CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-03-19.17 Relevant stuk 11, Elst, Industrieweg politielocatie_Toelichting_Bijlage 8 Quickscan flora en fauna

Gemeenteraadsvergadering 19 maart 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan Elst, industrieweg Politielocatie6.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Quickscan ontwikkeling cellencomplex Elst Toetsing in het kader van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming Klant:

Politie - Politiedienstencentrum

Referentie: BH6911WATRP2104151424 Status:

S0/P01.01

Datum:

1 juni 2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Netherlands Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Quickscan ontwikkeling cellencomplex Elst Ondertitel: Qs Wnb-soortenbescherming cellencomplex Elst Referentie: BH6911WATRP2104151424 Status: P01.01/S0 Datum: 1 juni 2021 Projectnaam: Bestemmingsplan Cellencomplex Elst Projectnummer: BH6911 Auteur(s): Anoek van den Bosch

Opgesteld door: Anoek van den Bosch Gecontroleerd door: Pauline Maas Datum: 1 juni 2021 Goedgekeurd door: Berny Jansen Datum:

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Introductie

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Scope van de quickscan

1

1.3

Leeswijzer

2

2

Plangebied en voorgenomen ingreep

3

2.1

Ligging van het plangebied

3

2.2

Beschrijving en impressie van het plangebied

3

2.3

Voorgenomen ingreep

4

3

Werkwijze

6

3.1

Inventarisatie van beschermde soorten

6

3.2

Effectbeoordeling soorten

6

3.3

Vervolgstappen

6

4

Onderzoeksresultaten en effectbeoordeling

7

4.1

Vaatplanten

7

4.2

Grondgebonden zoogdieren

7

4.3

Vleermuizen

9

4.4

Broedvogels

10

4.5

Amfibieën

10

4.6

Reptielen

11

4.7

Vissen

11

4.8

Ongewervelden

11

5

Conclusie en advies

12

5.1

Conclusie

12

5.2

Advies

12

Bijlagen Bijlage 1: Beknopt kader natuurwet- en regelgeving

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

ii

Projectgerelateerd

1

INTRODUCTIE

1.1

Aanleiding

De Politie is voornemens om op het perceel aan de Industrieweg te Elst, gemeente Overbetuwe, een cellencomplex, ME opkomstlocatie, teambureau en kantoor te realiseren. Het perceel ligt op bedrijventerrein De Aam. De gewenste ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten. Om deze reden is het noodzakelijk om de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten te onderzoeken. De Politie heeft daarom Royal HaskoningDHV opdracht gegeven om een QuickScan in het kader van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming uit te voeren.

1.2

Scope van de QuickScan

Het herinrichten van de locatie is een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Om na te gaan of (negatieve) effecten op onder de Wnb beschermde soorten kunnen optreden, is een toets nodig in het kader van Hoofdstuk 3 van de Wnb: Soortenbescherming. Doel De gegevens voortvloeiend uit de QuickScan Soortenbescherming geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan het onderdeel Soortenbescherming van de Wnb (natuurtoets) noodzakelijk is. Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch beschermde soorten.

De onderzoeksvragen zijn als volgt: • Welke beschermde soorten kunnen in of rondom het plangebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep verwacht worden of zijn op basis van aanwezige biotopen niet uit te sluiten? • Is voor het uitvoeren van de ingreep aanvullend onderzoek nodig om de aanwezigheid van beschermde soorten na te gaan? Zo ja, voor welke soorten? • En welke effecten kunnen deze beschermde soorten ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteit? • Is voor het uitvoeren van de ruimtelijke ingreep een ontheffing voor overtreding van de verbodspalingen ten aanzien van de soortenbescherming aan de orde? Toetsingskader De voorgenoemde ontwikkeling wordt in de onderhavige rapportage niet getoetst aan de Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming), de bescherming van Houtopstanden (Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming) en/of het planologische beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hiervoor geldt namelijk het volgende: • Natura 2000-gebieden: Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) ligt op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. De afstand van de Natura 2000-gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat negatieve effecten door de meeste storingsfactoren op planten- en diersoorten op voorhand uitgesloten kunnen worden.

