24-04-16.08 A19 TIC; Uitgangspuntennotitie herziening functieveranderingsbeleid, beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied 2008
Tekst van het document
9
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze Regels wordt als volgt gemeten: 1. afstand van een gebouw tot de (achter)perceelsgrens: De afstand van een gebouw tot de (achter)perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de (achter)perceelsgrens); 2. bebouwde oppervlakte: De bebouwde oppervlakte wordt gemeten buitenwerks en/of tot de harten van scheidingsmuren van bouwwerken op 1 meter boven peil; 3. (bouw)hoogte De (bouw)hoogte van bouwwerken wordt bepaald door het meten van de hoogte in meters vanaf het peil tot het hoogste punt van de bouwwerken, waarbij ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing kunnen blijven; 4. goothoogte: De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de druiplijn. In geval van een hellend dakvlak wordt de druiplijn bepaald door de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerks gevelvlak; 5. inhoud: De inhoud van een gebouw wordt bepaald tussen de onderzijde van de begane grondvloer en de buitenzijden (van gevels, en/of het hart van de scheidsmuren, daken en dakkapellen te meten.
10
Artikel 3 Algemene voorwaarden a. De activiteit moet binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden; nieuwbouw ten behoeve van functieverandering is niet mogelijk. Bij volledige sloop is herbouw ten behoeve van functieverandering onder voorwaarden mogelijk; b. Het uitgangspunt is een reductie van de bebouwing met tenminste 50%. Eventueel kan gezocht worden naar een andere vorm van verevening. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; c. De karakteristieke bebouwing met cultuurhistorische en/of architectonische waarde moet behouden blijven; d. De landschappelijke inpassing moet gewaarborgd zijn en eventuele voorwaarden moeten in een (privaatrechtelijke) overeenkomst opgenomen worden; e. Buitenopslag, detailhandel (anders dan verkoop van lokaal geproduceerde agrarische producten) en/of industriële bedrijvigheid is niet toegestaan; f. De bestaande infrastructuur moet voldoende zijn voor de nieuwe activiteit; aanpassingen zijn niet toegestaan. Verkeersaantrekkende werking in principe niet meer dan 50 verkeersbewegingen per dag. Voorts moet meegewogen worden eventuele verkeersbewegingen op een zelfde wegtraject van andere bedrijfsactiviteiten in het buitengebied; g.
Er mag geen nadelige invloed worden uitgeoefend op al aanwezige agrarische bedrijven en woningen en andere functies als scholen, campings, niet-agrarische bedrijven, door het veroorzaken van milieu- of verkeersoverlast. De actueel aanwezige milieuwaarden moeten worden afgewogen (milieuafdeling toetst); h. De parkeervoorzieningen moeten op het bestaand erf gerealiseerd worden.
11
Artikel 4 Uiterwaarden Functieverandering in de uiterwaarden is beperkt mogelijk. Gebiedsgebonden functies hebben hierbij de voorkeur. De ruimtelijke kwaliteitsbijdrage is gericht op aanleg, behoud en beheer van natuurwaarden. Bestaande rechten moeten worden gerespecteerd. 4.1 Functieverandering naar wonen a. De wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied worden niet aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang; b. De doorstroom van de rivier wordt niet (verder) beperkt; c. Nieuwbouw is uitgesloten, mits deze bebouwing noodzakelijk is voor de afvoer- en bergingsfunctie van de uiterwaarden; Sloop d. sloop van 100 m² tot 500 m² Bij sloop tot 500 m² is één woning in een bestaand (karakteristiek) bijgebouw mogelijk. Overige bijgebouwen moeten worden gesloopt. Gelet op de 50% (sloop)norm moet minimaal eenzelfde oppervlak als het te hergebruiken bijgebouw worden gesloopt. Aangezien de meeste bijgebouwen ruim 100 m² groot zijn, is deze maat als ondergrens opgenomen; e. sloop van 500 m² tot 1.500 m² Indien minimaal 500 m² aan bijgebouwen wordt gesloopt, kan medewerking worden verleend aan de realisatie van maximaal twee woningen in bestaande bebouwing; f.
sloop van 1.500 m² tot 3.000 m² Bij sloop van minimaal 1.500 m² kan medewerking worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen in bestaande bebouwing; g. meer dan 3.000 m² sloop De gemeente wil als compensatie van sloop van bebouwing niet meer dan drie woningen toestaan. De compensatie van het aantal woningen moet echter wel in relatie staan tot het oppervlak van de te slopen gebouwen. Daarom worden bouwpercelen met een sloopoppervlak groter dan 3.000 m² als maatwerk aangemerkt;
schema mogelijkheden sloop/functie wonen gesloopt oppervlak 100 tot 500 m2 500 tot 1.500 m2 1.500 tot 3.000 m2 meer dan 3.000 m2
i.
