CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-09-09.11 Relevant stuk 2. Motivering en regels_TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Gemeenteraadsvergadering 9 september 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-2117.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Gemeente Overbetuwe Status:

Vastgesteld

Datum:

Mei 2025

IMRO-Idn: NL.IMRO.1734.0414ELSTGrnestr19-VSG1

TAM-Omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Datum Mei 2025

Correspondentieadres Postbus 11 6662 AA ELST

Telefoon 0481 362 300

E-Mailadres info@overbetuwe.nl

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Inhoudsopgave

Motivering

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en beschrijving plangebied 1.3 Huidig juridisch-planologisch regime 1.4 Leeswijzer

3 3 3 4 6

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

7

Hoofdstuk 3

Toekomstige situatie

9

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 14

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid (spoor)wegverkeer 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Omgevingsveiligheid 5.8 Explosieven 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Flora en fauna 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren 5.14 Gezondheid 5.15 Duurzaamheid

15 15 15 17 18 19 20 21 22 23 24 26 29 30 31 31

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de regels

32 32 33

Hoofdstuk 7

34

Financiële toelichting

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Participatie 8.3 Overleg 8.4 Wijziging van het omgevingsplan 8.5 Beroep

2

35 35 35 35 35 35

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Motivering

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemers zijn voornemens om in de achtererven van de bestaande woonpercelen aan de Groenestraat 19 en 21 te Elst vier nieuw te bouwen vrijstaande woningen mogelijk te maken. Tevens bestaat het voornemen om de bestaande woning aan de Groenestraat 21 te splitsen. De percelen zijn in de huidige situatie in gebruik als tuin. Het planvoornemen sluit aan op de realisatie van de nieuwbouwwijk 'De Pas' welke momenteel in ontwikkeling is. Het planvoornemen past niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe, dat op deze locatie van toepassing is. De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied.

1.2

Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied is gelegen aan de zuidelijke rand van de kern Elst en wordt aan vrijwel alle zijden omsloten door de in ontwikkeling zijnde nieuwbouwwijk 'De Pas'. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Groenestraat. Iets verder ten zuiden van het plangebied is de Olympiasingel gelegen, die de grens vormt tussen de nieuwbouwwijk 'De Pas' en het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. Het plangebied zelf beslaat (deels) de percelen welke kadastraal bekend staan als gemeente Elst, sectie N, nummer 242 en 584. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 5.190 m². De globale ligging van het plangebied is op afbeelding 1 aangegeven. In hoofdstuk 2 is de begrenzing van het plangebied nader beschreven en verbeeld.

(vastgesteld)

3

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Afbeelding 1: globale ligging plangebied (bron: PDOK)

1.3

Huidig juridisch-planologisch regime

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', zoals vastgesteld op 5 maart 2013. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 gelden alle op dat moment vigerende bestemmingsplannen van rechtswege als het tijdelijke deel van het omgevingsplan van iedere gemeente (art. 22.1, onder a Omgevingswet; artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet). Het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' wordt een 'omgevingsplan van rechtswege' genoemd en is onderdeel van het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Overbetuwe'. Op onderhavige percelen geldt de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting 3'. In afbeelding 2 is een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied weergeven. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor (artikel 27 van de bestemmingsregels): a. de bestaande woningen, waarbij inwoning is toegestaan; b. maximaal het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; c. (...) Tot slot is de waarde 'Waarde - Archeologische verwachting 3' van toepassing. De voor 'Waarde Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. In paragraaf 5.12 wordt hier nader op in gegaan. 4

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Strijdigheden met het omgevingsplan Volgens de bestemmingsomschrijving (artikel 3.1) is wonen toegestaan binnen de bestemming 'Wonen'. Wel dient binnen de bestemming 'Wonen' een woning gerealiseerd te worden binnen een bouwvlak. Ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen het plangebied is binnen het vigerend bestemmingsplan geen bouwvlak opgenomen. De beoogde realisatie van de vier vrijstaande woningen is derhalve in strijd met de bouwregels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Daarnaast is het niet mogelijk om het bestaande aantal woningen te verhogen, waardoor de beoogde splitsing van de woning Groenestraat 21 ook in strijd is met de regels van het tijdelijke omgevingsplan. Om de beoogde nieuwe woningen en de woningsplitsing mogelijk te maken, is een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan nodig. Hierbij is ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan in de vorm van een TAM-omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel.

Afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

(vastgesteld)

5

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

1.4

Leeswijzer

Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

6

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

Het plangebied is gesitueerd aan de achterzijde van de woningen aan de Groenestraat 19-21 te Elst. In afbeelding 3 is de begrenzing van het plangebied indicatief aangegeven en is de huidige situatie in het plangebied en de directe omgeving zichtbaar. Hierop is te zien dat de huidige bebouwde kom van Elst aan de overzijde van de Groenstraat eindigt. Van oorsprong behoorde het plangebied dan ook tot het buitengebied bij Elst. Na de vaststelling van het bestemmingsplan 'Elst, De Pas' in 2022, worden de gronden rondom het plangebied, tussen de Groenestraat en de Olympiasingel, echter ontwikkeld tot een nieuw woongebied. Inmiddels is gestart met de realisatie van dit woongebied. Met de realisatie daarvan behoort het plangebied inmiddels ruimtelijk-functioneel gezien tot de bebouwde kom van Elst. Het planvoornemen wordt in lijn met deze nieuwbouwwijk 'De Pas' ontwikkeld, maar betreft een separaat vergunningstraject. In de huidige situatie wordt het plangebied gebruikt voor tuinen bij de woonpercelen Groenestraat 19 en 21. De bestaande woningen ten noorden van het plangebied zullen blijven bestaan. Op afbeelding 4 is de huidige situatie zichtbaar, bezien vanaf de Groenestraat.

Afbeelding 3: huidige situatie en indicatieve begrenzing plangebied (bron: PDOK)

(vastgesteld)

7

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Afbeelding 4: zicht op het plangebied vanaf de Olympiasingel (bron: Google Maps)

8

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Hoofdstuk 3

Toekomstige situatie

De initiatiefnemers willen vier vrijstaande woningen realiseren in het plangebied in de vorm van een 'hofje'. De toegangsweg van het hofje loopt achterlangs de bestaande woning aan de Groenestraat 21. De nieuw te bouwen woningen worden allen met de voorgevel gesitueerd aan deze straat. Tevens zal de bestaande woning aan de Groenestraat 21 worden gesplitst. De woning en het bijbehorende (resterende) perceel zijn van ruimschoots voldoende omvang om deze te kunnen splitsen. De indelingen van de beoogde kavels zijn als volgt: Woning

Grondvlak

Inhoud

Kavelgrootte

1

13 x 8 meter

max. 676 m³

430 m²

2

12 x 8 meter

max. 624 m³

492 m²

3

15 x 7,5 meter

max. 676 m³

594 m²

4

7,5 x 7,5 meter

max. 310 m³

138 m²

De realisatie van de vrijstaande woningen op deze plek past ruimtelijk en functioneel in de omgeving. De ontwikkeling sluit aan op de reeds in ontwikkeling zijnde nieuwbouwwijk 'De Pas'. Het hofje vormt een verbindend element tussen deze woonwijk en de bestaande, ruime woonpercelen aan de zuidzijde van de Groenestraat. De beoogde woningen worden zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat wordt gezorgd dat de nieuwe woningen zowel aansluiten bij de ruimtelijke, functionele en landschapsstructuur binnen 'De Pas' als bij het oorspronkelijke woonlint aan de Groenestraat. Hierdoor oogt het niet als een op zichzelf staande ontwikkeling. De verkavelingsschets is als Bijlage 1 opgenomen bij onderhavige motivering. Op afbeelding 5 is een uitsnede van de verkavelingsschets weergeven.

(vastgesteld)

9

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Afbeelding 5: uitsnede verkavelingsschets planvoornemen, inclusief inpassing in directe omgeving (bron: Oostzee ontwerp & omgeving)

10

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio's;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het plangebied. Gelet op de aard en locatie van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Beoordeling en conclusie Het plan ziet toe op de realisatie van slechts vier vrijstaande woningen en de splitsing van één bestaande woning. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de toevoeging van 5 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan.