Verzuring en vermesting door stikstofdepositie zijn de enige storingsfactoren, die niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Mogelijke effecten ten gevolge van depositie van stikstof op daarvoor gevoelige natuurwaarden dienen daarom in kaart te worden gebracht met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator. Dat betreft een separaat onderzoek met een separate rapportage. • Houtopstanden: Aangezien voor de geplande ingreep geen bomen worden gekapt zijn negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden op voorhand uitgesloten.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

1

Projectgerelateerd

•

Omgevingsverordening Gelderland: Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden daardoor op voorhand uitgesloten.

Een beknopte beschrijving van de natuurwet- en regelgeving is in bijlage 1 opgenomen.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zijn de ligging en begrenzing van het plangebied en de voorgenomen ingreep beschreven, ook is een impressie gegeven van het plangebied ten tijde van het veldbezoek. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode opgenomen. In hoofdstuk 4 zijn per soortgroep de resultaten beschreven, inclusief de mogelijk optredende effecten en effectbeoordeling. Indien nader onderzoek noodzakelijk is, is dat in dit hoofdstuk aangegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de conclusie en aanbevelingen. Tot slot is de geraadpleegde literatuur weergegeven. In Bijlage 1 is het juridisch kader opgenomen.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

2

Projectgerelateerd

2

PLANGEBIED EN VOORGENOMEN INGREEP

2.1

Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van Elst, in de provincie Gelderland. Het betreft een onbebouwd perceel op het lokale industrieterrein De Aam. Alle voormalige bebouwing is enkele jaren geleden gesloopt. Het plangebied ligt daar tussen de Industrieweg en de Energieweg in (Figuur 2-1).

Figuur 2-1:. Ligging en begrenzing van het plangebied, gelegen in het zuidoosten van Elst.

2.2

Beschrijving en impressie van het plangebied

Het plangebied bestaat uit een braakliggend perceel aan de zuidkant van het industrieterrein. Het is grotendeels begroeid met mos en enkele algemene grassoorten. Her en der groeien wat ruderale kruiden als grote brandnetel en ridderzuring. Op veel plekken is het terrein vergraven door konijnen. Aan de noordkant is het plangebied begrensd met een stalen frame met daarin stenen. Langs de gehele lengte van deze afrastering zijn wederom veel graafsporen van konijnen zichtbaar. Er zijn geen opgaande structuren op of rondom het terrein aanwezig, het ontbreekt dus aan schuilgelegenheid. Er zijn ook geen (te kappen) bomen of (te vergraven) watergangen aanwezig. Figuur 2-2 geeft een impressie van het plangebied.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

3

Projectgerelateerd

Figuur 2-2: Impressie van het plangebied. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2021.

De omgeving van het plangebied is veelal verhard. Het plangebied is omringd door verschillende grote loodsen en bijbehorende parkeerterreinen. Veelal bestaan deze loodsen uit metalen en glazen constructies. Aan de noordwestkant van het plangebied grenst een oudere leegstaande loods. Deze bestaat ook deels uit een stenen gebouw en is in een vervallen staat (Figuur 2-3).

Figuur 2-3: Impressie van de omgeving van het plangebied. Rechts is de vervallen loods aan de noordwestgrens van het plangebied weergegeven. Foto: Royal HaskoningDHV, 2021.

2.3

Voorgenomen ingreep

De werkzaamheden betreffen het realiseren van een nieuwe centrale locatie voor de Politie tussen Arnhem en Nijmegen. In de eindsituatie is het terrein bebouwd met een cellencomplex, een opkomstlocatie voor de ME en met kantoorruimte. Naast deze gebouwen zal een deel van het perceel ook ingericht worden als parkeerplaats, en zal daar omheen weer wat groen worden aangelegd. Voor het ontwerp zijn nu nog enkele scenario’s mogelijk. Onderstaande figuur (Figuur 2-4) geeft drie scenario’s weer.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

4

Projectgerelateerd

Figuur 2-4: Overzicht van de mogelijk verschillende scenario’s voor het ontwerp voor het nieuw te realiseren complex van de Politie in Elst, er is geen voorkeursvariant bekend.

