CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-10-07.09 Relevant stuk 13. Landschappelijke inpassing Platenmakersstraat Elst (rapport)

Gemeenteraadsvergadering 7 oktober 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Realisatie woonwagenstandplaatsen Platenmakersstraat Elst4.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

LANDSCHAPSINPASSINGSPLAN PLATENMAKERSSTRAAT ONGENUMMERD ELST

03-07-2025 | GEMEENTE OVERBETUWE

De Kleine Campus Statenlaan 8 6828 WE Arnhem info@oostzee.nl www.oostzee.nl Kristiaan Visser Landschapsontwerper 06 - 46 19 23 41 | k.visser@oostzee.nl

INLEIDING Aanleiding In 2018 heeft het Ministerie van BZK het beleidskader ‘gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ ontwikkeld. Lokale overheden moeten voor een afgewogen woonbeleid zorgen, zodat de doelgroep volgens hun tradities en culturele identiteit kan leven. In het woonbeleid moet rekening worden gehouden met de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners en te worden voorzien in voldoende standplaatsen, zodat woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. De gemeente Overbetuwe heeft het voornemen om aan de Platenmakersstraat vier nieuwe woonwagenstandplaatsen te realiseren. De ontwikkeling is voorzien aan de west- en oostzijde van het volkstuinencomplex. Om deze nieuwe standplaatsen bereikbaar te maken wordt er aangesloten op de bestaande (agrarische) ontsluiting aan de Hollanderbroeksestraat en een nieuwe ontsluiting in het verlengde van de Van der Veenstraat. De locatie waar de beoogde ontwikkeling is voorzien, is bestemd tot ‘Agrarisch’. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Om het realiseren van vier nieuwe woonwagenstandplaatsen op deze locatie mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Een voorwaarde voor deze wijziging is een goede landschappelijke inpassing.

In dit document wordt de inpassing in het landschap omschreven voor de desbetreffende locatie.

Ligging plangebied | bron: Topotijdreis

Leeswijzer • Huidige situatie • Analyse • Beleid • Landschappelijke inpassing • Beplantingsplan • Beheer landschapselementen

OOSTZEE | 3

HUIDIGE SITUATIE

Hollanderbroeksestraat

Platenmakersstraat met links het plangebied

Plangebied met A-watergang en de bebouwde kom van Elst

Plangebied met op de achtergond de Hollanderbroeksestraat

OOSTZEE | 4

HUIDIGE SITUATIE

Platenmakersstraat

Zicht op buurtschap Snodenhoek

Volkstuinencomplex

Zicht op plangebied vanaf Snodenhoeksestraat

OOSTZEE | 5

ANALYSE | HISTORIE

Bebouwing en wegen zijn onstaan op oude stroomruggen. In de 19e eeuw kwam de fruitteelt op. Kleine boomgaarden lagen tot 1900 vrijwel uitsluitend rondom de dorpen. De komgronden waren vooral in gebruik als hooi- en weiland | bron: Topotijdreis

De zegen en weteringen zijn van oost naar west gelegen, parallel aan de Linge (hoofdwetering). De noord-zuid-gerichte stroomrug Valburg-Homoet-Heteren en de open kom (Hollanderbroek) zijn (nog steeds) duidelijk herkenbaar | bron: Topotijdreis

In 1975 is een verdere verdichting van het landschap te zien. Bouwland werd geschikt gemaakt voor fruit- en boomteelt | bron: Topotijdreis

In de jaren 90 vind schaalvergroting plaats door ruilverkaveling. De percelen werden op veel plaatsen rechtgetrokken en vergroot. Fruitbomen zijn vervangen door akkers en graslanden | bron: Topotijdreis

