24-04-16.12 Relevant stuk 2n, Op Zuid in Zetten - Fase 2_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 12 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Op Zuid in Zetten – fase 2
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Op Zuid in Zetten – fase 2 Projectnummer: 2021-0743 Datum: 27-9-2023 Opdrachtgever: KondorWessels projecten B.V. Versie 1.0
Bouke Kamphuis
Merijn van Hoek
Adviseur Ruimtelijke Ordening
Teamleider Ruimtelijke Ordening & Ecologie
b.kamphuis@lycens.nl
m.vanhoek@lycens.nl
Kies een item.
06 839 230 05
Lycens B.V.
Deventerstraat 10
7575 EM Oldenzaal
0541-570730
info@lycens.nl
Inhoud 1. Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding .......................................................................................................................................................... 4
1.2.
Leeswijzer.......................................................................................................................................................... 4
2. M.E.R.-plicht ............................................................................................................................. 5 2.1.
Wet- en regelgeving......................................................................................................................................... 5
2.1.1.
De directe m.e.r.-plicht: (project of plan) milieueffectrapportage ......................................................... 5
2.1.2 2.1.3
De m.e.r.-beoordelingsplicht: de m.e.r.-beoordeling ................................................................................ 7 De m.e.r.-beoordelingsplicht: de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling............................................................ 7
2.2
Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen ......................................................................................................... 8
2.2.1
Is er sprake van een plan of een besluit...................................................................................................... 8
2.2.2
Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht?.................................................................................................. 8
2.2.3
Is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht? ........................................................................................ 9
2.2.4
Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht? ...................................................................... 9
2.2.5
Activiteiten waar mogelijk sprake van is ..................................................................................................... 9
2.3
Procedure en betrokken partijen .................................................................................................................. 9
3. De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling........................................................................................ 10 3.1.
De kenmerken van de activiteit ................................................................................................................... 10
3.2.
Plaats van het project ................................................................................................................................... 11
3.3.
Kenmerken van het potentiële effect......................................................................................................... 12
3.3.1 3.3.2
Flora en fauna ................................................................................................................................................. 12 Stikstof ............................................................................................................................................................. 14
3.3.3
Verkeer ............................................................................................................................................................. 15
3.3.4
Akoestiek ......................................................................................................................................................... 15
3.3.5
Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................. 16
3.3.6
Externe veiligheid ........................................................................................................................................... 16
3.3.7
Bodem .............................................................................................................................................................. 16
3.3.8
Archeologie ...................................................................................................................................................... 17
3.3.9
Water ................................................................................................................................................................ 17
3.3.10
Overige effecten ............................................................................................................................................. 18
4. Conclusie ................................................................................................................................. 19
3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
1. Inleiding 1.1.
Aanleiding
Het voorliggende plan heeft betrekking op het nieuwe woongebied “Op Zuid in Zetten – fase 2” gelegen tussen de Stationsstraat en de Wageningsestraat ten zuiden van de kern van Zetten. De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied te ontwikkelen voor woningbouw. In de beoogde situatie worden maximaal 80 woningen gerealiseerd. Het woningbouwprogramma zal tenminste bestaan uit:
Vrijstaande woningen
Twee-onder-één kap woningen
Rijwoningen koop
Tenminste 30% van het plan zal bestemd worden voor sociale huur woningen
In deze rapportage is de toetsing aan het Besluit m.e.r. opgenomen. Uit de eerste toetsing is gebleken dat sprake is van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht (zie hoofdstuk 2). Het bevoegd gezag dient te besluiten of de realisatie van maximaal 80 woningen al dan niet leidt tot belangrijke negatieve milieueffecten die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Onderhavige rapportage betreft de ‘Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling’ op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten.
1.2.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt in de eerste plaats ingegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan, de activiteit, getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
2. M.E.R.-plicht 2.1.
Wet- en regelgeving
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. De milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Figuur 1.1 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van een directe m.e.r.-plicht, een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Onderstaand zijn deze drie vormen nader toegelicht.