De realisatie van het complex zal gepaard gaan met de inzet van zwaar materieel. Er worden geen bomen gekapt, watergangen gedempt of gebouwen gesloopt. Alle werkzaamheden zullen gedurende de dag worden uitgevoerd en voor de schemering worden afgerond. De exacte periode en duur van uitvoering van de voorgenomen ingreep is op het moment nog niet zeker. Gestreefd wordt naar ingebruikname van het cellencomplex in 2025-2026.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

5

Projectgerelateerd

3

WERKWIJZE

Hieronder is de werkwijze beschreven, welke gebruikt is om na te gaan wat het belang is van het plangebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het plangebied voorkomen.

3.1

Inventarisatie van beschermde soorten

Er zijn op 23 maart 2021 verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het plangebied en enkele kilometers rondom dit plangebied, van de afgelopen 10 jaar. Daarnaast is de verspreidingsatlas geraadpleegd, en aanvullend enkele relevante bronnen met betrekking tot de ecologie van soorten of soortgroepen (zie literatuurlijst). Door deze bestaande gegevens te raadplegen, is inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het plangebied. Aanvullend is op 24 maart 2021 een veldbezoek uitgevoerd (15°C, onbewolkt, droog, windkracht 2 Bft) door een deskundig ecoloog van Royal HaskoningDHV, namelijk Anoek van den Bosch MSc. Tijdens het veldonderzoek is het plangebied al lopende onderzocht. Aan de hand van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het plangebied.

3.2

Effectbeoordeling soorten

Door middel van een beknopte analyse van mogelijk optredende verstoring vanuit het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het plangebied, is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. Indien de onderzoeksresultaten voldoende zekerheid geven over het voorkomen van beschermde soorten, zijn de mogelijke (negatieve) effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten bepaald. Vervolgens is beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb aan de orde is. Indien op basis van het onderzoek niet voldoende zekerheid over het voorkomen of de afwezigheid van beschermde soorten te geven is, is nader soortgericht onderzoek noodzakelijk, alvorens een effectenanalyse gedaan wordt. Indien dit van toepassing is, is dit beschreven in het rapport. Het nader onderzoek moet uitwijzen of beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn in het plangebied en welke functies het plangebied voor deze soorten vervuld.

Op basis van de uitkomst van het aanvullend onderzoek wordt vervolgens bepaald of en zo ja, welke maatregelen nodig zijn en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht is.

3.3

Vervolgstappen

Optredende negatieve effecten op beschermde planten en dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Indien negatieve effecten door de voorgenomen effecten aan de orde zijn, worden in eerste instantie voorzorgsmaatregelen opgenomen om de negatieve effecten alsnog te voorkomen. Wanneer voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen in een aparte natuurtoets te worden opgenomen. Het aanvragen van een ontheffing is dan, indien niet gewerkt kan worden conform een door het Ministerie goedgekeurde gedragscode, waarschijnlijk noodzakelijk.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

6

Projectgerelateerd

4

ONDERZOEKSRESULTATEN EN EFFECTBEOORDELING

4.1

Vaatplanten

Uit de NDFF is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde vaatplanten. Vrijwel alle beschermde vaatplanten zijn gebonden aan natuurgebieden, schrale gronden of extensief beheerde gronden. Dergelijk habitat is niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. De omgeving van het plangebied is grotendeels verhard. Tevens duidt de aanwezigheid van ruderale soorten als grote brandnetel op een vrij voedselrijke bodem. Hierdoor is het voorkomen van beschermde vaatplanten uitgesloten binnen het plangebied. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vaatplanten afwezig, hierdoor is uitgesloten dat het voornemen leidt tot negatieve effecten op onder de Wnb beschermde vaatplanten. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vaatplanten wordt uitgesloten.