aantal woningen en gebouwen één woning in een bestaand bijgebouw maximaal twee woningen in één bestaand bijgebouw maximaal drie woningen in één bestaand bijgebouw maatwerk (uitgangspunt is maximaal drie woningen in bestaand gebouw)
Inhoud Een woning heeft een inhoudsmaat van minimaal 400 m3 en maximaal 600 m³. Er wordt geen maximum oppervlakte aan het woongebouw verbonden. Dit wordt vanzelf gereguleerd door de maximale inhoudsmaat en voorwaarden;
Bijgebouwen De bijgebouwen moeten binnen het voormalig agrarisch bouwperceel worden gerealiseerd; De bijgebouwen moeten binnen een afstand van maximaal 25 meter van het woongebouw worden gerealiseerd om uitwaaiering te voorkomen; l. Een nieuw bijgebouw mag maximaal 75 m2 groot zijn; m. Het bijgebouw staat ten dienste van de woning (gebruik als garage/berging). Dit betekent dat bij nieuwe woningen bijvoorbeeld geen paardenstallen kunnen worden opgericht; n. Om te voorkomen dat veel aparte gebouwtjes op het bouwperceel worden opgericht, mag er in geval van twee of drie nieuwe woningen één gezamenlijk bijgebouw worden opgericht; o. Per vrijkomend agrarisch bouwperceel mag bij het bestaande hoofdgebouw één extra, bij voorkeur bestaand, bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 150 m² voor machineberging worden gebruikt. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als één of meer bewoners een nabij gelegen perceel met een minimum grondoppervlak van 1,0 ha. in eigendom heeft en dus moet onderhouden. Het totale bebouwd oppervlak (woningen plus bijgebouwen) kan echter nooit meer bedragen dan maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; j. k.
12
Ontsluiting p. De bestaande perceelsontsluiting moet worden gebruikt voor alle woningen. Er wordt niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning apart (op de openbare weg) te ontsluiten; 4.2 Functieverandering naar werken a. De wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied worden niet aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang; b. De doorstroom van de rivier wordt niet (verder) beperkt; c. Niet agrarische bedrijvigheid mag maximaal 500 m2 in bestaand gebouw bedragen. De resterende bebouwing moet worden gesloopt; d. Indien sprake is van de specifieke functies: verblijfsrecreatie, dagrecreatie of zorg, òf de functieverandering komt in de nabijheid van het recreatief routenetwerk 1 en versterkt deze, wordt het hiervoor genoemde maximum verhoogd met 250 m2. De voorwaarden dat ten hoogste 50% van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt en dat de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt, blijven hierbij wel van kracht. e. Regulier agrarisch en extensief recreatief gebruik kan worden voortgezet, waarbij tevens vergroting van aanwezige agrarische bouwpercelen aan de orde kan zijn; f. Er is ruimte voor extensieve recreatievormen (als natuurkampeerterreinen, kano-, voet- en fietsroutes) met zeer beperkte voorzieningen; g.
Nieuwbouw is uitgesloten, mits deze bebouwing noodzakelijk is voor de afvoer- en bergingsfunctie van de uiterwaarden; 4.3 Nevenfuncties a. De wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied worden niet aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang; b. Nevenfuncties bij bestaande agrarische bedrijven in bestaande bedrijfsgebouwen mogen onder voorwaarden worden toegestaan tot maximaal 25% van het bebouwd oppervlak, met een maximum van 350 m2. Daarbij hoeft geen verevening plaats te vinden; c. In multifunctioneel gebied2 mag ten hoogte 50% van het bebouwd oppervlak met een absoluut maximum van 750 m2 voor nevenfuncties worden gebruikt; d. Bij gebruik van meer dan 350 m2 voor nevenfuncties dient verevening plaats te vinden. Voor specifieke functies zoals verblijfsrecreatie, dagrecreatie en zorg en voor functies die het nabijgelegen recreatief routenetwerk1 versterken, is minder verevening nodig dan voor de overige functies; e. Nevenfuncties moeten qua oppervlak en inkomensvorming ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie; 4.4 Nieuwvestiging agrarisch bedrijf a. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is niet mogelijk.