Figuur 1.1: schema m.e.r.-toets en drempelwaarden
2.1.1. De directe m.e.r.-plicht: (project of plan) milieueffectrapportage De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de C-lijst wordt overschreden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapport worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten.
5
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
Plan- of project-m.e.r. Voor milieueffectrapportages wordt onderscheid gemaakt in een ‘plan’-m.e.r. en in een ‘project’-m.e.r. Kolom 3 van de bijlage (Besluit m.e.r.) bevat plannen die de gewenste activiteit mogelijk kunnen maken. Er is sprake van een plan als er na besluitvorming over het betreffende plan nóg een procedure (besluit) gevolgd moet worden om de activiteit mogelijk te maken. Het ‘plan’ is in dat geval kaderstellend voor nadien te nemen besluiten. Daarnaast is de plan-m.e.r. ook direct van toepassing op ‘plannen’ die worden opgesteld voor activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor deze activiteiten is dus geen m.e.r.-beoordeling mogelijk. Er is sprake van een besluit als er na besluitvorming geen andere procedures noodzakelijk zijn voor de toelaatbaarheid van de activiteit. Een besluit is project/activiteit specifiek en is niet kaderstellend voor nadien te nemen besluiten. De project-m.e.r. kan hierdoor heel specifiek de te ontwikkelen activiteit onderzoeken. Besluiten waarvoor een project-m.e.r. noodzakelijk is komen voor in kolom 4 van de C-lijst. Beperkte of uitgebreide m.e.r.-procedure Er wordt onderscheid gemaakt in de uitgebreide m.e.r.-procedure en de beperkte m.e.r.-procedure. Voor alle plannen en voor bepaalde complexe besluiten is de uitgebreide m.e.r.-procedure direct van toepassing.
De beperkte procedure is van toepassing voor een groot deel van de besluiten inzake (omgevings)vergunningen. Echter indien naast het besluit inzake de (omgevings)vergunning ook sprake is van één van de onderstaande situaties, is de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing. Er dient in het kader van de activiteit ook een passende beoordeling worden opgesteld; Er voor de uitvoering van de activiteit tevens een omgevingsvergunning tot het afwijken van het bestemmingsplan (art. 2.12 lid 1 onder a onder 3 Wabo) noodzakelijk is; Er voor het besluit inzake de (omgevingsvergunning) ook tegelijkertijd een onlosmakelijk plan wordt opgesteld. Bij de beperkte procedure is het voortraject beknopter en zijn enkele stappen niet verplicht (zoals ‘kennisgeving van het initiatief’, advies over reikwijdte en detailniveau en geen verplichting in het voortraject de gelegenheid te bieden om zienswijzen in te dienen. Bovendien is het bij de beperkte procedure niet verplicht om de commissie-m.e.r. in te schakelen waardoor de daarmee gepaard gaande hoge kosten voorkomen kunnen worden.
6
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
2.1.2
De m.e.r.-beoordelingsplicht: de m.e.r.-beoordeling
De wetgever heeft activiteiten aangewezen waarvan de gevolgen van de activiteit op het milieu niet bij voorbaat bekend is. Deze activiteiten zijn opgenomen op de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de D-lijst wordt overschreden, geldt de m.e.r.beoordelingsplicht. In de m.e.r.-beoordeling wordt middels het opstellen van een aanmeldingsnotitie beoordeeld of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden; er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op; er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.procedure wordt doorlopen. Bij een m.e.r.-beoordeling is het vaak niet noodzakelijk om een diepgaand (en kostbaar) onderzoek uit te voeren om goede uitspraken te kunnen doen of de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Een m.e.r.-beoordeling geldt uitsluitend voor besluiten. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan, dan geldt altijd en direct de m.e.r.-plicht. De m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze criteria zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.
In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast dient een formele procedure te worden gevolgd.