OOSTZEE | 6

ANALYSE | HISTORIE Historie Het gebied de Over-Betuwe lag van oorsprong tussen de door de ijstijden gevormde stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug en het Brabantse dekzandgebied. Het gebied was in feite een grote (nog onbedijkte) delta, waarin de rivieren Waal en Rijn vrij spel hadden en regelmatig hun loop verlegden. Zo vormde zich uiteindelijk het brede ‘oerstroomdal’ van Rijn en Waal, waar de Betuwe deel van uitmaakt. Kenmerkend voor dit ‘oerstroomdal’ in het meer bovenstrooms gedeelte van het rivierengebied zijn de relatief grote en vlakke oeverwallen en kleine komgebieden. Dit is in tegenstelling met het benedenstrooms rivierengebied, waar de oeverwallen smal zijn en de kommen zeer uitgestrekt. Het plangebied is gelegen op de noordzuid-gerichte stroomrug OosterhoutElst-Driel in het oeverwallandschap. De oeverwallen zijn ontstaan op de oevers van de rivieren (stroomgeulen) waarop de grovere zand- en kiezeldeeltjes bezonken. Gebundelde oeverwallen vormden zich langzamerhand tot stroomruggen, die herkenbaar zijn als langgerekte hoger gelegen zones in het landschap. De stroomruggen waren door hun hoge ligging bij uitstek geschikt voor bewoning en landbouw.

Topografische kaart 1900 | bron: Topotijdreis

Ligging in het Landschap Het plangebied is gelegen in het stroomruglandschap en kent een onderscheid in hogere en lagere stroomruggen en oude stroomgeulen. Aanvankelijk waren bewoning, agrarische bouwlanden, fruit- en boomteelt geconcentreerd op de hogere stroomruggen en woerden. Op de hogere stroomruggen was aanvankelijk een kleinschalig en afwisselend coulissenlandschap aanwezig, o.a. door de vele heggen die als perceelsscheiding dienden, de boombeplanting langs de wegen en de vele boomgaarden. Lagere stroomruggen en oude stroomgeulen werden in het verleden vooral gebruikt als hooi- en weiland en hadden een iets opener karakter.

OOSTZEE | 7

ANALYSE | MAAIVELDHOOGTE Na 1880 trad er een verdere verdichting op, omdat bouwland werd omgezet in boomgaarden, zodat ook op de lagere stroomruggen boomgaarden ontstonden. Na de Tweede Wereldoorlog werden veel heggen opgeruimd en hoogstamboomgaarden gerooid, waardoor het van oorsprong kleinschalige en relatief dichte coulissenlandschap een steeds meer open karakter kreeg. Ook vond er schaalvergroting plaats door de ruilverkavelingen, eind jaren vijftig. De percelen op de stroomruggen werden op veel plaatsen rechtgetrokken en vergroot. +9.20

+8.60 +8.20

+8.50 +8.20 +8.60

+8.40 +8.60

+8.90

Landschappelijke kwaliteiten stroomruggen: • Kleinschaligheid van het stroomruggenlandschap met karakteristieke elementen als boomgaarden, hoogstamfruitbomen, laanbeplanting, elzensingels en erfbeplanting.

+8.60

• Waardevolle gradiënten (o.a. open-dicht, hoog-laag, droog-nat) tussen stuwwallen, uiterwaarden, stroomruggen en kommen. • Lintbebouwing in de dorpen en buurtschappen. De kwaliteit zit in de contrasten tussen het omliggende open landschap en de beslotenheid van de linten met hoog opgaande erfbeplanting, kronkelige wegen. Daarnaast is in veel buurtschappen zicht op het landschap mogelijk.

Hoogtekaart | Hoog=rood, via oranje, geel, groen, blauw=laag | bron: AHN-viewer

OOSTZEE | 8

BELEID | LANDSCHAPSONTWIKKELINGSPLAN (LOP) Bij het opstellen van het inrichtingsplan is naast de door de gemeente aangeleverde kaders landschap en stedenbouw het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Overbetuwe als basis gebruikt. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 13b, Raayen. De volgende ruimtelijke uitgangspunten die essentieel van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling aan de Platenmakersstraat in Elst staan hieronder opgenoemd. Hoofddoelstellingen • In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal-uiterwaard (gradiënten); • Behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen; • Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; • Benutten van landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; Visiekaart landschappelijke samenhangen en verschillen | bron: LOP Overbetuwe