1 2
Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen - 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92) Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur
13
Artikel 5 Bijzonder gebied Binnen een concreet project van grootschalige aard zoals bijvoorbeeld Park Lingezegen kan bekeken worden welke activiteiten en functies passen binnen de doelstellingen van het project. 5.1 Functieverandering naar wonen a. Aanwezige gebouwen kunnen worden hergebruikt met meerdere wooneenheden in één of hoogstens twee gebouwen die bij elkaar staan. Uitgangspunt is reductie van de bebouwing met tenminste 50%. Eventueel kan gezocht worden naar een andere wijze van verevening. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; b. Als hergebruik van de bestaande bebouwing niet mogelijk is, dan kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen vervangende nieuwbouw plaatsvinden in één of twee woongebouw(en) met meerdere wooneenheden ter grootte van maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Sloop c. sloop van 100 m² tot 500 m² Bij sloop tot 500 m² is één woning in een bestaand bijgebouw mogelijk. Overige bijgebouwen moeten worden gesloopt. Gelet op de 50% (sloop)norm moet minimaal eenzelfde oppervlak als het te hergebruiken bijgebouw worden gesloopt. Aangezien de meeste bijgebouwen ruim 100 m² groot zijn, is deze maat als ondergrens opgenomen; d. sloop van 500 m² tot 1.500 m² Indien minimaal 500 m² aan bijgebouwen wordt gesloopt, kan medewerking worden verleend aan de realisatie van één woning of één woongebouw met twee woningen.
De woning(en) kan/kunnen of in een bestaand bijgebouw of in een nieuw op te richten gebouw worden gerealiseerd; e. sloop van 1.500 m² tot 3.000 m² Bij sloop van minimaal 1.500 m² kan medewerking worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen; f. meer dan 3.000 m² sloop De gemeente wil als compensatie van sloop van bijgebouwen niet meer dan drie nieuwe woningen op het vrijkomende agrarische bouwperceel toestaan. De compensatie van het aantal woningen moet echter wel in relatie staan tot het oppervlak van de te slopen gebouwen. Daarom worden bouwpercelen met een sloopoppervlak groter dan 3.000 m² als maatwerk aangemerkt;
schema mogelijkheden sloop/functie wonen gesloopt oppervlak 100 tot 500 m2 500 tot 1.500 m2 1.500 tot 3.000 m2
meer dan 3.000 m2
aantal gebouwen en woningen één woning in een bestaand bijgebouw - maximaal twee woningen in één bestaand bijgebouw of - maximaal twee woningen in één nieuw woongebouw - maximaal drie woningen in één bestaand bijgebouw of - één woning in één bestaand bijgebouw en maximaal twee woningen in één nieuw gebouw of - maximaal drie woningen in één nieuw woongebouw of - maximaal twee nieuwe vrijstaande woningen maatwerk (uitgangspunt maximaal drie woningen)
Inhoud g. Een woning heeft een inhoudsmaat van minimaal 400 m3 en maximaal 600 m³. Er wordt geen maximum oppervlakte aan het woongebouw verbonden. Dit wordt vanzelf gereguleerd door de maximale inhoudsmaat en voorwaarden;
14
Bijgebouwen h. De bijgebouwen moeten binnen een afstand van maximaal 25 meter van het woongebouw worden gerealiseerd om uitwaaiering te voorkomen; i. Een nieuw bijgebouw mag maximaal 75 m2 groot zijn; j. Het bijgebouw staat ten dienste van de woning (gebruik als garage/berging). Dit betekent dat bij nieuwe woningen bijvoorbeeld geen paardenstallen kunnen worden opgericht; k. Om te voorkomen dat veel aparte gebouwtjes op het bouwperceel worden opgericht, mag er in geval van twee of drie nieuwe woningen één gezamenlijk bijgebouw worden opgericht; l. Per vrijkomend agrarisch bouwperceel mag bij het bestaande hoofdgebouw één extra, bij voorkeur bestaand, bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 150 m² voor machineberging worden gebruikt. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als één of meer bewoners een nabij gelegen perceel met een minimum grondoppervlak van 1,0 ha in eigendom heeft en dus moet onderhouden. Het totale bebouwd oppervlak (woningen plus bijgebouwen) kan echter nooit meer bedragen dan maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Ontsluiting m. De bestaande perceelsontsluiting moet worden gebruikt voor alle woningen. Er wordt niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning apart (op de openbare weg) te ontsluiten; 5.2 Functieverandering naar werken a.
