CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-02-11.22 Relevant stuk 1. Toelichting en regels omgevingsplan Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Gemeenteraadsvergadering 11 februari 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplan ‘Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst’21.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst Gemeente Overbetuwe Status:

Vastgesteld

Datum:

November 2024

IMRO-Idn: NL.IMRO.1734.0409BUITgrmlnst115-VSG1

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Datum November 2024

Correspondentieadres Postbus 11 6662 AA ELST

Telefoon 0481 362 300

E-Mailadres info@overbetuwe.nl

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Inhoudsopgave

Motivering

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Huidig juridisch-planologisch regime 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

8

Hoofdstuk 3

Toekomstige situatie

11

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

12 12 13 15

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid (spoor)wegverkeer 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Omgevingsveiligheid 5.8 Explosieven 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Flora en fauna 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren 5.14 Gezondheid 5.15 Duurzaamheid

18 18 18 20 20 23 23 24 27 28 28 30 32 33 34 34

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de regels

35 35 35

Hoofdstuk 7

38

Financiële toelichting

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Participatie 8.3 Overleg 8.4 Vaststellingsprocedure 8.5 Beroep

39 39 39 39 39 39

(vastgesteld)

3

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

4

(vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Motivering Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Grote Molenstraat 115 te Elst is een woning aanwezig op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om de huidige woning te behouden als toekomstige bed & breakfast (B&B), uit te breiden met een nieuwe schuur/carport en de bestaande schuren te slopen. Nabij de te slopen bebouwing wil de initiatiefnemer een nieuwe vrijstaande woning realiseren. De overige gronden van het perceel behouden de functie 'Agrarisch'. Om de bouw van de nieuwe woning mogelijk te maken, is een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe nodig. Bovendien wil de initiatiefnemer het perceel niet (meer) voor agrarische bedrijfsdoeleinden gebruiken, maar voor wonen in combinatie met een B&B. Ook hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan wenselijk. De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit het perceel Grote Molenstraat 115 te Elst. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Elst (ELS00), sectie I, perceelnummer 4123 met een totaal perceeloppervlakte van 18.295 m2. Het perceel ligt in het buitengebied van Overbetuwe, circa 200 meter ten noorden van de kern Elst en circa 2 kilometer ten zuiden van de rand van Arnhem. Ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied stroomt de Linge. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied in groter verband aangegeven. In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie nader beschreven.

Motivering (vastgesteld)

5

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: Bing Maps)

1.3

Huidig juridisch-planologisch regime

In het plangebied is op grond van het op 1 januari 2024 ontstane tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013, van toepassing. Tevens maakt het bestemmingsplan 'Overbetuwe, Paraplubestemmingsplan plussenbeleid', dat thematische aanvullende regels stelt voor niet-grondgebonden veehouderijen, onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. In afbeelding 2 is de begrenzing van het plangebied binnen de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' indicatief aangegeven. Er gelden de volgende bestemmingen: Bestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak rondom de bestaande woning; Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Er is geen sprake (meer) van een agrarisch bedrijf in het plangebied. De initiatiefnemer wil het perceel hoofdzakelijk voor woondoeleinden gaan gebruiken. Hiervoor is een wijziging van de functie nodig. Een wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk om hierin te voorzien.

6

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Motivering (vastgesteld)

7

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

Het plangebied bestaat uit het perceel Grote Molenstraat 115 te Elst. De Grote Molenstraat verbindt de kern Elst met de N837, die tussen Arnhem en de A50 loopt. Het plangebied ligt in een van oorsprong agrarisch gebied tussen Arnhem en Elst. In de omgeving van het plangebied zijn afwisselend solitaire woonpercelen, agrarische percelen en agrarische bedrijven aanwezig. Op enkele direct nabij gelegen percelen zijn relatief recent agrarische bedrijven gestopt en woonpercelen ontwikkeld. Ten noorden van het plangebied (ca. 500 meter) stroomt de Linge en ten oosten van het plangebied ligt het recreatiegebied Park Lingezegen. Oostelijk van het plangebied, aan de overzijde van de Grote Molenstraat liggen tevens de milieustraat en de brandweerkazerne van Elst. Kadastraal staat het plangebied zelf bekend als gemeente Elst, Sectie I, perceelnummer 4123. De omvang van het plangebied is circa 1,8 hectare. Het wordt begrensd door de Grote Molenstraat aan de oostkant en naburige agrarische en woonpercelen aan de overige kanten. Op afbeelding 3 zijn luchtfoto's van de huidige situatie, met daarop indicatief de begrenzing van het plangebied, weergegeven.