(vastgesteld)

11

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

4.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:  met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;  stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;  focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;  door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst.

Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden een nieuw woonperceel mogelijk te maken. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2024. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Beoordeling Uit toetsing aan de Omgevingsverordening komen de volgende relevante thema's en regels naar voren.| Wonen Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. In paragraaf 4.3 wordt hieraan nader getoetst. De woonagenda zit namelijk verweven in de omgevingsvisie zoals daar beschreven.

Het plan past binnen de omgevingsvisie en daardoor tevens binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan de instructieregel wordt voldaan. Gelderse streek Over-Betuwe Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.

12

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd: 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen. 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt. 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing. 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement. 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief. 8.

IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20 e eeuw. 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden. 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde). 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek. Beoordeling en toets De realisatie van de vier vrijstaande woningen in het plagebied en splitsing van één bestaande woning heeft geen invloed op de in de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland gestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. Dit is het geval. Zo voldoet voorliggend project aan het uitgangspunt van bouwen binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is door de realisatie van de nieuwbouwwijk De Pas immers als bestaand stedelijk gebied aan te merken. Met de realisatie van het project vindt een afronding van deze wijk plaats. Tevens draagt het project bij aan de (regionale) woningbouwopgave en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de provinciale Omgevingsvisie. In Hoofdstuk 5 wordt nader onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling tevens voldoet aan het uitgangspunt van een gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

(vastgesteld)

13

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

4.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen: 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied. 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied. 3.

Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren. 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft. Beoordeling De Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 heeft als doel om de woonfunctie in de gemeente te versterken en te zorgen voor een gevarieerd woningaanbod dat aansluit bij de behoeften van de inwoners. Anderzijds is een centrale doelstelling dat de ruimtelijke kwaliteit, passend bij de onderscheiden deelgebieden, wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Door de realisatie van het planvoornemen aansluitend op de in ontwikkeling zijnde nieuwbouwwijk De Pas, wordt een logische uitbreiding van de oorspronkelijke bebouwde kom en inbreiding van de huidige bebouwde kom gerealiseerd. Dit voorkomt versnippering van het landschap en zorgt voor een efficiënte benutting van de beschikbare ruimte. Er wordt gebouwd in de nabijheid van bestaande voorzieningen en infrastructuur, waardoor er sprake is van een geschikte woonomgeving. Het realiseren van de woonopgave op dergelijke plaatsen draagt bij aan de leefbaarheid en er sprake van een duurzame ontwikkeling.

De nieuwbouwwijk De Pas kent een variatie aan woningtypen. Van oorsprong zijn rondom de Groenestraat voornamelijk relatief grote percelen met vrijstaande woningen aanwezig. Daarom is ervoor gekozen om door middel van een hofje in dit plan enkele vrijstaande woningen te realiseren. Dit vormt een ruimtelijk-stedenbouwkundig passende overgang tussen de bestaande woonpercelen en de nieuwbouwwijk. Daarnaast speelt de ontwikkeling in op de groeiende vraag naar vrijstaande woningen in de regio. Door in te spelen op deze vraag, wordt niet alleen voorzien in de huidige woningbehoefte, maar wordt ook bijgedragen aan de economische vitaliteit van de gemeente. Nieuwe bewoners brengen immers ook nieuwe kansen voor lokale ondernemers en voorzieningen met zich mee. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie.

14

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Beoordeling en conclusie Gezien de omvang van het plan en de locatie van het plangebied kan de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de toevoeging van in totaal 5 woningen, niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2

Geluid (spoor)wegverkeer

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Rijkswegen en provinciale wegen

50 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

53 Lden

Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen

55 Lden

Industrieterreinen

50 Lden / 40 Lnight

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.