Activiteiten gericht op natuur- en landschapsbeheer en -educatie en (kleinschalige verblijfs)recreatie kunnen mogelijk zijn; b. Niet agrarische bedrijvigheid mag maximaal 500 m2 in bestaand gebouw bedragen. De resterende bebouwing moet worden gesloopt; c. In het multifunctioneel gebied3 is functieverandering naar werken mogelijk tot maximaal 50% van de bestaande bebouwing, met een maximum van 750 m2 in bestaande gebouwen, waarbij overige vrijkomende bebouwing wordt gesloopt. Indien meer dat 500 m 2 gebruikt wordt voor de nieuwe werkfunctie, dient verevening plaats te vinden. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; d. Indien sprake is van de specifieke functies: verblijfsrecreatie, dagrecreatie of zorg, òf de functieverandering komt in de nabijheid van het recreatief routenetwerk 4 en versterkt deze, wordt het hiervoor genoemde maximum verhoogd met 250 m2. De voorwaarden dat ten hoogste 50 % van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt en dat de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt, blijven hierbij wel van kracht. 5.3 Functieverandering naar woon-werkcombinaties a. Dezelfde maximale maten als bij functieverandering naar werken zijn van toepassing; b.
Tussen wonen en werken dient een directe relatie te bestaan, hetgeen betekent dat als maximale afstand 25 meter aangehouden wordt; c. De bewoner van de woning heeft een directe relatie met het bedrijf;
3 4
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen – 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
15
5.4 Nevenfuncties a. Nevenfuncties bij bestaande agrarische bedrijven in bestaande bedrijfsgebouwen mogen onder voorwaarden worden toegestaan tot maximaal 25% van het bebouwd oppervlak, met een maximum van 350 m2. Daarbij hoeft geen verevening plaats te vinden; b. In multifunctioneel gebied5 mag ten hoogte 50% van het bebouwd oppervlak met een absoluut maximum van 750 m2 voor nevenfuncties worden gebruikt; c. Bij gebruik van meer dan 350 m2 voor nevenfuncties dient verevening plaats te vinden. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel Voor specifieke functies zoals verblijfsrecreatie, dagrecreatie en zorg en voor functies die het nabijgelegen recreatief routenetwerk6 versterken, is minder verevening nodig dan voor de overige functies; d. Nevenfuncties moeten qua oppervlak en inkomensvorming ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie; 5.5 Nieuwvestiging agrarisch bedrijf a. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is niet mogelijk.
5 6
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen - 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
16
Artikel 6 Agrarisch gebied met waarden 6.1 Functieverandering naar wonen a. Aanwezige gebouwen kunnen worden hergebruikt met meerdere wooneenheden in één of hoogstens twee gebouwen die bij elkaar staan. Uitgangspunt is reductie van de bebouwing met tenminste 50%. Eventueel kan gezocht worden naar een andere wijze van verevening. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting; b. Als hergebruik van de bestaande bebouwing niet mogelijk is, dan kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen vervangende nieuwbouw plaatsvinden in één of twee woongebouw(en) met meerdere wooneenheden ter grootte van maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Sloop sloop van 100 m² tot 500 m² Bij sloop tot 500 m² is één woning in een bestaand bijgebouw mogelijk. Overige bijgebouwen moeten worden gesloopt. Gelet op de 50% (sloop)norm moet minimaal eenzelfde oppervlak als het te hergebruiken bijgebouw worden gesloopt. Aangezien de meeste bijgebouwen ruim 100 m² groot zijn, is deze maat als ondergrens opgenomen; d. sloop van 500 m² tot 1.500 m² Indien minimaal 500 m² aan bijgebouwen wordt gesloopt, kan medewerking worden verleend aan de realisatie van één woning of één woongebouw met twee woningen. De woning(en) kan/kunnen of in een bestaand bijgebouw of in een nieuw op te richten gebouw worden gerealiseerd; e.
sloop van 1.500 m² tot 3.000 m² Bij sloop van minimaal 1.500 m² kan medewerking worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen; f. meer dan 3.000 m² sloop De gemeente wil als compensatie van sloop van bijgebouwen niet meer dan drie nieuwe woningen op het vrijkomende agrarische bouwperceel toestaan. De compensatie van het aantal woningen moet echter wel in relatie staan tot het oppervlak van de te slopen gebouwen. Daarom worden bouwpercelen met een sloopoppervlak groter dan 3.000 m² als maatwerk aangemerkt; c.
