CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-06-19.09 relevant stuk 3 Bijlage 1 bij bestemmingsplan stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan “Elst, Lingezicht”

Gemeenteraadsvergadering 19 juni 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Project Lingezicht vaststellen bestemmingsplan en stedenbouwkundig beeldkwaliteitsplan “Elst, Lingezicht”13.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Struweelhaag

58

Inspiratie toepassing zonnepanelen Veel woningen zullen aangewezen zijn op pv-panelen op het dak. Om een zo aantrekkelijk mogelijk beeld te verkrijgen, wordt hier een aantal handreikingen gedaan voor de plaatsing van zonnepanelen, te weten:  Pas in beginsel alleen randloze, ‘all black’ panelen toe.  Plaats, indien mogelijk, de panelen op die zijde van het dak, die niet naar de straat gekeerd is.  Denk ook aan de mogelijkheid van plaatsing van panelen op aan- en bijgebouwen.  Leg de panelen in eenvoudige en heldere, vierkante of rechthoekige vormen.  Let op de verhouding tussen het oppervlakte panelen en het gehele dakoppervlak door uit te gaan van symmetrie en een minimale afstand van 0.50 meter van de dakrand.  Zorg, met uitzondering van rieten kappen, dat materiaal en kleurtoon van de panelen (bijvoorbeeld glans of mat) passen bij de eigenschappen van het hoofdmateriaal van het dakvlak: maak het contrast niet te groot.  Houd de kleur van het paneelkader en -raster zoveel mogelijk in de kleur van het paneel zelf.  Zorg ook bij platte daken (bijvoorbeeld appartementen) dat de pv-panelen uit het zicht blijven vanaf de buitenruimte.

59

Natuurinclusief bouwen Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen, waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat een bouwwerk bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Natuurinclusief bouwen draagt ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder de gezondheid van bewoners. Doordat alle woningen op het groen gericht zijn en de nieuwe wijk zeer intensief met groen dooraderd wordt, is deze wijk zeer geschikt om maatregelen te nemen om de natuurwaarden te verhogen en flora en fauna te stimuleren.

Vega-dak

Vleermuis

Vleermuizenvoorziening

Gierzwaluw

Om te beginnen zullen er in de nieuwe bebouwing natuurinclusieve elementen worden aangebracht, met name voor vogels en vleermuizen. Voor vogels zullen er nestkasten en/of neststenen worden opgenomen in de gevels en/of daken. Bij deze geïntegreerde bouwkundige elementen moet men dan denken aan nestgelegenheden voor soorten zoals de huismus en de gierzwaluw. Deze steenvormige nestgelegenheden kunnen op een goede en fraaie wijze worden geïntegreerd in de architectuur. Daarnaast zullen er maatregelen worden genomen ten gunste van de leefomgeving voor vleermuizen. Men moet in dit geval denken aan het toegankelijk maken van spouwmuren en/of tussenspouwen voor vleermuizen. De daken van bepaalde bergingen en bijgebouwen zullen groen worden uitgevoerd. Dit betekent dat er beplanting op deze daken zal worden gepositioneerd. De soort beplanting ligt echter nog niet geheel vast en wordt nader bepaald op basis van de passende groeiomstandigheden en dergelijke. Het zou op sommige plekken bijvoorbeeld sedum kunnen worden.

60

Insectensteen

Huismus

Klimplant

Gierzwaluw

3

beeldkwaliteit buitenruimte

61

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de gewenste uitgangspunten voor de beeldkwaliteit van de inrichting/ uitwerking van de (openbare) buitenruimte in beeld gebracht. Hierbij wordt, naast de beschrijvingen, gebruik gemaakt van referentiebeelden en het benoemen van specifieke boomsoorten. De gebruikte referenties zijn bedoeld als voorbeeld en/of inspiratie, het zijn geen voorgeschreven en vastgelegde soorten of producten. De definitieve beslissingen op het gebied van materialen en elementen van de inrichting en soortkeuzes vinden namelijk plaats tijdens het opstellen van inrichtingsplannen en beplantingsplannen. In de uitwerking van de deelgebieden zal daarnaast met een ecoloog een selectie gemaakt worden op het gebied van passende doelsoorten en bijbehorende vegetatie. In dit hoofdstuk worden de verschillende onderdelen/ deelgebieden van de (openbare) buitenruimte nader toegelicht. Naast deze specifieke onderdelen/ deelgebieden worden ook nog meer algemene, overlappende thema’s als verhardingsmaterialen, straatmeubilair, speelvoorzieningen en dergelijke beschreven. Daarnaast wordt er ook nog ingegaan op thema’s duurzaamheid, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit.