(vastgesteld)

15

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

De gemeente Overbetuwe heeft specifiek beleid vastgesteld in de Nota geluidbeleid en de Nota hogere grenswaarden. Beoordeling Het planvoornemen betreft de realisatie van vier vrijstaande woningen. Er is daarmee sprake van de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen. Een woning is in de zin van het Bkl namelijk een geluidsgevoelig gebouw. Daarnaast wordt de bestaande woning Groenestraat 21 gesplitst. Dit betreft een splitsing van een bestaand geluidsgevoelig gebouw. Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van wegen. Er is daarom akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen als Bijlage 2. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen samengevat. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek uitgegaan is van de wetgeving vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar de conclusies voldoende actueel en representatief zijn. De geluidbelasting ten gevolge van de Olympiasingel is maximaal 44 dB, inclusief aftrek van artikel 110g. De waarde ligt hiermee onder de voorkeursgrenswaarde zoals beschreven in de voormalige Wet geluidhinder en onder de standaardwaarde volgens het Bkl. Er zijn daarmee geen wettelijke belemmeringen voor het plan aan de orde. De gevelbelasting is echter wel hoger dan de ambitiewaarde van het gemeentelijke geluidbeleid van 43 dB.

De gevelbelasting voldoet daarentegen (ruimschoots) aan de bovengrens van het geluidbeleid voor bovenwijkse infrastructuur van 58 dB. Met de berekende geluidbelasting kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het geluid vanwege wegverkeer. De geluidbelasting ten gevolge van de Spoorweg Elst - Nijmegen is maximaal 49 dB. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde zoals beschreven in het voormalige Besluit geluidhinder en onder de standaardwaarde volgens het Bkl. De wet legt ten gevolge van de Spoorweg Elst - Nijmegen geen restricties op aan het plan. De waarde ligt onder de ambitiewaarde zoals beschreven in het gemeentelijk geluidbeleid. Ten aanzien van het spoorwegverkeer wordt daarmee ook aan het gemeentelijk beleid voldaan. Voor de Groenestraat geldt dat er sprake is van een 30 km/h zone. Zorgvuldigheidshalve is ook de geluidbelasting vanwege deze weg onderzocht. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gevelbelasting maximaal 37 dB zal bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de voormalige Wet geluidhinder, aan de standaardwaarde van het Bkl én aan de ambitiewaarde van 43 dB conform het gemeentelijk geluidbeleid. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Vanuit het aspect geluid (spoor)wegverkeer is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

16

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.3

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m 3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Beoordeling Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. CIMLK In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in navolgende tabel weergegeven.

Id

NO2 µg/m3 PM10 µg/m3

PM10 PM2.5 µg/m3 overschrijding sdagen

Jaar

51468751_1556452 20,6653 6

15,6944

6

8,534

2023

51468751_1556452 20,5818 5

15,6894

6

8,7585

2023

51468751_1556452 20,5709 4

15,692

6

8,7589

2023

51468751_1556452 20,2321 3

15,6667

6

8,7479

2023

Norm

40

35

25

40

Tabel: Achtergrondwaarde rekenpunten De data uit het CIMLK tonen aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

(vastgesteld)

17

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21 NIBM Het voorziene project is een project bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal toe te voegen woningen, namelijk vijf, ligt ver beneden de grenzen voor aantallen woningbouwlocaties die genoemd worden in de Bijlage 3a. Dat houdt in dat op voorhand vaststaat dat het project in kwestie niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarom is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM–tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Activiteiten en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De regels zijn niet alleen gericht op milieuzaken, maar ook op stedenbouwkundige overwegingen. De term 'activiteiten met gebruiksruimte' kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term 'milieubelastende activiteiten'.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant.

De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van vier nieuwe vrijstaande woningen. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige activiteit. Er worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten met een gebruiksruimte mogelijk gemaakt. Wat betreft de splitsing van de bestaande woning Groenestraat 21 geldt dat hier al sprake is van een milieugevoelige activiteit en dit niet wijzigt. Deze splitsing is met het oog op het aspect milieuzonering daarom niet relevant.