schema mogelijkheden sloop/functie wonen gesloopt oppervlak 100 tot 500 m2 500 tot 1.500 m2 1.500 tot 3.000 m2
meer dan 3.000 m2
aantal gebouwen en woningen één woning in een bestaand bijgebouw - maximaal twee woningen in één bestaand bijgebouw of - maximaal twee woningen in één nieuw woongebouw - maximaal drie woningen in één bestaand bijgebouw of - één woning in één bestaand bijgebouw en maximaal twee woningen in één nieuw gebouw of - maximaal drie woningen in één nieuw woongebouw of - maximaal twee nieuwe vrijstaande woningen maatwerk (uitgangspunt maximaal drie woningen)
Inhoud g. Een woning heeft een inhoudsmaat van minimaal 400 m3 en maximaal 600 m³. Er wordt geen maximum oppervlakte aan het woongebouw verbonden. Dit wordt vanzelf gereguleerd door de maximale inhoudsmaat en voorwaarden;
17
Bijgebouwen h. De bijgebouwen moeten binnen een afstand van maximaal 25 meter van het woongebouw worden gerealiseerd om uitwaaiering te voorkomen; i. Een nieuw bijgebouw mag maximaal 75 m2 groot zijn; j. Het bijgebouw staat ten dienste van de woning (gebruik als garage/berging). Dit betekent dat bij nieuwe woningen bijvoorbeeld geen paardenstallen kunnen worden opgericht; k. Om te voorkomen dat veel aparte gebouwtjes op het bouwperceel worden opgericht, mag er in geval van twee of drie nieuwe woningen één gezamenlijk bijgebouw worden opgericht; l. Per vrijkomend agrarisch bouwperceel mag bij het bestaande hoofdgebouw één extra, bij voorkeur bestaand, bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 150 m² voor machineberging worden gebruikt. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als één of meer bewoners een nabij gelegen perceel met een minimum grondoppervlak van 1,0 ha in eigendom heeft en dus moet onderhouden. Het totale bebouwd oppervlak (woningen plus bijgebouwen) kan echter nooit meer bedragen dan maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Ontsluiting m. De bestaande perceelsontsluiting moet worden gebruikt voor alle woningen. Er wordt niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning apart (op de openbare weg) te ontsluiten; 6.2 Functieverandering naar werken a. Niet agrarische bedrijvigheid mag maximaal 500 m2 in bestaand gebouw bedragen.
De resterende bebouwing moet worden gesloopt; b. In het multifunctioneel gebied7 is functieverandering naar werken mogelijk tot maximaal 50% van de bestaande bebouwing, met een maximum van 750 m2 in bestaande gebouwen, waarbij overige vrijkomende bebouwing wordt gesloopt. Indien meer dat 500 m2 gebruikt wordt voor de nieuwe werkfunctie, dient verevening plaats te vinden. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; c. Als sprake is van één gebouw dat groter is dan de maximale toegestane oppervlakte voor de werkfunctie, mag dat gehele gebouw worden gebruikt mits niettemin de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd, dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt; Indien sprake is van de specifieke functies: verblijfsrecreatie, dagrecreatie of zorg, òf de functieverandering komt in de nabijheid van het recreatief routenetwerk 8 en versterkt deze, wordt het hiervoor genoemde maximum verhoogd met 250 m2. De voorwaarden dat ten hoogste 50% van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt en dat de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt, blijven hierbij wel van kracht. 6.3 Functieverandering naar woon-werkcombinaties a. Dezelfde maximale maten als bij functieverandering naar werken zijn van toepassing; b.
Tussen wonen en werken dient een directe relatie te bestaan, hetgeen betekent dat als maximale afstand 25 meter aangehouden wordt; c. De bewoner van de woning heeft een directe relatie met het bedrijf;
7 8
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen - 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
18
6.4 Functieverandering bij glastuinbouw a. Indien alle glasopstanden worden gesloopt, mag 100% van de bedrijfsgebouwen van functie veranderen naar wonen of werken. Onder bedrijfsgebouwen worden in dit geval die gebouwen verstaan die niet voor de primaire teelt bedoeld zijn, maar ondersteunend daaraan (zoals opslag- en sorteerruimtes, koelcellen, ketelhuizen en dergelijke); b. Wanneer alle glasopstanden worden gesloopt, gelden de onderstaande mogelijkheden voor herbouw; gesloopte oppervlakte glasopstallen 0 – 1.000 m2 1.000 – 2.500 m2 2.500 – 8.000 m2
> 8.000 m2
functieverandering naar wonen
functieverandering naar werken