2.1.3 De m.e.r.-beoordelingsplicht: de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling De Nederlandse wetgever had (kleine) projecten die de drempelwaarden van de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschrijden, als gevolg van de beperkte invloed op de omgeving, oorspronkelijk vrijgesteld van de m.e.r.plicht. Het Besluit m.e.r. is echter door – hoofdzakelijk - 2 Europese uitspraken gewijzigd. Als gevolg van de eerste uitspraak is in 2011 ook voor ‘kleine’ activiteiten de ‘vormvrije m.e.r.- beoordeling’ geïntroduceerd. De inhoud en procedure van deze ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ waren daadwerkelijk vormvrij. Als gevolg van de tweede uitspraak is het Besluit m.e.r. in 2017 nogmaals aangepast en is de procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie nagenoeg gelijk getrokken aan de m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het uitvoeren van een plan/project m.e.r. al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn’.
In feite bestaat er nu slechts één m.e.r.-beoordeling en is het verschil tussen de ‘vormvrije’ en de ‘formele’ variant nagenoeg verdwenen.
7
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
2.2 Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen 2.2.1 Is er sprake van een plan of een besluit Onderhavig plan betreft een bestemmingsplan dat de realisatie van maximaal 80 grondgebonden woningen mogelijk maakt. Het bestemmingsplan is in dit geval een besluit omdat na besluitvorming geen andere procedures (die voorkomen in kolom 4) noodzakelijk zijn voor de toelaatbaarheid van de activiteit.
2.2.2 Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaatsvinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Dit zijn projecten met een dusdanige impact op de omgeving waarvan duidelijk is dat nadelige gevolgen voor het milieu niet bij voorbaat uitgesloten kunnen worden. Als er sprake is van m.e.r.-plicht dient een Milieueffectrapport (m.e.r.) te worden opgesteld en gelden de bijbehorende procedurele vereisten (kennisgeving doen met zienswijzetermijn, m.e.r. ter visie leggen en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.). Er kunnen drie oorzaken zijn, van waaruit direct een m.e.r.-plicht ontstaat. Voorwaarde 1: C-lijst Besluit Milieueffectrapportage De bijlage van het Besluit Milieueffectrapportage bevat twee lijsten (bijlagen C en D) waarin categorieën van activiteiten zijn opgenomen (kolom 1). Daarnaast wordt in de lijst de omvang beschreven in de vorm van de zgn. drempelwaarden (kolom 2). Kom je boven de drempelwaarde van de C-lijst, dan dient gelijk een project/plan m.e.r. doorlopen te worden. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis van de bijlage is derhalve geen plan/project-m.e.r. noodzakelijk.
Voorwaarde 2: Passende Beoordeling Natuurbeschermingswet Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Voor het onderhavige plan is het opstellen van een Passende Beoordeling niet nodig (zie paragraaf 3.3.1. ter onderbouwing hiervan). Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht. Voorwaarde 3: Provinciale milieuverordening Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Gelderland heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt niet tot een m.e.r.-plicht.
8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
2.2.3 Is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader. Het onderhavige plan behoort in ieder geval tot de categorie “D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. De drempelwaarde (1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer) wordt echter niet overschreden. Het uitvoeren van een (formele) m.e.r.-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.
2.2.4 Is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht? Omdat het onderhavige plan als activiteit voorkomt op de D-lijst, als plan en als besluit voorkomt in respectievelijk kolom 3 en 4 van de D-lijst, maar de drempelwaarden zoals opgenomen in de tweede kolom niet worden overschreden, is het noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
2.2.5 Activiteiten waar mogelijk sprake van is Van de onderstaande activiteiten is mogelijkerwijs sprake: Ontgrondingen: D16.1: De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2; Grondwateronttrekking: D15.2: De infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen. De drempelwaarden van beide activiteiten worden niet overschreden. Bovendien is in dit stadium nog niet duidelijk of sprake zal zijn van de activiteiten waarbij tevens sprake is van een besluit zoals opgenomen in kolom 4. Indien een vergunning voor deze activiteiten aangevraagd moet worden, zal in het kader van deze vergunningen met de provincie (ontgrondingen) en het waterschap (grondwateronttrekking) worden besloten of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
2.3
Procedure en betrokken partijen
Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. De eigenaar van het perceel is opdrachtgever en de Gemeente Overbetuwe treedt op als bevoegd gezag.