18

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21 In de omgeving van het plangebied zijn vrijwel uitsluitend woningen aanwezig, uitgaande van de in ontwikkeling zijnde nieuwbouwwijk De Pas. Er zijn geen (agrarische) bedrijven of andere milieubelastende functies meer in de omgeving aanwezig, waarvan een relevante milieubelasting richting het plangebied te verwachten is. Ook behoeft geen rekening te worden gehouden met spuitzones van agrarische percelen. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied is dan ook voldoende gewaarborgd zonder het stellen van nadere regels in dit omgevingsplan. Daarnaast leidt het plan niet tot belemmeringen voor functies in de omgeving. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er is in dit opzicht sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Geurhinder

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten, zoals industrie, worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Het planvoornemen maakt de realisatie van nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk, namelijk woningen. Tevens wordt een bestaand geurgevoelig gebouw gesplitst in twee woningen.

Er worden geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn, met de realisatie van de omliggende woonwijk De Pas, geen veehouderijen (meer) aanwezig of andere geurbelastende activiteiten aan de orde, welke tot geurhinder kunnen leiden. De realisatie van de nieuwe woningen vormt dan ook geen belemmering voor bestaande activiteiten in de omgeving. Anderzijds is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd. Conclusie Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

(vastgesteld)

19

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.6

Bodem

Voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie gelden waarden, die in het omgevingsplan worden opgenomen (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van vier nieuwe vrijstaande woningen en splitsing van één bestaande woning mogelijk. Bij de realisatie van de vier vrijstaande woningen is er sprake van nieuwe bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.

Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in Bijlage 3. Hierna worden de resultaten van het onderzoek besproken. Uit het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat de bodem op de onderzochte locatie plaatselijk baksteen bevat in de bovengrond. De baksteenhoudende bovengrond is licht verontreinigd met Cadmium, lood, zink en PAK (10 van VROM). In de zintuiglijk schone bovengrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. In de toplaag zijn geen verhoogde gehalten OCB aangetroffen. Verder zijn in de ondergrond ter plaatse van de gedempte watergang een licht verhoogd gehalte nikkel aangetroffen. Voor het overige zijn in de ondergrond geen verhoogde concentraties aangetroffen. Tot slot is het grondwater licht verontreinigd met barium en xylenen. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van het plangebied geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling. Het onderzoek geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.

20

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.7

Omgevingsveiligheid

Inleiding Het beleid voor omgevingsveiligheid (externe veiligheid) is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de norm voor het plaatsgebonden risico en de bepalingen over het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden.

Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Aan de hand van kaarten uit de 'Atlas Leefomgeving' is er een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa. Hieruit blijkt dat er nabij het plangebied verschillende aandachtsgebieden, risicobronnen of risicovolle activiteiten bekend zijn welke voor belemmeringen kunnen zorgen (zie afbeelding 6). Echter zijn de veiligheidscontouren van al de aanwezige gebieden, bronnen of activiteiten op geruime afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied zelf ligt niet binnen één van de aandachtsgebieden. Geconcludeerd kan worden dat derhalve geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen.

(vastgesteld)

21

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Afbeelding 6: Uitsnede kaart externe veiligheid met plangebied globaal rood omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond. Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Dergelijke werkzaamheden zijn bij het oprichten van de nieuwe woning aan de orde. De risico's zullen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in beeld moeten worden gebracht, zodat de werkzaamheden veilig en zonder belemmeringen kunnen plaatsvinden. Dit staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Nader onderzoek is daarom in het kader van dit TAM-omgevingsplan niet noodzakelijk.

22

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.9

Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie Aan de hand van de 'Netkaart' van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Uit deze kaart volgt dat er in en nabij het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn die bescherming behoeven.

Afbeelding 7: Uitsnede hoogspannings netkaart Nederland met plangebied globaal aangeduid met rode pijl (bron: HoogspanningsNet Netkaart )

(vastgesteld)

23

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.10

Waterparagraaf

Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom.

Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:  Dagelijks beheer van water en dijken;  Beschermen tegen overstromingen;  Water eerlijk verdelen;  Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);  Werken aan schoon water;  Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

24

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21 Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:  wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;  waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;  grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;  beleving van water, burgers betrekken bij water;  afspraken en taken van waterschap en gemeente. Beoordeling (watertoets) Hemelwater en vuilwater Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard, met uitzondering van enkele bijgebouwtjes in de achtertuinen van de bestaande woonpercelen. In de toekomstige situatie worden vier woonpercelen met bijbehorende erven en een hofje/ontsluiting gerealiseerd en wordt een bestaande woning gesplitst. In het kader van de ontwikkeling is een berekening van het verhard oppervlak uitgevoerd. na toepassing van de eenmalige vrijstellingsdrempel (500 m²), bedraagt de toename aan verhard oppervlak in totaal ca. 902 m². Deze toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. De compensatieopgave bedraagt 59,9 m³. Er is in het plangebied en binnen de omliggende ontwikkeling voldoende ruimte aanwezig voor de benodigde compensatie.

Deze wordt enerzijds gerealiseerd door middel van een greppel, inspectieput en krattenveld op het mandelig erf en anderzijds op eigen terrein van de nieuwe woningen. De totale voorziene waterberging bedraagt 60 m³. Hiermee wordt aan de gestelde opgave voldaan. Hemelwater en vuilwater worden gescheiden verwerkt. De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande riool, dat in het kader van de ontwikkeling van De Pas is gerealiseerd. Oppervlaktewater In het plangebied was voorheen één tertiaire watergang aanwezig op basis van de Legger van het waterschap. Deze lag op de perceelsgrens tussen twee van de beoogde nieuwe woonpercelen (percelen 2 en 3). De watergang is als onderdeel van de ontwikkeling van het woongebied De Pas inmiddels gedempt. Er wordt in het onderhavige plan geen oppervlaktewater toegevoegd of gedempt. Het plan heeft geen negatieve effecten op oppervlaktewateren. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.

(vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

5.11

Flora en fauna

Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. Binnen het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de huidige regelgeving in de Wet natuurbescherming. Het betreft met name voorschriften voor de bescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels ter bescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en voorschriften met betrekking tot de bescherming van houtopstanden. De regelgeving met betrekking tot gebieds- en soortenbescherming vindt haar oorsprong grotendeels in twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming In Nederland zijn er specifieke gebieden van groot belang voor flora en fauna, waaronder Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden worden beschermd door verschillende wettelijke instrumenten. In artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren. Daarnaast bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat het eveneens verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren.

Voor beide gevallen geldt dat afwijkende regelingen kunnen zijn opgesteld in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of een ministeriële regeling. Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien geen vrijstelling van toepassing is, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige aanvragen, afhankelijk van de aard van de activiteit (flora- en faunaactiviteit en/of Natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst deze gebieden aan via een aanwijzingsbesluit, zoals bepaald in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Bovendien stelt hij op basis van artikel 2.43 van de Omgevingswet de instandhoudingsdoelstellingen vast. Nederland beschikt over meer dan 160 Natura 2000-gebieden.

Bij de voorbereiding van een omgevingsplan dienen mogelijke significante effecten als gevolg van projecten, plannen en activiteiten, zowel individueel als in combinatie met andere plannen of projecten, te worden geïdentificeerd en beoordeeld, zoals voorgeschreven in artikel 16.53, lid c, van de Omgevingswet. Een activiteit die potentieel significante nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied wordt aangeduid als een Natura 2000-activiteit, zoals beschreven in bijlage A van de Omgevingswet. Natura 2000-gebieden hebben externe effecten, wat betekent dat ook ingrepen buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden geëvalueerd op hun impact op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij verkregen zekerheid kan vergunningverlening plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 8.74, lid b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als er echter geen zekerheid is verkregen, kan het plan toch worden goedgekeurd mits wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De criteria voor het beoordelen van de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten worden beschreven in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze beoordelingsmaatstaven zijn vastgesteld binnen het aanvullingsspoor Natuur.

26

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Elst, Groenestraat 19-21

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Ook is het gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden maken del uit van het NNN. Het NNN omvat niet alleen natuurgebieden op land, maar omvat ook alle grote wateren in Nederland, zoals de grote rivieren, het IJsselmeer en de Waddenzee. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=c3af0db8-832a-457a-8c77-2476916ab545