geen mogelijkheden voor bouw woongebouw 1 woongebouw tot maximaal 800 m3 (1 woning van 600 m3 of twee woningen van 400 m3) 1 vrijstaande woning van maximaal 600 m3 of woongebouw met twee woningen met beide een inhoud van maximaal 600 m3 2 vrijstaande woningen van maximaal 600 m3 of woongebouw met maximaal drie woningen met in totaal een inhoud van maximaal 1.600 m3
geen mogelijkheden voor extra bedrijfsgebouw geen mogelijkheden voor extra bedrijfsgebouw bedrijfsgebouw van 500 m2 voor specifieke en gebiedsgebonden functies of bedrijfsgebonden functies of bedrijfsgebouw van 250 m2 voor overige functies bedrijfsgebouw van 1.000 m2 voor specifieke en gebiedsgebonden functies of bedrijfsgebouw van 500 m2 voor overige functies
6.5 Nevenfuncties a. Nevenfuncties bij bestaande agrarische bedrijven in bestaande bedrijfsgebouwen mogen onder voorwaarden worden toegestaan tot maximaal 25% van het bebouwd oppervlak, met een maximum van 350 m2. Daarbij hoeft geen verevening plaats te vinden; b. In multifunctioneel gebied9 mag ten hoogte 50% van het bebouwd oppervlak met een absoluut maximum van 750 m2 voor nevenfuncties worden gebruikt; c. In de EHS geldt een maximum voor nevenfuncties van 500 m2; d. Bij gebruik van meer dan 350 m2 voor nevenfuncties dient verevening plaats te vinden. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel. Voor specifieke functies zoals verblijfsrecreatie, dagrecreatie en zorg en voor functies die het nabijgelegen recreatief routenetwerk10 versterken, is minder verevening nodig dan voor de overige functies; e. Nevenfuncties moeten qua oppervlak en inkomensvorming ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie;
9
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen – 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
10
19
6.6 Nieuwvestiging agrarisch bedrijf a. Het verzoek mag geen splitsing van een bestaand agrarisch bouwperceel betreffen; b. De verzoeker dient allereerst te zoeken naar een nieuwe locatie binnen 5 kilometer van het huidige agrarische bedrijf. Daarna moet de verzoeker moet kunnen bewijzen en schriftelijk kunnen aantonen (bijvoorbeeld gegevens van een zoekopdracht bij makelaars) dat een alternatieve reeds bestaande locatie niet beschikbaar is (of binnen een redelijke termijn van 1,5 jaar vrijkomt); c. Aangetoond moet worden door middel van een bedrijfsplan (economische haalbaarheid) dat het een volwaardig bedrijf betreft. De gemeente, laat op kosten van de initiatiefnemer, een onafhankelijk bureau, de volwaardigheid van het bedrijf onderzoeken; d. Indien een verzoek voor de bouw van een bedrijfswoning wordt ingediend, moet worden aangetoond dat deze woning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld bij een veehouderij, omdat 24 uur per dag toezicht gehouden moet worden op het vee); indien het bedrijf ook zonder de aanwezigheid van een bedrijfswoning kan functioneren, wordt een bedrijfswoning niet toegestaan. Indien aangetoond is dat een bedrijfswoning noodzakelijk is, wordt uitgegaan van maximaal 1 bedrijfswoning per perceel met een maximale inhoud van 600 m3. De bedrijfswoning mag pas gebouwd worden als de bedrijfsbebouwing gerealiseerd is; e.
Het nieuwe agrarische bedrijf moet minimaal 5 hectare eigen landbouwgrond aansluitend aan het bouwperceel hebben liggen (in eigendom, niet gehuurd of gepacht);
20
Artikel 7 Agrarisch gebied 7.1 Functieverandering naar wonen a. Aanwezige gebouwen kunnen worden hergebruikt met meerdere wooneenheden in één of hoogstens twee gebouwen die bij elkaar staan. Uitgangspunt is reductie van de bebouwing met tenminste 50%. Eventueel kan gezocht worden naar een andere wijze van verevening. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; b. Als hergebruik van de bestaande bebouwing niet mogelijk is, kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen vervangende nieuwbouw plaatsvinden in één of twee woongebouw(en) met meerdere wooneenheden ter grootte van maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Sloop sloop van 100 m² tot 500 m² Bij sloop tot 500 m² is één woning in een bestaand bijgebouw mogelijk. Overige bijgebouwen moeten worden gesloopt. Gelet op de 50% (sloop)norm moet minimaal eenzelfde oppervlak als het te hergebruiken bijgebouw worden gesloopt. Aangezien de meeste bijgebouwen ruim 100 m² groot zijn, is deze maat als ondergrens opgenomen; d. sloop van 500 m² tot 1.500 m² Indien minimaal 500 m² aan bijgebouwen wordt gesloopt, kan medewerking worden verleend aan de realisatie van één woning of één woongebouw met twee woningen. De woning(en) kan/kunnen of in een bestaand bijgebouw of in een nieuw op te richten gebouw worden gerealiseerd; e.