• Verbeteren van overgangen tussen stads- en dorpskernen en het platteland. Behoud openheid komgebied Behoud ruimtelijke afwisseling en versterking kleinschaligheid hogere oeverwallen Behoud ruimtelijke afwisseling en versterking kleinschaligheid lagere oeverwallen Ontwikkeling samenhangend gebied met hoofdfunctie natuur en verbetering mogelijkheden extensief recreatief gebruik Behoud en versterking waardevolle gradiënt uiterwaard - oeverwal - kom Behoud en versterking openheid: panorama’s Behoud openheid: panorama’s

Behoud waardevolle openheid Woonbebouwing bestaand Woonbebouwing bedrijventerrein toekomstig Bedrijventerrein bestaand Oppervlakte water Gemeentegrens Spoorlijn / Betuweroute Snelweg Toekomstige N837

OOSTZEE | 9

BELEID | BEPERKINGEN Spuitzone Ten noorden van het plangebied wordt op het perceel onder andere maïs of uien verbouwd waarbij wordt gespoten. De toekomstige woonfunctie moet minimaal 50 meter buiten de spuitzone liggen. Hoogspanningsleiding Door het gebied loopt een hoogspanningsleiding; hiervoor geldt een richtafstand. In het vigerende bestemmingsplan is opgenomen dat niet binnen 40 meter mag worden gebouwd, om gevaar van bijvoorbeeld vallende kabels te voorkomen.

Kaart met beperkingen | bron: Gemeente Overbetuwe Legenda Spuitzone (50 meter) Hoogspanningsleiding (magneetveldzone (50 meter) Geur (50 meter) Woonwagenstandplaatsen

Tegenwoordig is er ook aandacht voor magneetvelden rond de hoogspanningsleidingen, die misschien ook effect kunnen hebben op de gezondheid. Als uitgangspunt voor de hoogspanningsleidingen is de veiligheidsmarge opgenomen. De afstand die in het bestemmingsplan is opgenomen is 40 meter aan weerszijde. Dit is de beschermingszone. De afstand van de magneetveldzone is echter 50 meter aan weerszijde. Dat geldt ook voor beplanting (bomen en struiken). Als de beplanting te dicht in de buurt van een hoogspanningsleiding komt, kan er een gevaarlijke situatie ontstaan. De elektriciteit kan via de beplanting een weg naar de aarde zoeken; dit noemt men overslag. Geurcirkels Aan de Hollanderbroeksestraat 13 is een veeteeltbedrijf gevestigd. Voor het houden van rundvee geldt voor woningen binnen de bebouwde kom een vaste afstand van 100 meter. Hieraan wordt niet voldaan. Daarnaast gelden nog andere vaste afstanden: 50 meter tussen gevel dierenverblijf en gevel woning en 100 meter voor de opslag van vaste mest tot de woningen. Dit moet ook worden getoetst. De geurcirkel (bufferbouwvlak) van dit bedrijf maakt het gebied waar de woonwagens kunnen staan nog kleiner. Los van de geurcirkel, lijkt er aan de westzijde ruimte voor twee standplaatsen. Wat betreft de geurcirkel gaat het niet om het parkeren, maar puur om de woonzone.

OOSTZEE | 10

BELEID | KADERS 7.0 m

4.0 m

7.0 m

4.0 m

3.0 m

schuur

3.0 m

te bebouwen oppervlak

2.0 m

2.0 m

16.0 m

16.0 m

maximale bouwvlak woonwagen

1.5 m

6.0 m

3.5 m

1.5 m

6.0 m

3.5 m 1.0 m

1.0 m parkeren

• Landelijke kaders voor woonwagenstandplaatsen • Minimumeisen in het kader van brandveiligheid en qua kosten; • Grootte standplaats | 11 x 22 m = 242 m2 • Grootte bouwvlak (woonwagen incl. overstekken) | 6 x 16 m = 96 m2 • Effectief woonwagen (excl. overstekken) | 5 x 15 m = 75 m2 • Berging | 3 x 4 m = 12 m2 • Ruimte voor eigen opstallen (gearceerd) = 3 x 7 m = 21 m2; Tuin = links 1.50 m // rechts 3.50 m = 5 meter tussen elke woonwagen Kaders en wensen vanuit cocreatie • Rekening houden met alle milieutechnische beperkingen; • Zorg voor doorzichten vanaf de toeleidende straten; • Zorg voor de juiste korrelgrootte, passend bij de omgeving. Dus geen blokken van vier woonwagens; • Nadrukkelijk niet inpakken of verstoppen. Dat is niet wenselijk vanuit ruimte en veiligheid; • Handhaaf de grote wilg aan het einde van de Rädeckerstraat; • Zorg dat er geen ongedefinieerde rommelstroken ontstaan; • Probeer het historisch karakter van de Snodenhoeksestraat zoveel mogelijk intact te laten; • Creëren van interactie met de buurt door openbaar en toegankelijke inrichting met informele wandel-/ speelmogelijkheden.