4.2

Grondgebonden zoogdieren

Uit de NDFF is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde grondgebonden zoogdieren. Het gaat om bunzing, wezel en steenmarter. Daarnaast blijkt uit verspreidingsgegevens dat hermelijn voorkomt in de ruimere omgeving. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze soorten geldt een “vrijstelling soorten ruimtelijke inrichting en beheer en onderhoud”. De provincie Gelderland verleend vrijstelling voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de onderstaande zoogdieren in het geval van een ruimtelijke ontwikkeling, zoals onderhavig projectvoornemen (zie Tabel 4-1). Voor de soorten die onder deze vrijstelling vallen is wel de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen 1. Omdat binnen het plangebied verschillende konijnenburchten aanwezig zijn, moet daar expliciet rekening mee gehouden worden. De werkzaamheden kunnen namelijk leiden tot het doden van juveniele konijnen. De maatregelen welke genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen, zijn besproken in paragraaf 5.2.

Tabel 4-1: Overzicht van grondgebonden zoogdieren met een algemene vrijstelling binnen de provincie Gelderland1. Grondgebonden zoogdiersoorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Ondergrondse Woelmuis

Woelrat

1

Provincie Gelderland:Vrijstellingen soorten ruimtelijke inrichting en beheer en onderhoud, via: https://www.gelderland.nl/WetNatuurbescherming-Beschermde-soorten-ontheffing, geraadpleegd 23-03-2021. 1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

7

Projectgerelateerd

Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) Als verblijfplaats maken kleine marters (bunzing, wezel en hermelijn) gebruik van onder andere takkenrillen, stenenhopen en voormalige konijnenholen2. Tijdens het veldbezoek viel op dat er een groot aantal holen aanwezig is binnen het plangebied (Figuur 5). Gezien de grote hoeveelheid vers zand voor de holen, zijn deze actief in gebruik. Omdat de holen over het algemeen vrij klein zijn en er veel konijnenpoep rondom lag, wordt aangenomen dat het om een konijnenburcht gaat. De aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van kleine marters wordt uitgesloten, omdat de twee soorten niet samen in één burcht voorkomen. Het plangebied kan wel fungeren als (tijdelijk, doch niet essentieel) foerageergebied van kleine marters. Het voorkomen van bunzing, wezel of hermelijn binnen en in de directe nabijheid van het plangebied wordt daarom niet uitgesloten.

Figuur 5: Holen aanwezig binnen het plangebied.

Steenmarter De steenmarter is waargenomen langs de A325 ten oosten van het plangebied. De soort heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig ook in grote steden. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De soort heeft vaak zijn verblijfplaats in gebouwen, zoals op zolders, in kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Echter, ook boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen waar weinig verstoring is, zijn geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter3. Gebouwen ontbreken binnen het plangebied. Tevens ontbreken geschikte andere structuren 2

Provincie Noord-Brabant: Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming, via https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/2020-12/15908%20Handreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf, geraadpleegd 30-3-2021. 3 Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter, geraadpleegd 30-3-2021. 1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

8

Projectgerelateerd

en ook voldoende rust voor de soort. Vaste voortplantings- en verblijfplaatsen van de steenmarter zijn daarom uitgesloten binnen het plangebied. Conclusie: In het plangebied zijn verblijfsfuncties van beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren afwezig. Wel zijn vele sporen van konijn (graaf- en poepsporen) waargenomen. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van zoogdieren kan daarom niet worden uitgesloten. Omdat konijn door de provincie Gelderland is vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen, behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel moeten voorzorgs- en mitigerende maatregelen genomen worden. Deze maatregelen zijn toegelicht in paragraaf 5.2.