sloop van 1.500 m² tot 3.000 m² Bij sloop van minimaal 1.500 m² kan medewerking worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen; f. meer dan 3.000 m² sloop De gemeente wil als compensatie van sloop van bijgebouwen niet meer dan drie nieuwe woningen op het vrijkomende agrarische bouwperceel toestaan. De compensatie van het aantal woningen moet echter wel in relatie staan tot het oppervlak van de te slopen gebouwen. Daarom worden bouwpercelen met een sloopoppervlak groter dan 3.000 m² als maatwerk aangemerkt; c.
schema mogelijkheden sloop/functie wonen gesloopt oppervlak 100 tot 500 m2 500 tot 1.500 m2 1.500 tot 3.000 m2
meer dan 3.000 m2
aantal gebouwen en woningen één woning in een bestaand bijgebouw - maximaal twee woningen in één bestaand bijgebouw of - maximaal twee woningen in één nieuw woongebouw - maximaal drie woningen in één bestaand bijgebouw of - één woning in één bestaand bijgebouw en maximaal twee woningen in één nieuw gebouw of - maximaal drie woningen in één nieuw woongebouw of - maximaal twee nieuwe vrijstaande woningen maatwerk (uitgangspunt maximaal drie woningen)
Inhoud g. Een woning heeft een inhoudsmaat van minimaal 400 m3 en maximaal 600 m³. Er wordt geen maximum oppervlakte aan het woongebouw verbonden. Dit wordt vanzelf gereguleerd door de maximale inhoudsmaat en voorwaarden;
21
Bijgebouwen h. De bijgebouwen moeten binnen een afstand van maximaal 25 meter van het woongebouw worden gerealiseerd om uitwaaiering te voorkomen; i. Een nieuw bijgebouw mag maximaal 75 m2 groot zijn; j. Het bijgebouw staat ten dienste van de woning (gebruik als garage/berging). Dit betekent dat bij nieuwe woningen bijvoorbeeld geen paardenstallen kunnen worden opgericht; k. Om te voorkomen dat teveel aparte gebouwtjes op het bouwperceel worden opgericht, mag er in geval van twee of drie nieuwe woningen één gezamenlijk bijgebouw worden opgericht; l. Per vrijkomend agrarisch bouwperceel mag bij het bestaande hoofdgebouw één extra, bij voorkeur bestaand, bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 150 m² voor machineberging worden gebruikt. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als één of meer bewoners een nabij gelegen perceel met een minimum grondoppervlak van 1,0 ha in eigendom heeft en dus moet onderhouden. Het totale bebouwd oppervlak (woningen plus bijgebouwen) kan echter nooit meer bedragen dan maximaal 50% van de gesloopte bebouwing; Ontsluiting m. De bestaande perceelsontsluiting moet worden gebruikt voor alle woningen. Er wordt niet meegewerkt aan verzoeken om elke woning apart (op de openbare weg) te ontsluiten; 7.2 Functieverandering naar werken a. Niet agrarische bedrijvigheid mag maximaal 500 m2 in bestaand gebouw bedragen.
De resterende bebouwing moet worden gesloopt; b. In het multifunctioneel gebied11 is functieverandering naar werken mogelijk tot maximaal 50% van de bestaande bebouwing, met een maximum van 750 m2 in bestaande gebouwen, waarbij overige vrijkomende bebouwing wordt gesloopt. Indien meer dat 500 m2 gebruikt wordt voor de nieuwe werkfunctie, dient verevening plaats te vinden. Vormen van verevening worden beschreven in de Toelichting van deze beleidsregel; c. Als sprake is van één gebouw dat groter is dan de maximale toegestane oppervlakte voor de werkfunctie, mag dat gehele gebouw worden gebruikt mits niettemin de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd, dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt; Indien sprake is van de specifieke functies: verblijfsrecreatie, dagrecreatie of zorg, òf de functieverandering komt in de nabijheid van het recreatief routenetwerk 12 en versterkt deze, wordt het hiervoor genoemde maximum verhoogd met 250 m2. De voorwaarden dat ten hoogste 50% van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt en dat de bebouwde oppervlakte met 50% wordt gereduceerd dan wel verevening op een andere wijze plaatsvindt, blijven hierbij wel van kracht. 7.3 Functieverandering naar woon-werkcombinaties a. Dezelfde maximale maten als bij functieverandering naar werken zijn van toepassing; b.