rijbaan

Maatvoering woonwagenstandplaats | bron: Gemeente Overbetuwe

OOSTZEE | 11

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

0

Landschappelijke inpassing | zie bijlage voor kaart met legenda op schaal

0

10

10

20

20

30

30

40

50 METER

40

50 METER

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING | WEST

10 9 16 10 18 7 13 1

2 8

19

6 4 12

5

9

3

15

11

0 0

Landschappelijke inpassing | west 10

20

30

40

50 METER

10

20

30

40

50 METER

Toelichting ontwikkeling erf 1. Woonwagenstandplaatsen met woonwagen en bijgebouw | standplaatsen liggen verankerd in een landschappelijk raamwerk met landschapselementen (o.a. struweelhagen, knotwilgen, boomgaarden en weides). 2. Aan de voorzijde van de woonwagens is ruimte voor 2 langsparkeervakken per woning | parkeerplaatsen bij voorkeur uitgevoerd in grasbetonstenen. 3. Nieuwe ontsluiting / rijbaan geeft toegang tot de standplaatsen | betonstraatsteen | rekening houden met ‘monumentale’ wilg ter hoogte van Platenmakersstraat-Rädeckerstraat. 4. In de bocht is de rijbaan voorzien van openbare verlichting (straatlantaarn). 5. Ter hoogte van nieuwe ontsluiting is ruimte gereserveerd voor opstelplaats afvalcontainers. 6. De zijkanten van de kavels zijn deels voorzien van een streekeigen knip- en scheerheg aan de voorzijde is de heg max. 1.20 m hoog | vanaf 3.00 m achter de voorgevel mag de heg hoger i.v.m. privacy (ca. 2.00 m) | voorzijde kavel is open of hekwerk. 7. Toepassen struweelhagen op perceelsgrenzen (noord-zuid gericht) met streekeigen bloem- en besdragende soorten | struweelhagen zorgen voor inpassing standplaatsen, afwisselend landschap (open-dicht) en creëren zichtlijnen naar open landschap. 8. In het landschap zijn twee boomgaarden voorgesteld met historische fruitrassen of sierlijke bloesembomen i.v.m.

beheer | eventueel kan men de boomgaard door vrijwilligers laten beheren of verhuren vergelijkbaar als 9. volkstuinen.Toepassen knotwilgenrij (h.o.h. min. 8 meter) langs wandelpaden (oost-west gericht) | samen met struweelhagen worden lijnvormige elementen gecreëerd waarlangs eventueel kleine zoogdieren zich kunnen voortbewegen en foerageren. 10. Vrijstaande bomen en boomgroepen op of aan de rand van een weide zijn markante herkenningspunten | toe te passen bomen zijn veelal streekeigen, vrucht- en besdragend (vogels), drachtbomen (bij) of voor het klimaat.

