25-04-08.16 Relevant stuk 3. Ruimtelijke onderbouwing bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
Tekst van het document
Afbeelding 13: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de groene en blauwe kleur aangeduid (bron: aerius.caclulator.nl) Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, 42
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Stikstof Bouwfase Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van afval, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura-2000 gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand niet uitgesloten worden. Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de bouwfase te bepalen, is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. De uitgangspunten van de bouwfase en de AERIUSberekening zijn als Bijlage 5 toegevoegd. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom ook geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden in de sloop- en bouwfase.
Gebruiksfase Het aantal verkeersbewegingen van en naar het projectgebied neemt iets toe ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de exploitatie van de nieuwe kas. De verwarming van de nieuwe kas vindt plaats door middel van het gesloten bodemenergiesysteem met een warmte opslagtank. Bij de verwarming van de nieuwe kas komt derhalve geen stikstof vrij. De stikstofdepositie in de gebruiksfase is berekend aan de hand van het huidige gasverbruik van het bedrijf en de verwachte verkeersgeneratie. Op basis van het gasverbruik is een stikstofemissie berekend van 177 kg NOx per jaar. Ten aanzien van de verkeersbewegingen is in de toekomstige situatie uitgegaan van de volgende aantallen: licht verkeer: 60 bewegingen per etmaal; middelzwaar vrachtverkeer: 6 bewegingen per etmaal; Toelichting
43
zwaar vrachtverkeer: 2 bewegingen per etmaal. Met de investering in het bodemenergiestysteem wordt een zeer significante besparing op aardgas bereikt. De stikstofemissie als gevolg van het verwarmen van de kassen zal daarom afnemen. De berekening van de gebruiksfase kan daarom als worst case worden beschouwd. Met het programma Aerius calculator 2023 is een berekening gemaakt om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase te bepalen. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden. De Aerius berekening is toegevoegd als Bijlage 6. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt ook de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het projectgebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 oktober 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht.
Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde floraen faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het projectgebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels vleermuizen grondgebonden zoogdieren amfibieën Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 44
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
Vogels Het onderzoeksgebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het onderzoeksgebied uitsluitend als foerageergebied. Er nestelen geen vogels in het onderzoeksgebied. Het grasveld is door het gevoerde beheer ongeschikt als nestelplaats voor vogels. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en wordt geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor vogels neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het onderzoeksgebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het onderzoeksgebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van soorten zoals huisspitsmuis en veldmuis. Deze soorten gebruiken het gebied hoofdzakelijk als foerageergebied maar mogelijk bezetten deze soorten een vaste rust- en voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden.
De betekenis van het projectgebied als foerageergebied is, voor de in het projectgebied voorkomende soorten, niet beschermd. Initiatiefnemer zal bij de uitvoering van de werkzaamheden eventueel aanwezige grondgebonden zoogdieren wegvangen en elders loslaten. Vleermuizen Verblijfplaatsen In het projectgebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Daarom wordt het projectgebied niet als een geschikte plek voor verblijfplaatsen van vleermuizen beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt er geen verblijfplaats beschadigd en vernield. Foerageergebied
Toelichting
45
Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het projectgebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten boven het grasveld. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het projectgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen neemt de betekenis van het projectgebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied tot een weinig geschikt leefgebied voor amfibieën. Geschikte plekken voor amfibieën om een verblijfplaats ontbreken. Ook ontbreekt voortplantingsbiotoop in het projectgebied.
Mogelijk foerageren algemene en weinig kritische amfibieën zoals bruine kikker en gewone pad in het projectgebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Conclusie In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het projectgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën zullen voor aanvang van de 46
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
werkzaamheden worden weggejaagd of weggevangen (en elders losgelaten). Verder blijkt dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor het GNN en Natura 2000. Vanuit het oogpunt van ecologie kan het voornemen uitvoerbaar worden geacht. 4.9.