8

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Afbeelding 3: luchtfoto en vogelvluchtperspectief huidige situatie met begrenzing plangebied indicatief aangegeven (bronnen: Bing Maps en Rob Aben Landschapsarchitectuur)

In het plangebied is momenteel één vrijstaande woning, Grote Molenstraat 115, aanwezig. Deze ligt aan de noordkant van het perceel. Naast de woning is een schuur aanwezig. Er is geen sprake meer van agrarische bedrijfsactiviteiten. De woning is toegankelijk via een in-/uitrit in oostelijke richting tot aan de

Motivering (vastgesteld)

9

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst Grote Molenstraat. De gronden rondom de woning zijn ingericht als tuin. De rest van het plangebied bestaat uit agrarische gronden, die momenteel als weiland in gebruik zijn. Aan de noordkant van het perceel zijn ook groenvoorzieningen aanwezig.

Afbeelding 4: huidige woning (bron: Rob Aben Landschapsarchitectuur)

10

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Hoofdstuk 3

T oekomstige situatie

De initiatiefnemers, de huidige bewoners van de woning Grote Molenstraat 115, willen de huidige woning behouden en uitbreiden met een nieuwe schuur/carport. Deze bebouwing zal worden gebruikt als B&B en als bijgebouw voor de woonfunctie. De woning voldoet niet meer aan de huidige wensen en eisen voor woningen op het gebied van woon- en leefruimte, duurzaamheid, en dergelijke, maar is nog wel geschikt voor de beoogde nieuwe functies. De bestaande garage zal worden gesloopt. Zuidwestelijk van de huidige woning wil men een nieuwe vrijstaande woning oprichten van één bouwlaag met een kap. Afbeelding 4 geeft een schetsmatige weergave van de toekomstige situatie, waarbij de bestaande woning, die zal worden getransformeerd tot B&B aan de noordkant zichtbaar is en ook de nieuwbouw weergegeven is. Voor de toekomstige inrichting en de daarbij behorende randvoorwaarden is een landschappelijk inrichtings- en inpassingsplan opgesteld, waarvan afbeelding 5 een uitsnede bevat. Dit plan is opgenomen in Bijlage 1 bij deze motivering en wordt in paragraaf 4.3 nader toegelicht met betrekking tot de landschappelijke inpassing. De bestaande boomgaard, wilgen en elzen worden behouden en aangevuld en er wordt een nieuw bosje gerealiseerd aan de westkant van het perceel.

In de toekomstige situatie is er sprake van een compact woonerf met een vrijstaande woning, nieuwe schuur/carport en behoud van de bestaande woonbebouwing. Het woonperceel is toegankelijk via de bestaande in-/uitrit aan de oostzijde op de Grote Molenstraat.

Afbeelding 5: inrichtingsplan toekomstige situatie (bron: Rob Aben Landschapsarchitectuur)

De nieuwe woning krijgt een inhoud van maximaal 800 m3. Deze zal bestaan uit 1,5 bouwlaag met een goothoogte van maximaal 3 meter en een nokhoogte van 6 meter. De woning zal qua uitstraling en positionering aansluiten op de bebouwing en omgeving en als schuurwoning worden vormgegeven. Het huidige woongebouw wordt behouden. Aan het de woning wordt een carport/schuur aangebouwd. Het bijgebouw krijgt een oppervlakte van 36 m2. De oppervlakte van de toekomstige B&B en het bijgebouw is gezamenlijk 120 m2. Dit sluit aan bij de maatvoering voor bijbehorende bouwwerken op grotere woonpercelen in het buitengebied van Overbetuwe. De positionering en vormgeving van de bestaande en nieuwe bebouwing sluit aan bij de kenmerken van een boerenerf.

Motivering (vastgesteld)

11

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Beoordeling en conclusie Dit plan voorziet in de realisatie één nieuwe woning, waarna de bestaande woning wordt gebruikt als B&B. De agrarische bedrijfsfunctie in het plangebied vervalt. Gezien de aard en omvang van de wijziging, zijn er geen nationale belangen in het geding. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Beoordeling en conclusie Uit de jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wanneer een bestemmingsplan voorziet in meer dan 11 woningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie één nieuwe woning, waarna de bestaande woning wordt gebruikt als B&B. Netto is er dus geen sprake van een toename van het aantal woningen. Deze ontwikkeling is niet aan te merken als een nieuw stedelijke

12

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet te doorlopen worden.

