24-05-28.14 Relevant stuk 1, Toelichting en regels bestemmingsplan “Zetten, Ploegstraat 1-15”
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Zetten, Ploegstraat 1-15
Bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 Gemeente Overbetuwe Status:
Vastgesteld
Datum:
Maart 2024
IMRO-Idn: NL.IMRO.1734.0405ZTTNPlgstr-VSG1
Zetten, Ploegstraat 1-15
Datum Maart 2024
Correspondentieadres Postbus 11 6662 AA ELST
Telefoon 0481 362 300
E-Mailadres info@overbetuwe.nl
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en globale begrenzing plangebied 1.3 Huidig bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
8
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
10
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
12 12 13 14
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Externe veiligheid 5.8 Explosieven 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Flora en fauna 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren
16 16 16 17 19 20 21 22 24 25 25 27 33 34
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de verbeelding en regels
35 35 35
Hoofdstuk 7
38
Financiële toelichting
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Inspraak 8.3 Overleg 8.4 Vaststellingsprocedure 8.5 Beroep
39 39 39 39 39 39
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer Woonstichting Valburg wil de 16 bestaande beneden-bovenwoningen aan de Ploegstraat 1-15 in Zetten slopen en daarvoor in de plaats 18 nieuwe appartementen realiseren. Deze worden verdeeld over drie woongebouwen. De nieuwe te realiseren appartementen dragen bij aan het verduurzamen van de woningvoorraad en het realiseren van extra woonruimte. Netto neemt het aantal woningen toe met twee. De nieuwe woningen worden deels buiten de bestaande bouwvlakken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgericht. Ook worden de maximaal toegestane hoogten overschreden. Om het plan mogelijk te maken, moet daarom het bestemmingsplan worden herzien. Dit bestemmingsplan 'Zetten, Ploegstraat 1-15' geeft een nieuw bouw- en gebruikskader voor het gehele perceel.
1.2
Ligging en globale begrenzing plangebied
Het plangebied betreft de locatie Ploegstraat 1-15 (oneven) te Zetten. De locatie ligt binnen de bebouwde kom van Zetten in een woonomgeving. Op korte afstand ten westen van het plangebied is het dorpscentrum gelegen. Het plangebied ligt in de Ploegstraat, die in het oosten aansluit op de Damstraat en in het westen op de Hoofdstraat. De Hoofdstraat is de voornaamste noord-zuidelijke verbinding door de kom van Zetten. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (bron: Pdok Viewer)
Het plangebied aan de Ploegstraat te Zetten is kadastraal bekend als gemeente Zetten, sectie B, perceelnummer 2011. De grens van het plangebied volgt de kadastrale begrenzing van dit perceel niet. De oppervlakte van het plangebied is ruim 2.330 m², terwijl de kadastrale begrenzing van het gehele perceel uit 3.290 m2 bestaat. Dit komt omdat de huidige adressen aan de Damstraat ook binnen het kadastrale perceel liggen, maar niet meegenomen worden in onderhavig plan. Het plangebied grenst aan de noordelijke kant aan bestaande woonpercelen aan respectievelijk de Irenestraat en de Damstraat. Aan de andere drie zijden wordt het plangebied begrensd door drie wegen binnen de bebouwde kom van Zetten. Figuur 1.2 geeft de begrenzing van het plangebied indicatief aan.
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Figuur 1.2: Indicatieve begrenzing van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Huidig bestemmingsplan
In het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen'. Dit plan is op 24 oktober 2017 vastgesteld. Een uitsnede van de verbeelding van het huidige bestemmingsplan, met de begrenzing van het plangebied in zwart kader, is weergegeven op figuur 1.3. Het plangebied heeft volledig de bestemming 'Wonen'. De bestemming 'Wonen' is van toepassing ter plaatse van de bestaande woningen (hoofdgebouwen) en de bijbehorende tuinen, waarbij de hoofdgebouwen een bouwvlak hebben en de achtertuinen de aanduiding 'bijgebouwen'. In het plangebied is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' van toepassing. Deze dubbelbestemming stelt beperkingen aan het bebouwen van de gronden en aan het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden. Hoofdgebouwen mogen alleen in het opgenomen bouwvlak worden gebouwd. Deze liggen zoals gezegd rondom de bestaande woningen. Binnen de vier bouwvlakken zijn telkens vier boven-benedenwoningen aanwezig.