OOSTZEE | 13

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING | OOST 9 21

18 20

7 13 10

14

10

10

17 7

19

4

16

6

12

1 18

2

15

11

4 3

5

0 0

Landschappelijke inpassing | oost 10

20

30

40

50 METER

10

20

30

40

50 METER

11. De watergang aan de Platenmakersstraat wordt voorzien van een natuurvriendelijke oever (NVO) | insteek NVO is vanaf openbare weg max. 8.00 m | hierdoor is vanaf één zijde beheer mogelijk | talud NVO 1 : 4 à 6 boven waterpeil | berging ca. 178 m3. 12. Schouwstrook voor beheer watergang (4 meter breed). 13. Een netwerk van wandelpaden geven toegang tot het landschap (plangebied) en maken een lokaal ommetje mogelijk | wandelpaden sluiten aan op netwerk van wandelpaden in het buitengebied (Snodenhoeksestraat). Wandelpaden zijn minimaal 2.00 m breed (volgens Leidraad inrichting openbare ruimte) en zijn gemaaide paden. 14. In de toekomst kunnen de wandelpaden verbonden worden met het pad door het volkstuinencomplex. In overleg met de huurders van het volkstuincomplex is gekozen de paden niet te verbinden met het volkstuinencomplex. 15. Ter hoogte van de watergangen zorgen eenvoudige overbrugging of duiker voor de verbinding. 16. De wandelpaden zijn aan beide zijde voorzien van een brede bloem- en kruidenrijk grasberm | op enkele plekken zijn rustpunten (zitbank) voorgesteld. 17. Ten oosten van het plangebied is ruimte voor een ontmoetingsplek en een natuurlijke speelweide met speelaanleidingen (geen traditionele speeltoestellen) passend bij het agrarische karakter. 18.

Bloem- en kruidenrijk grasland (weides) zorgen voor openheid | weides kunnen eventueel verhuurd worden voor hobbymatig beweiding van bv. schapen of pony’s (natuurlijk beheer, geen intensieve bemesting of chemisch bestrijding). 19. De perceelsgrens aan de west- en oostzijde van de volkstuinen worden voorzien van een natuurlijke bijenhaag met streekeigen soorten | hoogte max. 1.50 m i.v.m. hoogspanningstracé. 20. Perceel behoud agrarische functie | woonfunctie op voldoende afstand (50m). 21. De steenuil komt met name voor in een (halfopen) cultuurlandschap met knotbomen, boomgaarden, erf- en laanbeplanting en vooral extensief beheerde graslanden | in bestaande boom aan de noordzijde is ruimte voor een nestkast voor een steenuil (extra investering in kader van biodiversiteit). OOSTZEE | 14

BEPLANTINGSPLAN

0

10

20

30

40

50 METER

Beplantingsplan

OOSTZEE | 15

BEPLANTINGSPLAN | WEST Voor de nieuwe landschapselementen is een beplantingsplan opgesteld. Hierin wordt per landschapselement aangegeven welke streekeigen beplantingssoorten gewenst zijn, uit welke aantallen de nieuwe aanplant is opgebouwd en in welke dichtheid wordt aangeplant. Daarnaast wordt een indicatie gegeven van het gewenste formaat aan te planten beplanting. PO-TR

D

Solitaire bomen en boomgroepen Vrijstaande bomen en boomgroepen op of aan de rand van het erf zijn markante herkenningspunten. Ze zijn beeldbepalend voor boerderij en omgeving en zetten de boerderij bovendien duidelijk ‘in het groen’. Doordat ze vrij staan, groeien ze tot flinke omvang uit.

A QU-RO D

AL-SP

B

F

Aantal Plantformaat Soorten

H

A

0 0

10

20

30

40

13 laanbomen 16-18 | drdkl. 3xv AL-CO Hartbladige els - Alnus cordata (knotboom) AL-GL Zwarte els - Alnus glutinosa AL-SP Els - Alnus x spaethii ‘Spaeth’ PO-EN Grauwe abeel - Populus x canescens ’Enniger’ PO-TR Ratelpopulier - Populus tremula QU-RO Zomereik - Quercus robur SA-CH Oranje schietwilg - Salix alba ‘Chermesina’ (knotboom) TI-EU Winterlinde - Tilia cordata UL-GL Ruwe iep - Ulmus glabra

50 METER

Beplantingsplan | west 10

20

30

40

50 METER

OOSTZEE | 16

BEPLANTINGSPLAN | OOST Knotbomen Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden gesnoeid. Op deze snoeihoogte ontstaat een vergroeiing van de stam: de knot. Knoteiken worden traditioneel eens in de zeven tot acht jaar geknot, knotessen eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en -populieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Knoteiken en knotessen zijn aanwezig op droge gronden. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame mossen en korstmossen herbergen.

