25-04-08.12 Relevant stuk 3, Koersdocument actualisatie Omgevingsvisie'
Tekst van het document
KOERSDOCUMENT ACTUALISATIE OMGEVINGSVISIE 1. Inleiding: vervolg op Omgevingsagenda In 2019 is de ‘Omgevingsvisie Overbetuwe 2040’ vastgesteld. We gingen aan de slag met het geschetste toekomstbeeld. Nu werken we aan een actualisatie van deze visie. Omgaan met nieuwe ontwikkelingen vraagt namelijk scherpere keuzes in de schaarse ruimte. Ook ten aanzien van randvoorwaarden die nu soms nog ontbreken, zijn duidelijker keuzes nodig. Zo wordt realiseren van ambities realistischer, gelet op beschikbare condities en maatschappelijke haalbaarheid. De eerste stap was de Omgevingsagenda (november 2023). Deze agenda beschrijft de thema’s die zijn geagendeerd voor een update. In hoofdlijn betreft dat aanscherpen van de identiteit, slim omgaan met de transitie landelijk gebied en verstedelijking én meer toekomstbestendig handelen (algemeen belang). De actualisatie leidt dus niet tot een volledig nieuwe Omgevingsvisie. Alleen op specifieke onderdelen volgt een aanscherping. Op basis van de geagendeerde ontwikkelingen en thema’s, vroegen we inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om mee te denken. Een online enquête gebaseerd op de Omgevingsagenda was een belangrijke basis hiervoor. Maar liefst 3.000 mensen vulden de vragenlijst in. Deze vragen en stellingen waren op hoofdlijnen en soms ongenuanceerd.
Vandaar dat we het verdiepende gesprek aangingen tijdens diverse gesprekssessies1. We ontvingen adviezen van iedereen die zich betrokken voelt. Opbrengst en procesverloop van deze participatie is beschreven in de bijlage1. Met de opbrengsten uit de participatie zijn we nu in staat voor de te actualiseren thema’s een eerste richting te bepalen. De beoogde verandering beschrijven we in het zogenaamde ‘Koersdocument’. De opbouw van dit Koersdocument is gebaseerd op drie pijlers. Dit zijn de drie hoofdthema’s zoals benoemd in de Omgevingsagenda. In hoofdstuk 2 geven we aan hoe we meer kleur willen geven aan de Overbetuwse identiteit. Het 3e hoofdstuk doet vervolgens voorstellen over hoe om te gaan nieuwe ontwikkelingen die afkomen op de kernen, het landelijk gebied en de netwerken die beide verbinden. Hoofdstuk 4 beschrijft hoe we dit toekomstbestendig kunnen doen; zodat het ook op langere termijn goed is voor ‘collectief en toekomst’. Tot slot geeft het 5e hoofdstuk inzicht in het vervolgproces. Na bespreking in de gemeenteraad, werken we de te actualiseren visie vervolgens uit; op weg naar de uiteindelijk te actualiseren visie, maar ook de wijze waarop we als gemeente onze inzet, rol en samenwerking kiezen om ambities te kunnen realiseren. 2. Identiteit: we versterken het DNA De Over-Betuwe is ontstaan in de delta van de grote rivieren.
Deze rivieren zijn bepalend geweest voor identiteit van het landschap en de dorpen. Het DNA van beide is dan ook nauw met elkaar verbonden. Dit hoofdstuk beschrijft hoe we de identiteit van landschap en dorpen (in samenhang) willen aanscherpen om straks duidelijker te zijn in hoe je het DNA kunt beschermen, ontwikkelen en stimuleren. 2.1 Integrale aanpak Identiteit aanscherpen doen we ruimtelijk en functioneel, waarbij we gezondheid een plek geven binnen onze leefomgeving. We leggen verbanden tussen ruimtelijke kwaliteit, erfgoed (inclusief monumenten en cultuurlandschappen) en milieuwaarden (luchtkwaliteit, geluidsbelasting, et cetera). Ruimte faciliteert ook (toekomstig) gebruik door mens en dier. Daarom kijken we hoe plekken gebruikt en ervaren worden, denk bijvoorbeeld aan bereikbaarheid of voorzieningen. Zo voorkomen we een (te) conserverende benadering en denken beter de link te kunnen leggen met opgaven zoals verwoord in hoofdstuk 3 en 4. In de navolgende fasen vraagt dit (aan de hand van inventarisatie, bijvoorbeeld de komende waardering erfgoed) om nadere afweging en verdieping die we straks per deelgebied inzichtelijk maken. 2.2 Landelijk gebied Bij de identiteit van het landelijk gebied is het diverse en overwegend kleinschalige karakter van groot belang. Bij aanscherping maken we sterker onderscheid in verschillende zones.