62

Themakaart ‘Groene vingers’

63

3.2

Zoals hierboven beschreven hebben de groene vingers meerdere belangrijke doelen en functies. Naast ruimtelijke waarde op het gebied van zichtrelaties en ruimtelijke koppeling met het landschap en hebben ze ook een belangrijke rol op het gebied van ecologische en klimaat-adaptieve waarde. Om aan deze beide functies een goede invulling te geven, dient de groene inrichting van deze ruimtes zowel biodivers als open van karakter te zijn. In dat licht bestaat de hoofdopzet uit beplanting met een beperkte hoogte in combinatie met verspreid staande, inheemse bomen.

Onderdeel ‘Groene vingers’

De zogenaamde ‘groene vingers’ vormen een belangrijk aspect in het stedenbouwkundige plan omdat ze een hoofdonderdeel vormen van het ruimtelijk concept dat aan het ruimtelijke (stedenbouwkundig -landschapsarchitectonisch) ontwerp voor het plan ‘Lingezicht Elst’ ten grondslag ligt. Het ‘over de Linge trekken’ van de ruimtelijke kenmerken en sfeer van Park Lingezegen (Waterrijk) heeft meerdere positieve kanten. Naast de ruimtelijke voordelen heeft het ruimtelijk concept ook nog andere positieve effecten. Door ook aan de zuidzijde van de Linge een zeer waterrijk gebied te creëren, wordt niet alleen de waterbergingsopgave van de nieuwe ontwikkeling zelf veilig gesteld, maar kan de nieuwe wijk zelfs een positief effect op de bestaande wijk hebben.

De hoofdbeplanting van het maaiveld bestaat vanuit die motivatie voornamelijk uit bloemrijk en kruidenrijk grasland. Om op het gebied van biodiversiteit extra waarde te creëren zal er op strategische punten (die het zicht niet blokkeren) echter ook groepjes heesters worden gezet met een ecologische meerwaarde. Men moet daarbij denken aan bloemrijke en vruchtendragende inheemse heesters, zoals meidoorns, hondsrozen, ligusters etc.

In dat licht worden aan de zuidzijde van de Linge op enkele punten noord-zuid gerichte, lineaire watergangen (sloten) doorgetrokken in het nieuwe plan. Daarnaast zijn in de ‘groene vingers’ ook veel wadi’s ingepast.

De verspreid staande boomsoorten zullen voor een deel watergebonden boomsoorten zijn zoals elzen, essen, wilgen en populieren. Deze soorten (met name de wilg en de populier) hebben ook een grote verbinding/ groot belang voor veel insectensoorten, waardoor de waarde op het gebied van ecologie hoog is.

Naast de hierboven besproken positieve aspecten van de ‘groene vingerstructuur’, die al voor de nodige transparantie/ zichtlijnen richting de Linge zorgt, is er in het plan nog een ander krachtig, ruimtelijk onderdeel ingezet om onder andere een goede verbinding met de ruimtelijke context te borgen, namelijk ‘de groene scheg’. Deze wigvormige groene ruimte maakt in het beeldkwaliteitplan onderdeel uit van deelgebied 2 van het stedenbouwkundig plan. Op landschappelijk niveau maakt hij echter onderdeel uit van het landschappelijke thema ‘groene vingers’.