4.3

Vleermuizen

Uit de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde vleermuizen. Het gaat om gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en rosse vleermuis. Daarnaast kunnen in de omgeving van het plangebied verschillende andere vleermuissoorten als ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis voorkomen. Van deze soorten hebben rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis verblijfplaatsen in bomen. In de paarperiode wordt door ruige dwergvleermuis ook gebruikt gemaakt van gebouwen. De gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis hebben hun verblijfplaats in gebouwen. De gewone dwergvleermuis wordt daarnaast in de paarperiode ook in bomen aangetroffen. De watervleermuis en gewone grootoorvleermuis maken zowel van (ondergrondse) gebouwen als bomen gebruik 4. Verblijfplaatsen Het plangebied omvat geen bomen of gebouwen, waardoor voortplantings- en verblijfplaatsen binnen het plangebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek is ook gelet op bomen in de directe omgeving van het plangebied, deze ontbreken. De gebouwen direct langs het plangebied zijn veelal loodsen, met aan de buitenkant een gladde bekleding. Deze zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is daarom uitgesloten.

Vliegroute Het plangebied maakt geen deel uit van aaneengeschakelde lijnvormige elementen. Vliegroutes kunnen daarom binnen het plangebied en de directe omgeving op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebied Het plangebied en de aanwezige vegetatie kunnen deel uitmaken van het foerageergebied van een of meerdere vleermuissoorten. Dit foerageergebied wordt echter niet essentieel geacht, vanwege de lage dichtheid aan bloeiende planten en daarmee een lage aantrekkende werking op insecten. Tevens biedt het plangebied door het open karakter vrijwel geen beschutting. Conclusie: Er worden geen bomen met boomholtes gekapt of gebouwen gesloopt waardoor het vernietigen van rust- en verblijfplaatsen is uitgesloten. (Essentieel) foerageergebied en vliegroutes ontbreken, waardoor permanent negatieve effecten op deze functies zijn uitgesloten. Alle werkzaamheden zullen gedurende de dag worden uitgevoerd en voor de schemering worden afgerond. Tijdelijke negatieve effecten als gevolg van nachtelijke werkzaamheden en het toepassen van kunstverlichting zijn daarom uitgesloten. Indien toch gebruik gemaakt wordt van verlichting tijdens de nachtelijke uren, kunnen eventueel aanwezige foeragerende vleermuizen uitwijken naar alternatieve omliggende, eveneens geschikte, foerageergebieden.

Er zijn daardoor geen negatieve effecten op de staat van instandhouding te verwachten en er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Het nemen van vervolgstappen is niet noodzakelijk. 4

Vleermuiswerkgroep Nederland; algemene informatie over verschillende soorten vleermuizen via: www.vleermuis.net.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

9

Projectgerelateerd

4.4

Broedvogels

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Soorten broedvogels met jaarrond beschermde nesten waarvan in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn, zijn gierzwaluw en huismus. Soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn onder andere kauw, ekster, zwarte kraai, witte kwikstaart en wilde eend waargenomen. De nesten van deze soorten zijn niet jaarrond beschermd, maar de nesten van ekster en zwarte kraai kunnen worden uitgebouwd en gebruikt door soorten als de buizerd, boomvalk en sperwer. De nesten van deze soorten zijn wel jaarrond beschermd. Er zijn echter geen bomen in de directe omgeving het plangebied, waardoor broedlocaties van boombroedende soorten met jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden, niet te verwachten zijn. Omdat gebouwen en daarmee geschikte broedplaatsen in gebouwen ontbreken binnen het plangebied, kunnen jaarrond beschermde nesten van deze gebouwbroedende soorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden op voorhand worden uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen indicaties van nesten van de betreffende soorten aangetroffen.

