandachtspunten: voldoende dakruimte nodig voor PVT-panelen, hogere aanschafkosten dan standaard PV. o Bijzonderheden: combineert opwek van elektriciteit en warmte waardoor een hogere benutting van het dakoppervlakte mogelijk is. o Overstap: vooral interessant voor woningen die de bestaande zonnepanelen willen vervangen en nieuwbouw.

2. collectieve oplossing via een warmtenet Een warmtenet is een systeem waarbij warmte centraal wordt opgewekt en via goed geïsoleerde leidingen wordt geleverd aan woningen en gebouwen in een buurt. In plaats van dat elke woning zelf warmte produceert, bijvoorbeeld met een warmtepomp, wordt de warmte collectief opgewekt. Gebruikers krijgen via een warmtewisselaar warmte aangeleverd voor verwarming en warm water. Er bestaan verschillende typen netten met elk hun eigen temperatuurregime: a. MT (middentemperatuur) netten, bekend als stadsverwarming, leveren warmte op ongeveer 70 tot 90 graden Celsius. b. LT (laagtemperatuur) netten werken met ongeveer 40 tot 55 graden, waardoor ze efficiënter zijn en beter passen bij goed geïsoleerde gebouwen met lagetemperatuurafgiftesystemen zoals vloerverwarming. c. ZLT (zeer laagtemperatuur) netten leveren water van ongeveer 10 tot 25 graden en functioneren als een bronnet waarbij individuele warmtepompen in de woningen de temperatuur verder omhoog brengen. Hierdoor zijn ZLT netten zeer energiezuinig en kunnen ze een woning vaak ook koelen. Ze vragen wel om een (kleine) warmtepomp in elke woning.

Warmtenetten zijn alleen rendabel wanneer de forse investeringen voor de aanleg per meter leiding kunnen worden terugverdiend door voldoende warmteafname per meter. Met name in dichtbebouwde gebieden, zoals hoogbouw of compacte woonwijken, is dit haalbaar. In die gebieden is er een hoge warmtevraagdichtheid. In deze omgeving kan een warmtenet de warmte uit een collectieve bron efficiënt distribueren naar meerdere gebouwen of woningen.

2a Bronnen voor een warmtenet Hieronder worden de mogelijke bronnen van warmtenetten beschreven: -

Regionale afvalverbranding (ARN en AVR) De ARN in Weurt en de AVR in Duiven hebben een grote hoeveelheid warmte beschikbaar. Deze warmte wordt nu al gebruikt voor het warmtenet in Nijmegen-Noord en in Arnhem, Duiven en Westervoort. Een uitbreiding richting Overbetuwe, met name naar Oosterhout en Driel, ligt geografisch wellicht voor de hand. Bij de aanleg van het bestaande warmtenet is echter geen rekening gehouden met uitbreiding naar Overbetuwe. De huidige leidingen zijn daarom onvoldoende geschikt om warmte door te trekken. Voor een aansluiting zijn lange, dure tracés nodig richting een gebied met relatief lage warmtevraagdichtheid. Dit is financieel niet haalbaar. Daarnaast is men afhankelijk van de nu commerciële eigenaar van het warmtenet en moet extra warmte worden gecontracteerd in samenwerking met andere regiogemeenten.

-

Restwarmte uit glastuinbouw

Grote glastuinbouwcomplexen kunnen restwarmte leveren, bijvoorbeeld via bestande WKKinstallaties. Ook kunnen ze fungeren als startmotor voor de realisatie van een grootschalige warmtebron zoals geothermie. Als voorbeeld kan gekeken worden naar Next-Garden in Lingewaard, waar al een warmtenet aanwezig is dat warmte uitwisselt tussen bedrijven en gebouwen. NextGarden zoekt echter zelf naar duurzame toekomstige bronnen voor dit systeem en er is op dit moment geen bron beschikbaar die kansrijk is voor inzet in Overbetuwe. De glastuinbouw in Overbetuwe heeft geen potentie om een warmtenet mee aan te leggen. -

Restwarmte uit lokale bedrijven

Diverse bedrijven in Overbetuwe produceren warmte bij industriële of logistieke processen. Het benutten van deze warmte is technisch mogelijk, maar vaak complex omdat de temperatuur varieert en de locaties versnipperd zijn. Tevens is de omvang in Overbetuwe zeer beperkt. Kleine bronnen leveren daarbij ook geen constante basislast, waardoor meerdere bronnen gecombineerd moeten worden om een gebied te voorzien van warmte. Voorbeelden: •