Nu zijn er echter ook drogere onderdelen aanwezig en ook de wadi’s vallen, indien ze goed worden aangelegd, weer vrij snel droog. Op de taluds en aan de randen hiervan kunnen dus ook minder aan water gerelateerde soorten worden ingepast. Men moet dan denken aan ecologisch waardevolle soorten als eiken, lindes en esdoorns, Daarnaast zullen er ook passende, natuurlijke speelvoorzieningen worden ingepast

64

Avontuurlijk spelen

Gewone wilg (Salix alba)

Gewone es (Fraxinus excelsior)

Fetspad door groene vinger

Hemelwaterberging (wadi)

Zachte berk (Betula pubescens)

Hemelwaterberging (wadi)

65

Themakaart ‘Dorpse groene aders’

66

3.3

Onderdeel ‘Dorpse groene aders’

de hogere geografische ligging, net als Rijksweg Noord. Dit historische lint ligt vanuit beginsel al op een hogere plek. Vanaf de Rijksweg Noord loopt het maaiveldhoogte in oostelijke richting langzaam naar beneden.

Het onderdeel ‘Dorpse groene aders’ is gekoppeld aan deelgebied 2, genaamd ‘Dorpse clusters’. De motivatie om dit onderdeel van de openbare ruimte als een afzonderlijke ruimte te definiëren is gebonden aan de motivatie, die voor het deelgebied ‘Dorpse clusters’ is aangegeven.

Om de bovengenoemde reden zal de inrichting van (het groen) in de openbare ruimte in dit onderdeel minder ‘nat’ van aard zijn. Natuurlijk zullen hier ook wel wadi’s gecreëerd worden, maar deze zullen minder laag en nat zijn dan in het middelste deelgebied. Ook hier zal weliswaar zoveel mogelijk biodiverse beplanting worden toegepast, dus veel bloemrijk en kruidenrijk grasland, maar de samenstelling hiervan zal in beginsel afwijken van het middengebied. Daarnaast zullen ook de boomsoorten grotendeels afwijken. Er zijn altijd soorten die in beide deelgebieden passende groeiomstandigheden kunnen hebben, maar er zijn op hoofdlijnen wel degelijk verschillen.

Het westelijk gelegen deel van het plan, deelgebied ‘Dorpse clusters’, sluit namelijk meer aan op het westelijke deel van de wijk Westeraam. Om eenheid in het plan te bewaren, is ook hier sprake van woonvelden, omgeven en doorsneden door groen. Deze ‘velden’ (vingers) zijn echter anders georiënteerd dan in het middendeel van het plan. In het westelijke deel van het stedenbouwkundige plan sluit de richting meer aan bij het gedeelte van Waterrijk ten noorden van de Linge, dat door de overgang naar een andere kavelrichting, ook een gedeeltelijke afwijking/ loskoppeling van de rest van het gebied kent. In het westelijke deel van het plan is de kavelrichting dus meer op dit afwijkende deel van Waterrijk geënt.

Zoals gezegd zullen de verspreid staande boomsoorten in dit onderdeel minder watergebonden dan de elzen, essen, wilgen en populieren in het middengebied. Men moet hier bijvoorbeeld meer denken aan lindes, esdoorns en kastanjes, maar zeker ook aan inheemse eiken. Deze soorten (zomer- en wintereik) hebben namelijk een groot belang voor veel insectensoorten, waardoor de ecologische waarde, ook voor andere diersoorten, zeer hoog is. Naast het genoemde grasland en de bomen, zullen er, vanuit de gewenste biodiversiteit, op strategische plekken ook heesters worden geplant. Ook deze zijn in beginsel inheems en bij voorkeur ook zoveel mogelijk bloeiend en vruchtdragend om bijen, vlinders en andere insecten, maar ook vogelsoorten en kleine zoogdieren zoveel mogelijk te ondersteunen. Daarnaast zullen er ook passende, natuurlijke speelvoorzieningen worden ingepast.

Zoals bij de toelichting van het stedenbouwkundig plan reeds beschreven is, dient er enerzijds een balans te blijven tussen de eenheid van het plan en anderzijds onderscheid tussen het middengebied en het westelijke deelgebied. Naast de stedenbouw en architectuur, komt dit ook terug in de inrichting van de openbare ruimte. Zo zal dit onderdeel enerzijds overeenkomstige elementen en kenmerken hebben als het middengebied, maar daarnaast ook afwijkende aspecten. De basis van dit verschil ligt al in het hoogteverschil. Het middengebied kent van nature al een lagere maaiveldhoogte. Het westelijke deelgebied is meer gekoppeld aan