Procedure Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al dan niet een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Het besluit hoeft niet te worden gepubliceerd in de Staatscourant maar moet worden genomen voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Het (vormvrije) m.e.r.- beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: het ontwerp en vaststelling van het bestemmingsplan. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het te nemen besluit (in dit geval het bestemmingsplan Op Zuid in Zetten – fase 2).
9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
3. De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling 3.1.
De kenmerken van de activiteit
Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering.
Ad a. de omvang van het project ‘Op Zuid in Zetten – fase 2’ is gelegen in de bebouwde kom van Zetten, het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3,6 hectare. Binnen het plangebied worden maximaal 80 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt met bijbehorende bijgebouwen en infrastructuur (wegen en parkeervoorzieningen). De structuur van de omgeving blijft in grote mate intact. De omvang van het gebied is niet zodanig groot dat een (formele) m.e.r.beoordeling noodzakelijk is.
Ad b. cumulatie met andere projecten De realisatie van maximaal 80 grondgebonden woningen betreft een op zichzelf staand project en maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. Het plan is weliswaar een vervolg op het bestemmingsplan “Zetten-Zuid”, dit plan is echter al gerealiseerd in een eerder stadium. Omdat er sprake is van een opzichzelfstaand project is er geen sprake van een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Van cumulatie met projecten buiten onderhavig plan is derhalve geen sprake.
Ad c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet hernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, rubber, drinkwater en zuurstof verstaan. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de realisatie van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een m.e.r. dient te worden uitgevoerd. De woningen worden immers gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout; grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn.
Ad d. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van maximaal 80 grondgebonden woningen, infrastructuurvoorzieningen en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De categorieën vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.
Ad e. verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting of een inrichting waarop het activiteitenbesluit van toepassing is. De nieuw te bouwen woningen vormen geen vergunningplichtige (milieukundige) inrichting of een inrichting waarop het activiteitenbesluit van toepassing is. In de
10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
plantoelichting van het bestemmingsplan is daarnaast geconcludeerd dat er vanuit luchtkwaliteit, bodem, geluid, bedrijven en milieuzonering en geur geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied, door 80 extra huishoudens, is niet aan de orde.
Ad f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van 80 grondgebonden woningen betreft geen risicovolle inrichting. In de plantoelichting van het bestemmingsplan is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen.
Ad g. risico’s voor menselijke gezondheid Er is geen sprake van een vergunningsplichtige (milieukundige) inrichting of een inrichting waarop het activiteitenbesluit van toepassing is. In de plantoelichting van het bestemmingsplan is daarnaast geconcludeerd dat er vanuit luchtkwaliteit, bodem, geluid, bedrijven en milieuzonering en geur geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Relevante risico’s voor menselijke gezondheid als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied, door 80 extra huishoudens, zijn niet aan de orde.
3.2.
Plaats van het project
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: •
wetlands
• •
kustgebieden berg- en bosgebieden
•
reservaten en natuurparken
•
gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn)
•
gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen
•
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
•
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Ad a. het bestaande grondgebruik De locatie waar de 80 grondgebonden woningen worden gerealiseerd is in gebruik als grasland. Het betreft geen bijzondere plaats die aanleiding geeft tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.
11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
Ad b. relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland met enkele bosschages en sloten. In de huidige situatie is er sprake van een matige rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. De realisatie van de nieuwe woningen worden voorzien van een landschappelijke inpassing.
Ad c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Het onderhavige plan oefent geen invloed uit op één van de opgesomde waardevolle gebieden.
3.3.
Kenmerken van het potentiële effect
Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) de aard van het effect het grensoverschrijdend karakter van het effect de intensiteit en de complexiteit van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de aard en omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende paragrafen per deelaspect het effect weergegeven en wordt vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten.
3.3.1
Flora en fauna
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een ‘Quickscan Ecologisch Onderzoek’ uitgevoerd. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke nationaal beschermde faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepaling met betrekking tot het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. Omdat de voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer hebben en geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied, hoeft er niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied uitgesloten worden. Het aspect stikstof staat nader toegelicht in hoofdstuk 3.3.2.