A

PO-EN A

E A Aantal

TI-EU

Plantafstand Plantformaat Soorten

QU-RO AL-GL

I

G

UL-GL

C

E

32 bomen (knotboom) h.o.h. is minimaal 8 meter 16-18 | drdkl. 3xv Schietwilg - Salix alba

SA-CH

AL-CO

SA-CH SA-CH AL-CO

0 0

10

20

30

40

50 METER

Beplantingsplan | oost 10

20

30

40

50 METER

OOSTZEE | 17

BEPLANTINGSPLAN Hoogstamboomgaard Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruit- of notenbomen. Hoogstamboomgaarden komen vooral voor als onderdeel van het boerenerf, maar ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak boomgaarden te vinden. Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland. Hoogstamboomgaarden vormen naast hun landschappelijke betekenis ook een belangrijk leefgebied voor diverse diersoorten. B Aantal

Plantafstand Plantformaat Soorten

C Aantal

Plantafstand Plantformaat Soorten

12 hoogstam bloesembomen in raster, h.o.h. 8 meter minimaal 12-14 Zure kers - Prunus cerasus

12 hoogstam bloesembomen in raster, h.o.h. 8 meter minimaal 12-14 Zoete kers - Prunus avium

Struweelhaag Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse struiken, dat vrij uit mogen groeien. Zo ontstaat een weelderige haag in tegenstelling tot een geknipte haag. Een struweelhaag bestaat vaak uit doornachtige struiken zoals meidoorn, sleedoorn en Gelderse roos. D Aantal

Plantafstand Plantformaat Plantverband Soorten

E Aantal

Plantafstand Plantformaat Plantverband Soorten

300 stuks (75 m1) 2 stuks per m1 | aanplant in twee rijen maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) verschoven verband | aanplant in groepen van min. 5 70 Veldesdoorn - Acer campestre 25 Hondsroos - Rosa canina 30 Rode kornoelje - Cornus sanguinea 40 Gelderse roos - Viburnum opulus 60 Wilde kardinaalmuts - Euonymus europaeus 45 Vuilboom - Rhamnus frangula 30 Gele kornoelje - Cornus mas 365 stuks (91 m1) 2 stuks per m1 | aanplant in twee rijen maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) verschoven verband | aanplant in groepen van min. 5 90 Veldesdoorn - Acer campestre 30 Hondsroos - Rosa canina 40 Rode kornoelje - Cornus sanguinea 45 Gelderse roos - Viburnum opulus 60 Wilde kardinaalmuts - Euonymus europaeus 60 Vuilboom - Rhamnus frangula 40 Gele kornoelje - Cornus mas

OOSTZEE | 18

BEPLANTINGSPLAN Bijenhaag Een bijenhaag is een lijnvormig landschapselement. Het is een brede, vrijuitgroeiende, gemengde haag met veel bloesem. De haag bestaat uit streekeigen soorten met verschillende bloeiperioden, zodat de bijen een lange periode in het seizoen baat hebben bij deze haag. De bijenhaag mag vrijuit groeien tot een brede en hoge haag (maximaal 1.50 meter hoog i.v.m. hoogspanningsleiding) en wordt eens in de twee jaar gesnoeid. F Aantal

Plantafstand Plantformaat Plantverband Soorten

G Aantal

Plantafstand Plantformaat Plantverband Soorten

490 stuks (122 m1) 4 stuks per m1 | aanplant in twee rijen maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) verschoven verband | aanplant in groepen van min. 5 140 Grauwe wilg - Salix cinerea 70 Veldesdoorn - Acer campestre 70 Hondsroos - Rosa canina 70 Rode kornoelje - Cornus sanguinea 70 Gelderse roos - Viburnum opulus 70 Wilde liguster - Ligustrum vulgare

Knip- en scheerheg Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Op de droge gronden dienden de heggen veelal als eigendoms- of perceelscheiding. De doornige struiken zoals meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Met de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen uit het landschap verdwenen. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang voor flora en fauna, zo bieden ze schuilmogelijkheden voor diverse diersoorten. H Aantal

Plantafstand Plantformaat Soorten I Aantal

Plantafstand Plantformaat Soorten

95 stuks (23 m1) 4 stuks per m1 maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) Liguster - Ligustrum ovalifolium 95 stuks (23 m1) 4 stuks per m1 maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) Liguster - Ligustrum ovalifolium

