25-05-20.14 Relevant stuk 12f_8253277_1702907806620_Bijlagen_Bijlage_6__Quickscan_Flora_en_Fauna
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Bemmelseweg ong. te Elst Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-1239
Datum:
17 november 2023
Samensteller:
ing. M. Smit
Collegiale toets:
ing. M.M.G. Vincken
Opdrachtgever:
Buro SRO B.V.
Contactpersoon:
M. Geerts
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Bemmelseweg ong. te Elst is een weiland gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het bestaande weiland op de planlocatie tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Bemmelseweg ong. te Elst.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bemmelsweg ong. te Elst (figuur 1.2). Het betreft een weiland met voornamelijk Engels raaigras. Aan de oostelijke zijde van de planlocatie is een strook met bomen, met onder andere zomereik, schietwilg en zwarte els, aanwezig en aan de westelijke zijde van de planlocatie is een watergang aanwezig. Deze watergang bevat steile oevers en licht stromend water. Het weiland werd ten tijde van het veldbezoek begraasd door schapen. In de noordwestelijke hoek van de planlocatie zijn enkele bomen en struiken aanwezig. In figuur 1.3 en 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bemmelseweg ong. te Elst. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch landschap en een industrieterrein. Op een afstand van 30 m vanaf de planlocatie bevindt zich de A325 en op een afstand van 3 km bevindt zich de N839. Op een afstand van 5 km tot de planlocatie loopt de rivier de Waal.
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten te realiseren. 5
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten. Het vigerende bestemmingsplan voorziet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging niet benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: SW architecten). 6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023 en is uitgevoerd door ing. M. Smit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. De NDFF is geraadpleegd op d.d. 3 november 2023. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
7
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn.
Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
8
Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
9
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk significante negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht.
Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur.
Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
10
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: akkerdoornzaad, kleine wolfsmelk en naaldenkervel (NDFF 2013-2023). Akkerdoornzaad komt voor langs rivieroevers, puinhellingen, begraasde zee- en rivierdijken en graanakkers. Deze soort is een pionierssoort die groeit op vochtige, matig voedselrijke en kalkrijke bodems. Kleine wolfsmelk is een pionierssoort die voorkomt op akkers, stoppelvelden en braakliggende grond. Het is hierbij van belang dat de bodem open, niet te sterk bemest en kalkhoudend is (verspreidingsatlas, 2023). Naaldenkervel groeit op akkers en akkerranden waarbij de bodem kalkrijk, stikstofarm en zonnig is (verspreidingsatlas, 2023). De planlocatie betreft een weiland dat volledig bedekt is met Engels raaigras en wordt begraasd door schapen.
Er zijn enkele kruidige soorten op het weiland aanwezig die wijzen op een voedselrijke bodem, zoals grote brandnetel, gewone smeerwortel en ridderzuring. Voor pionierssoorten zoals akkerdoornzaad en kleine wolfsmelk is er geen geschikte groeiplaats aanwezig op de planlocatie, gezien het weiland volledig bedekt is met Engels raaigras en er geen open plekken zijn. De planlocatie is tevens niet geschikt voor de naaldenkervel, gezien de bodem te voedselrijk is. De aanwezigheid van akkerdoornzaad, kleine wolfsmelk en naaldenkervel op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. De planlocatie is een weiland met een voedselrijke bodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, grote brandnetel, ridderzuring, smeerwortel en witte dovennetel. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bunzing, das, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, steenmarter en wezel. De bever leeft in het overgangsgebied tussen water en land, waarbij het van belang is dat er goed bereikbare bomen op de oever aanwezig zijn. Bevers knagen bomen langs de oever om en laten hierbij grote hopen houtsnippers en vraatsporen achter. De planlocatie is gelegen aan een watergang met een steile oever. Er zijn enkele bomen aanwezig langs de watergang. Deze bomen zijn geclusterd in de noordwestelijke hoek van de planlocatie, de rest van de oever bevat geen bomen. Op en rond de bomen in de noordwestelijke hoek van de planlocatie zijn geen vraatsporen of houtsnippers aangetroffen. Tevens bevat de planlocatie onvoldoende bomen langs de oever en zijn er langs de gehele watergang geen sporen aangetroffen van de bever. Derhalve kan de aanwezigheid van de bever op de planlocatie worden uitgesloten. 12