• •

-

Steenfabriek Wienerberger (Heteren): De productie van bakstenen levert middelhoge restwarmte op door afkoeling uit tunnelovens. Een deel wordt intern gebruikt. Het resterende surplus is voldoende voor circa 100 woningen. Dit is te klein om een zelfstandig warmtenet op te baseren. Heinz fabriek (Elst): De meeste warmte wordt intern hergebruikt en verder geoptimaliseerd, waardoor uitkoppeling niet haalbaar is. Grootschalige detailhandel (supermarkten en winkels): Koelinstallaties kunnen restwarmte leveren die soms gebruikt wordt voor het eigen pand of een naastgelegen gebouw. Dit is echter vooral geschikt voor kleinschalige lokale systemen, niet voor het realiseren van een nieuw warmtenet. Ondiepe bodemenergie en WKO

Warmte en koude uit ondiepe aardlagen, vaak tot 200 meter diepte, kan worden gewonnen via bijvoorbeeld Warmte Koude Opslag (WKO). Deze WKO-systemen worden in Nederland toegepast en zijn zeer geschikt voor grotere gebouwen of gebouwclusters, zoals scholen, kantoren en appartementencomplexen. De energiebalans in de bodem moet behouden blijven. Dit betekent dat de hoeveelheid warmte en koude die over een jaar wordt opgeslagen en onttrokken, ongeveer in evenwicht moet zijn. Dit kan gerealiseerd worden door een andere laag-temperatuur bron te verbinden aan de WKO, zoals warmte van water uit de rivier of warmte uit de buitenlucht. Voor het gebruik in een warmtenet is opwaardering van de temperatuur uit de WKO, rond de 15 graden, nodig. Vaak via collectieve (bij MT-net) of individuele (bij ZLT-net) warmtepompen. Het realiseren van een WKO op locaties waar de ondergrond beschermd is vanwege huidige of toekomstige drinkwater wingebieden is niet mogelijk. Een groot deel van Overbetuwe is beschermd. Hiernaast is dit zichtbaar op de kaart. Alle gekleurde gebieden zijn beschermd waardoor een boring niet mogelijk is. Mogelijke aanpassingen van deze gebieden door het bevoegd gezag, de provincie Gelderland, worden gevolgd.

Figuur 14: WKOtool

Verwacht wordt dat WKO bronnen in Overbetuwe mogelijk zijn in het hiernaast groen gearceerde gebied in Overbetuwe. In het meest interessante 4e watervoerende pakket op 21 tot 100 meter diep kan naar verwachting per WKO-bron maximaal 3000 GJ (vaak minder) GJ per seizoen gewonnen worden. Dit is het verbruik van minder dan 100 woningen. -

Geothermie (diepe aardwarmte)

Geothermie wint warmte uit diepe aardlagen (mijnbouw), in onze regio wordt gekeken naar ongeveer 1,5 kilometer diepte. Warm water, bijvoorbeeld op 60 graden, wordt opgepompt Figuur 15 WKO - Arcadis vanuit diepe putten en na het onttrekken van warmte op lagere temperatuur terug in de aarde gebracht. Er blijft in de ondergrond dus een balans bestaan, anders dan bijvoorbeeld bij gaswinning. De techniek en risico's zijn om die reden dan ook niet vergelijkbaar. In de samenwerking met Lingewaard, Arnhem, Nijmegen, EBN en provincie onderzoeken we de mogelijkheden voor de toepassing van geothermie in de toekomstige energiemix. De regio toont veelbelovende eigenschappen voor geothermie, vooral ten noorden van Elst. Exacte potentie hangt af van nader onderzoek naar de ondergrond, waaronder de doorlaatbaarheid. Dit kan aangetoond worden met een proefboring. Dit onderzoek is kostbaar maar noodzakelijk om te bepalen of een warmtenet voor Elst gevoed met geothermie financieel haalbaar is. Een succesvolle geothermiebron kan warmte leveren aan duizenden woningen. De bescherming van de ondergrond zoals beschreven bij de Ondiepe bodemenergie en WKO, geldt ook voor geothermie. Daarnaast is er een geothermie installatie nodig, na de boorfase is er ongeveer 0,5 ha bovengrondse ruimte nodig.

Hiernaast is de zorgvuldige inpassing in Den haag weergegeven, het rode gebouw is de Figuur 16 Geothermie installatie Den Haag geothermie installatie.