Immers, karakter, kwaliteit en mogelijkheden verschillen onderling. Dit zijn allereerst agrarische zones, uiterwaarden en landschapszones. We benutten de morfologie en geven in de aanscherping de cultuurhistorisch waardevolle gebieden ook een nadrukkelijke plek: dit zijn dit de landgoederen, de donk van Valburg, het 1 In het Participatieverslag is het doorlopen participatieproces beschreven, inclusief de manier waarop de input verwerkt is.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 1 van de 11
woerdenlandschap bij Herveld-Andelst én enkele waardevolle buurtschappen. De samenhang verliezen we niet uit het oog door waar nodig de verbinding te leggen met grotere doorgaande structuren. Denk aan de rivieren (uiterwaarden en dijken), het energielandschap A15 én de Lingezone. 2.3 Dorpen De identiteit van de dorpen willen we ook scherper benutten. In basis hanteren we hierbij de kwaliteiten en waarden die behoren bij het moment van ontstaan. Vaak is nog herkenbaar of een kern ontstaan is als dijkdorp, lintdorp of woerdendorp. Maar ook verder in tijd; een jaren ’30 wijk ziet er bijvoorbeeld heel anders uit dan de ‘bloemkoolwijken’ uit de jaren ’80. We maken deze waarden uit de verschillende tijdsperioden locatie-specifiek, door karakteristieke structuren, plekken of gebouwen hieraan toe te voegen. Dit kan soms ook een randzone zijn tussen landelijk gebied en dorp. We geven deze zones nader vorm als verbindend element dat ten goede komt aan beide. We clusteren hier functies, met ook kansen voor functieverandering, met meerwaarde bereikbaarheid en voorzieningen. Door randzones zo uit te werken, creëren we meer duidelijkheid over (kaders/principes voor) behoud, groei en ontwikkeling van kernen, tegelijkertijd voor behoud, groei en ontwikkeling van agrarisch gerelateerde functies.
Potentie voor wonen zien we vooral in de zones ‘wonen in het groen’ die deels in en deels aansluitend op de kernen gelegen zijn. We sluiten qua situering en omvang aan op occupatiepatronen en landschapskarakteristiek (zie 2.1); dus bv. niet op plekken waar landgoederen of natuurwaarden nabij een kern aanwezig zijn (zoals de noordwestzijde Zetten). Bij bedrijventerreinen kijken we ook samenhangend. Niet alleen ruimtelijk maar ook functioneel: denk aan het profiel van de bedrijven en verhoudingen met regio (bereikbaarheid en de ligging). Bij sommige bedrijventerreinen is er extra aandacht voor het verbeteren van de overgang door een mix tussen wonen, voorzieningen en werken. Dit speelt in Elst, Heteren en Oosterhout (groene buffer). 3. Opgaven: we verbinden slim Conform Omgevingsagenda zien we de noodzakelijke aanscherping vooral bij twee nieuwe grote transities: verstedelijking en transitie landelijk gebied, met relaties naar relevante netwerken zoals mobiliteit of energie. We leggen verbanden naar identiteit (hoofdstuk 2) en toekomstgericht duurzaam handelen (hoofdstuk 4). Door deze verbanden te leggen kijken we ook vanuit het perspectief van ‘brede welvaart’: ontwikkeling vindt plaats in balans met gezondheid, milieu, klimaat, leefbaarheid en veiligheid. Een brede werking wordt daarmee beoogd.