365 stuks (91 m1) 4 stuks per m1 | aanplant in twee rijen maat 100-125 (minimaal 2- of 3-jarig bosplantsoen) verschoven verband | aanplant in groepen van min. 5 115 Grauwe wilg - Salix cinerea 50 Veldesdoorn - Acer campestre 50 Hondsroos - Rosa canina 50 Rode kornoelje - Cornus sanguinea 50 Gelderse roos - Viburnum opulus 50 Wilde liguster - Ligustrum vulgare

OOSTZEE | 19

BEHEER LANDSCHAPSELEMENTEN Boomgroepen, solitaire bomen en bomenrij Beheer is bij bomen niet of nauwelijks nodig. Door middel van een visuele beoordeling kan worden bekeken of onderhoudssnoei noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling om regelmatig zogeheten zuigers, schurende takken en dood hout te verwijderen. Snoeien kan over het algemeen in de wintermaanden, met uitzondering van haagbeuk, walnoot, wilde paardenkastanje, esdoorn en berk. Deze soorten kunt u het beste snoeien in de periode september-begin januari in verband met sapuittreding of bloeden. Ook dient u de boomband te controleren en na 4 tot 5 jaar te verwijderen. Knotbomen Houdt de eerste jaren na aanplant de stam vrij van takken en laat alleen de takken aan de top groeien. Afhankelijk van de soort kunnen knotbomen om de 4 tot 6 jaar geknot worden. Zaag de takken af tot op 2 à 3 cm van de stam, haaks op de tak om te voorkomen dat er regenwater in blijft staan. Het knotten kan het beste plaatsvinden in de periode van half november tot half maart. Hoogstamboomgaard Het snoeien van fruitbomen wordt al eeuwen toegepast. Vormsnoei is vooral belangrijk bij jonge bomen. Fruitbomen kunnen het beste jaarlijks gesnoeid worden. Het gaat daarbij om vervanging van minder vitaal, afgedragen vruchthout, het verwijderen van ziek hout en het verwijderen van verkeerd geplaatste nieuwe scheuten.

In een regelmatig onderhouden, vitale hoogstamfruitboom zullen elk jaar nieuwe scheuten ontstaan. Een deel kan worden gehandhaafd en gebruikt als nieuwe vruchttakken. Een ander deel dient te worden verwijderd.

Struweelhaag De struweelhaag mag vrijuit groeien tot een brede en hoge haag en wordt niet vaker dan eens in de zes jaar gesnoeid of afgezet. Afzetten betekent dat de struiken tot 10 à 20 cm boven de grond worden afgezaagd. De struiken groeien uit zichzelf weer uit. Houd het eerste jaar na afzetten de stobben vrij van onkruid. Na ongeveer 3 jaar zal de aanplant een meer gesloten karakter krijgen en kan waar nodig gesnoeid worden. Bijenhaag De bijenhaag mag vrijuit groeien tot een brede en hoge haag (maximaal 1.50 meter hoog i.v.m. hoogspanningsleiding) en wordt eens in de twee jaar gesnoeid of afgezet. Afzetten betekent dat de struiken tot 10 à 20 cm boven de grond worden afgezaagd. De struiken groeien uit zichzelf weer uit. Houd het eerste jaar na afzetten de stobben vrij van onkruid. Na ongeveer 3 jaar zal de aanplant een meer gesloten karakter krijgen en kan waar nodig gesnoeid worden. Knip- en scheerheg In het algemeen worden de meeste heggen ongeveer 2 keer per jaar geknipt. Bij een meidoornheg is het belangrijk de eerste keer te knippen voor de langste dag van het jaar, in mei-juni. Dit maakt het knippen van deze heg een stuk aangenamer, omdat de doorns dan nog niet houtig zijn. De tweede keer knippen kan in september. Als de haag uit liguster bestaat, dan kunt u vaak wel 3 keer per jaar knippen, omdat de liguster een snel groeiende struik is.

Knip de heg wanneer het bewolkt en niet te warm is. Belangrijk is dat de onderkant van de heg iets breder uitgroeit dan de bovenkant, zodat de zon ook op de onderkant van de heg kan schijnen. De heg behoudt dan zijn besloten karakter.