4.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor de onderhavige wijziging direct van belang zijn.

Het initiatief is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2024. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Beoordeling Intrekgebied In het plangebied is het werkingsgebied 'intrekgebied' van toepassing. Deze aanduiding stelt beperkingen aan de winning van fossiele energie. Deze activiteiten zijn zowel in de huidige als toekomstige situatie in het plangebied niet aan de orde en ook niet toegestaan. Gelderse streken: Over-Betuwe Het plangebied maakt tevens onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe.

Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse

Motivering (vastgesteld)

13

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst streken. De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd: 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen. 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt. 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing. 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement. 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge.

Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief. 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw. 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden. 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde). 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek. Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van Overbetuwe, gelegen tussen de bebouwde kom van Elst en de Linge. In dit gebied zijn nog herkenbare verhoogde woongronden (woerden) aanwezig, die kenmerkend zijn voor het landschap. De Grote Molenstraat vormt een uitloper met verspreid liggende bebouwing vanuit de kern Elst. De transformatie van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel op korte afstand van de bebouwde kom tot een woonperceel, met behoud en versterking van de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten, is in zijn algemeenheid passend binnen het woerdengebied.

In paragraaf 4.3 onder het kopje 'Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)' is beschreven hoe de toekomstige erfopzet en landschappelijke inpassing zijn afgestemd op de landschappelijke en (cultuur)historische kenmerken in deze omgeving. Met de beoogde inpassing en inrichting wordt rekening gehouden met de voor de streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Het plan is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid op dit onderdeel. Thema 'wonen' Vanwege de aard van de ontwikkeling, namelijk het realiseren van één woning, is tevens het thema 'wonen' van belang. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). Per saldo blijft het aantal woningen binnen het plangebied gelijk. Het is daarmee zonder meer in overeenstemming met de kwantitatieve opgave en afspraken. In kwalitatief opzicht is het plangebied een geschikte woonlocatie. Het plangebied ligt op korte afstand van zowel de kern Elst als het recreatiegebied Park Lingezegen.

De omzetting van een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie naar een woonlocatie past bovendien bij de ontwikkeling van de omgeving van het plangebied, waar de afgelopen jaren meerdere agrarische bedrijfslocaties zijn getransformeerd tot woonpercelen.

14

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst Conclusie De omgevingsplanwijziging is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven: Vitaal buitengebied in beweging; Innovatieruimte voor ondernemerschap; Samen werken aan energietransitie; Gevarieerde dorpse woonomgeving; Netwerk verbonden met samenleving; Voorzieningen geclusterd. Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven. Beoordeling Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe, ten noorden van Elst. Eén van de centrale opgaven uit de Omgevingsvisie is het behouden van een vitaal buitengebied. De gemeente wil dit met differentiatie bereiken. In het buitengebied worden zeven deelgebieden onderscheiden, met specifieke ambities per deelgebied, die op concrete situaties worden toegepast. Het plangebied ligt op korte afstand van de noordrand van Elst (ca. 200 meter). De omgeving van het plangebied is daarom als een dorpsrandzone aan te merken. In deze zones wil de gemeente de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het buitengebied verbeteren, onder meer door het omliggende landschap meer zichtbaar en beleefbaar te maken. Met deze ambitie is rekening gehouden in het landschappelijke inpassings- en inrichtingsplan.

Ook de uitgangspunten van het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente (LOP), waarin specifieke landschappelijke ambities en randvoorwaarden voor het deelgebied 'Raayen', zijn uitdrukkelijk gehanteerd bij het opstellen van dit inrichtings- en inrichtingsplan. Hierop wordt verderop in deze paragraaf ingegaan. De transformatie van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel op korte afstand van de bebouwde kom tot een woonperceel, met behoud en versterking van de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten, sluit logisch aan op de gewenste ontwikkelingsrichting voor de dorpsrandzones. Het plan sluit daarmee aan bij de ambities uit de Omgevingsvisie. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP) In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en

Motivering (vastgesteld)