Bijvoorbeeld thema’s als sport en bewegen, biodiversiteit, mobiliteit en klimaatadaptatie zijn ook op vele locaties van toepassing en vragen (in plaats van een sectorale) juist een integrale of gebiedsgerichte benadering. 3.1 Ontwikkeling netwerken mobiliteit en energie We zetten in op ‘groene’ vormen van energie en mobiliteit, waarbij besparen en voorkomen van extra behoefte de eerste stap is (‘dempen’ of besparen). Bij locatiekeuzes voor grotere functies wegen we mee de nabijheid van het energie- of mobiliteitsnetwerk. We proberen (te) zwaar belaste assen te ontlasten door: • Vorm en bron van energievoorziening af te stemmen op de plek, vraag en karakteristiek: kies een passende energiedrager en zet daarbij (met name ten behoeve van warmte) meer in op energiebronnen zoals geothermie, aqua-thermie, restwarmte en mogelijk waterstof. • Netneutraal of netbewust te ontwerpen; hiermee werken we aan een flexibel en toekomstbestendig energienetwerk. • We optimaliseren het fietsnetwerk en stimuleren dat het gewenste OV-netwerk op peil blijft. Dit is goed voor onze gezondheid en bevordert interactie met minder belasting op ruimte en milieu, als antwoord op de mobiliteitsbehoefte waar nu niet in alle gevallen goed kan worden voorzien.
• We ondersteunen mensen met energie- of vervoersarmoede; zo voorkomen we dat mensen niet goed mee kunnen doen in de maatschappij door een gebrek aan mogelijkheden om zich te verplaatsen of een woning te verwarmen. Het kiezen van de juiste modaliteit of energiedrager, bevorderen we door zogenaamde ‘ladders’ te hanteren; we introduceren een volgorde of prioritering in de afwegingen bij locatiekeuze of inrichting van ruimtes: • Trias Energetica. Beperk het energieverbruik en de vermogensvraag. Gebruik duurzame energiebronnen en gebruik deze lokaal (gelijktijdig of met duurzame (seizoens)opslag). Maak efficiënt gebruik van eindige energiebronnen. We onderzoeken of we nadere prioritering kunnen geven tussen de verschillende energiebronnen.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 2 van de 11
• STOMP-principe: STOMP staat voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (multimodaal reisadvies op maat) en de Privéauto. Het is een instrument dat ervoor zorgt dat we ons verkeersysteem en de openbare ruimte beter inrichten op kwetsbare en actieve verkeersdeelnemers. Brede toepassing kan ook bijdragen aan meer verkeersveiligheid én een efficiënter ruimtegebruik (minder parkeren met kansen voor meer groen). De mogelijkheden daartoe verschillen per kern; de aard van mobiliteitsvoorzieningen zoals aansluitingen op hubs, fiets en OVnetwerk beïnvloedt immers de mogelijkheden van verplaatsing. We proberen de vervoersmiddelen zo te combineren; mobiliteitshubs verbinden de verschillende modaliteiten aan elkaar om soepel over te stappen. Dit op verschillende niveaus; wijk, dorp, gemeente of regionaal. 3.2. Ontwikkeling landelijk gebied Bij het komen tot een meer samenhangende visie op het buitengebied, kiezen we de volgende richting: • We streven naar een landelijk gebied met een diverse agrarische sector zonder monotoon, grootschalig en/of intensief beeld. We zetten in op een variëteit van activiteiten die gezamenlijk het landelijk gebied versterken. Deze mix verschilt per landschapstype. In de open kommen is dit primair grondgebonden veeteelt.