Cultuurhistorie en archeologie
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de huidige Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen worden over enige tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) Toets Cultuurhistorie De gemeente Overbetuwe beschikt over tal van cultuurhistorische waarden van hoge kwaliteit. De cultuurhistorische waarden omvatten de ruimtelijke kwaliteit van het rivierenlandschap met de oeverwallen en komgronden, de monumenten waaronder boerderijen, kerken en huizen én het rijke bodemarchief (het archeologische erfgoed). Wat vandaag nog herinnert aan vroeger, zijn de overgebleven structuren en gebouwen in het landschap. Dit landschap heeft de afgelopen tienduizenden jaren voornamelijk zijn vorm gekregen door de natuurlijke invloeden van wind, water, flora en fauna. In het rivierengebied brachten de rivieren een enorme dynamiek.
Natte perioden wisselden droge perioden af. In de natte perioden overstroomden grote delen van het rivierengebied en werd het land voor langere tijd onbewoonbaar. De bewoners trokken weg op zoek naar een betere plek om te wonen. Archeologische vondsten wijzen uit dat verschillende plekken in de gemeente Overbetuwe onafgebroken bewoond zijn geweest, waaronder de omgeving van Herveld sinds de steentijd en Elst sinds de Romeinse tijd. Dit geeft aan dat deze gronden zeer goed geschikt waren Toelichting
47
voor menselijke occupatie. De laatste tweeduizend jaar is het vooral de mens die het landschap naar haar hand heeft gezet en haar uiteindelijke vorm heeft gegeven. In de periode na WOII, van de wederopbouw tot nu, zijn de ontwikkelingen in een stroomversnelling gegaan. De sterke toename in de bevolkingsomvang, toegenomen mobiliteit, technische ontwikkelingen, etc. hebben het landschap in enkele generaties een heel ander aanzien gegeven De locatie maakt onderdeel uit van het buurtschap Reeth, een karakteristiek bebouwingslint op een oeverwal. Een 'van oorsprong' kleinschalig landschap met boomgaarden, erf- en perceelsbeplanting. Met de aanleg van de snelweg A15 veranderde de omgeving in hoge mate. Deze transformatie zette nog verder door met de aanleg van de Betuweroute, Park 15 en recent de geplande ontwikkeling van het RTG. Ten aanzien van het planvoornemen is met name de woerd van cultuurhistorische betekenis. De woerd waarop de oude woonplaats van Biesterveld, en dus van de proefboerderij, zich bevindt zal zich door middel van de uitgewerkte landschappelijke inpassing straks duidelijk gaan onderscheiden van het omringende landschap. Om de woerd verder te accentueren wordt de nodige erfbeplanting toegevoegd om daarmee bij te dragen aan de ontwikkeling van een kleinschalig, groen 'eiland' in een verder wijds landschap.
Archeologie Door KSP Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Het rapport van KSP Archeologie (rapportnummer 23151, d.d. 27 oktober 29023) is bijgevoegd als Bijlage 7. Voor het projectgebied geldt een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Laat-Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een middelhoge verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke bodem een poldervaaggrond is. Er zijn vanaf een diepte van 80-135 cm -mv bedding- en oeverafzettingen van de Ressenstroomgordel Fase B aangetroffen. In deze afzettingen is geen bodemvorming en zijn ook geen 48
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
archeologische indicatoren aangetroffen die erop zou kunnen wijzen dat dit niveau bewoond is geweest. De bedding- en oeverafzettingen zijn afgedekt door een 40-80 cm dik komkleipakket, dat deels is afgedekt door een 25-90 cm dik antropogeen opgebrachte kleiige grond. Deels is het opgebrachte pakket grond gebruikt om een sloot te dempen in 2012. In deze grond zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die erop wijzen dat er resten van voorgangers van de boerderij te verwachten zijn die ten noordwesten van het plangebied heeft gestaan. Waarschijnlijk is het opgebrachte pakket grond van recente datum (20e eeuw). De kans dat er binnen het projectgebied bebouwingresten van een boerderij of andere bijbehorende sporen aanwezig zijn, wordt zeer klein geacht. Op basis hiervan is de conclusie uit het bureauonderzoek dat er geen voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum worden verwacht gehandhaafd. De hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) is bijgesteld naar laag. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen naar laag.