15

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. Beoordeling Met deze omgevingsplanwijziging wordt een bestaande woning omgevormd tot een B&B, wordt deze uitgebreid met een schuur/carport en wordt een woning toegevoegd op een bestaand agrarisch perceel. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan de wijziging van de bestemming naar 'Wonen' is dat een goede landschappelijke inpassing van het woonperceel, op basis van een inrichtingsplan, plaatsvindt. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld (zie Bijlage 1 Landschappelijke inpassing bij de regels), waarbij het LOP als belangrijk kader is gebruikt. Voor een uitgebreide toelichting op de gemaakte keuzes, wordt verwezen naar de bijlage. Op afbeelding 5 is een uitsnede opgenomen, waarop de inrichting zichtbaar is en de voornaamste elementen zijn toegelicht. De realisatie van de verschillende elementen is door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in deze omgevingsplanwijziging.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'Raayen' (13b). In dit deelgebied staan nog herkenbare verhoogde woongronden (woerden) centraal. Concreet zijn de volgende relevante doelstellingen en acties voor het deelgebied geformuleerd: Versterking contrast tussen openheid en kleinschaligheid door verdichting op de oeverwallen toe te staan; Aanplant hoogstam fruitbomen ter versterking van kleinschaligheid en cultuurhistorische waarden c.q. beleefbaarheid; Stimuleren aanleg weg- en perceelsbeplanting, waaronder fruitbomen. De ruimtelijke en landschappelijke uitgangspunten zijn vertaald in de volgende concrete inpassings- en inrichtingsmaatregelen: creëren van een compact en duidelijk herkenbaar woonerf in boerenerfopzet met een schuurwoning en bijgebouw, rondom het half verharde toegangserf. behoud van grotendeels open agrarisch perceel met kruidenrijk grasland in het zuidelijk deel van het perceel; aanplant van een bosje aan de westkant, aansluitend op bestaande groenvoorzieningen; aanleg van een poel als landschappelijke en ecologische overgang tussen woonperceel en grasland; aanplant van solitaire bomen en kleine boomgroepen met inheemse soorten; realiseren van kruidenrijke akkerranden. Deze maatregelen sluiten goed aan bij de doelstellingen vanuit het LOP.

16

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Afbeelding 5: weergave landschappelijke inpassing en perceelsinrichting (bron: Rob Aben Landschapsarchitectuur) Conclusie Na de realisatie van de nieuwe woning en de schuur/carport bij de bestaande woning, inclusief de landschappelijke inpassingsmaatregelen, ontstaat een passende verhouding tussen bebouwing, erf, groen en grasland. Het woonerf staat in duidelijk contrast met het omliggende agrarische gebied. De relatie met het omliggende gebied wordt versterkt en het perceel wordt passend landschappelijk ingepast. Ook de ecologische waarde van het perceel wordt vergroot. Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming.

Motivering (vastgesteld)

17

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Hoofdstuk 5 5.1

M ilieu- en omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Beoordeling en conclusie De ontwikkeling betreft het omzetten van een bestaande woning tot een bed & breakfast, een kleinschalige uitbreiding daarvan met een schuur/carport en het bouwen van één nieuwe woning. Het aantal woningen neemt niet toe. De ontwikkeling behoort niet tot de in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit opgenomen categorieën. De ontwikkeling is ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in deze Bijlage, omdat er sprake is van een zeer kleinschalige ontwikkeling zonder toevoeging van extra woningen. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit bij de wijziging van het omgevingsplan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2

Geluid (spoor)wegverkeer

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woonen leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Rijkswegen en provinciale wegen

50 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

53 Lden

Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen

55 Lden

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg

18

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. De gemeente Overbetuwe heeft specifiek beleid vastgesteld in de Nota geluidbeleid en de Nota hogere grenswaarden. Beoordeling Deze omgevingsplanwijziging maakt het oprichten van een nieuwe woning mogelijk ter vervanging van de bestaande (bedrijfs)woning. Daarmee is er sprake van een nieuw geluidsgevoelig gebouw. De beoogde woonlocatie ligt (mogelijk) binnen het geluidaandachtsgebied van de Grote Molenstraat en de Snodenhoeksestraat. Het plangebied ligt buiten het geluidaandachtsgebied van spoorwegen. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Hierna worden de bevindingen en conclusies beschreven. Uit het onderzoek volgt ten aanzien van de onderzochte wegen wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 Lden op de gevels van de nieuwe woning. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 47 dB. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. Er zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het oprichten van de nieuwe woning aanwezig. Er wordt voldaan aan de standaardwaarden. In de woning is een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd.