Op de meer kleinschalige oeverwallen is dit een afwisseling van met name akkerbouw, fruit- en boomteelt (die laatste ten westen van de A50), aangevuld met nevenactiviteiten zoals wonen en extensieve recreatie (netwerk) ten behoeve van dagrecreatie. We zijn terughoudend met functies die niet of minder grondgebonden zijn. De functionele balans verschilt per deelgebied, beïnvloedt door identiteit (zie hoofdstuk 2). Expansie waar één van de functies te dominant of grootschalig wordt, willen we voorkomen. • Uit hoofdstuk 4 volgt dat er op langere termijn ook meer ruimte nodig is voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuur. Naast het behouden van bestaande natuurgebieden (zoals vogelweidegebied of uiterwaarden) zetten we daarbij vooral in op versterking en uitbreiding van landschapszones (onderdeel van het regionale ‘groen-blauwe raamwerk’ met daarin onder andere Park Lingezegen). In de zone rondom de Linge is extra waterberging en recreatie daarbij een aanvullende ambitie. In en bij (toekomstige) landgoederen bieden we perspectief voor een toekomst-bestendig beheer zoals bijvoorbeeld ontwikkeling van enkele woningen. • We stimuleren extensieve vormen van agrarisch gebruik. We zien agrariërs als belangrijke partner. En bieden hen perspectief om bedrijfsvoering toekomstbestendig te maken.
Bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor samenhangende concepten met meer innovatieve of gemengde bedrijfsvormen (niet alleen agrarisch): meer natuur-inclusief of duurzamer én meer lokaal vormgeven van voedselproductie. Tevens als ‘rentmeester’ die de karakteristiek van het Overbetuwse rivierenlandschap kan behouden of versterken. Een en ander passend qua maat, schaal en intensiteit bij de karakteristiek. • De zoekzones ‘energielandschap’ zijn grotendeels tot realisatie gekomen; ten noorden van de A15 zijn de zones vrijwel allemaal benut voor zonnevelden. De zones willen we nu optimaliseren, passend bij de opgave tot 2030. Zoekgebieden voor windturbines bevinden zich alleen aan de zuidzijde van de A15; dit betreft zoekgebied Park15 (bij Oosterhout/Slijk-Ewijk) én het verkleinde zoekgebied Midden-Betuwe (bij Andelst). Hiermee dragen we bij aan een eenduidig en consistent beeld dat de ‘lange lijnen’ van het karakteristieke rivierenlandschap en de route van infrastructuur versterkt (in plaats van het creëren van losse ‘punten’) en betere kansen biedt om (veiligheids)risico’s te voorkomen in relatie tot gevoelige functies en hoogspanning.
• De Aam, Bredelaar, Eimeren, Herveld-Zuid, Indoornik, Homoet, Keulse Kamp, Lakemond, Leedjes, Lijnden, Loenen, Merm, Raayen, Reeth, Snodenhoek en Wolferen zijn kenmerkende buurtschappen die integraal deel uitmaken van het buitengebied, ingebed in en verbonden met agrarische functies. Deze verbinding benutten we door de vitaliteit en identiteit van het landelijk gebied juist hier een impuls geven door een bescheiden groei, passend qua maat, schaal en intensiteit bij de karakteristiek. • In de randzones tussen kernen en buitengebied, is de ambitie om de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het omliggende gebied meer zichtbaar en beleefbaar te maken. Hier zijn agrarische activiteiten ondergeschikt. Zie ook paragraaf 2.3. 3.3. Ontwikkeling van de dorpen Wonen Dorps wonen in een landschappelijke omgeving, met (goed bereikbare) voorzieningen nabij. Midden in de regio, tussen de steden Arnhem, Nijmegen en Wageningen. Het onderscheid ten opzichte van (de maat en schaal van) deze steden én de diversiteit tussen de kernen onderling, koesteren we.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 3 van de 11
De woonbehoefte wordt in alle kernen ingevuld; naar verhouding, passend bij vraag en omvang. Daarvoor bieden we ook mogelijkheden in buurtschappen (zie paragraaf 3.2). We proberen de woningtypologie meer te variëren; als aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Dit leidt tot meer diversiteit in het woningaanbod en biedt mensen meer mogelijkheden om in hun dorp te verhuizen (doorstroming). Variatie moet tevens een antwoord geven op demografische veranderingen de groep inwoners van 65 jaar en ouder neemt sterk toe en huishoudens worden kleiner. In bestaande wijken kunnen we ook de woningvoorraad uitbreiden en meer variatie aanbrengen. Daarbij kiezen we vaker voor een experimentele aanpak, denk bijvoorbeeld aan verduurzaming, woningsplitsing en woningdelen. In zogenaamde focusgebieden waar de directe omgeving ook vraagt om maatregelen qua leefbaarheid of klimaatadaptatie, combineren we leefbaarheid en duurzaamheid met het beter inrichten van de bestaande woonomgeving, conform actuele woonbehoeften. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van voorzieningen, in en rondom (entrees tot) dorpscentra, sturen we ook extra op passende (betaalbare) woningen voor ouderen, in relatie tot (voorzieningen inzake) zorg en welzijn. Voor grotere ontwikkelingen hanteren we aanvullend het principe van geclusterde verstedelijking in de grote drie dorpen.