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Figuur 1.3: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen' met het plangebied in rood kader weergegeven (bron: www.ruimtelijk eplannen.nl)
De beoogde nieuwe woningen worden deels buiten de bouwvlakken opgericht, dit komt door de verandering van het aantal woonblokken en ook de positionering hiervan. Daarnaast is maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte toegestaan binnen de bouwvlakken. Deze hoogten zullen beperkt worden overschreden, omdat de nieuwbouw uit twee bouwlagen met een kap zal bestaan. Om deze redenen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit plan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven. In hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Ten slotte is in hoofdstuk 8 de bij de totstandkoming van het bestemmingsplan gevolgde procedure beschreven.
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit het perceel aan de Ploegstraat 1-15 (oneven) te Zetten en is kadastraal bekend als gemeente Zetten, sectie B, perceelnummer 2011. Het ligt in het midden van de Ploegstraat. In de omgeving zijn voornamelijk woningen aanwezig, bestaande uit verschillende woningtypen. Daarnaast liggen er twee kerken aan weerszijden van de Ploegstraat. Het centrum van het dorp, dat enkele voorzieningen kent, ligt op korte afstand westelijk van het plangebied. Figuur 2.1 geeft de directe omgeving van het plangebied weer. In het plangebied zijn momenteel 16 beneden-bovenwoningen aanwezig, verdeeld over 4 woonblokken (4 woningen per blok). Deze bestaan uit twee bouwlagen met een kleine kap. De Ploegstraat heeft een relatief steenachtige uitstraling. Aan de overzijde van de Ploegstraat staan rijwoningen.
Figuur 2.1: huidige situatie en directe omgeving schetsmatig weergegeven (bron: De Regt + Danz BNA)
De woningen zelf bestaan uit twee bouwlaag met een kapconstructie. De woningen zijn eigendom van de Woonstichting Valburg. De vier woonblokken zijn gebouwd in de periode 1950-1955 en de bouwkundige kwaliteit is matig. De woningen zijn na ruim 65 jaar flink verouderd. Parkeervoorzieningen zijn deels op eigen terrein aanwezig en deels op openbaar terrein aan de zijde van de Ploegstraat. In figuur 2.2 is een straatbeeld van het plangebied opgenomen. In figuur 1.2 in het voorgaande hoofdstuk is een luchtfoto van de huidige situatie opgenomen.
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Figuur 2.2: straatbeeld vanaf de Ploegstraat (bron: Google Maps)
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Hoofdstuk 3
T oekomstige situatie
Woonstichting Valburg wil de bestaande woningen slopen, omdat deze verouderd zijn en niet meer voldoen aan de huidige wensen en eisen op het gebied van onder meer duurzaamheid, veiligheid en wooncomfort. De initiatiefnemer wil de woningen daarom slopen en vervangende nieuwbouw realiseren. In eerste instantie was het plan om wederom vier woonblokken terug te bouwen, maar door ontwikkelingen elders in Zetten en de gunstige ligging van het plangebied nabij het centrum van Zetten, is het plan ontstaan om appartementen in kleinschalige woongebouwen te realiseren. De in totaal 18 appartementen worden verdeeld over 3 gebouwen van 6 appartementen. Het aantal woningen neemt hierdoor per saldo met 2 woningen toe. Deze drie nieuwe gebouwen komen grofweg op de plek te staan van de huidige woningen. Door te kiezen voor drie gebouwen met 6 appartementen per gebouw, ontstaat er de mogelijkheid om het plangebied anders in te richten. Hierbij is meer aandacht voor de gemeenschappelijke inrichting, in tegenstelling tot de bestaande individuele kavels. Daarnaast zorgen de nieuwe gebouwen voor een verbetering van de architectonische kwaliteit en is er sprake van een verduurzaming van de woningen.