Tussen wonen en werken dient een directe relatie te bestaan, hetgeen betekent dat als maximale afstand 25 meter aangehouden wordt; c. De bewoner van de woning heeft een directe relatie met het bedrijf;
11 12
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland, Beleidskaart ruimtelijke structuur Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen - 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
22
7.4 Functieverandering bij glastuinbouw a. Indien alle glasopstanden worden gesloopt, mag 100% van de bedrijfsgebouwen van functie veranderen naar wonen of werken. Onder bedrijfsgebouwen worden in dit geval die gebouwen verstaan die niet voor de primaire teelt bedoeld zijn, maar ondersteunend daaraan (zoals opslag- en sorteerruimtes, koelcellen, ketelhuizen en dergelijke); b. Wanneer alle glasopstanden worden gesloopt, gelden de onderstaande mogelijkheden voor herbouw; gesloopte oppervlakte glasopstallen 0 – 1.000 m2
functieverandering naar wonen
functieverandering naar werken
geen mogelijkheden voor bouw woongebouw
1.000 – 2.500 m2
1 woongebouw tot maximaal 800 m3 (1 woning van 600 m3 of twee woningen van 400 m3) 1 vrijstaande woning van maximaal 600 m3 of woongebouw met twee woningen met beide een inhoud van maximaal 600 m3
geen mogelijkheden voor extra bedrijfsgebouw geen mogelijkheden voor extra bedrijfsgebouw
2.500 – 8.000 m2
> 8.000 m2
2 vrijstaande woningen van maximaal 600 m3 of woongebouw met maximaal drie woningen met in totaal een inhoud van maximaal 1.600 m3
bedrijfsgebouw van 500 m2 voor specifieke en gebiedsgebonden functies of bedrijfsgebonden functies of bedrijfsgebouw van 250 m2 voor overige functies bedrijfsgebouw van 1.000 m2 voor specifieke en gebiedsgebonden functies of bedrijfsgebouw van 500 m2 voor overige functies
7.5 Nevenfuncties a. Nevenfuncties bij bestaande agrarische bedrijven in bestaande bedrijfsgebouwen mogen onder voorwaarden worden toegestaan tot maximaal 25% van het bebouwd oppervlak, met een maximum van 350 m2. Daarbij hoeft geen verevening plaats te vinden; b. In multifunctioneel gebied13 mag ten hoogte 50% van het bebouwd oppervlak met een absoluut maximum van 750 m2 voor nevenfuncties worden gebruikt; c. Bij gebruik van meer dan 350 m2 voor nevenfuncties dient proportionele verevening (Toelichting) plaats te vinden. Voor specifieke functies zoals verblijfsrecreatie, dagrecreatie en zorg en voor functies die het nabijgelegen recreatief routenetwerk14 versterken, is minder verevening nodig dan voor de overige functies; d. Nevenfuncties moeten qua oppervlak en inkomensvorming ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie;
13 14
Streekplan Gelderland 2005 - provincie Gelderland Regionaal Plan 2005-2020 - Stadsregio Arnhem Nijmegen – 2006 (Projectenkaart: Landschap en recreatie, pagina 92)
23
7.6 Nieuwvestiging agrarisch bedrijf a. Het verzoek mag geen splitsing van een bestaand agrarisch bouwperceel betreffen; b. De verzoeker dient allereerst te zoeken naar een nieuwe locatie binnen 5 kilometer van het huidige agrarische bedrijf. Daarna moet de verzoeker moet kunnen bewijzen en schriftelijk kunnen aantonen (bijvoorbeeld gegevens van een zoekopdracht bij makelaars) dat een alternatieve reeds bestaande locatie niet beschikbaar is (of niet binnen een redelijke termijn van 1,5 jaar vrijkomt); c. Aangetoond moet worden door middel van een bedrijfsplan (economische haalbaarheid) dat het een volwaardig bedrijf betreft. De gemeente, laat op kosten van de initiatiefnemer, door een onafhankelijk bureau, de volwaardigheid van het bedrijf onderzoeken; d. Indien een verzoek voor de bouw van een bedrijfswoning wordt ingediend, moet worden aangetoond dat deze woning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld bij een veehouderij, omdat 24 uur per dag toezicht gehouden moet worden op het vee); indien het bedrijf ook zonder de aanwezigheid van een bedrijfswoning kan functioneren, wordt een bedrijfswoning niet toegestaan. Indien aangetoond is dat een bedrijfswoning noodzakelijk is, wordt uitgegaan van maximaal 1 bedrijfswoning per perceel met een maximale inhoud van 600 m3. De bedrijfswoning mag pas gebouwd worden als de bedrijfsbebouwing gerealiseerd is; e.
Het nieuwe agrarische bedrijf moet minimaal 5 hectare eigen landbouwgrond aansluitend aan het bouwperceel hebben liggen (in eigendom, niet gehuurd of gepacht);
24