Dit voorkomt versnipperd ruimtegebruik, respecteert diversiteit van de dorpen én biedt de kans voor sterke solide voorzieningen. We sturen op realisatie van voldoende specifieke woonvormen of woningen voor specifieke doelgroepen, passend bij de locatie en behoefte. We geven nader richting door grotere zoeklocaties te kiezen (wonen en/of werken). • Heteren-Zuid (profiel: overwegend auto, waterrijke wijk in het groen, maatschappelijk). • Zetten-Oost (profiel: overwegend OV, woonwijk in het groen, maatschappelijk). • Elst: De Helster en ’t Kruis (entree centrum, overwegend fiets/OV, woonrijk in het groen/water, efficiënt ruimtegebruik). • Valburg-Noordoost (profiel: dorpsbuurt, overwegend fiets/OV). Deze liggen in of aansluitend op kernen, op de hoger gelegen oeverwal, nabij openbaar vervoer en gebiedsontsluitingswegen. We respecteren geluidsbelaste zones, landschapswaarden en reserveringen voor het mogelijk ondergronds brengen van hoogspanningskabels. Meegroei van maatschappelijke voorzieningen, energienetwerk, klimaat-adaptieve inrichting én biodiverse groen-blauwe zones én ontsluitingsmogelijkheden zien we hierbij als belangrijke randvoorwaarde. Bedrijventerreinen De economische brandpunten van Overbetuwe worden vooral gevormd door de bedrijventerreinen; 50% van de werkgelegenheid bevindt zich op de bedrijventerreinen.
Alle bedrijfsterreinen kennen een mix van bedrijven uit diverse sectoren. De uitzondering is het logistieke profiel van Park15. De ruimte die we willen bieden moet passend zijn bij de kracht van de Overbetuwse economie en de regionale speerpunten. We willen inzetten op ruimte voor de Overbetuwse middelgrote MKB bedrijven (10-250 werkzame personen) omdat dit de banenmotor is binnen onze gemeente. De ruimte voor deze bedrijven willen we in eerste instantie vinden door middel van intensivering op de huidige locatie, herstructurering van verouderde bedrijfskavels op verschillende bedrijventerreinen en inbreiding. We zien collectieve intensiverings- en revitaliseringskansen op oudere bedrijfsterreinen (Poort van Midden Gelderland Noord, De Aam en AndelstOost, Sint Walburg). In stationsomgevingen optimaliseren we de entree- en hub-functie, gekoppeld met vergroten potentie voor wonen en voorzieningen. Daarnaast zetten we in op strategische uitbreidingsruimte die ingezet wordt voor een gezonde bedrijfsruimtemarkt. Zo creëren we doorschuif-mogelijkheden, met een focus op verplaatsing en/of transformatie van (solitaire) bedrijven die in de gemeente minder passen bij de leefomgeving. Dit door middel van logische uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen. Ook hier hanteren we het principe van geclusterde verstedelijking.