Bij het ontwerp is rekening gehouden met de bestaande stedenbouwkundige context, waarbij specifiek rekening is gehouden met de bestaande groenstructuren in het plangebied en de cultuurhistorische en beeldbepalende waarden in de omgeving. De nieuwbouw wordt hiermee stedenbouwkundig logisch ingepast. evenals de huidige woningen bestaan deze in de basis uit 2 bouwlagen met een kap. Deze kap kent een grotere dakhelling dan de bestaande woningen en aan de achterzijde van de bebouwing een plat dak. Hierdoor kunnen de appartementen in drie lagen worden gerealiseerd. In figuur 3.1 zijn gevelbeelden van de nieuwbouw opgenomen. In figuur 3.2 is de beoogde situatie weergegeven.
Figuur 3.1: Gevels Toekomstige situatie (bron: DijkhofBouw)
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Figuur 3.2: toekomstige inrichting plangebied (bron: De Regt + Danz BNA)
De drie nieuwe woonblokken zijn, evenals de huidige woningen, geschikt voor senioren. De ontwikkeling draagt bij aan het vernieuwen en verduurzamen van de woningvoorraad van de Woonstichting. Daarnaast wordt de architectonische kwaliteit verhoogd. De twee extra woningen zorgen onder de huidige parkeernorm voor een toename van de parkeerbehoefte met 3,6 parkeerplaatsen. Hierbij is wel uitgegaan dat alle bestaande parkeerplaatsen terugkomen in het plan om de huidige behoefte te kunnen blijven opvangen. Deze huidige behoefte bedraagt 10,4 parkeerplaatsen. In totaal zijn er voor de nieuwe woonvorm dan 14 parkeerplaatsen nodig (10,4 + 3,6). Er is voor gekozen om compact parkeren in een overzichtelijke parkeerkoffer te realiseren. Door te kiezen voor de parkeerkoffer is het mogelijk om achttien parkeerplaatsen op het terrein te realiseren, ruim boven de parkeernorm. Een ander voordeel van deze parkeerkoffer is dat er geen noodzaak is om afspraken te maken tussen de verschillende bewoners over de parkeermogelijkheden bij de lange opritten. Tevens zijn er meer mogelijkheden voor langsparkeren aan de Ploegstraat door het weglaten van opritten (op de oprit naar de parkeerkoffer na), waardoor de parkeergelegenheid voor de omgeving toeneemt.
Door te kiezen voor vervangende nieuwbouw in de vorm van drie gebouwen en zes appartementen per gebouw worden er 2 extra woningen toegevoegd aan de woonvoorraad en is het mogelijk om moderne en duurzame woningen te realiseren die beter aansluiten bij de behoeften van de doelgroep senioren.
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit, dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt enkel een ontwikkeling van lokaal belang mogelijk, gezien de aard en de beperkte schaalgrootte van het plan. Er zijn geen nationale belangen, zoals beschreven in de NOVI, in het geding met een dergelijk plan. Het plan is niet in strijd met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Beoordeling en conclusie Er is sprake van een lokale, kleinschalige planologische wijziging, waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
In een ruimtelijk plan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Ook moet een motivering worden opgenomen dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet in de sloop van 16 beneden-bovenwoningen en de realisatie van vervangende nieuwbouw van 18 appartementen binnen de bebouwde kom. Er komen dus in totaal twee extra woningen, waardoor de ontwikkeling op basis van vaste jurisprudentie niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op het plan.
4.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gelderland Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Daarna zijn nog diverse wijzigingen en actualisaties doorgevoerd. Het actuele beleid is opgenomen in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland van 19 december 2018. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: een duurzame economische structuur(versterking); het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat, een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het plan wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen of regels, die voor dit plan van belang zijn.