Hoge investeringskosten, risico in het vinden van geschikte ondergrond, vergunningprocedures en mogelijke omgevingszorgen. -

Aquathermie

Aquathermie omvat technieken waarbij warmte wordt gewonnen uit oppervlaktewater (TEO), drinkwater (TED) en afvalwaterstromen (TEA). De warmte wordt opgewaardeerd met warmtepompen en kan worden ingezet voor warmtenetten. De techniek is relatief nieuw maar kan lokaal een groot potentieel hebben, vooral in gebieden met voldoende waterstromen of waar RWZI's of grote riooltransportleidingen aanwezig zijn. -

TEO, Thermische Energie uit Oppervlaktewater

TEO maakt gebruik van warmte (of koude) uit oppervlaktewater zoals rivieren, kanalen, sloten of plassen. Via een warmtewisselaar wordt warmte onttrokken aan het water. Hierna waardeert een warmtepomp de temperatuur op tot een niveau dat geschikt is voor verwarming of tapwater in woningen of utiliteitsgebouwen. Dat kan individueel, middels een ZLT-warmtenet of collectief middels een MT-net. Hierbij kan een warmteopslag, zoals een WKO worden toegepast. Overbetuwe grenst aan grote rivieren zoals de Rijn en de Waal. Deze rivieren zouden in potentie bronnen kunnen vormen voor warmtenetten in gebieden langs de waterkant. De verwachting is dat RWS alleen samenwerkt als de schaal van het TEO warmtenet van een serieuze omvang is (vanaf 1500 woningen). De bebouwingsdichtheid moet voldoende zijn om het warmtenet rendabel te maken. In zeer verspreide dorpen is dit lastiger te realiseren. Dat geldt sterker voor de MT-netten dan de ZLTnetten. De afstand tussen rivier/ waterbron en de afnemers moet zo klein mogelijk zijn om warmteverlies en leidingkosten te beperken. Ecologische en waterbeheeraspecten spelen een rol. Onttrekking van warmte en terugvoer moeten zorgvuldig worden ingepast in samenwerking met de beheerder, zoals Rijkswaterstaat. Op geen enkele locatie in Nederland is waterwinning uit de grote rivieren al gerealiseerd. -

Figuur 17 RWZI's op kaart, bron syntraal.omgevingswarmte.nl/

TEA, Thermische Energie uit Afvalwater

TEA betreft de onttrekking van warmte uit afvalwaterstromen, zoals afkomstig van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) of grote riooltransportleidingen. Via warmtewisselaars en warmtepompen wordt deze warmte opgewaardeerd voor ruimteverwarming of tapwater. In Overbetuwe zijn geen RWZI’s beschikbaar waar grootschalig warmte uit te winnen is. De RWZI’s in de regio zijn hiernaast op kaart weergegeven. De RWZI bij Zetten wordt op termijn ontmandeld. En ook ontbreekt het aan grote riooltransportleidingen.

In Overbetuwe zijn diverse riooltransportleidingen aanwezig. Hieronder zijn deze op kaart weergegeven. De grootste leiding bevindt zich ten Oosten van Elst. Met een theoretisch potentieel van enkele honderden woningen is dit wel een bron van formaat, maar niet voldoende om een warmtenet voor aan te leggen. Het is belangrijk te realiseren dan een theoretisch potentieel in de praktijk vaak lager uitpakt. Indien een warmtenet aanwezig is, kan bekeken worden of warmte uit de riooltransportleiding hieraan gekoppeld kan worden als aanvullende bron.

-

TED, Thermische Energie uit Drinkwater

TED (Thermische Energie uit Drinkwater) betreft het benutten van de temperatuur van drinkwatertransportleidingen of distributienetten. Via warmtewisselaars bij de drinkwaterleiding of bij distributiestations wordt warmte onttrokken. Daarna wordt deze vaak opgeslagen in een WKOsysteem en via een warmtepomp geschikt gemaakt voor verwarming. Het is essentieel dat het drinkwater onbelemmerd geschikt blijft voor consumptie. De theoretische potentie van TED op basis van overkoepelende data is hieronder op kaart weergegeven. In samenwerking met Vitens wordt bekeken wat de potentie van de locatie Fikkersdries in de praktijk is voor Driel en op welke wijze deze warmte ecoomisch rendabel ingezet kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=3dc36f52-8056-425e-91c5-59adcdaf6c73