Deze liggen in of aansluitend op kernen, op de hoger gelegen oeverwal, nabij openbaar vervoer en gebieds-ontsluitingswegen. We respecteren landschapswaarden en reserveringen voor het mogelijk ondergronds brengen van hoogspanningskabels. Meegroei van maatschappelijke voorzieningen, energienetwerk en ontsluitingsmogelijkheden zien we hierbij als belangrijke randvoorwaarde. We stimuleren graag de kansen voor health bedrijven vanuit het cluster bij station Elst (zijde bedrijventerrein De Aam) passend bij het regionale speerpunt van de Groene Metropoolregio. Meer ruimte voor regionale bedrijventerreinen zien we niet, tenzij de randvoorwaarden op onder andere van het gebied van mobiliteit (ontsluiting via snelwegen, toegangswegen en openbaar vervoer) integraal geborgd worden.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 4 van de 11
Overbetuwe richt zich niet specifiek op circulaire bedrijven (dit is elders geborgd in de regio) maar de Overbetuwse bedrijventerreinen bieden vanwege de vele hoge milieu categorieën voldoende mogelijkheden voor bestaande Overbetuwse bedrijven om in te zetten op circulaire activiteiten. We zetten niet meer in op uitbreiding van de logistiek rond Park15. Voor de logistieke ontwikkelingen rond knooppunt Nijmegen is het belangrijk voor voldoende voorzieningen zijn op het gebied van vrachtwagen parkeren, oplaadinfrastructuur en huisvesting arbeidsmigranten (passend bij schaal van Overbetuwe). Voorzieningen De Overbetuwse economie heeft een belangrijke plek in (en om) de diverse centra. Om levendige centra met goed voorzieningenaanbod te behouden, is de uitdaging om efficiënter om te gaan met ruimte en functies. Denk aan slim omgaan met bereikbaarheid. Maar ook efficiënt ruimtegebruik, met bijvoorbeeld meer hoogte en een meer samenhangende benadering, in ieder geval in zones met dorpse dynamiek (zie kaart). We blijven onderscheid maken in dorpsprofielen: Uitgebreid voorzieningenaanbod (Elst, Zetten, Heteren), dagelijks voorzieningenaanbod (Herveld-Andelst, Driel, Oosterhout en Valburg) én beperkt voorzieningenaanbod (Hemmen, Randwijk, Slijk-Ewijk). De verschillende buurtschappen zijn geïntegreerd in het landelijk gebied (zie 3.2).
Het toegenomen gebruik in centra zorgt voor veel druk op het gebied die we (voor inwoners, ondernemers, vastgoedeigenaren, voorzieningen, markten, evenementen, et cetera) beter willen geleiden. We benutten de toeleidende structuren en creëren hier een entree naar het centrum toe. We stimuleren hier transformatie en herstructurering van ‘versleten plekken’ en creëren hier (met efficiënt ruimtegebruik) een aantrekkelijk woonmilieu, afgestemd op voorzieningen, in het bijzonder voor specifieke doelgroepen zoals ouderen. In en rondom de centra houden we rekening met de ruimtevraag vanuit maatschappelijk-economische functies. Denk bijvoorbeeld aan huisartsen, tandartsen, fysio, fitness en sportscholen, kinderdagverblijven en dagbesteding. We brengen in beeld hoe we kansen kunnen benutten; grootschalig in en om de centra, bij kleinschaliger functies ook in (nieuwe) wijken. Gezien de lage milieucategorieën zijn dergelijke functies niet passend op bedrijventerreinen; deze milieuruimte benutten we daar liever voor bedrijven die dit nodig hebben. 4. Ontwikkeling: we handelen toekomstgericht We willen recht doen aan thema's die de toekomst en het collectief betreffen. Met het oog op een duurzame ontwikkeling, in de geest van de Omgevingswet. We noemen dit ‘algemeen belang’.