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de verordening of de Omgevingsverordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt regelmatig geactualiseerd. In december 2022 is de meest recente geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening gepubliceerd. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in het slopen van de bestaande beneden-bovenwoningen en de realisatie
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 van vervangende nieuwbouw appartementen op een bestaand bouwperceel binnen de bebouwde kom van Zetten. Er worden twee extra woningen gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie. Er spelen in principe geen provinciale belangen met een dergelijke wijziging, gezien de ligging en de aard en omvang van het plan. Wel is van belang dat de Omgevingsverordening bepaalt dat nieuwe woonlocaties uitsluitend zijn toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2025. Hierop wordt in paragraaf 4.3 ingegaan. Het plan voorziet zoals aangegeven in twee extra woningen. Dit past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma, dat op regionaal niveau is afgestemd. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in de Omgevingsverordening. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
4.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.
In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven: Vitaal buitengebied in beweging; Innovatieruimte voor ondernemerschap; Samen werken aan energietransitie; Gevarieerde dorpse woonomgeving; Netwerk verbonden met samenleving; Voorzieningen geclusterd. Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven. Beoordeling Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zetten. Het plan heeft tot doel om de bestaande woningvoorraad van de Woonstichting te vernieuwen en te verduurzamen. De nieuwe woningen voldoen beter aan de eisen op het gebied van woonconfort en duurzaamheid dan de bestaande woningen. Ook worden deze stedenbouwkundig logisch ingepast. De gekozen typologie is passend bij de ligging van het plangebied aan de rand van het centrum. Het plangebied ligt binnen een woonomgeving en is een geschikte locatie om te wonen. In het volgende hoofdstuk van deze toelichting wordt dit, wat betreft het woon- en leefklimaat, nader onderbouwd. De beoogde ontwikkeling past al met al bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Woonagenda Overbetuwe 2025 In de Woonagenda 2025 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een uitgangspuntennotitie opgesteld. Daarnaast vonden woningmarktanalyses en gesprekken met stakeholders bij de voorbereiding van de Woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. Centraal staat dat de gemeente over voldoende woningen met de juiste kwaliteit wil beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief. De Woonagenda omvat vier centrale thema's: Voorraadstrategie: nieuw en bestaand; Verduurzaming en koppelkansen; Bijzondere doelgroepen en woonvormen; Wonen en zorg. Elk van deze thema's is nader beschouwd in de Woonagenda. De woningbehoefte voor de gemeente Overbetuwe in de periode 2019-2030 is minstens 2.000 woningen. De woningbouwproductie blijft achter bij deze groei. Daarnaast wil de gemeente een extra bijdrage leveren aan de versnellings- en groeiopgave vanuit de regionale Woondeal.
Dit gaat om een nog nader te bepalen aantal woningen, waarbij gedacht wordt aan circa 3.000 à 4.000 extra woningen in het middengebied (Overbetuwe en Lingewaard). In kwalitatief opzicht is van belang dat betaalbaar wonen onder druk staat. Dit heeft verschillende oorzaken. De gemeente werkt in de Woonagenda toe naar een streefprogramma in de woningbouwprogrammering om de woningmarkt beter in balans te krijgen. Hierin wordt ook rekening gehouden met de veranderende woningvraag door bekende trends, zoals het toenemende aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder. Beoordeling en conclusie Met dit bestemmingsplan worden twee extra woningen toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Dit past binnen de kwantitatieve woningbouwdoelstellingen. De gemeentelijke woningbouwopgave is met de huidige beschikbare woningen en harde plancapaciteit nog niet ingevuld en de woningbouwproductie blijft achter bij de groeiende behoefte. Hiervoor is al toegelicht dat het plan ook binnen de kwalitatieve doelstellingen van het gemeentelijk beleid past. De realisatie van 18 appartementen, die geschikt zijn voor senioren, past het beste in de omgeving. Dit is ook in lijn met de toenemende vergrijzing in Nederland. Ook voorziet het plan in woningen in het goedkopere segment, waaraan een grote behoefte binnen de regio bestaat.