67

Bloemrijk grasland

Wadi met bloemrijk gras

Gewone esdoorn

Winterlinde

Zomereik

68

Groenbeleving

Hemelwaterberging (wadi)

Paardenkastanje

Fruitbomen

Themakaart ‘sociaal groen’

69

3.4

Onderdeel ‘Sociaal groen’

Zoals in paragraaf 3.2 beschreven worden de ‘groene vingers’ tussen de bebouwde ‘lobben’ op een natuurlijke wijze ingericht. Ondanks dat ook hier speelvoorzieningen kunnen worden ingepast (‘avontuurlijk spelen’) is er ook nog een aantal groene ruimten binnen de lobben gecreëerd, Door deze plekken (ín de lobben) worden (spontane) ontmoetingen en verblijf in de buitenlucht extra gestimuleerd.

Groene speelplek

Deze groene ruimtes ín de lobben zullen op een andere manier worden ingericht dan de groene vingers tússen de lobben. Deze groene plekken zullen weliswaar zo groen mogelijk worden ingericht, maar er zal wel worden aangestuurd op ontmoeting en spelen. Om die reden zal er hier een passend aantal meubels, speelvoorzieningen en ontmoetingsplekken worden ingepast. Door de omranding met woningen met de voorzijde naar het terrein is de sociale waarde zeer hoog. Ondanks het feit dat er voorzieningen voor spel en ontmoeting zullen worden ingepast, dienen ook deze ruimtes zo groen mogelijk te blijven. Ook met betrekking tot een klimaatadaptief karakter is het belangrijk dat hier ook (zo groot mogelijke bomen (minimaal 2e grootte) bomen worden ingepland.

Groene speelplek

Gezien het feit dat de sfeer hier wat meer cultuurlijk is, hoeven hier niet per se 100% inheemse boomsoorten te worden toegepast. Mede in verband met het feit dat het door de klimaatverandering steeds interessanter wordt om wat meer droogtebestendige boomsoorten (bijvoorbeeld uit Zuid-Europa) toe te passen. Men moet dan bijvoorbeeld denken aan platanen (Platanus spec.), de tulpenboom (Liriodendron tulipifera), de kurkeik (Quercus suber) en de Moseik/ Turkse eik (Quercus cerris).

Moseik (Quercus cerris)

70

Plataan (Platanus hispanica)

Tulpenboom (Liriodendron tulipifera)

Themakaart ‘Natuurlijke driehoek’

71

3.5

Onderdeel ‘Natuurlijke driehoek’

Het meest oostelijke onderdeel van het plan, ‘Natuurlijke driehoek’ genaamd, heeft een andere relatie met de omliggende ruimtelijke context dan de andere deelgebieden. Dit gebied heeft om te beginnen een minder dominante, ruimtelijke (zicht)relatie met Park Lingezegen. In dit deel zijn dan ook geen lineaire elementen zoals de ‘groene vingers’ opgenomen. Daarnaast ligt dit deelgebied ook wat lager dan de rest van het gebied. Dit deelgebied grenst ook nog aan het gebied met de helofytenfilter(s). Doordat dit gebied dus om meerdere redenen wat meer vocht-gerelateerd is, zal de beplanting zich hier ook op richten. Sfeerbeeld broekbos

Als inspiratie voor dit deelgebied geldt om die reden het broekbos. Broekbossen zijn van nature natte bossen, die op laag liggende en vochtige gronden staan. De boomsoorten bestaan dan ook uit meer vocht-gerelateerde soorten. De zwarte els (Alnus glutinosa) is in dit onderdeel de meest voorkomende boomsoort met daarnaast wilgensoorten, zoals de grauwe wilg (Salix cineria) en de boswilg (Salix caprea). Een andere wat meer voorkomende soort is de zachte berk (Betula pubescens). Op iets drogere plaatsen kun je ook andere boomsoorten zoals de gewone es (Fraxinus excelsior) en ook wel eens een zomereik (Quercus robur) aantreffen. Om een zo biodivers mogelijk gebied te creëren en de kans op verlies van veel bomen door ziektes te voorkomen, zal een gemengde verzameling boomsoorten worden aangeplant. De meest kenmerkende soort (Alnus glutinosa) zal echter wel het meest worden toegepast. Zwarte els (Alnus glutinosa)