De boommarter komt voor in allerlei typen bossen en kan ook voorkomen in parken met voldoende bomen. In het leefgebied dienen boomholtes, boomwortels, takkenhopen of holen van andere dieren aanwezig te zijn, om te dienen als rustplaats. In de kraamperiode maakt deze soort gebruik van roofvogel- of eekhoornnesten in hoge bomen. De bunzing, steenmarter en wezel komen voor in kleinschalig park- en cultuurlandschap. Het is hierbij van belang dat er voldoende dekking in de vorm van oeverbegroeiingen, heggen en ruigtes aanwezig is om te dienen als rustplaats en foerageergebied. Aan de oostelijke zijde van de planlocatie bevindt zich een strook met bomen. Tevens bevindt de planlocatie zich naast een watergang. Het is niet uit te sluiten dat in de strook bomen ten oosten van de planlocatie en in de strook bomen in de noordwestelijke hoek van de planlocatie, geschikte locaties aanwezig zijn die kunnen dienen als rustplaats voor de boommarter, bunzing, steenmarter en wezel. Echter worden deze groenstroken niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Naast deze strook bomen bevindt zich de A325. Gezien deze weg al voor verstoring zorgt, is het aannemelijk dat de verstoring door beoogde werkzaamheden niet zal toenemen. Derhalve kunnen negatieve effecten op de boommarter, bunzing, steenmarter en wezel worden uitgesloten.
De das leeft in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende houtwallen, heggen en singels. Het is van belang dat er goed vergraafbare grond aanwezig is en dat het gebied weinig wordt verstoord. De planlocatie betreft een weiland met een naastgelegen strook bomen. Er is een waarneming bekend van de das op een afstand van circa 1 km tot de planlocatie (NDFF 2013-2023). Tussen deze waarneming en de planlocatie zijn enkele barrières aanwezig in de vorm van een spoorweg en een aantal watergangen. Tevens bestaat deze waarneming uit een losse waarneming zonder andere waarnemingen in de directe omgeving. Dit wijst erop dat er sprake is van een foeragerende of migrerende das en geen dassenburcht. Tevens zijn er geen sporen of wissels aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van de das. Gezien de afstand tussen eerdere waarnemingen en de aanwezige barrières, kan de aanwezigheid van de das op de planlocatie worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige vleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten.
Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen in de noordwestelijke hoek van de planlocatie zijn holtes aangetroffen die mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen bevatten, gezien er boomholtes aanwezig zijn. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Wel dienen er maatregelen te worden genomen om verstoring op mogelijke verblijfplaatsen te vermijden (H5.4) 13
Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. Het is uit te sluiten dat de planlocatie gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het weiland is mogelijk in gebruik als foerageergebied. Echter is er in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig. Tevens is het mogelijk dat de watergang ten westen van de planlocatie en de bomenrij ten oosten van de planlocatie in gebruik zijn als vliegroute. Deze structuren blijven in de beoogde ingreep behouden, indien er in de nieuwe situatie geen lichtverstoring op deze structuren plaatsvindt. Er is geen sprake van aantasting aan essentiële vliegroutes of foerageergebieden. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, boomkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, poelkikker en (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boomkikker en poelkikker.
De boomkikker komt voor in bomen, struwelen, meerjarige kruiden en oeverplanten. De voorkeur gaat hierbij uit naar doornig struweel, zoals bramen. Het waterhabitat van deze soort bestaat uit geïsoleerde, stilstaande wateren met voldoende voedsel. Hierbij is het van belang dat er voldoende watervegetatie aanwezig is en er geen vissen in het water voorkomen. De poelkikker komt voor in kleinschalige, stilstaande wateren met matig voedselrijk water. Hierbij is het van belang dat het water en de oever voldoende begroeid is, het water niet te sterk geëutrofieerd is en er verbindingen zijn naar andere kleine watersystemen. De planlocatie betreft een weiland met naastgelegen watergang. De watergang bevat steile oevers en is derhalve niet geschikt voor amfibieën. In watergangen die aangesloten zijn op de watergang naast de planlocatie, is de aanwezigheid van vissen bekend (NDFF 2013-2023). Ook is de watergang voedselrijk, door het vee wat op het weiland staat. Door de afwezigheid van geschikt habitat, kan de aanwezigheid van de boomkikker en de poelkikker op de planlocatie worden uitgesloten. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2013-2023). De grote modderkruiper leeft tussen de slib en vegetatie in ondiep tot langzaam stromend water. Het is van belang dat er een rijke begroeiing van onderwater- en oevervegetatie aanwezig is. De planlocatie betreft een weiland met naastgelegen watergang.