Motivering (vastgesteld)

19

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

5.3

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Beoordeling Het voorziene project is een project bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal te realiseren woningen, namelijk één, ligt ver beneden de grenzen voor aantallen woningbouwlocaties die genoemd worden in de Bijlage 3a. Dat houdt in dat op voorhand vaststaat dat het project in kwestie niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarom is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM–tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor zijn de gegevens van het CIMLK geraadpleegd. Op basis van deze gegevens kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.

De achtergrondwaarden liggen op de meest nabijgelegen meetpunten langs de A325, de Cora Baltussenallee, de Batavierenweg en de Valburgseweg liggen ruim onder de norm. Daarmee wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' zorgt niet voor belemmeringen.

5.4

Activiteiten en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming

20

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woonen leefomgeving.

Beoordeling Deze omgevingsplanwijziging voorziet in een wijziging van de huidige Agrarische (bedrijfs)bestemming naar een woonfunctie, waarbij de bestaande (bedrijfs)woning een bed & breakfastfunctie krijgt en er elders op het perceel een nieuwe woning wordt opgericht. Deze wijzigingen kunnen in het kader van het aspect activiteiten en milieuzonering relevant zijn. In de directe omgeving van het plangebied zijn overwegend woonfuncties aanwezig. Het gebied kan het best worden gekenmerkt als rustig buitengebied. In de omgeving van de planlocatie zijn enkele milieubelastende functies gevestigd, namelijk enkele agrarische bedrijven en een brandweerkazerne. Van deze functies is de gebruiksruimte en verwachte impact op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Uit de navolgende tabel blijkt dat de richtafstand voor de brandweerkazerne en de agrarische bedrijven niet over de nieuwe woning reiken. Daarmee levert het bouwen van de nieuwe woning geen belemmering voor deze bedrijven. Andersom is een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. Een gedeelte van het achtererfgebied bij de woning ligt wel binnen 50 meter afstand van het agrarisch bedrijf aan de Snodenhoeksestraat 18. Binnen deze 50 meterzone worden nieuwe geurgevoelige gebouwen (zoals bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) niet toegestaan in het plan.

Hiervoor is op de verbeelding een specifiek werkingsgebied opgenomen. Hiermee zijn belemmeringen over en weer uitgesloten.

Adres

Functie

Milieucat.

De Korte Helster 1 Dienstverlening 3.1 (brandweerkazerne)

Richtafstand

Afstand werkelijk

50 m

ca. 150 m

Snodenhoeksestraat 18

Agrarisch bedrijf (grondgebonden)

3.1

50 m

ca. 60 m

Snodenhoeksestraat 16b

Agrarisch Bedrijf (grondgebonden)

3.1

50 m

ca. 170 m

Spuitzones Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand.

Motivering (vastgesteld)

21

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Er zijn geen teeltgronden van derden aanwezig binnen 50 meter afstand van de nieuwe woning, met uitzondering van het perceel 4121 ten oosten van het woonperceel en ten zuiden van de in-/uitrit. Op dit perceel zijn bomen aanwezig en is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet volledig uitgesloten. De gebruiker van dit perceel dient echter al rekening te houden met de bestaande bedrijfswoning, die ook als een gevoelige functie moet worden aangemerkt. In afbeelding 6 is op basis van deze bestaande beperking de spuitzone van het betreffende perceel weergegeven. Hieruit blijkt dat deze niet over de nieuwe woning, het bijgebouw met de bed & breakfast en het achtererfgebied bij de nieuwe woning reikt. Het werkingsgebied 'Wonen' is zodanig opgenomen dat dit niet over de spuitzone reikt. Hiermee zijn gevoelige functies binnen de spuitzone uitgesloten en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Afbeelding 6: weergave spuitzone perceel 4121

Geconcludeerd wordt dat spuitzones geen belemmering voor het plan vormen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging. Omliggende functies worden niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. Ook spuitzones vormen geen belemmering voor het oprichten van deze woning.

22

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

5.5

Geurhinder

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten, zoals industrie, worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling In de omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven gevestigd. Deze bedrijven zijn grondgebonden en zijn niet bestemd als intensieve veehouderijen.