12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. In een eerder onderzoek, in 2017 uitgevoerd door Bureau Waardenburg, is vastgesteld dat de steenuil in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Dit onderzoek is mede uitgevoerd in het kader van het eerste deel van Zetten Zuid. Derhalve is ‘Nader Soortenonderzoek’ uitgevoerd. Voor de overige nestelende vogelsoorten in het plangebied is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.
Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende diersoorten niet aangetast. Nader soortenonderzoek Op basis van de ‘Quickscan Ecologisch Onderzoek’ is geconcludeerd dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt van het (essentiële) functionele leefgebied van de steenuil en er gericht onderzoek noodzakelijk is. Het (essentiële) functionele leefgebied van de steenuil is beschermd en mag alleen negatief beïnvloed worden indien een ontheffing van de Wet natuurbescherming is verkregen. Om volledig inzicht te krijgen in de betekenis van het plangebied voor de steenuil is besloten gericht onderzoek te verrichten conform Kennisdocument Steenuil 2017. In de maanden februari en maart van 2023 is de functie van het onderzoeksgebied onderzocht voor de steenuil. Het onderzoek is uitgevoerd conform 'Kennisdocument Steenuil' en is volledig onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied geen onderdeel van het functioneel leefgebied uitmaakt. Zo zijn er gedurende drie rondes geen waarnemingen van de steenuil in het onderzoeksgebied
13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
gedaan. Tevens zijn nestplaatsen van de steenuil in het plangebied uitgesloten wegens het ontbreken van geschikte locaties in bomen en nestkasten. Voorgenomen activiteiten leiden dan ook niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu, geen significant negatieve effecten op het aspect flora en fauna. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.2
Stikstof
Bij de ingebruikname van de woningen en bij de realisatie van de woningen vindt emissie van stikstof plaats. Om te beoordelen of als gevolg van de stikstofemissies afkomstig van onderhavig plan significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden optreden is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de totale stikstofdeposities, afkomstig van zowel de gebruiksfase als de realisatiefase, doorgerekend. Als gevolg van de wetgeving omtrent stikstofemissies is het met de huidig gehanteerde cijfers niet mogelijk om het plan te realiseren in 1 jaar. De initiatiefnemer heeft zich daarom bereid verklaard om de realisatie van het plan meerjarig te verspreiden. Voor de berekening zijn de onderstaande richtcijfers gehanteerd, hierbij is uitgegaan van een evenredige verdeling van de werkzaamheden: Fase 1 2024: Realisatie 60% planvoornemen Fase 2 2025: Realisatie 20% planvoornemen Fase 3 2026: Realisatie 20% planvoornemen Gebruiksfase In de gebruiksfase kan er stikstofemissie optreden afkomstig van bebouwing of wegverkeer. De woningen worden gasloos gebouwd, dit betekent dat er alleen stikstofemissie kan optreden als gevolg van een toegenomen verkeersintensiteit. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, gebruiksfase' geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend.
Dat betekent dat het onderhavige plan in de permanente gebruiksfase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Realisatiefase In de realisatiefase kan stikstofemissie optreden als gevolg van het gebruik van materieel met dieselverbruik en de verkeersaantrekkende werking om de realisatie mogelijk te maken. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, realisatiefase fase 1' rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend, namelijk 0,01 mol/ha/j. Hoewel er een toename is van stikstofdepositie, leidt de toename niet tot significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebied, omdat het gaat om een beperkte toename van 0,01 mol/ha/j voor een tijdelijke periode van maximaal 1 jaar. Deze conclusie komt overeen met de uitspraak van de Raad van State: AbRS van 26 oktober 2022, ECLI:NLRVS:2022:3093. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, realisatiefase fase 2' en 'beoogde situatie, realisatiefase fase 3' geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige plan ook in de tijdelijke realisatiefase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende natura 2000gebieden.
Ten aanzien van de realisatiefase zijn geen nadere stappen noodzakelijk.