Het plan voldoet ook in kwalitatief opzicht aan de uitgangspunten van de Woonagenda Overbetuwe 2025.
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Hoofdstuk 5 5.1
M ilieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Om te beoordelen of voor de bestemmingsplanwijziging een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, moet worden nagegaan of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r., moet worden getoetst of er sprake is van nadelige milieugevolgen. Is dat het geval, dan moet een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Beoordeling en conclusie De voorgenomen wijziging komt niet voor als activiteit in Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Vanwege de aard van de wijziging, waarmee er netto slechts twee woningen worden toegevoegd, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het plangebied ligt bovendien niet in een gevoelig gebied, maar binnen de bebouwde kom. Er worden daarom geen m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt en ook de plaats van het project geeft geen aanleiding tot het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure. Ten slotte is er geen passende beoordeling benodigd in het kader van het project. Een m.e.r.(beoordelings-)procedure in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk en er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
5.2
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidszone. De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) afkomstig van wegverkeer bedraagt voor nieuwe woningen 48 dB (Lden). Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe woningen mogelijk op een andere plaats dan de bestaande woningen. Daarmee is er sprake van nieuwe geluidgevoelige objecten.
Alle wegen in de omgeving van het plangebied betreffen 30 km/uurwegen en hebben geen geluidzone volgens de Wgh. Ook andere geluidbronnen (spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen) zijn in de omgeving niet aanwezig. Op basis van de Wgh is een akoestisch onderzoek daarom niet noodzakelijk. Daarnaast is op voorhand voldoende aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woning(en). De bij de gemeente bekende verkeersintensiteiten op de wegen in de directe omgeving geven geen aanleiding tot het uitvoeren van akoestisch onderzoek. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 1. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; 2. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2µg/m3).
Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet in de sloop van zestien woningen en vervangende nieuwbouw met achttien appartementen. Het aantal woningen stijgt met twee en het aantal te verwachten verkeersbewegingen neemt licht toe. Om na te gaan of onderhavig plan voldoet aan de luchtkwaliteit is onderzocht of de extra verkeersbewegingen 'Niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtkwaliteit. In onderstaande figuur is de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit te zien. Hieruit blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt, waardoor nader onderzoek niet aan de orde is.
Figuur 5.1: NIBM-berekening Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied naar verwachting ruimschoots aan de
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 normstelling, zo blijkt uit raadpleging van de monitoringstool van het Centraal Monitoringsinstrument Luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Zie onderstaande tabel met de achtergrond waarden van de luchtkwaliteit.
Figuur 5.2: Luchtkwaliteit rond het plangebied Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van achttien appartementen op een andere plaats dan de bestaande woningen mogelijk. De verplaatsing van de woningen kan vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering relevant zijn. Daarom is onderzocht welke milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied gevestigd zijn.