Algemeen voorkomende broedvogels (zonder jaarrond beschermde nesten) Doordat zowel bomen, gebouwen, struweel als oevers afwezig zijn binnen het plangebied, is het uitgesloten dat algemeen voorkomende broedvogels als kauw, ekster, zwarte kraai, witte kwikstaart en wilde eend tot broed komen binnen het plangebied of de invloedssfeer daarvan. Het plangebied, en directe omgeving, is ongeschikt voor algemene broedvogels om tot broeden te komen. Vanwege de geringe oppervlakte, het ontbreken van opgaande begroeiingen en/of hellingen en watergangen, worden geen broedgevallen verwacht. Conclusie: Broedgevallen van vogels, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, of waarvan de nestplaats beschermd is in de periode waarin de nestplaats in gebruik is, worden niet verwacht. Er worden daarom geen negatieve effecten verwacht, zelfs niet als gestart wordt in het broedseizoen. Het broedseizoen kent geen vastomlijnde periode, maar valt voor verreweg de meeste soorten tussen half maart en half augustus. Ook buiten deze periode is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Nesten van algemene broedvogels zijn alleen beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn.

4.5

Amfibieën

Uit de NDFF is gebleken dat in de nabije omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van onder de Wnb beschermde amfibieën. Door het ontbreken van geschikt voortplantings-biotoop (water) in de omgeving van het plangebied, is leefgebied van deze soorten dan ook uitgesloten. Wel behoort de omgeving van het plangebied tot het verspreidingsgebied van beschermde soorten als de bruine kikker, gewone pad, kleine, watersalamander en bastaardkikker en de heikikker. Voor een aantal amfibieën, beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb, geldt een “vrijstelling soorten ruimtelijke inrichting en beheer en onderhoud”. De provincie Gelderland verleend vrijstelling voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de onderstaande amfibieën (Tabel 4-2). Voor de soorten die onder deze vrijstelling is het aanvragen van een ontheffing in het geval er negatieve effecten optreden, niet noodzakelijk 5.

5

Provincie Gelderland: Vrijstellingen soorten ruimtelijke inrichting en beheer en onderhoud, via: https://www.gelderland.nl/WetNatuurbescherming-Beschermde-soorten-ontheffing, geraadpleegd 23-03-2021. 1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

10

Projectgerelateerd

Tabel 4-2: Amfibieën met een algemene vrijstelling binnen de provincie Gelderland 5. Amfibieën Bruine kikker

Meerkikker

Gewone pad

Middelste groene kikker/ Bastaardkikker

Kleine watersalamander

Conclusie: In het plangebied zijn beschermde, niet-vrijstelde, amfibieën afwezig. Wel kunnen mogelijk algemene amfibieën als bruine kikker en gewone pad van het plangebied gebruik maken, als onderdeel van een groter leefgebied. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van algemene amfibieën kan daarom niet worden uitgesloten. Omdat deze amfibiesoorten door de provincie Gelderland zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen, behoeft echter geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel moeten voorzorgs- en mitigerende maatregelen genomen worden. Deze maatregelen zijn toegelicht in paragraaf 5.2.

4.6

Reptielen

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de nabije omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van onder de Wnb beschermde reptielen. Beschermde reptielsoorten, komen qua verspreiding ook niet voor in de ruime omgeving van het projectgebied, waardoor aanwezigheid van de beschermde soorten wordt uitgesloten. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde reptielen afwezig. Hierdoor is het uitgesloten dat het voornemen leidt tot negatieve effecten op deze soortgroep. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van reptielen kan daarom worden uitgesloten.

4.7

Vissen

De NDFF bevat geen waarnemingen van beschermde vissoorten binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Door het ontbreken van open water binnen het projectgebied is het voorkomen van (beschermde) vissoorten op voorhand uitgesloten. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vissoorten afwezig. Hierdoor is het uitgesloten dat het voornemen leidt tot negatieve effecten op deze soortgroep. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen kan worden uitgesloten.