De toepassing hiervan willen we verbeteren: zodat inhoudelijk, procesmatig en qua rolneming zorgvuldige afwegingen gemaakt worden die bijdragen aan een balans die goed is voor het collectief (in plaats van slechts enkele individuele belangen) en goed is voor de toekomst (in plaats van afwentelen naar andere plekken of generaties). Dit vraagt meer toekomstbestendig handelen. Effecten voor de toekomst worden hierbij preventief meegewogen. Dit speelt in ieder geval bij thema’s zoals vergrijzing, veiligheid en gezondheid. Bij locatiekeuze en inrichting houden we rekening met minimale milieukwaliteiten, voorkomen van geluidhinder of vervuilde lucht. Met klimaat-adaptief handelen willen we slimmer omgaan met het veranderende klimaat en te veel droogte of hittestress verminderen. In relatie hiermee werken we aan biodiversiteit: we bevorderen de variatie in het aantal planten en dieren. We stimuleren dat zoveel mogelijk mensen kunnen (blijven) meedoen in de samenleving. Om ook in de toekomst te zorgen voor een veerkrachtige natuur, een prettige leefomgeving en een robuuste watervoorziening, is het belangrijk dat we inzetten op besparing van watergebruik. Tevens dat we op een andere manier met ons water- en bodemsysteem omgaan.
In plaats van water en bodem aan te passen aan onze ruimtelijke inrichting gaan we onze ruimtelijke inrichting meer baseren op het natuurlijke systeem, samen met het versterken van de landschappelijke karakteristiek en ecologische potentie. Een voorbeeld is het definiëren van zoekzones waterberging aan weerskanten van de Linge. Tenslotte stimuleren we circulair handelen. Waar mogelijk werken we zoveel mogelijk met circulaire of herbruikbare materialen. Tevens geven we de ruimte voor circulaire bedrijven die passen bij ons economisch profiel. De huidige bedrijventerreinen bieden daar met de ruimte voor hogere milieucategorieën ruimte voor.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 5 van de 11
We creëren en/of benutten ruimte voor meer robuuste en flexibele maatschappelijke voorzieningen, rekening houdende met toekomstige gebruikers. Hierbij ook keuzes maken over de mate van clustering of spreiding en samenwerking met andere partijen. Toekomstbestendig handelen maakt deel uit van de afwegingen in zowel de ontwikkel- als beheerfase. In alle gevallen geeft Overbetuwe als lokale overheid het goede voorbeeld door ‘collectief en toekomst’ nadrukkelijk een plek te geven in het eigen handelen. 5. Vervolg: proces naar programma’s en visie Nadat de gemeenteraad op basis van dit Koersdocument richting heeft gegeven, vervolgen we het proces in twee parallelle sporen. Conform hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie, maken we principes, kaders en ambities uit de visie concreet in programma’s. Daar operationaliseren we doelen en kiezen onze rol. Afgestemd op dat wat organisaties, ondernemers en medeoverheden (kunnen) doen, kiest de gemeente een rol. Dat betekent samenwerken, over laten aan een ander óf gemeentelijke inzet van (beleids)instrumentarium: uitvoering, financiële, communicatieve of juridische instrumenten. We verbreden nu de programmatische inzet en clusteren daarbij samenhangende (beleids)thema’s in de nieuwe programma’s Omgevingskwaliteit, economie, mobiliteit en wonen. We hanteren daarbij een ingroeimodel, waarbij vorm en exacte scope en vorm nader wordt bepaald.
Vanzelfsprekend gebruiken we de eerste ervaringen met het al bestaande (en te continueren) programma duurzaamheid om deze werkwijze bestendig toe te passen. Tegelijkertijd gaan we verder met het uitwerken van de geactualiseerde visie. Ook het participatieve proces zal dan gecontinueerd worden; we vervolgen gesprekken met inwoners, ondernemers en organisaties. Met medeoverheden zoals waterschap, provincie, GMR en buurgemeenten stemmen we ambities af, waarbij we het vraagstuk op het juiste schaalniveau proberen te beleggen. Parallel daaraan verbeteren we de doorwerking naar hun programma’s en agenda’s. We streven ernaar dat beide sporen eind 2025 gereed zijn. Dus de geactualiseerde visie ligt dan voor, tevens zijn de vier nieuwe programma’s dan uitgewerkt. Zo gaan visievorming en uitvoering hand in hand en blijven we wendbaar en adaptief. In deze dynamiek kunnen blijven doorwerken aan (periodiek) te actualiseren ambities.
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 6 van de 11
Schema landelijk gebied
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 7 van de 11
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 8 van de 11
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 9 van de 11
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 10 van de 11
versie 2.05 | 25/3/2025
Pagina 11 van de 11