In de directe omgeving van het plan liggen percelen met de bestemmingen Wonen, Gemengd-1, Gemengd-2 en Centrum. Gezien de rondom het plangebied aanwezige bestemmingen Gemengd-1, Gemengd-2 en Centrum, kan worden gemotiveerd dat er in ieder geval aan de randen van het plangebied sprake is van gemengd gebied. De richtafstanden kunnen dan met een afstandsstap worden verlaagd. Conform de VNG-handreiking is gekeken naar de dichtstbijzijnde inrichtingen vanaf de plan locatie en is er getoetst aan de feitelijke richtafstanden. Bij de kolom richtafstand gebied wordt altijd uitgegaan van de hoogste richtafstand die geldt voor die categorie. Hierbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Vanuit een worst case benadering is voor het volledige plangebied uitgegaan van de richtafstanden in een rustige woonwijk
Activiteit & bestemming Tandartspraktijk Gemengd-1
adres
Hoofdstraat 12
Toelichting (vastgesteld)
SBI-code
8621
milieucategorie 1
richtafstand 10 meter
Feitelijke afstand 15 meter
19
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Hervormde kerk Gemengd-2
Kerkstraat 11
9491
2
30 meter
58 meter
Horeca 'Brave Hendrik' Gemengd-2
Hoofdstraat 2
561
1
10 meter
34 meter
Gereformeerde kerk Gemengd-2
Hoofdstraat 3
9491
2
30 meter
54 meter
Figuur 5.3: toetsing aan richtafstanden ten opzichte van omliggende functies
Voor het overige zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen milieubelastende functies aanwezig. Zoals te zien is in figuur 5.3, wordt voldaan aan alle richtafstanden conform de VNGpublicatie. Hierdoor zijn belemmeringen over en weer uitgesloten. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er zijn geen beperkingen over en weer ten opzichte van andere functies.
5.5
Geurhinder
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object in het buitengebied. Beoordeling Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is er sprake van geurgevoelige objecten in het plangebied.
De situering daarvan wijzigt beperkt. Het plangebied ligt centraal binnen de bebouwde kom van Zetten en wordt aan alle kanten omgeven door bestaande geurgevoelige objecten. Er zijn geen veehouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Gezien deze omstandigheden is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voldoende gewaarborgd en is op voorhand zeker dat er geen belemmeringen optreden voor veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich , blijkens de kaart 'veehouderijen in Gelderland' van de informatievoorziening Gezamenlijk omgevingsdiensten, namelijk op 850 meter van het plangebied. Nader geuronderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie De Wgv vormt geen belemmering in het kader van dit plan.
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
5.6
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Daarom is een bodemonderzoek conform de NEN 5740-richtlijnen in die gevallen noodzakelijk. Beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in sloop van 16 woningen en vervangende nieuwbouw van 18 appartementen. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is er sprake van een gevoelige bestemming. De situering van de woonblokken wordt anders dan in de huidige situatie, maar de bebouwde oppervlakte blijft ongeveer gelijk. Gezien het huidige gebruik bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Redelijkerwijs mag worden verwacht dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik. Conclusie Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
5.7
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling De ontwikkeling betreft het realiseren van 18 appartementen ter vervanging van 16 bestaande beneden-bovenwoningen. Hiermee is er sprake van een verplaatsing van bestaande kwetsbare objecten.
Er worden in totaal twee woningen toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zal het aantal personen in het plangebied iets toenemen. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 5.3 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Figuur 5.3: Uitsnede provinciale risicokaart Ploegstraat 1-15a Zetten, geraadpleegd op 9-12-2023 (zwarte cirkel = ligging plangebied).
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op: Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ongeveer 1.350 meter ten zuiden van het plan de Betuweroute en de snelweg A15. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelweg A15. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en beide risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid. Verantwoording groepsrisico Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van twee risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de snelweg A15.
Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor is de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 9 december 2023 om advies gevraagd. Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende. Conclusie Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelweg A15. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.
5.8
Explosieven
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er op veel plaatsen kans bestaat op het aantreffen van onontplofte munitie.
Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten (OO) van belang. Dergelijke werkzaamheden zijn bij het oprichten van de nieuwe woning(en), het slopen van de bestaande woningen en daarmee verband houdende werkzaamheden aan de orde. Het grootste deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd in naoorlogs geroerde bodem. Om die reden kan worden gewerkt met het protocol toevalstreffers aangevuld met een projectinstructie bij de start van de werkzaamheden. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig kunnen plaatsvinden. Daarnaast kunnen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbinding beperkingen aan ruimtelijke ontwikkelingen worden gesteld om gezondheidsredenen (voorzorgsbeleid). Beoordeling en conclusie In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor het plan.
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen.
Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn: Dagelijks beheer van water en dijken; Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie); Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15
Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt. Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals: wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente. Beoordeling Hemel- en afvalwater Het plangebied bestaat momenteel uit 16 beneden-bovenwoningen verdeeld over vier bouwvlakken, met bijbehorende opritten. Voor het overige is het plangebied grotendeels onverhard. In de toekomstige situatie worden de 16 woningen gesloopt en komen er 18 appartementen verdeeld over 3 woonblokken van 6 appartementen. Doordat er één woonblok van twee woningen in de toekomstige situatie niet terug komt, maar wordt ingevuld als parkeerkoffer neemt het verhard oppervlak mogelijk beperkt toe. Een eventuele toename aan verhard oppervlak zal echter minder zijn dan de eenmalige vrijstellingsdrempel van 500 m² conform de Keur.
Daarom is geen compensatie vereist in het kader van dit plan. Van belang is dat hemelwater en vuilwater bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd. De productie van vuilwater zal ten opzichte van de huidige situatie iets toenemen. Echter is de toename zeer beperkt omdat het gaat om twee extra woningen. Er zijn geen belemmeringen in de waterafvoer te verwachten. Het plan kan hydrologisch neutraal worden ontwikkeld. Oppervlaktewater In en direct rondom het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. Het planvoornemen voorziet ook niet in het toevoegen van oppervlaktewater. Waterkering Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van waterkeringen.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding, oppervlaktewater of waterkeringen. Dit aspect levert geen belemmeringen voor de wijziging op.
5.11
Flora en fauna
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; de bescherming van overige soorten.
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Beoordeling Dit plan maakt het oprichten van achttien appartementen mogelijk na sloop van de huidige bebouwing en het verwijderen van de verharding. Gezien de aard van de ontwikkeling en de noodzakelijke werkzaamheden en ingrepen, zijn negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden op voorhand
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Zetten, Ploegstraat 1-15 niet uitgesloten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plan. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op ongeveer 3 kilometer ten noorden van het plangebied. Overige gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstand. Hoewel er sprake is van een zeer kleine toename van het aantal verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.13), de extra toevoeging van twee woningen en er beperkte fysieke ingrepen plaatsvinden, kan niet worden uitgesloten dat er negatieve externe effecten mogelijk zijn op de omliggende Natura-2000 gebieden. Een toename van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jr is op voorhand namelijk niet uitgesloten. Daarom is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De stikstofberekening gaat in op de bouw- en gebruiksfase. Deze berekening is opgenomen in 1. Uit de berekeningen blijkt dat er geen deposities >0,00 mol/ha/j optreden. Significant negatieve effecten zijn om die reden uitgesloten. Overige significant negatieve zijn op voorhand uitgesloten vanwege de aard van het plan en de afstand tot Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op de kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de vorm van verstoring, hinder of stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jr zijn samenvattend niet aan de orde. Delen van het Natuurnetwerk Nederland liggen op circa 540 meter van het plangebied. Voor deze gebieden geldt geen toetsingskader met betrekking tot externe effecten. Gezien de aard van het plan is het bovendien uitgesloten dat de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied worden aangetast. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen bezwaren verbonden aan het plan en is nader onderzoek niet nodig. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Soortenbescherming De potentiële effecten van het plan op beschermde soorten zijn in een quickscan flora en fauna in beeld gebracht (Bijlage 2). Voor de meeste beschermde soorten ontbreekt geschikt habitat in het plangebied en zijn negatieve effecten (overtreding van de Wnb) op voorhand uit te sluiten. Voor enkele soortgroepen is een nadere beschouwing nodig. Dit betreft de huismus, gierzwaluw en de vleermuis. Om na te gaan of deze soortgroepen aanwezig zijn in het plangebied is er een vervolgonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 3. Dit onderzoek ziet toe op meer locaties dan enkel onderhavig plangebied. Hierna worden de voor dit plan relevante bevindingen en vervolgstappen in beeld gebracht.