14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu geen significant negatieve effecten op het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.3
Verkeer
Verkeersgeneratie Het plan gaat gepaard met een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Het plangebied wordt ontsloten op de Stationsstraat. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan. Onderstaand zijn de berekeningen op basis van de verkeerskundige onderbouwing, uitgevoerd door Bono Traffics, opgenomen.
Uit het onderzoek volgt dat de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op een gemiddelde werkdag 589 motorvoertuigbewegingen bedraagt. De toename als gevolg van de woningbouwontwikkeling, in combinatie met het huidige verkeersaanbod op de Stationsstraat, leidt niet tot problemen. De doorstroming op het kruispunt waar het betreffende verkeer wordt afgewikkeld op de Stationsstraat komt niet in het geding. Op de Stationsstraat gaat de verkeersgeneratie afkomstig van het plangebied op in het heersende verkeersbeeld. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu geen significant negatief effect op het aspect verkeer. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.4
Akoestiek
Met het planvoornemen worden alleen woningen met bijbehorende infrastructuur voorzieningen zoals wegen en paden mogelijk gemaakt. Geen van deze voorzieningen heeft een geluidzonering in relatie tot het beoogde gebruik. Het bestemmingsplan maakt immers geen geluid producerende inrichting(en) mogelijk die kunnen leiden tot geluidhinder. Daarmee is een negatief akoestisch effect op de omgeving als gevolg van de realisatie van het planvoornemen uit te sluiten. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu, geen significant negatieve effecten op het aspect akoestiek. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
15
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
3.3.5
Luchtkwaliteit
In het onderhavige plangebied worden 80 extra woningen gerealiseerd. De realisatie van woningen heeft een zeer beperkte invloed op de luchtkwaliteit in de directe omgeving. De daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie is zeer beperkt. Een onderzoek is niet noodzakelijk, omdat het plan valt onder één van de categorieën (1.500 woningen) die automatisch ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het effect van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit is derhalve verwaarloosbaar. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu, geen significant negatieve effecten op het aspect luchtkwaliteit. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.6
Externe veiligheid
Met het planvoornemen worden alleen woningen en bijkomende voorzieningen gerealiseerd. Het bestemmingsplan maakt geen risicovolle inrichtingen of bronnen mogelijk. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu, geen significant negatieve effecten op het aspect externe veiligheid. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.7
Bodem
In het onderhavige plan worden 80 grondgebonden woningen gerealiseerd. Woningen betreffen geen potentiële verontreinigingsbronnen voor de bodem. De ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. In het kader van de planologische procedure is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hierna beschreven.
Resultaten grond Zintuiglijk zijn in de bovengrond lichte sporen van baksteen en kolen aangetroffen. In de ondergrond is enkel plaatselijk een lichte bijmenging van kolen aangetroffen. Analytisch zijn in de bovengrond hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen en OCB (bestrijdingsmiddelen) gemeten. Daarnaast is plaatselijk minerale olie in de ondergrond boven de achtergrondwaarde gemeten. De resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande herziening van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) vormen de gehalten eveneens geen belemmering.
Resultaten grondwater Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium en plaatselijk een licht verhoogde concentratie aan zink bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentraties geen antropogene bron bekend is, zijn barium en zink vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande herziening van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) vormen de concentraties eveneens geen belemmering.
16
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu geen significant negatief effect op het aspect bodem. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.8
Archeologie
Om te bepalen of er in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn, is door de Steekproef B.V. een archeologisch karterend en waarderend booronderzoek uitgevoerd in 2006. Uit dit onderzoek bleek dat de bodem tot een diepte van circa 80 meter beneden het maaiveld grotendeels verstoord was. Beneden deze diepte was de bodem voor het grootste deel intact. In het zuiden van het plangebied zijn bij 10 van de 22 aanvullende boringen aardewerk gevonden. Naar aanleiding hiervan werd geadviseerd om een waarderend veldonderzoek middels proefsleuven te laten uitvoeren. Voor dit proefsleuvenonderzoek is op 6 maart 2014 een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, deze is in februari 2014 door de regio-archeoloog van de gemeente Arnhem voor de gemeente Overbetuwe goedgekeurd. Op basis van dit PvE is in 2014 een waarderend Veldonderzoek Proefsleuven uitgevoerd. Het veldwerk voor het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd op 6 maart 2014. Conform het PvE zijn vijf werkputten van 16,5 x 4 meter aangelegd. In totaal is daarmee een oppervlak van 330 vierkante meter gedocumenteerd. De maximale diepte van het onderzoek bedraagt 140 centimeter beneden maaiveld. Gebaseerd op de resultaten van het veldwerk is een archeologische waardebepaling voor de locatie opgesteld. Hieruit blijkt dat de locatie niet behoudenswaardig is.