OOSTZEE | 20

van het buitengebied over de aanleg en beheer van kleine landschapselementen om de kwaliteit van het landschap te versterken. Hiervoor is een reeks van verschillende informatiebladen ontwikkeld.

BEHEER LANDSCHAPSELEMENTEN

Op en rond erven kan het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland een goede methode zijn om inheemse, meerjarige planten te krijgen. Je Kruiden- en bloemrijk grasland en -bermen de ontwikkeling van graslandvegetatie draagt hiermee bij aan eenVoor continu aanbod van nectar en stuifmeel vooris het tijdstip van maaien van belang. Om eentonig grasland te ontwikkelen naar een kruidenrijk grasland is het nodig Het maaiadvies is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en de reeds vlinders, (wilde) bijen en andere insecten. Het is ook een overwinteringsplek voor insecten. om te weten in welke fase het grasland nu is. Het moment en aantal keer maaien aanwezige grassen en kruiden. Is de bodem niet extreem voedselrijk en is de

hangt sterk af van de fase waarin het grasland zich bevindt. Zie het ‘schema graslandtypes’ voor de verschillende graslandtypes/fases. In het blauw wordt het tijdstip van maaien aangegeven, de cijfers geven aan welke maaibeurt het is. Het omvormen naar kruidenrijk grasland kan enkele jaren duren.

begroeiing al soorten/kruidenrijk, dan kan de eerste maaibeurt uitgesteld worden tot na 15 juni. Daarmee houdt men de aanwezige soortenrijkdom in stand (Instandhoudingbeheer).

Algemene Zoveel mogelijk gefaseerd maaien is voor de natuur het beste, zodat niet alle voedsel en schuilgelegenheid in één keer wordt weggemaaid. Als het ontwikkelen ontwikkelinstructie van kruidenrijk grasland om wat voor reden niet overal mogelijk is. Kijk dan waar

Bij een hoogproductief gras en kruidenarme begroeiing (dit is meestal het geval), is verschralen wenselijk. Dat bereikt men door 2-3 keer per jaar te maaien (met afvoeren van maaisel) en door de eerste maaibeurt vroeg in het seizoen uit te voeren, bijvoorbeeld in de tweede helft van mei. Als de ontwikkeling naar kruidenrijkheid ondanks maaien en afvoeren onvoldoende op gang komt, kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen.

gefaseerd ecologisch maaibeheer wel toepast kan worden. Alleen stroken of randen van ofOm opeentonig een perceel maaien ook een optie, moeten dan wel minimaal 2-3 grasland te is ontwikkelen naardeze een kruidenrijk grasland is meterhet breed zijn. nodig om te weten in welke fase het grasland nu is. Het moment en aantal keer maaien hangt sterk af van de fase waarin het grasland zichmaaibeheer bevindt. Zie het 'schema graslandtypes' voor de verschillende Soorten graslandtypes/fases en bijbehorende foto`s. In het blauw wordt het Er zijn meerdere soorten ecologisch gefaseerd maaibeheer: tijdstip van maaien aangegeven, de cijfers geven aan welke maaibeurt • Hooilandbeheer (heeft de voorkeur bij ontwikkelingsbeheer) het is. Het omvormen naar kruidenrijk grasland kan enkele jaren duren. • Sinusbeheer (voegt veelook toehet bij instandhoudingsbeheer) Blijf volhouden is dan advies.

• Combinatie van 2 bovenstaande

Bemesting is in principe niet wenselijk. Alleen als de bodem (op met name zandgronden) in beheerfase 4-5 te zuur is geworden, is het advies te bemesten met ruwe stalmest in combinatie met het opbrengen van kalk om het bodemleven te stimuleren. Gebruik geen chemische bestrijdingsmiddelen op ‘onkruiden’. Het natuurlijke evenwicht tussen dieren en planten raakt juist uit balans waardoor ziekten en plagen meer kans krijgen.

Schema graslandtypes | bron: SLG

Schema graslandtypes

grasland in verschillende fasen OOSTZEE | 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=873ae009-b335-4b06-8648-7410d6061339