Op grond van het deels aanwezige vrij recente (20e eeuw) ophogingspakket en het ontbreken van archeologische indicatoren die erop zouden kunnen wijzen dat er archeologische resten ouder dan de 20e eeuw aanwezig zijn en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming voor het plangebied te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. De regioarcheoloog heeft de bevindingen van KSP Archeologie beoordeeld en onderschrijft de conclusies van het onderzoek. Het advies van KSP archeologie kan worden overgenomen. De locatie kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het projectvoornemen uitvoerbaar.
Toelichting
49
4.10.
Explosieven
In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond. Toets Het projectgebied is verdacht op mogelijke aanwezigheid van explosieven afkomstig uit WOII. Er zijn diverse indicaties die kunnen duiden op de aanwezigheid van munitie. Bij de bouw van de kas vindt de grondroering dieper dan de bouwvoor alleen plaats door het aanbrengen van de poeren waarop de kas wordt gefundeerd. De te roeren oppervlakte bedraagt in totaal slechts 13.5 m2. Op basis van deze feiten heeft de medewerker Integrale Veiligheid geconcludeerd dat de kans op aantreffen van ontplofbare oorlogsresten zeer klein is. Er kan worden gewerkt met het protocol toevalstreffers. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect explosieven vorm geen belemmering voor het voornemen. 4.11.
M.e.r.-beoordeling
Omdat de aan te vragen activiteit betrekking heeft op de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren moet het bevoegde gezag eerst beoordelen of bij de voorbereiding van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een milieueffectrapport is alleen nodig indien de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Of er een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden volgt uit de wet. In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). De uitbreiding van kassen is niet opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage, 50
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
onderdeel C categorie 9, oftewel de mer-plicht. Dit betekent dat vooralsnog geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage zijn in onderdeel D, categorie 9 van de bijlage bij dit besluit, activiteiten aangewezen waarvoor voor het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Tot deze activiteiten behoort, sinds de wijziging van het besluit op 1 april 2011, het oprichten of uitbreiden van een glastuinbouwbedrijf. Uit jurisprudentie volgt dat deze plicht geldt als sprake is van nieuw te bouwen kassen. Op grond van de hiervoor genoemde uitbreiding op de locatie Reethsestraat 17B kan worden geconcludeerd, dat een m.e.r.-beoordelingsplicht feitelijk niet van toepassing is omdat sprake is van de bouw van ca. 0,22 ha nieuwe kassen, terwijl de m.e.r.beoordelingsgrens ligt bij de bouw van 50 ha nieuwe kassen. Verder is bij de bepaling of een m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is van belang om na te gaan of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Onderhavig projectgebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de hoofdstukken 4 en 5 van de toelichting is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. In hoofdstuk 4 zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig project geen belangrijke milieugevolgen heeft ten aanzien van deze aspecten. In paragraaf 4.8 is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. Gebleken is dat de uitbreiding van het bedrijf met een kas niet tot een toename van de stikstofdepositie lijdt. Het project tast de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden niet aan. Het plan heeft verder geen negatieve effecten of aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN tot gevolg. Een toetsing aan de NNN wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Toelichting
51
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van het plan in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. Conclusie Het project is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de ontwikkeling in het betreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
52
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemers worden doorberekend. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over onder andere planschade en kostenverhaal. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. 5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voert met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. De reacties van de vooroverlegpartners worden, indien nodig, t.z.t. verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing. De omgevingsvergunning zal in ontwerp overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Vervolgens kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Rechtbank en eventueel in hoger beroep gaan bij de Raad van State.
Toelichting
53