72

Zachte berk (Betula pubescens)

Themakaart ‘Lineair broekbos

73

3.6

Onderdeel ‘Lineair broekbos’

De zuidzijde van het plan sluit aan op de bestaande watergang aan de noordzijde van de Germaan. Deze watergang wordt door het waterschap beheerd en onderhouden. Aan de noordzijde van de watergang ligt nu dan ook een schouwpad. Deze watergang heeft op dit moment aan de noordzijde ook een functionele oever. Aan de zuidzijde van de watergang liggen de tuinen van de bestaande woningen aan de Germaan. Om het nieuwe plan en de achtertuinen van de nieuwe woningen aan de zuidzijde van het plan op een goede manier op het zuidelijke deel aan te laten sluiten, zullen er extra ruimtes en extra inrichtings-elementen worden ingepast. Om te beginnen zal de oever aan de noordzijde worden gewijzigd in een natuurvriendelijke oever. Dit levert enerzijds ecologische meerwaarde op, maar heeft ook een positief effect op het wegnemen van het zicht vanuit en op de nieuwe achtertuinen.

Lineair broekbos (met zwarte elzen)

Aansluitend op een schouwpad zal een lineaire wadi/ greppel worden aangelegd. Dit om het water vanuit het nieuwe plan zoveel mogelijk gescheiden te houden van het waterstelsel van de bestaande wijk Westeraam. Deze voorziening vangt dus het water op voordat het in de bestaande watergang kan lopen. Aan deze lineaire wadi/ greppel wordt ook inheemse beplanting gekoppeld. Deze beplanting sluit aan op het onderdeel ‘De natuurlijke driehoek’ oftewel het zogenaamde ‘broekbos-oost’. Daarom wordt hier vergelijkbare beplanting geplant. Deze beplanting bestaat uit struweel in combinatie met daarin geplante solitaire bomen. Dit zal, aansluitend op het Broekbos-Oost, bestaan uit zwarte elzen (Alnus glutinosa).

Zwarte els Alnus glutinosa

74

Zachte berk Betula pubescens

Themakaart ‘Nevengeul’

75

3.7

Aan de westzijde van het plangebied wordt een ‘verbindende Awatergang aangelegd. Deze A-watergang komt te liggen tussen deelgebied 1, gekoppeld aan de Rijksweg Noord en deelgebied 2 ’De dorpse clusters’. De watergang ligt aan de ‘achterzijde’ van de percelen, die grenzen aan de Rijksweg Noord. Hiermee zorgt de watergang voor een extra duidelijke scheiding tussen private percelen en het openbaar gebied aan de oostzijde ervan.

Onderdeel ‘Nevengeul’

Om het hierboven beschreven doel (het over de Linge trekken van Park Lingezegen) te bereiken, worden typische ruimtelijke, landschappelijke elementen uit Park Lingezegen (deelgebied Waterrijk) ingezet. Er is dan ook geen sprake van een harde en/of lineaire overgang naar de Linge. De woonvelden benaderen de Linge tot een wisselende afstand. Er wordt ondanks het wisselende karakter wel een minimale, substantiële afstand van de Linge gehouden. Deze is gebaseerd op de maatvoering van de nevengeul. De Linge en de bijbehorende zones zijn namelijk zeer belangrijk. Het karakter van de Linge, als vrij onbezoedelde watergang met aan beide zijden onaangetaste oeverzones, dient zoveel mogelijk intact te blijven. Hier is door het Waterschap Rivierenland dan ook een groot onderzoek naar gedaan, om te kijken welke ingrepen en functies hieraan kunnen bijdragen.