Een intensieve veehouderij is in de omgeving van het plangebied niet toegestaan. De nieuwe bebouwing wordt bovendien in het bestaande bouwvlak gerealiseerd en de woning komt buiten de vaste afstand van 50 meter uit het Bkl ten opzichte van dieren zonder geuremissiefactor te liggen. Het optreden van nieuwe belemmeringen is dan ook uitgesloten. Bovendien is het voldoende aannemelijk dat er ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.

5.6

Bodem

Voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie gelden waarden, die in het omgevingsplan worden opgenomen (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. Beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning uitgebreid met een schuur/carport en omgezet naar een bed & breakfast. Verder wordt elders op het perceel een nieuwe woning gebouwd en de bestemming wordt gewijzigd naar 'Wonen'.

Dit betekent dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt, waardoor een onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk is. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan (Bijlage 3). Uit onderzoek blijkt dat de bovengrond ter plaatse van de bouwlocatie van de nieuwe woning licht verhoogde gehalten van PAK en cadmium bevat, in de ondergrond zijn geen parameters in verhoogde waarden aangetoond. Er is geen sprake van een overschrijding van de interventiewaarden. Uit de bestrijdingsmiddelenanalyse van de toplaag ter plaatse van de bouwlocatie blijkt dat er geen bestrijdingsmiddelen in een verhoogd gehalte zijn aangetoond. Dit betekent dat er in zoverre geen belemmeringen voor het plan zijn.

Motivering (vastgesteld)

23

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

In de bovengrond van het overige deel van het plangebied is een lichte verhoging van cadmium gemeten. Deze lichte verontreiniging vormt geen belemmering voor het plan. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. Deze lichte verontreiniging is vermoedelijk een van nature aanwezige verhoogde concentratie. Deze vormt geen belemmering en geen aanleiding voor nader onderzoek. Uit het asbestonderzoek blijkt dat in de matig puinhoudende bovengrond asbest is aangetoond. Het gewogen gehalte overschrijdt de norm voor nader onderzoek (50mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) niet. In de bovengrond, waar geen puin is aangetroffen, is geen asbest aangetoond. Echter blijkt verder dat in de bovengrond ter plaatse van de druppelzone asbest is aangetoond. De gewogen concentratie overschrijdt de interventiewaarde ruimschoots en vormt daarom een belemmering voor de herontwikkeling van de locatie. De verontreiniging heeft bovendien een negatief effect op de financiële waardering van het perceel. De omvang van de asbestverontreiniging wordt ingeschat op 3 m³. De omvang van de verontreiniging is voldoende in beeld gebracht met het uitgevoerde onderzoek. Op één andere locatie is eveneens een verontreiniging met asbest aangetoond, waarvan de omvang gering wordt ingeschat, maar waarbij de interventiewaarde wel wordt overschreden.

Ook deze verontreiniging vormt een belemmering. Geadviseerd is om op basis van het verkennend bodemonderzoek een saneringstraject in gang te zetten. Sanering heeft voorafgaande aan de procedure voor de wijziging van het omgevingsplan al plaatsgevonden. Uit het evaluatieformulier blijkt dat de verontreiniging met asbest is gesaneerd door middel van ontgraving (maximaal 0,3 m-mv) tot onder de terugsaneerwaarde van 100 mg/kgds. De verontreinigde grond is afgevoerd naar een erkende verwerker. Na sanering van de asbestverontreinigingen vormt de bodemkwaliteit geen belemmering meer. Conclusie Er zijn asbestverontreinigingen aangetroffen ter plaatse van de druppelzone en op één locatie (gat 07-A). Voor het overige zijn er geen belemmeringen geconstateerd. De asbestverontreinigingen zijn voldoende in beeld gebracht en voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan gesaneerd. Na de sanering van de asbestverontreiniging vormt de bodemkwaliteit ten aanzien van asbest geen belemmering meer voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

5.7

Omgevingsveiligheid

Inleiding Het beleid voor omgevingsveiligheid (externe veiligheid) is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de norm voor het plaatsgebonden risico en de bepalingen over het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

24

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Aan de Grote Molenstraat 115 te Elst is een woning aanwezig op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om de huidige woning te behouden als toekomstige bed & breakfast (B&B), uit te breiden met een nieuwe schuur/carport en de bestaande schuren te slopen. Nabij de te slopen bebouwing wil de initiatiefnemer een nieuwe vrijstaande woning realiseren. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, moet van het planologisch regime worden afgeweken, of moet het tijdelijke omgevingsplan worden gewijzigd. Dit kan middels een wijziging van het omgevingsplan.