Er zijn geen waarnemingen bekend van de grote modderkruiper in deze watergang en in de watergangen die hier in de directe omgeving op aansluiten. De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is bekend op een afstand van circa 1 km ten zuiden van de planlocatie. Tussen deze locatie en de planlocatie zijn geen verbindende watergangen aanwezig. Tevens wordt er geen habitat van de grote modderkruiper weggenomen, gezien er geen watergangen worden gedempt.
14
Doordat de watergang op de planlocatie in verbinding staat met andere watergangen, zijn er tevens voldoende uitwijkmogelijkheden. Negatieve effecten op de grote modderkruiper kunnen derhalve worden uitgesloten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos en teunisbloempijlstaart (NDFF 2013-2023). De grote vos komt voor in bosrijke gebieden. De waardplanten van deze soort betreffen de iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. De planlocatie betreft een weiland met in de noordwestelijke hoek enkele bomen en struiken, waaronder wilgen. Deze bomen en struiken zullen behouden blijven in de beoogde ingreep. Negatieve effecten op de grote vos kunnen derhalve worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor in vochtige bossen, bosranden en open plekken. Dit zijn vaak braakliggende of ruderale terreinen. De waardplanten van deze soort betreffen de teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. De planlocatie betreft een weiland en is volledig bedekt met Engels raaigras en enkele kruidige soorten. Dit is een verder gevorderd successiestadium. Er zijn tijdens het veldbezoek geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen.
Derhalve is er geen sprake van geschikt voortplantingshabitat van de teunisbloempijlstaart. Negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart kunnen worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, knobbelzwaan, merel, roodborst en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen.
De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De planlocatie bevat geen bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Door de afwezigheid van geschikte bebouwing in de directe omgeving is er tevens geen sprake van de afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en gierzwaluw is derhalve geen sprake. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Ook zijn er geen sporen van roofvogels en/of uilen waargenomen. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan derhalve uitgesloten worden. Gezien de directe omgeving van de planlocatie voldoende vergelijkbaar gebied bevat en de planlocatie maar een kleine oppervlakte ten opzichte van het vergelijkbare leefgebied bevat, is er geen sprake van de afname van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten.
15
Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het weiland vormt voor algemene broedvogels mogelijk geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat de planlocatie tussen het veldbezoek en de werkzaamheden in gebruik wordt genomen door algemene broedvogels als nestlocatie. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden in een stikstofonderzoek.
Buro SRO voert voor dit project een Voortoets stikstof uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling mogelijk leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar deze separaat opgestelde rapportage.
17
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 100 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 5 km ligt Weidevogelgebied (figuur 3.3). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 2 km van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 14 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 100 m tot het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelzone (bron: gldanders.planoview.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 5 km tot het Weidevogelgebied (bron: gldanders.planoview.nl).
18
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot het Ganzenrustgebied (bron: gldanders.planoview.nl).
3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden in een stikstofonderzoek. Buro SRO zal hier een Voortoets voor opstellen. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Gelders natuurnetwerk Groene ontwikkelzone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
2 km 200 m 100 m 5 km 2 km
Stikstof Geen Geen Geen Geen
Stikstofonderzoek N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
14 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
20
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde realisatie van tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten aan de Bemmelseweg ong. te Elst is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een Voortoets stikstof uitgevoerd te worden. Buro SRO zal deze Voortoets uitvoeren. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de Voortoets stikstof.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Hierbij dient er te worden vermeden dat er licht valt op de strook bomen in het noordwesten van de planlocatie. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
21
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.ndff.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bemmelseweg ong. te Elst en bestaat uit een weiland. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van tijdelijke woningen voor arbeidsmigranten.
Figuur 2
De voedselrijke watergang naast de planlocatie bevat steile oevers en heeft een lichte stroming. 23
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 24