4.8

Ongewervelden

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde ongewervelden. Veel in Nederland voorkomende beschermde vlinders zijn gebonden aan vochtige, open loofbossen, bosranden, vochtige heide, schrale graslanden en duingebieden. Beschermde libellen zijn veelal gebonden aan grote beken, rivieren, vegetatierijke vennen, laagveenmoerassen en duinplassen. Door het ontbreken van voornoemde hoogwaardige (semi)natuurlijke habitats binnen het plangebied en het ontbreken van een verbinding met bekende leefgebieden, vormt het plangebied geen leefgebied voor beschermde ongewervelden. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde ongewervelden afwezig. Hierdoor is het uitgesloten dat het voornemen leidt tot negatieve effecten op deze soortgroep. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van ongewervelden kan daarom op voorhand worden uitgesloten.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

11

Projectgerelateerd

5

CONCLUSIE EN ADVIES

5.1

Conclusie

Ten behoeve van het voornemen de projectlocatie aan de Industrieweg te Elst te ontwikkelen, is door Royal HaskoningDHV een QuickScan in het kader van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze QuickScan komt het volgende naar voren: • Het voorkomen van beschermde vaatplanten, vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen, vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, (nesten van) algemene broedvogels, vissen, reptielen en ongewervelden is niet te verwachten dan wel uitgesloten op basis van de algemene verspreidingsgegevens en aanwezige biotoop in het plangebied. • Het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën is te verwachten of niet op voorhand uitgesloten. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten wordt het voorkomen van konijn bewezen geacht. Van de amfibieën kan op voorhand het voorkomen van algemene soorten, als bruine kikker en gewone pad, niet worden uitgesloten. • Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is hierdoor niet noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten. Wél dienen voorzorgs- en mitigerende maatregelen genomen te worden om effecten zo veel als mogelijk te voorkomen, dan wel te verzachten.

• Voor niet onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten, geldt daarnaast te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk zijn.

5.2

Advies

Voor onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten geldt dat, indien mogelijk, voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om optredende negatieve effecten te voorkomen. Indien het voorkomen van negatieve effecten ondanks het nemen van maatregelen niet te voorkomen is, is het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk. Voor de optredende overtreding van verbodsbepalingen van het vrijgestelde konijn en algemene amfibieën hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Voor alle soorten geldt daarnaast vanuit de Wet natuurbescherming te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Onderstaand is een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen: • Omdat een konijnenburcht aanwezig is binnen het plangebied, moet doding van juveniele konijnen worden voorkomen. Het uitdrukkelijk te adviseren de te nemen maatregelen ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen en het beperken van optredende negatieve effecten, in een ecologisch werkprotocol uit te werken, én het afgraven van de burcht onder ecologische begeleiding te laten plaatsvinden. • Het ecologisch werkprotocol dient te zijn afgestemd op de omvang en aard van de voorgenomen werkzaamheden, en moet voorafgaande de start van werk (incl. het bouwrijp maken van het terrein) bij de aannemer of uitvoerder bekend zijn en in acht genomen worden.

• Er wordt op een dergelijk manier gewerkt dat aanwezige kleine (zoog)dieren, zoals konijnen of amfibieën, van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten (werk dus niet richting een doodlopende hoek of drukke weg) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben.

1 juni 2021

QS WNB-SOORTENBESCHERMING CELLENCOMPLEX ELST

BH6911WATRP2104151424

12

Bijlage 1: Beknopt kader natuurweten regelgevingtitel

Projectgerelateerd

Beknopt kader natuurwet en regelgeving De juridische kaders die volgen uit de Wnb en het beleid rond het NNN vormen het toetsingskader. Wat betreft de Wnb zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de wet), Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de wet) van belang in het licht van de voorgenomen activiteit. Bescherming van houtopstanden (Hoofdstuk 4 van de wet) is niet van toepassing voor het projectvoornemen. De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt de drie voorheen gebruikte natuurwetten (Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet) samen. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De uitwerking van de wet is vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming (Staatsblad, 2016). De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) een drietal hoofdstukken die relevant zijn voor voorliggend voornemen. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat over de Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 over soorten en hoofdstuk 4 over houtopstanden. Omdat onderhavige rapportage ingaat op het onderdeel Soortbescherming van de Wnb, is alleen dit onderdeel van de wet onderstaande beknopt opgenomen.

Soortenbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming behandelt de bescherming van soorten, de mogelijkheid om ontheffing te verlenen en dergelijke. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). In de wet zijn in de bijlagen 160 soorten opgenomen, ten aanzien waarvan onder deze wet verbodsbepalingen zijn geformuleerd die ten gevolge van een plan of project niet overtreden mogen worden. Is een dergelijke overtreding toch onlosmakelijk verbonden met een voornemen, dient hiervoor een ontheffing te worden verkregen. Er wordt onderscheid gemaakt in internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn art 3.1 en habitatrichtlijn in art 3.5) en nationaal beschermde soorten, ook wel overige soorten genoemd (in art 3.10). Internationaal beschermde soorten vallen onder het strengste beschermingsregime. Nationaal beschermde soorten genieten een minder strenge bescherming. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat voorwaardelijke opzettelijke verstoring van nationaal beschermde soorten niet meer verboden is. Voor nationaal beschermde soorten - ook wel: andere soorten - gelden de verbodsbepalingen op grond van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming zoals vermeld in Tabel 1.

Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen door middel van een verordening. De Provincie NoordBrabant heeft de provinciale verordening en vrijstelling vastgesteld. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten. Voorzorgs- en mitigerende maatregelen Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt.

1 juni 2021

BIJLAGE

BH6911WATRP2104151424

A1

Projectgerelateerd

Tabel 1: Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Wet natuurbescherming voor flora en fauna. HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. N.v.t.: Niet van toepassing. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2

Beschermingsregime andere soorten § 3.3

Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden opzettelijk te doden of te vangen. of te vangen.

Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art. 3.1 lid 4 Het is verboden vogels opzettelijk te storen.

Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 5 Opzettelijk storen is niet verboden indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een ontheffing worden aangevraagd. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Algemene zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend.

De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Opzettelijkheid In de Wnb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. 1 juni 2021

BIJLAGE

BH6911WATRP2104151424

A2

Projectgerelateerd

Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is.

Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat. Gebiedsbescherming Met het vervallen van de wettelijke bescherming van Beschermde of Staatsnatuurmonumenten ziet de Wet natuurbescherming voor wat betreft bescherming van gebieden uitsluitend op zogenoemde Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (respectievelijk richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG). Dit netwerk vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Een Natura 2000-gebied en bijbehorende instandhoudingsdoelen worden vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit, welke in tijd en ruimte worden uitgewerkt in een beheerplan. Samen vormen zij de juridische basis voor de Nederlandse gebiedsbescherming, waarbij de instandhoudingsdoelstellingen het gebied-specifieke toetsingskader vormen. De bescherming van Natura 2000 gebieden is in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming geregeld.

Projecten die - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen - de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren, die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000 gebieden of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning. Voor de vergunning van een dergelijk project of het vaststellen van een plan, zoals een bestemmingsplan, dient een Passende Beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen - te worden gemaakt (conform de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wet natuurbescherming). Houtopstanden De voormalige boswet is grotendeels overgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming.

1 juni 2021

BIJLAGE

BH6911WATRP2104151424

A3

Projectgerelateerd

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een apart beleidskader buiten de Wnb. De provincie Gelderland zorgt binnen haar grondgebied voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, en vormt daarmee onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie heeft daartoe gebieden aangewezen die tot dit netwerk behoren. Tevens wijst de provincie aan deze gebieden natuurdoelen met specifieke wezenlijke kenmerken en waarden toe. De regels voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland is in Noord-Brabant geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Gedeputeerde Staten kunnen gebieden gelegen buiten het NNN aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. In geval van directe negatieve effecten op de aangewezen wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen, geldt een compensatieplicht.

1 juni 2021

BIJLAGE

BH6911WATRP2104151424

A4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=31f2801c-538a-4f36-aeb4-ccff2cff94f1