De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied. Inventarisatie Risicobronnen Op basis van de Signaleringskaart externe veiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 7 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

Motivering (vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

Afbeelding 7: uitsnede risicokaart (geraadpleegd op 25 juni 2024) met het plangebied in zwarte cirkel

De volgende risicobronnen van externe veiligheid zijn onderzocht: milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico; transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen. Milieubelastende activiteiten Het plangebied ligt niet in de contour van het Plaatsgebonden Risico 10-6/jaar en niet in aandachtsgebieden van milieubelastende activiteiten. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het plangebied ligt niet in de contour van het Plaatsgebonden Risico 10-6/jaar en niet in aandachtsgebieden van vervoersassen voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Ondergrondse buisleidingen Het plangebied ligt niet in de contour van het Plaatsgebonden Risico 10-6/jaar en niet in aandachtsgebieden van ondergrondse hogedruk aardgasleidingen. Conclusie risicobron-inventarisering De ontwikkeling ligt niet binnen de contour van het Plaatsgebonden Risico 10-6/jaar en niet binnen het aandachtsgebied van een risicobron. Hierdoor is een verdere toetsing van het aspect externe veiligheid niet nodig. Er wordt voldaan aan de normering voor externe veiligheid. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie buiten elke contour c.q. aandachtsgebied voor externe veiligheid is een verantwoording groepsrisico niet aan de orde.

Vanwege de eis van artikel 5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving is de Veiligheidsregio VGGM om advies gevraagd. De hoofdlijnen van dit advies is hieronder verwerkt.

26

Motivering (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst In het kader van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid adviseert de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden in het advies met kenmerk 2023-002209, om bij de uitwerking van de plannen: 1. (Technische) maatregelen te treffen om het gebouw of delen daarvan luchtdicht af te kunnen sluiten om een veilige schuilmogelijkheid te creëren ingeval van een toxische wolk; 2. De (toekomstige) aanwezigen te informeren over de risico's en de mogelijke handelingsperspectieven bij een (dreigend) incident. Risicocommunicatie draagt bij aan de mate van zelfredzaamheid van de burgers; 3. Zorg te dragen voor een adequate bedrijfshulpverleningsorganisatie; 4. In het BHV-/calamiteitenplan aandacht te schenken aan het maatgevende scenario en het bijbehorende handelingsperspectief. Conclusie Het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied van risicobronnen. In dit kader is het groepsrisico verantwoord. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht. Het restrisico wordt geaccepteerd.

5.8

Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten (OO) van belang. Omdat er na de Tweede Wereldoorlog geen sprake is geweest van bouwactiviteiten in het plangebied, bestaat de kans dat er OO aanwezig zijn. Er is sprake van nieuwbouw van een woning en de aanleg van landschapselementen. Bij de voorbereiding van het plan zijn daarom de risico's op het aantreffen van onontplofte munitie onderzocht. Uit het historisch vooronderzoek is gebleken dat er risico's zijn op het aantreffen van OO in het plangebied. Door middel van nader onderzoek naar alle munitiesoorten vanaf 20 mm zijn de risico's nader in beeld gebracht. Laatstgenoemde rapportage is opgenomen als Bijlage 4. Uit het nader onderzoek bljkt dat tijdens de begeleidingswerkzaamheden geen (Ferro) metalen objecten waargenomen zijn. Er zijn geen objecten aangetroffen van genoemde munitiesoorten. Op basis van dit onderzoek is het terrein vrijgegeven. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor het plan.

Motivering (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied, Grote Molenstraat 115, Elst

5.9

Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie Uit de netwerkkaart kan worden opgemaakt dat er geen planologisch relevante hoogspannings- of andere kabels en leidingen door het gebied lopen. Op een afstand van circa 300 meter ligt een 150 kV bovengrondse hoogspanningsverbinding. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze verbinding vormt dit aspect geen belemmering voor het plan en behoeven er geen nadere regels te worden gesteld in het omgevingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=99471b1b-a445-4ab7-86cb-7a4f0a320a69