Zoals gezegd, zal de nevengeul verschillende oevers krijgen. De oever aan de zijde van het fietspad zal wat meer ‘standaard’ blijven dan de oever aan de noordzijde. Hier (aan de zuidzijde) zal echter wel een oever met een verspringend talud worden toegepast. Door het hoogteverschil op te lossen met twee verspringende taluds kan de beplanting zich ook hier op een meer interessante wijze ontwikkelen. Aan de noordzijde zal een werkelijke natuurvriendelijke oever worden gecreëerd. Hier zal niet op functionele wijze beplanting worden aangeplant. De beplanting zal hier op een volledig natuurlijke wijze gaan opgroeien. Grenzend aan de oevers van de nevengeul liggen echter wel groene zones. Hier zal voor het grootste deel bloemrijk en kruidenrijk grasland worden gerealiseerd. Het karakter zal hier op hoofdlijnen zo open mogelijk blijven. Er zal dus een zeer beperkt aantal bomen worden aangeplant. Hooguit een paar solitaire bomen (wilgen) of de toelating van natuurlijk verschijnende bomen.

Er is op basis hiervan vervolgens een uitgebreide rapportage opgesteld voor het toekomstbeeld van de Linge. De gewenste ambities zijn verwoord en verbeeld in de rapportage genaamd ‘Boven-Linge, ambitie & samenwerking’. Dit ambitiedocument is opgesteld door Waterschap Rivierenland, de provincie Gelderland en de gemeenten Lingewaard, Overbetuwe, Neder-Betuwe, Tiel en Buren. Op basis van dit ambitiedocument zal er ten zuiden van de Linge een zogenaamde nevengeul, bestaande uit een nieuwe watergang, worden gerealiseerd. Aan de noordzijde hiervan ligt de natuurvriendelijke oever. Deze oever is op de zon georiënteerd en daarmee het meest geschikt voor oeverbeplanting.

Tussen de nieuwe nevengeul en de bestaande Linge komt een nieuwe langzaamverkeersroute voor fietsers en voetgangers te liggen.

76

Referentie nevengeul

Fietsroute langs nevengeul

Referentie nevengeul

Gewone wilg (Salix alba)

77

Populus x canadensis

Themakaart ‘Rijksweg Noord’

78

3.8

Onderdeel ‘Rijksweg Noord’

Deelgebied 1, Rijksweg Noord, maakt onderdeel uit van een grotere omwikkeling langs de Rijksweg Noord. Het noordelijke deel van deze ontwikkeling valt echter buiten dit plangebied. Voor de gehele ontwikkeling is echter wel reeds een plan voor de landschappelijke inpassing gemaakt. Het onderdeel dat binnen dit plangebied valt, zal worden ingevuld met een beperkt aantal vrijstaande woningen. Dit past namelijk optimaal binnen het dorpse lintkarakter van de Rijksweg Noord. De kavels van de vrijstaande woningen, die binnen het deelgebied 1 vallen, zullen ook op een goede wijze landschappelijk worden ingepast. Deze landschappelijke inpassing bestaat aan de achterzijde van de kavels (oostzijde) uit hagen van een inheemse soort, namelijk beukenhagen. Dit sluit aan op de reeds vastgestelde landschappelijke inpassing van het noordelijke deel.

Struweelhaag met boomvormers

Beukenhaag

Met de in oost-westelijke richting gelegen elementen wordt ook aangesloten op de landschappelijke inpassing van het noordelijke deel. Zowel rekening houdend met aansluiting op de cultuurhistorische waarde als met het begeleiden van de zichtlijnen is ervoor gekozen om lineaire, landschappelijke elementen in de vorm van struweelhagen met hierin een aantal boomvormers. De struweelhagen bestaan uit inheemse soorten, zoals o.a. sleedoorn, Gelderse roos, hazelaar en kornoelje. De op organische wijze geplaatste boomvormers bestaan uit de soort zwarte els (Alnus glutinosa).

Zwarte els (Alnus glutinosa)

79

Struweelhaag

Themakaart ‘parkeerkoffers’

80

3.9

Parkeerkoffer met blokhagen

Parkeerkoffer met blokhagen

Kamperfoelie

Laag begroeid hekwerk

Begroeid hekwerk

Klimop (Hedera helix)

81

Onderdeel ‘parkeerkoffers’