Het advies geeft aan om in het plangebied geen verder archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Het plangebied is vrijgegeven met betrekking tot archeologische waarden, het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op het milieu geen significant negatief effect op het aspect archeologie. Het plan wordt in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving uitvoerbaar geacht.
3.3.9
Water
De beoogde ontwikkeling omvat meerdere ruimtelijke aanpassingen in het plangebied, waaronder het realiseren van woningen en bestratingen. Deze ontwikkeling heeft enkele potentieel negatieve effecten voor het watersysteem, waar maatregelen voor genomen moeten worden. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste conclusies en aandachtspunten:
Voor de toename van het verharde oppervlak is een waterbergingsvoorziening t.b.v. een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater vereist. In het huidige ontwerp is sprake van een toename van verhard oppervlak van 17.360 m2. De beleidsuitgangspunten van het waterschap zijn hiervoor maatgevend met 43,6 mm per m2 nieuw verhard oppervlak. De waterbergingsopgave van fase 2 bedraagt daardoor 756 m3. In werkelijkheid ligt dit getal lager, de toe te nemen verharding is lichtelijk afgenomen met een nieuw stedenbouwkundig ontwerp. Dit heeft echter geen gevolgen voor de waterbergingsvoorzieningen zoals
hieronder staat beschreven. In het huidige ontwerp zijn waterbergingsvoorzieningen opgenomen in de vorm van oppervlaktewater dat in contact staat met het watersysteem van het waterschap. De waterbergingsvoorziening van fase 1 wordt
17
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
hierbij uitgebreid, waardoor de waterberging voldoende bergingscapaciteit moet hebben voor de wateropgave van fase 1 en fase 2 tezamen. De oppervlaktewaterberging heeft bij de toegestane peilstijging van 30 cm een bergingscapaciteit van 1.643 m3. Dit is voldoende voor de totale wateropgave van maximaal 1.630 m3 (874 m3 van fase 1 en maximaal 756 m3 van fase 2).
Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat de gebouwen op een voldoende hoog niveau gebouwd kunnen worden om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. Dit heeft de voorkeur boven een drainagesysteem. Om de lokale grondwaterstanden in het plangebied beter inzichtelijk te maken is het aan te raden om aanvullende grondwaterstandmetingen in het plangebied uit te voeren. Deze zijn benodigd voor de verdere onderbouwing en uitwerking van de ruimtelijke aanpassingen.
De vuilwaterafvoer moet worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel van fase 1. Dit zal
Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om:
1.
- het aanleggen van open water,
in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente.
2.
- werken in de beschermingszone van de leggerwatergang,
3.
- het aanleggen van een brug of dam met duiker in een leggerwatergang.
Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, waardoor bij bepaalde werkzaamheden een ontheffing nodig is. Indien bemalen gaat worden is een bemalingsonderzoek benodigd. Bij het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult, op welke wijze het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem. Dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan waterschap Rivierenland en de gemeente Overbetuwe. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft met het oog op milieu geen significant negatief effect op het aspect water. Uit te voeren
3.3.10
Overige effecten
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling zijn er geen andere effecten te verwachten.
18
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023
4. Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan “Op Zuid in Zetten – fase 2” zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een (formele) milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe op basis van deze notitie, welke dient als vormvrije m.e.r., te laten besluiten dat er geen (formele) milieueffectrapportage benodigd is voor het planvoornemen.
19
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op Zuid in Zetten - fase 2
24-5-2023