In een groot deel van het plan is een substantieel aantal parkeerkoffers gepositioneerd. Dit vindt plaats omdat dit een unieke oplossing is om het ‘blik’ zoveel mogelijk uit het zicht te houden en daarnaast ook de loopafstand tot de woningen acceptabel te houden. De parkeerkoffers worden per definitie omkaderd door groen in de vorm van relatief lage (0.80 – 1.00 meter hoge) blokhagen. In dit geval is een combinatie met een private haag op de erfgrens niet passend. Op deze plekken zal dan ook gekozen worden voor begroeide hekwerken. Dit dienen metalen hekwerken te zijn met dubbele, ‘gepuntlaste’ verbindingen en in de kleuren antraciet of zwart. Deze hekwerken worden begroeid met passende klimplanten. De basis bestaat uit klimop (Hedera helix), maar om daarnaast meer seizoensbeleving en ecologische meerwaarde te creëren, wordt deze basis aangevuld met inheemse, bloeiende klimplanten zoals bosrank (Clematis montana), allerlei kamperfoeliesoorten (Lonicera) en dergelijke.

3.10 Duurzame, klimaat-adaptieve en natuurinclusieve buitenruimte Duurzame inrichting buitenruimte Naast de bebouwing wordt ook in de openbare buitenruimte zoveel mogelijk aangestuurd op duurzaamheid. In de buitenruimte zal om die reden worden gestreefd naar de volgende uitgangspunten: Waterdoorlatende verharding

Duurzaam meubilair

 Pas zoveel mogelijk materialen toe met een geringe milieubelasting.  Pas waar mogelijk waterdoorlatende verharding toe.  Vul de parkeerplaatsen zoveel mogelijk in de vorm van ‘groen parkeren’ met gebruik van ‘open verharding’ zoals grasstenen/ grastegels.

Hemelwaterberging

Grasstenen

 Voor verharding geldt het streven om waar mogelijk duurzame materialen toe te passen, die hun schoonheid behouden, ook na veroudering.  De materialen, die gebruikt worden, hebben zoveel mogelijk een natuurlijke uitstraling en kleur.  Minimaliseer het oppervlak aan verharding. Richt de buitenruimte zo groen mogelijk in.

Biodiverse beplanting

Halfverharding

82

 Zet in op de inzet van straatmeubilair en/ of speeltoestellen van duurzame materialen.

Natuurinclusieve inrichting buitenruimte Om de natuurinclusiviteit en de eventuele compenserende maatregelen een integraal onderdeel uit te laten maken van de buitenruimte van het plan zal op dit onderdeel een nader uitgewerkt, landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld. Dit inrichtingsplan bevat naast de algemene inrichtingselementen (groen, water etc.), die sowieso al in het plan zitten, ook nog andere, aanvullende natuurinclusieve maatregelen. In het op te stellen definitieve ontwerp (DO) van het inrichtingsplan openbare ruimte zullen deze maatregelen verder worden uitgewerkt. De natuurinclusieve elementen en maatregelen in de buitenruimte van het plan op structureel niveau bestaan uit de volgende onderdelen:

Bloemrijk grasland

Struweelhaag met boomvormers

 creëren van bloemrijke boomspiegels.  aanplanten van insecten-vriendelijke struiken.  plaatsen van een insectenhotel/ bijenhotel.

Geveltuinen

Bloemrijke boomspiegel

Kamperfoelie

Begroeid laag hekwek

 toepassen van een inheems zaadmengsel voor groene plekken en zones.  aanplanten van groene hagen als erfafscheidingen en scheiding privaat-openbaar, bestaande uit inheemse, streekeigen soorten.  realisatie van natuurvriendelijke laagtes, die gevuld worden met direct regenwater en mogelijk ook opvang vormen van dakwater et cetera.

Insectenhotel

83

Natuurlijk spelen

Biodiversiteit

Insectenvriendelijke beplanting (dagvlinders)

Vogel vriendlijke beplanting (vruchtdragend)

Vogelvriendelijke beplanting (schuilplaats)

Insectenvriendelijke beplanting (bijen)

Biodiverse (bloemrijke) beplanting

Vogelvriendelijke beplanting (zaaddragend)

84

Naast de natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte, die meer gericht is op elementen/ objecten die de natuur op een positieve wijze helpen, is ook de biodiversiteit van groot belang. Dit zal dan ook voor een belangrijk deel invloed hebben op de (groene) inrichting van de openbare ruimte. Om te beginnen zullen het aantal bomen en de juiste soortkeuzes van belang zijn. Er moeten zoveel mogelijk (grote) bomen worden ingeplant. Deze bomen moeten een goede koppeling hebben met de juiste groeiomstandigheden en met de in de nabijheid staande beplanting zoals heesters en grasland. De juiste combinatie tussen deze types levert namelijk een hoge mate van biodiversiteit op. Bij de keuzes voor bomen- en heestersoorten dient er, naast de passendheid op basis van de aanwezige groeiomstandigheden ook rekening te worden gehouden met bloemrijke en/ of vruchtendragende soorten. Dit heeft namelijk een hoge meerwaarde voor insectensoorten, zoals bijen en vlinders, maar ook voor vogelsoorten en kleine zoogdieren.

Klimaatadaptieve inrichting buitenruimte Het klimaat verandert, dus moeten we onze omgeving bestand maken tegen weersextremen. In 2050 moet het stedelijk gebied in Nederland klimaatbestendig, water- en hitte-robuust ingericht en beheerd worden. Klimaatadaptatie is dan ook één van de belangrijkste doelen van de gemeente Overbetuwe en is daarmee één van de uitgangspunten van de inrichting van de openbare ruimte. Door het realiseren van groen met voldoende maat, heeft dit direct invloed op het (micro)klimaat in de wijk. Negatieve effecten van klimaatverandering, zoals hittestress en wateroverlast, worden op die manier op een natuurlijke manier voorkomen. De combinatie van de uitgebreide groen- en waterstructuur in het plan biedt dan ook hoge kansen op het gebied van klimaatadaptatie. Het goed verdeelde groen, zeker in combinatie met beplanting in de vorm van heesters en bomen, zorgt voor een substantiële verkoeling van de leefomgeving. Daarnaast biedt de geïntegreerde combinatie van groen en water kansen voor opvang van de gevolgen van de klimaatverandering. Om hittestress te voorkomen zal er in veel groene ruimtes binnen het plan een groot aantal bomen worden geplant. Van deze bomen zullen in beginsel van een zo groot mogelijk aantal soorten zo groot mogelijke exemplaren worden ingeplant.

Door hun grotere kroonprojectie zorgen deze voor een groter schaduwoppervlak, hetgeen de hittestress verlaagt. Naast de bomen en andere schaduwwerkende beplanting dragen ook zaken als meer open verharding en halfverharding bij aan het dempen van de mogelijke hittevorming. Om het water zoveel mogelijk vast te houden in het gebied zelf en de ruimte daarnaast te beschermen

85

tegen overvloedig hemelwater, zal er een groot aantal wadi’s in het gebied worden aangelegden daarnaast ook nog nieuwe watergangen, waarvan de nevengeul aan de noordzijde van het plan de grootste is. De voordelen op het gebied van het te realiseren (oppervlakte) water en de ruimtes en voorzieningen ten behoeve van hemelwaterberging worden hieronder beschreven. Het ruim aanwezige oppervlaktewater en de voorzieningen voor waterberging zorgen voor het voorkomen van negatieve Struweelhaag effecten als gevolg van verdroging. Daarnaast zorgen de ruim met boomvormers aanwezige voorzieningen voor wateropvang en -berging voor een serieuze verkleining van de kans op wateroverlast. Hiermee is het klimaatbestendige en het klimaatadaptieve karakter van de wijk voor de toekomst veiliggesteld. Daarnaast zullen er op een lager schaalniveau ook nog andere maatregelen worden genomen. Een goed voorbeeld daarvan is het aanleggen van zoveel mogelijk parkeerplaatsen met een open, groene verharding, bestaande uit grasstenen/ grastegels. Beukenhaag Naast deze plaatsen zullen er, waar mogelijk, voetpaden worden aangelegd met halfverharding. Ook dit komt de natuurwaarde ten goede en zorgt voor een betere infiltratie van hemelwater. .

Halfverharding (Dolomit)

Afkoppeling hemelwater op open water

Hemelwaterberging (wadi)

Open verharding (grasstenen)

86

Schaduw leverende boom

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=d00209ad-daac-424e-b976-539f2a558047